Omgevingsverordening Noord-Brabant (Noord-Brabant)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant, stelt regels vast voor een goede, veilige en gezonde leefomgeving in de provincie Noord-Brabant, met een focus op waterveiligheid, wateroverlast en bepaalde activiteiten die de leefomgeving beïnvloeden.
Voor wie: Iedereen die activiteiten verricht binnen het ambtsgebied van de provincie Noord-Brabant die onder de regels van deze verordening vallen; Met name degenen die betrokken zijn bij waterbeheer, bodemenergiesystemen en milieubelastende activiteiten.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 321
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De omgevingskwaliteit en een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving.
- Omgevingswaarden voor waterveiligheid van regionale waterkeringen en wateroverlast in stedelijke en buitengebieden.
- Regels voor milieubelastende activiteiten, zoals het winnen van koolwaterstoffen en het gebruik van bodemenergiesystemen.
- Meldings- en vergunningsplichten voor diverse activiteiten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die activiteiten verricht binnen het ambtsgebied van de provincie Noord-Brabant die onder de regels van deze verordening vallen.
- Met name degenen die betrokken zijn bij waterbeheer, bodemenergiesystemen en milieubelastende activiteiten.
Wat zijn de kernpunten?
- De omgevingswaarde voor waterveiligheid van een regionale waterkering is een resultaatsverplichting.
- Voor wateroverlast in stedelijk gebied geldt een overstromingskans van 1/100 per jaar voor bebouwing en hoofdinfrastructuur, en 1/10 per jaar voor overige gebieden.
- Het is verboden om onconventionele winning van koolwaterstoffen te verrichten in een Diep grondwaterlichaam.
- Boringen voor een gesloten bodemenergiesysteem zijn alleen toegestaan tot de ter plaatse bepaalde maximum boordiepte en mogen alleen water, kaliumcarbonaat of monopropyleenglycol als circulatievloeistof gebruiken.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (321)
- Artikel 1.1 Begripsbepaling
- Artikel 1.2 Oogmerk
- Artikel 1.3 Locaties
- Artikel 1.4 (Vervallen)
- Artikel 1.5 (Vervallen)
- Artikel 2.1 Omgevingswaarde waterveiligheid regionale waterkering
- Artikel 2.2 Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied
- Artikel 2.3 Omgevingswaarde wateroverlast buiten stedelijk gebied
- Artikel 2.4 Normvrij gebied wateroverlast
- Artikel 2.5 Aanwijzen provinciale wegen
- Artikel 3.1 Toepassingsbereik
- Artikel 3.2 Normadressaat
- Artikel 3.3 Vergunningplicht
- Artikel 3.4 Meldplicht
- Artikel 3.5 Startmelding
- Artikel 3.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Artikel 3.7 Afbakening maatwerkmogelijkheden
- Artikel 3.8 Hardheidsclausule
- Artikel 3.9 Toepassingsbereik
- Artikel 3.10 Oogmerken
- Artikel 3.11 Aanwijzing milieubelastende activiteit Diep grondwaterlichaam
- Artikel 3.12 Verbod milieubelastende activiteit Diep grondwaterlichaam
- Artikel 3.13 Maatwerkregels gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 3.14 Maatwerkregel open bodemenergiesysteem
- Artikel 3.15 Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem
- Artikel 3.16 Aanvullende registratieplicht open bodemenergiesysteem
- Artikel 3.17 Meetverplichting wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 3.18 Maatwerkregel informatieplicht wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 3.19 Toepassingsbereik
- Artikel 3.20 Oogmerken
- Artikel 3.21 Schadelijke stoffen Waterwinning voor menselijke consumptie
- Artikel 3.22 Specifieke zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie
- Artikel 3.23 Informeren bevoegd gezag bij ongewoon voorval
- Artikel 3.24 Aanwijzing milieubelastende activiteit Waterwingebied
- Artikel 3.25 Verboden milieubelastende activiteit Waterwingebied
- Artikel 3.26 Startmelding activiteit op of in de bodem Waterwingebied
- Artikel 3.27 Meldplicht activiteit op of in de bodem Waterwingebied
- Artikel 3.28 Meldplicht toepassen grond en baggerspecie Waterwingebied
- Artikel 3.29 Aanwijzing milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.30 Verbod milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.31 Startmelding activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.32 Meldplicht aanleggen en onderhouden buisleiding
- Artikel 3.33 Meldplicht sportveld met kunstgras Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.34
- Artikel 3.35 Meldplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbe
- Artikel 3.36 (vervallen)
- Artikel 3.37 Meldplicht parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.38 Meldplicht andere lozingen dan afstromend hemelwater
- Artikel 3.39 Startmelding evenement Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 3.40 Algemene regel en meldplicht toepassen grond en baggerspecie Grondwate
- Artikel 3.41 Aanwijzing milieubelastende activiteit Boringsvrije zone
- Artikel 3.42 Verbod milieubelastende activiteit Boringsvrije zone
- Artikel 3.43 Startmelding activiteiten in de bodem Boringsvrije zone
- Artikel 3.44 Startmelding warmtetoevoeging en -onttrekking Boringsvrije zone
- Artikel 3.45 Toepassingsbereik
- Artikel 3.46 Oogmerken
- Artikel 3.47 Aanwijzing module: Voorafgaand bodemonderzoek
- Artikel 3.48 Risicobeoordeling algemene grondwaterkwaliteit
- Artikel 3.49 Risicobeoordeling kwetsbaar gebied
- Artikel 3.50 Resultaten risicobeoordeling
- Artikel 3.51 Maatregelen na uitvoering risicobeoordeling
- Artikel 3.52 Aanwijzing vergunningplichtige grondwatersanering
- Artikel 3.53 Aanwijzing vergunningvrije grondwatersanering
- Artikel 3.54 Informatieplicht beëindigen activiteit
- Artikel 3.55 Toepassingsbereik
- Artikel 3.56 Treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen
- Artikel 3.57 Gedoogplicht maatregelen toevalsvondst verontreiniging grondwater
- Artikel 3.58 Toepassingsbereik
- Artikel 3.59 Oogmerken
- Artikel 3.60 Specifieke zorgplicht Gesloten stortplaats
- Artikel 3.61 Aanwijzing milieubelastende activiteit Gesloten stortplaats
- Artikel 3.62 Vergunningplicht milieubelastende activiteit Gesloten stortplaats
- Artikel 3.63 Toepassingsbereik
- Artikel 3.64 Oogmerken
- Artikel 3.65 Aanwijzing ontgrondingsactiviteit
- Artikel 3.66 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
- Artikel 3.67 Aanwijzing meldplichtige ontgrondingsactiviteiten
- Artikel 3.68 Toepassingsbereik
- Artikel 3.69 Oogmerken
- Artikel 3.70 Specifieke zorgplicht Stiltegebied
- Artikel 3.71 Streefwaarde Stiltegebied
- Artikel 3.72 Maatwerkregel milieubelastende activiteit Stiltegebied
- Artikel 3.73 Maatwerkregel milieubelastende activiteit Attentiezone stiltegebied
- Artikel 3.74 Maatwerkvoorschrift
- Artikel 3.75 Aanwijzing milieubelastende activiteit Stiltegebied
- Artikel 3.76 Verbod milieubelastende activiteit Stiltegebied
- Artikel 3.77 Meldplicht activiteit ten behoeve van algemeen nut
- Artikel 3.78 Meldplicht evenement Stiltegebied
- Artikel 3.79 Meldplicht mobiel evenement Stiltegebied
- Artikel 3.80 Toepassingsbereik
- Artikel 3.81 Oogmerken
- Artikel 3.82 Aanwijzing vergunningvrije flora- en faunactiviteit algemeen
- Artikel 3.83 Maatwerkregel bescherming van vogels tegen landbouwwerkzaamheden
- Artikel 3.84 Maatwerkregel bescherming van amfibieën tegen verkeer
- Artikel 3.85 Maatwerkregel vangen en vervoeren amfibieën voor onderzoek en onderwij
- Artikel 3.86 Maatwerkregel bezit- en vervoersverbod voor onderzoek en onderwijs
- Artikel 3.87 Maatwerkregel uitzetten dieren of eieren van dieren
- Artikel 3.88 Maatwerkregel schadeveroorzakende soorten
- Artikel 3.89 Maatwerkregel overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom
- Artikel 3.90 Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganze
- Artikel 3.91 één-op-één beheermethode wilde zwijnen
- Artikel 3.92 Maatwerkregel meld- en herplantplicht houtopstanden
- Artikel 3.93 Eisen herplanting houtopstanden
- Artikel 3.94 Maatwerkvoorschriften herplantplicht houtopstanden
- Artikel 3.95 Maatwerkregel vellingsmelding houtopstanden
- Artikel 3.96 Gegevens en bescheiden vellen houtopstand
- Artikel 3.97 Aanwijzen vergunningvrije Natura 2000-activiteit
- Artikel 3.98 Maatwerkregels huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij
- Artikel 3.99 Maatwerkregels huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij
- Artikel 3.100 Uitzondering natuurinclusieve veehouderij
- Artikel 3.101 (gereserveerd)
- Artikel 3.102 Lijst met systemen
- Artikel 3.103 (gereserveerd)
- Artikel 3.104 (gereserveerd)
- Artikel 3.105 (gereserveerd)
- Artikel 3.106 (gereserveerd)
- Artikel 3.107 Toepassingsbereik
- Artikel 3.108 Oogmerken
- Artikel 3.109 Specifieke zorgplicht
- Artikel 3.110 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteit
- Artikel 3.111 Verbod verrichten beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
- Artikel 3.112 Vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
- Artikel 3.113 Meldplicht beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
- Artikel 4.1 Toepassingsbereik
- Artikel 4.2 Oogmerken
- Artikel 4.3 Normadressaat
- Artikel 4.4 Gegevens en bescheiden vergunningplicht
- Artikel 4.5 Ontheffing
- Artikel 4.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwatersanering
- Artikel 4.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Gesloten stortplaats
- Artikel 4.8 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Provinciale weg
- Artikel 4.9 Aanvullende beoordelingsregels werkzaamheden Provinciale weg
- Artikel 4.10 Aanvullende beoordelingsregels uitweg Provinciale weg
- Artikel 4.11 Aanvullende beoordelingsregels kabels en leidingen Provinciale weg
- Artikel 4.12 Aanvullende beoordelingsregels lozen hemelwater Provinciale weg
- Artikel 4.13 Aanvullende beoordelingsregels aanduiding Provinciale weg
- Artikel 4.14 Aanvullende beoordelingsregels kunstobject Provinciale weg
- Artikel 4.14a Aanvullende beoordelingsregels beschilderen kunstwerk
- Artikel 4.15 Aanvullende beoordelingsregels voorwerpen Provinciale weg
- Artikel 4.16 Aanvullende beoordelingsregels evenement Provinciale weg
- Artikel 4.17 Aanvullende beoordelingsregels wateractiviteit
- Artikel 4.18 Aanvullende beoordelingsregel wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 5.1 Toepassingsbereik
- Artikel 5.2 Normadressaat
- Artikel 5.3 Rangorde
- Artikel 5.4 Bestaand ruimtebeslag
- Artikel 5.5 Algemene maatwerkbepaling
- Artikel 5.6 Ontheffing
- Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
- Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik
- Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering
- Artikel 5.10 Meerwaardecreatie
- Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap
- Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting
- Artikel 5.13 Maatwerk voor verplaatsing van functies en activiteiten
- Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit
- Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel
- Artikel 5.16 Waterwingebied
- Artikel 5.17 Grondwaterbeschermingsgebied
- Artikel 5.18 Boringsvrije zone
- Artikel 5.18a Grondwatermeetpunt
- Artikel 5.19 Nazorgmaatregelen grondwatersanering
- Artikel 5.20 Voorafgaand onderzoek bij bouwactiviteit
- Artikel 5.21 Verbod bouwactiviteit mobiele verontreinigingssituatie
- Artikel 5.22 Milieubelastende activiteit met gevolgen voor het watersysteem
- Artikel 5.23 Milieubelastende activiteit bodemsanering met risico voor het grondwat
- Artikel 5.24 Verbod op rechtstreeks lozen in grondwater
- Artikel 5.25 Lozing van verontreinigd grondwater op of in de bodem
- Artikel 5.26 Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsri
- Artikel 5.27 Attentiezone geluid provinciale weg
- Artikel 5.28 Toedeling activiteiten en functies in Stiltegebied
- Artikel 5.29 Externe werking Stiltegebied
- Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant
- Artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant
- Artikel 5.32 Maatwerk ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant
- Artikel 5.33 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant
- Artikel 5.34 Toepassing van het Nee, tenzij-principe
- Artikel 5.35 Toepassing van de saldobenadering
- Artikel 5.36 Ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden
- Artikel 5.37 Compensatie
- Artikel 5.38 Fysieke compensatie
- Artikel 5.39 Financiële compensatie
- Artikel 5.40 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone
- Artikel 5.41 Attentiezone waterhuishouding
- Artikel 5.42 Behoud en herstel van watersystemen
- Artikel 5.43 Aardkundige waarden
- Artikel 5.44 Cultuurhistorische waarden
- Artikel 5.45 Hollandse Waterlinies
- Artikel 5.46 Groenblauwe waarden
- Artikel 5.47 Aansluiting primaire waterkering
- Artikel 5.48 Rivierbed
- Artikel 5.49 Regionale waterberging
- Artikel 5.50 Reservering waterberging
- Artikel 5.51 Windturbines in Landelijk gebied
- Artikel 5.52 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant
- Artikel 5.53 Windturbines in Stedelijk gebied
- Artikel 5.54 Zonneparken in Landelijk gebied
- Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling
- Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling
- Artikel 5.56a Grootschalige logistiek
- Artikel 5.57 Maatwerk in Bebouwd gebied
- Artikel 5.58 Maatwerk voor collectieve woonvormen
- Artikel 5.59 Maatwerk voor stedelijke functies in kernrandzones
- Artikel 5.60 Verkeersdoeleinden
- Artikel 5.61 Tijdelijk verbod geitenhouderij
- Artikel 5.62 Veehouderij in Stedelijk gebied
- Artikel 5.63 Veehouderij in Landelijk gebied
- Artikel 5.64 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf
- Artikel 5.65 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij
- Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen
- Artikel 5.67 Maatwerk omvang bouwperceel veehouderij
- Artikel 5.68 Teeltbedrijf
- Artikel 5.69 Teeltgebied Zundert
- Artikel 5.70 Glastuinbouwbedrijf
- Artikel 5.71 Aanvullende regeling glas-voor-glas
- Artikel 5.72 Glastuinbouwconcentratiegebied
- Artikel 5.73 Overig-agrarisch bedrijf
- Artikel 5.74 Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch-verwant bedrijf
- Artikel 5.75 Mestbewerking
- Artikel 5.76 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf
- Artikel 5.77 Wonen
- Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit
- Artikel 5.79 Vrijetijdsvoorziening
- Artikel 6.1 Toepassingsbereik
- Artikel 6.2 Normadressaat
- Artikel 6.3 Ontheffing instructieregels
- Artikel 6.4 Doorwerking omgevingswaarde waterveiligheid
- Artikel 6.5 Uitstel resultaatsplicht omgevingswaarde waterveiligheid
- Artikel 6.6 Toetsing omgevingswaarde waterveiligheid regionale waterkering
- Artikel 6.7 Doorwerking omgevingswaarden wateroverlast
- Artikel 6.8 Toedeling watersysteembeheer
- Artikel 6.9 Toedeling beheer Provinciale vaarweg
- Artikel 6.10 Beheerdoelstelling Provinciale vaarweg
- Artikel 6.11 Scheepvaartklasse CEMT
- Artikel 6.12 Scheepvaartklasse BRTN
- Artikel 6.13 Opdracht tot regeling en bestuur Provinciale vaarweg
- Artikel 6.14 Toezicht beheer Provinciale vaarweg
- Artikel 6.15 Doorwerking gebiedsbegrenzing
- Artikel 6.16 Aanvullende bepalingen waterbeheerprogramma
- Artikel 6.17 Duiding gevaarlijke verontreinigende stoffen waterbeheerprogramma
- Artikel 6.18 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteit
- Artikel 6.19 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 6.20 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 6.21 Aanvullende bepalingen waterstaatswerken
- Artikel 6.22 Maatwerkregel leggerplicht voor oppervlaktewaterlichamen
- Artikel 6.23 Inhoud projectbesluit
- Artikel 6.24 Vaststelling peilbesluiten
- Artikel 6.25 Aanvulling inhoud peilbesluit
- Artikel 6.26 Herziening peilbesluit
- Artikel 7.1 Toepassingsbereik
- Artikel 7.2 Normadressaat
- Artikel 7.3 Projectbesluit
- Artikel 7.4 Verplichtingen voor Gedeputeerde Staten
- Artikel 7.5 Instellen regionaal omgevingsoverleg
- Artikel 7.6 Werkwijze regionaal omgevingsoverleg
- Artikel 7.7 Prognoses
- Artikel 7.8 Regionale omgevingsagenda
- Artikel 7.9 Uitwerking regionale omgevingsagenda
- Artikel 7.10 Maatwerkregel bijzondere weersomstandigheden
- Artikel 7.11 Ontheffing wedstrijd met voertuigen in meerdere gemeenten
- Artikel 7.12 Verklaring van geen bezwaar wedstrijd met voertuigen in een gemeente
- Artikel 7.13 Bebording Waterwinning voor menselijke consumptie
- Artikel 7.14 Bebording Stiltegebied
- Artikel 7.15 Aanwijzen houder zwemlocatie
- Artikel 7.16 Advisering omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit
- Artikel 7.17 Advisering huisvestingssysteem veehouderij
- Artikel 7.18 Advisering zorgvuldige veehouderij
- Artikel 7.19 Evaluatie omgevingsverordening
- Artikel 7.20 Evaluatie Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij
- Artikel 7.21 Monitoring N-depositie
- Artikel 7.22 Rapportage uitvoering financiële compensatie
- Artikel 7.23 Rapportage Versterken omgevingskwaliteit
- Artikel 7.24 Rapportage faunabeschermende maatregelen bij windturbines
- Artikel 8.1 Werkgebied faunabeheereenheid
- Artikel 8.2 Bestuurssamenstelling
- Artikel 8.3 Taken en verantwoordelijkheden faunabeheereenheid
- Artikel 8.4 Jaarlijks verslag
- Artikel 8.5 Geldigheidsduur
- Artikel 8.6 Reikwijdte
- Artikel 8.7 Algemene eisen faunabeheerplan
- Artikel 8.8 Aanvullende eisen met betrekking tot de beperking van de omvang van po
- Artikel 8.9 Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van vr
- Artikel 8.10 Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van ee
- Artikel 8.11 Eisen met betrekking tot de jacht
- Artikel 8.12 Goedkeuring
- Artikel 8.13 Oppervlakte en begrenzing
- Artikel 8.14 Statuten
- Artikel 8.15 Tellingen en registratie
- Artikel 8.16 Informatieverstrekking
- Artikel 8.17 Toedeling beheer vaarwegen
- Artikel 8.18 Toepassingsbereik
- Artikel 8.19 Verplichtingen houder zwemlocatie
- Artikel 8.20 Maatwerkregel informatieverstrekking
- Artikel 9.1 Registratie gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 9.2 Registratieplicht bodeminformatiesysteem
- Artikel 9.3 Rapportage versterken omgevingskwaliteit
- Artikel 9.4 Registratieplicht tijdelijke functies en activiteiten
- Artikel 9.5 Rapportage omgevingswaarde regionale waterkeringen
- Artikel 9.6 Rapportage omgevingswaarde wateroverlast
- Artikel 9.7
- Artikel 9.8 Informatieplicht actuele tekortkomingen van waterkeringen
- Artikel 9.9 Grondwaterregister
- Artikel 9.10 Informatieplicht grondwatersanering
- Artikel 10.1 Overgangsrecht besluiten
- Artikel 10.2 Eerbiedigende werking
- Artikel 10.3 Overgangsrecht meldingen
- Artikel 10.4 Overgangsrecht gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 10.5 Overgangsrecht besluiten voormalige stortplaatsen
- Artikel 10.6 Overgangsrecht Bodemsaneringen
- Artikel 10.7 Overgangsrecht herplantplicht bij omvormen naar andere natuurbeheertyp
- Artikel 10.8 Overgangsrecht gerealiseerde nieuwe stallen
- Artikel 10.9 Overgangsrecht huisvestingssysteem nieuwe stallen
- Artikel 10.10 Vervallen
- Artikel 10.11 Eerbiedigende werking bestaande activiteiten en functies
- Artikel 10.12 Overgangsrecht omgevingsplan
- Artikel 10.13
- Artikel 10.14 Intrekking
- Artikel 10.15 Citeertitel
- Artikel 8.84
- Artikel 11.69 Besluit
- Artikel 2.6 Omgevingswet
/akn/nl/act/provincie/2025/CVDR743334 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv30/2025/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2025-08-11 2025-08-11 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR743334/nld@2025-08-12 /join/id/proces/pv30/2025/doel_219_e13999370eed4e05b71846305d2a3123 2025-08-12 2025-09-20 2025-08-12 2025-09-20 2025-08-12 2025-09-20 /akn/nl/act/pv30/2025/omgevingsverordening/nld@2025-08-11;1 /akn/nl/act/pv30/2025/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv30/2025/omgevingsverordening/nld@2025-08-11;1 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsverordening Noord-Brabant
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepaling
Bijlage I Begripsbepalingen bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.
Artikel 1.2Oogmerk
Deze omgevingsverordening is, met het oog op de doelen van de wet en de Brabantse omgevingsvisie 'De Kwaliteit van Brabant', gericht op: a. een goede, veilige en gezonde leefomgeving; b. het in stand houden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; c. een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving; en d. het realiseren van maatschappelijke opgaven.
Artikel 1.3Locaties
De regels in deze Omgevingsverordening gelden binnen het ambtsgebied van de provincie Noord-Brabant, tenzij in de regels een specifiek gebied of specifieke locatie is vastgelegd of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is.
Artikel 1.4(Vervallen)
Artikel 1.5(Vervallen)
Hoofdstuk 2
Omgevingswaarden
Paragraaf 2.1
Omgevingswaarde waterveiligheid
Artikel 2.1Omgevingswaarde waterveiligheid regionale waterkering
1 De gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die een Regionale waterkering veilig moet kunnen keren is de ter plaatse van Gemiddelde overschrijdingskans regionale waterkering bepaalde waarde.
2 Bij de bepaling van het waterkerend vermogen wordt rekening gehouden met de waterstanden in relatie tot de overschrijdingskans, zoals weergegeven in Bijlage VIII.
3 Het verwezenlijken van de omgevingswaarde waterveiligheid betreft een resultaatsverplichting.
4 Voor een Compartimenteringskering geldt als omgevingswaarde waterveiligheid het feitelijk profiel van de compartimenteringskering, zoals vastgelegd in de legger van het waterschap.
Paragraaf 2.2
Omgevingswaarde wateroverlast
Artikel 2.2Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied
1 Binnen Norm wateroverlast stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van: a.
1/100 per jaar voor gebieden die in een omgevingsplan aangewezen zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b.
1/10 per jaar voor overige gebieden.
2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Afwijkende norm wateroverlast stedelijk gebied als norm een overstromingskans van 1/150 per jaar.
3 Het verwezenlijken van de omgevingswaarde wateroverlast betreft een inspanningsverplichting.
Artikel 2.3Omgevingswaarde wateroverlast buiten stedelijk gebied
1 Binnen Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van: a.
1/100 per jaar voor gebieden die in een omgevingsplan aangewezen zijn voor de doeleinden hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b.
1/50 per jaar voor gebieden met glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; c.
1/25 per jaar voor gebied met akkerbouw; d.
1/10 per jaar voor grasland en overige gebieden.
2 Voor bebouwing binnen Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt de omgevingswaarde wateroverlast van het omringende landgebruik.
3 Binnen Afwijkende norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van 1/10 per jaar voor landgebruik en bebouwing.
4 Het verwezenlijken van de omgevingswaarde wateroverlast betreft een inspanningsverplichting.
Artikel 2.4Normvrij gebied wateroverlast
Binnen Normvrij gebied geldt geen omgevingswaarde wateroverlast.
Paragraaf 2.3
Omgevingswaarde geluid provinciale weg
Artikel 2.5Aanwijzen provinciale wegen
Voor alle provinciale wegen worden geluidproductieplafonds vastgesteld als bedoeld in artikel 2.13a van de wet .
Hoofdstuk 3
Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten
Afdeling 3.1
Algemeen
Artikel 3.1Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk gaat over: a. algemene regels voor beperkingengebiedactiviteiten in daarvoor aangewezen gebieden; b. algemene regels voor milieubelastende activiteiten in daarvoor aangewezen gebieden; en c. maatwerkregels in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving over de milieubelastende activiteit inhoudende de aanleg en het gebruik van een open en gesloten bodemenergiesysteem, wateronttrekkingsactiviteiten, activiteiten met mogelijk nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden, flora- en faunactiviteiten, het vellen van houtopstanden en herbeplantingsplichten.
Artikel 3.2Normadressaat
Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 3.3Vergunningplicht
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag, bedoeld in dit hoofdstuk, past het bevoegd gezag de beoordelingsregels toe die zijn opgenomen in Hoofdstuk 4 Instructieregels omgevingsvergunning.
Artikel 3.4Meldplicht
1 Een melding wordt ten minste vier weken voordat de activiteit, waarop de melding betrekking heeft, wordt gestart, gedaan aan Gedeputeerde Staten en bevat: a. een ondertekening; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. de dagtekening; d. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; e. het adres en de kadastrale gegevens waar de activiteit wordt verricht, ook aangegeven op een of meer kaarten met een dusdanige schaal dat dit een duidelijk beeld geeft van de locatie; f. de startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit; g. de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie; h. de gegevens en bescheiden opgenomen in Bijlage III; i. een onderbouwing dat wordt voldaan aan de algemene regels in dit hoofdstuk die gelden voor de activiteit.
2 Tenzij Gedeputeerde Staten aan indiener binnen vier weken na het doen van de melding hebben medegedeeld dat niet volstaan kan worden met de melding, wordt eerst aangevangen met het verrichten van de activiteit na afloop van de termijn van vier weken en op de in de melding aangegeven startdatum.
3 De mededeling bedoeld in het tweede lid kan maatwerkvoorschriften bevatten of aankondigen.
4 Ten minste twee weken voordat de startdatum voor het verrichten van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder f, wijzigt, wordt de gewijzigde startdatum verstrekt aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.5Startmelding
Een startmelding wordt ten minste twee weken voordat tot de activiteit, waarop de startmelding betrekking heeft, wordt overgegaan, gedaan aan Gedeputeerde Staten en bevat: a. een ondertekening; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. de dagtekening; d. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; e. het adres en de kadastrale gegevens waar de activiteit wordt verricht, ook aangegeven op een of meer kaarten met een dusdanige schaal dat dit een duidelijk beeld geeft van de locatie; f. de startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit; g. de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie; h. een onderbouwing dat wordt voldaan aan de algemene regels uit dit hoofdstuk die gelden voor de activiteit.
Artikel 3.6Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1 Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, of artikel 3.5 wijzigen worden de gegevens daarover verstrekt aan Gedeputeerde Staten.
2 Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in dit hoofdstuk, door een ander zal gaan worden verricht, worden de gegevens daarover verstrekt aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.7Afbakening maatwerkmogelijkheden
1 Het is niet mogelijk met maatwerkregels af te wijken van de algemene regels die in dit hoofdstuk zijn gesteld.
2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van dit hoofdstuk als dat past binnen het oogmerk van de regels, tenzij anders is bepaald.
Artikel 3.8Hardheidsclausule
1 Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzonder geval de algemene regels uit dit hoofdstuk buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover, gelet op de betrokken belangen, toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en als het doel waarvoor de regel is vastgesteld hierdoor niet wordt geschaad.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de verplichting tot het doen van een melding; b. de verplichting tot het doen van een aanvraag van een omgevingsvergunning.
Afdeling 3.2
Grondwater algemeen
Paragraaf 3.2.1
Algemeen
Artikel 3.9Toepassingsbereik
1 Deze afdeling is van toepassing op de volgende milieubelastende activiteiten: a. de onconventionele winning van koolwaterstoffen; b. het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem als bedoeld in paragraaf 4.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2 Deze afdeling is ook van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.10Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het bewaken van de basiskwaliteit van het grondwater; b. het beschermen van de diepere watervoerende pakketten tegen verontreiniging; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het beschermen en verbeteren van de kwantitatieve toestand van watersystemen; en e. het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de wet aan watersystemen zijn toegekend.
Paragraaf 3.2.2
Inhoudelijke regels Grondwater algemeen
Artikel 3.11Aanwijzing milieubelastende activiteit Diep grondwaterlichaam
Als milieubelastende activiteit binnen de locatie Diep grondwaterlichaam wordt aangewezen de onconventionele winning van koolwaterstoffen.
Artikel 3.12Verbod milieubelastende activiteit Diep grondwaterlichaam
Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in Artikel 3.11, te verrichten.
Artikel 3.13Maatwerkregels gesloten bodemenergiesysteem
1 In aanvulling op paragraaf 4.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor een gesloten bodemenergiesysteem dat: a. boringen alleen zijn toegestaan tot de diepte ter plaatse van Maximum boordiepte bepaalde waarde onder maaiveld; en b. uitsluitend water, kaliumcarbonaat of monopropyleenglycol, zonder additieven, zijn toegestaan als circulatievloeistof.
2 In aanvulling op artikel 4.1137 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden over een gesloten bodemenergiesysteem ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de gebruikte circulatievloeistof; en b. de wijze van afdichten.
3 Het gesloten bodemenergiesysteem wordt door het bevoegd gezag geregistreerd in het Landelijk Grondwater Register overeenkomstig de informatieplicht, bedoeld in Artikel 9.1.
4 Het is niet mogelijk om met toepassing van Artikel 3.7, tweede lid, af te wijken van de maatwerkregels in dit artikel.
Artikel 3.14Maatwerkregel open bodemenergiesysteem
1 In aanvulling op paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn boringen voor een open bodemenergiesysteem alleen toegestaan tot een diepte van 80 m of tot de ter plaatse van Maximum boordiepte bepaalde waarde onder maaiveld.
2 Het is niet mogelijk om met toepassing van Artikel 3.7, tweede lid, af te wijken van de maatwerkregels in dit artikel.
Artikel 3.15Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem
Een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet vereist als: a. de onttrekking plaatsvindt waar Geen attentiezone waterhuishouding ligt; b. de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt; en c. een melding is gedaan, bedoeld in Artikel 3.4.
Artikel 3.16Aanvullende registratieplicht open bodemenergiesysteem
1 In aanvulling op artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de jaarlijks onttrokken hoeveelheid grondwater bij een open bodemenergiesysteem geregistreerd.
2 In aanvulling op artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de gegevens en bescheiden over de jaarlijks onttrokken hoeveelheid grondwater verstrekt aan het bevoegd gezag.
Artikel 3.17Meetverplichting wateronttrekkingsactiviteit
In aanvulling op paragraaf 16.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij het verrichten van een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving dat: a. de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water gemeten wordt met een nauwkeurigheid van ten minste 95%; b. de kwaliteit van het in de bodem te brengen water, bedoeld in artikel 16.3, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gemeten en geanalyseerd volgens de hieronder in tabel 3.17 opgenomen parameters en aangegeven frequentie; en c. de analyse van de monsters plaatsvindt overeenkomstig bijlage 4 van de Drinkwaterregeling.
Tabel 3.17 Parameter Afkorting Frequentie Bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks Zwevende stof SS vierwekelijks Geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks Temperatuur T vierwekelijks Zuurgraad pH vierwekelijks Opgelost zuurstof O2 vierwekelijks Totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks Bicarbonaat HCO3 vierwekelijks Nitriet NO2 vierwekelijks Nitraat NO3 vierwekelijks Ammonium NH4 vierwekelijks Totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks Fluoride F driemaandelijks Chloride Cl vierwekelijks Sulfaat SO4 driemaandelijks Natrium Na driemaandelijks Ijzer Fe driemaandelijks Mangaan Mn driemaandelijks Chroom Cr driemaandelijks Lood Pb driemaandelijks Koper Cu driemaandelijks Zink Zn driemaandelijks Cadmium Ca driemaandelijks Arseen As driemaandelijks Cyanide CN driemaandelijks Minerale olie vierwekelijks Adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks Vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks Vluchtige aromaten vierwekelijks Polycyclische aromaten PAK driemaandelijks Fenolen driemaandelijks
Artikel 3.18Maatwerkregel informatieplicht wateronttrekkingsactiviteit
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of als de activiteit, bedoeld in artikel 16.3, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is beëindigd binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorafgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en in de bodem gebracht water; en b. de kwaliteit van het in de bodem gebrachte water.
Afdeling 3.3
Waterwinning voor menselijke consumptie
Paragraaf 3.3.1
Algemeen
Artikel 3.19Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van milieubelastende activiteiten binnen de locatie Waterwinning voor menselijke consumptie.
Artikel 3.20Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van water dat wordt gewonnen voor menselijke consumptie; b. het bewaken van de basiskwaliteit van het grondwater; c. het voorkomen van verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater door gebruik, het lozen en de uitspoeling van schadelijke stoffen; d. het beperken van werkzaamheden in de bodem, die verstorend werken op de kwaliteit van het grondwater; e. het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord; en f. het beschermen van de kwaliteit van het rivierwater binnen de Beschermingszone rivierwaterwinning.
Artikel 3.21Schadelijke stoffen Waterwinning voor menselijke consumptie
Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende stoffen, mengsels, materialen en producten aangewezen als schadelijke stof: a. stoffen en mengsels als bedoeld in Bijlage V; b. stoffen en mengsels die door het RIVM zijn aangewezen als zeer zorgwekkende stof of potentieel zeer zorgwekkende stof; en c. gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Artikel 3.22Specifieke zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie
1 Degene die een activiteit verricht binnen de locatie Waterwinning voor menselijke consumptie en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.20, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2 De zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; en d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 3.23Informeren bevoegd gezag bij ongewoon voorval
1 Gedeputeerde Staten worden onverwijld op de hoogte gesteld van een ongewoon voorval binnen Waterwinning voor menselijke consumptie, waarbij gevaar dreigt voor een direct optredende of dreigende verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.
2 In afwijking van het eerste lid wordt Rijkswaterstaat onverwijld op de hoogte gesteld van een ongewoon voorval binnen de Beschermingszone rivierwaterwinning, waarbij gevaar dreigt voor een direct optredende of dreigende verontreiniging van het rivierwater.
3 Bij het onverwijld op de hoogte stellen van het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de gegevens en bescheiden verstrekt die zijn opgenomen in Bijlage III.
Paragraaf 3.3.2
Inhoudelijke regels Waterwingebied
Artikel 3.24Aanwijzing milieubelastende activiteit Waterwingebied
1 Als milieubelastende activiteit binnen Waterwingebied wordt aangewezen: a. het gebruik of aanwezig hebben van een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.21; b. het verrichten van activiteiten op of in de bodem; c. het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as; d. het toepassen van uitloogbare materialen bij bouwwerken; e. het gebruiken van gronden als parkeerterrein; f. het houden van een evenement; g. een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2 Niet aangewezen zijn: a. het winnen van grondwater voor menselijke consumptie met alle daarvoor noodzakelijke activiteiten; b. het verrichten van bij normaal gebruik van gronden behorende werkzaamheden in de bodem, waaronder groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten; c. het tijdelijk uitnemen van grond als die op of nabij het ontgravingsprofiel wordt teruggebracht in de bodem; d. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding; e. het aanwezig hebben van een stof in een reservoir dat onderdeel is van een motorvoertuig, motorwerktuig of bromfiets, als die stof nodig is voor het functioneren daarvan; f. het vervoeren van stoffen, als die afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op een manier zodat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; g. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, voor zover deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden; h. beweiding van de grond door een veehouderij met een intensiteit van ten hoogste 2 GVE /ha; i. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.25Verboden milieubelastende activiteit Waterwingebied
Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 3.24 te verrichten.
Artikel 3.26Startmelding activiteit op of in de bodem Waterwingebied
Het verbod om activiteiten te verrichten op of in de bodem in Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.24, eerste lid, onder b, in samenhang met Artikel 3.25, geldt niet voor de volgende activiteiten, als daarvoor een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5: a. het aanbrengen van aardpennen; b. het onderzoeken van de bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1 en 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij in het geval van:
Artikel 3.27Meldplicht activiteit op of in de bodem Waterwingebied
1 Het verbod om activiteiten te verrichten op of in de bodem in Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.24, eerste lid, onder b, in samenhang met Artikel 3.25, geldt niet voor de volgende activiteiten, als daarvoor een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4: a. de aanleg van paden voor niet-gemotoriseerd vervoer; b. activiteiten in de bodem gericht op behoud en ontwikkeling van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie; c. het realiseren van civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer; of d. de aanleg van kabels en leidingen, anders dan een buisleiding.
2 De melding bevat een verantwoording dat: a. het verrichten van de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het daarin bevindende grondwater; en b. realistische alternatieven buiten het waterwingebied ontbreken, ingeval de activiteit het aanleggen van kabels en leidingen betreft.
Artikel 3.28Meldplicht toepassen grond en baggerspecie Waterwingebied
1 Het verbod om grond en baggerspecie toe te passen in Waterwingebied, bedoeld in Artikel 3.24, eerste lid, onder c in samenhang met Artikel 3.25, geldt niet als daarvoor een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4 en is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem als deze voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of b. het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam als deze voldoet aan de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.
2 Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en afkomstig is uit hetzelfde Waterwingebied, geldt in aanvulling op het eerste lid dat de grond of baggerspecie niet meer PFOA bevat dan 1,9 µg/kg d.s. en niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 µg/kg d.s.
3 Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en niet afkomstig is uit hetzelfde Waterwingebied, geldt in aanvulling op het eerste lid dat: a. de grond of baggerspecie niet meer PFAS bevat dan 0,1 µg/kg d.s.; of b. de grond of baggerspecie voldoet aan de gebiedskwaliteit, niet meer PFOA bevat dan 1,9 µg/kg d.s., niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 µg/kg d.s. en er door de activiteit en het grondverzet van daarmee samenhangende activiteiten geen netto toename is van de totale hoeveelheid individuele PFAS in Waterwingebied.
4 De kwaliteit van de grond of baggerspecie is, in aanvulling op artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM.
5 In afwijking van het eerste lid is geen melding vereist als de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijk persoon, anders dan in het uitoefenen van diens beroep of bedrijf, en ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal wordt toegepast.
Paragraaf 3.3.3
Inhoudelijke regels Grondwaterbeschermingsgebied
Artikel 3.29Aanwijzing milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied
1 Als milieubelastende activiteit binnen Grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen: a. het bedrijfsmatig gebruiken of aanwezig hebben van een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.21; b. het opslaan van dierlijke mest van meer dan 10 dieren zonder bodembeschermende maatregelen; c. het aanleggen van een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as; d. het aanleggen en gebruiken van bodemenergiesystemen en activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater; e. het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van 3 m of meer; f. het aanleggen, onderhouden of verwijderen van een buisleiding; g. het aanleggen van een sportveld met kunstgras of het vervangen, renoveren of plegen van groot onderhoud van een bestaand sportveld met kunstgras; h. het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem; i. het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen voor gemotoriseerd verkeer op of in de bodem; j. het gebruiken van gronden als parkeerterrein met inbegrip van het lozen van afstromend hemelwater van dat terrein; k. het lozen van ander afvalwater dan hemelwater op of in de bodem; l. het houden van een evenement; m. het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam.
2 Niet aangewezen zijn: a. activiteiten die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie; b. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het tijdelijk uitnemen van grond als die op of nabij het ontgravingsprofiel wordt teruggebracht in de bodem; d. het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden waarvoor geen restrictie is opgenomen in het wettelijk gebruiksvoorschrift voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebied; e. het houden van een evenement dat geen gebruik maakt van voorzieningen die een risico kunnen geven op verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater, zoals aggregaten, olie- en brandstoftanks, overige tijdelijke elektriciteits- en warmtevoorzieningen, catering- of toiletvoorzieningen. f. het aanwezig hebben van een schadelijke stof in een reservoir dat onderdeel is van een motorvoertuig, motorwerktuig of bromfiets, als die stof nodig is voor het functioneren daarvan; g. het vervoeren van een schadelijke stof als die afdoende is beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op een manier zodat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; h. het hebben of gebruiken van een geringe hoeveelheid schadelijke stof, anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, voor normaal gebruik, voor zover deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden; i. het lozen van afvalwater dat uitsluitend bestaat uit grondwater afkomstig van bronbemaling.
Artikel 3.30Verbod milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied
Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.29 te verrichten.
Artikel 3.31Startmelding activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied
Het verbod om activiteiten te verrichten in de bodem op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder e, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet in één of meer van onderstaande gevallen als de werkzaamheden worden verricht tot de diepte ter plaatse van Maximum boordiepte grondwaterbeschermingsgebied bepaalde waarde en als voor die activiteit een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5: a. het onderzoeken en saneren van de bodem, bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij in het geval van:
Artikel 3.32Meldplicht aanleggen en onderhouden buisleiding
1 Het verbod om een buisleiding aan te leggen in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder f, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. de buisleiding wordt aangelegd in een bestaande buisleidingenstraat; b. de aanleg geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; c. maatregelen worden getroffen om risico's voor het grondwater te beperken; en d. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
2 Het verbod om een buisleiding te onderhouden of te verwijderen in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder f in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5.
Artikel 3.33Meldplicht sportveld met kunstgras Grondwaterbeschermingsgebied
Het verbod om een sportveld aan te leggen met kunstgras of om een bestaand sportveld met kunstgras te vervangen, te renoveren of groot onderhoud te plegen in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder g, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. technische maatregelen worden getroffen bij de aanleg, vervanging, renovatie of groot onderhoud om uitloging en verspreiding van materiaal naar de bodem en het grondwater te voorkomen, zodat hemelwater dat vanaf het sportveld in de bodem infiltreert voldoet aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. maatregelen worden genomen die uitloging en verspreiding van materiaal gedurende het gebruik voorkomen; en c. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Artikel 3.34
Meldplicht en startmelding voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwen Grondwaterbeschermingsgebied 1 Het verbod om afstromend hemelwater van een gebouw op of in de bodem te lozen in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder h, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet in de volgende gevallen als daarvoor een melding is gedaan als bedoeld in artikel 3.4: a. het water gecontroleerd infiltreert in een bodem met een voldoende zuiverende voorziening, die zo is ontworpen en onderhouden dat het hemelwater voldoet aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving of het water stroomt af via een watergang zonder infiltrerende werking; of b. er geen schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal is gebruikt voor het gebouw.
2 Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: a. zink, lood, koper; b. gewolmaniseerd hout; c. teerbitumen.
Artikel 3.35Meldplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbeschermingsgebied
Het verbod om afstromend hemelwater te lozen van verharde wegen voor gemotoriseerd verkeer op of in de bodem in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder i, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. het afstromend hemelwater gecontroleerd infiltreert in de bodem met een voldoende zuiverende voorziening, die zo is ontworpen en onderhouden dat het hemelwater voldoet aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving of het hemelwater stroomt af via een watergang zonder infiltrerende werking; b. door het treffen van maatregelen is geborgd dat de zuiverende werking naar de toekomst toe behouden blijft; en c. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Artikel 3.36(vervallen)
Artikel 3.37Meldplicht parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied
Het verbod om gronden te gebruiken als parkeerterrein in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder j, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. het afstromend hemelwater gecontroleerd infiltreert in de bodem met een voldoende zuiverende voorziening, die zo is ontworpen en onderhouden dat het hemelwater voldoet aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving of het hemelwater stroomt af via een watergang zonder infiltrerende werking; b. door het treffen van maatregelen is geborgd dat de zuiverende werking naar de toekomst toe behouden blijft; en c. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Artikel 3.38Meldplicht andere lozingen dan afstromend hemelwater
Het verbod om ander afvalwater dan afstromend hemelwater te lozen op of in de bodem in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder k, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. het te lozen afvalwater uitsluitend bestaat uit water afkomstig van de winning van grondwater voor menselijke consumptie en alle daarvoor noodzakelijke activiteiten, huishoudelijk afvalwater of afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet; b. er voorzieningen worden getroffen waardoor:
Artikel 3.39Startmelding evenement Grondwaterbeschermingsgebied
Het verbod om een evenement te houden in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, eerste lid, onder l, in samenhang met Artikel 3.30, geldt niet als: a. het gebruik van de gronden tijdelijk is; b. een bodembeschermende voorziening is aangebracht op plekken waar risicovolle activiteiten en handelingen plaatsvinden, zoals het gebruik van aggregaten, olie- en brandstoftanks, overige tijdelijke elektriciteits- en warmtevoorzieningen, catering- of toiletvoorzieningen; c. eventueel spoelwater afkomstig van voorzieningen wordt opgevangen en naar buiten het Grondwaterbeschermingsgebied wordt afgevoerd; en d. een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5.
Artikel 3.40Algemene regel en meldplicht toepassen grond en baggerspecie Grondwaterbeschermingsgebied
1 Het verbod om grond of baggerspecie toe te passen op de landbodem in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, onder m, in samenhang met artikel 3.30, geldt niet in het geval dat dit is beperkt tot een maximum van 5000 m3 grond of baggerspecie en als de grond of baggerspecie: a. voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of b. afkomstig is uit het betreffende Grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen.
2 Het verbod om grond of baggerspecie toe te passen in een oppervlaktewaterlichaam in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, onder m, in samenhang met artikel 3.30, geldt niet in het geval dat dit is beperkt tot een maximum van 5000 m3 grond of baggerspecie en als de grond of baggerspecie: a. voldoet aan de kwaliteitsklasse niet verontreinigd; of b. afkomstig is uit het betreffende Grondwaterbeschermingsgebied, voldoet aan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd en voldoet aan de gebiedskwaliteit.
3 Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en afkomstig is uit hetzelfde Grondwaterbeschermingsgebied geldt in aanvulling op het eerste en tweede lid dat de grond of baggerspecie niet meer PFOA bevat dan 1,9 µg/kg d.s. en niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 µg/kg d.s.
4 Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en niet afkomstig is uit hetzelfde Grondwaterbeschermingsgebied, geldt in aanvulling op het eerste en tweede lid dat: a. de grond of baggerspecie niet meer PFAS bevat dan 0,1 µg/kg d.s.; of b. de grond of baggerspecie voldoet aan de gebiedskwaliteit, niet meer PFOA bevat dan 1,9 µg/kg d.s., niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 µg/kg d.s. en er door de activiteit en het grondverzet van daarmee samenhangende activiteiten geen netto toename is van de totale hoeveelheid individuele PFAS in Grondwaterbeschermingsgebied.
5 In aanvulling op het eerste en tweede lid is het toegestaan meer dan 5000 m3 grond of baggerspecie toe te passen als de risico's op verontreiniging van het grondwater niet toenemen en een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
6 De kwaliteit van de grond of baggerspecie is, in aanvulling op artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM.
Paragraaf 3.3.4
Inhoudelijke regels Boringsvrije zone
Artikel 3.41Aanwijzing milieubelastende activiteit Boringsvrije zone
1 Als milieubelastende activiteit binnen Boringsvrije zone wordt aangewezen: a. het verrichten van een activiteit in de bodem op een diepte van 10 m of meer onder maaiveld; b. het verrichten van een activiteit waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater.
2 Niet aangewezen is het verrichten van een activiteit die wordt uitgevoerd voor de winning van het grondwater of voor de controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie.
Artikel 3.42Verbod milieubelastende activiteit Boringsvrije zone
Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 3.41, te verrichten.
Artikel 3.43Startmelding activiteiten in de bodem Boringsvrije zone
Het verbod om activiteiten te verrichten in de bodem op een diepte van 10 m of meer onder het maaiveld in Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.41, eerste lid, onder a, in samenhang met Artikel 3.4, geldt niet in één of meer van de volgende gevallen en als een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5: a. de werkzaamheden worden verricht tot de diepte ter plaatse van Maximum boordiepte bepaalde waarde; b. een mechanische boring, als in aanvulling op BRL SIKB protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan Gedeputeerde Staten wordt verstrekt; c. een sondering die aan de volgende voorwaarden voldoet:
Artikel 3.44Startmelding warmtetoevoeging en -onttrekking Boringsvrije zone
Het verbod om een activiteit te verrichten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.41, eerste lid, onder b, in samenhang met Artikel 3.42, geldt niet als: a. de boring wordt verricht tot de diepte ter plaatse van Maximum boordiepte bepaalde waarde onder maaiveld; b. uitsluitend water, kaliumcarbonaat en monopropyleenglycol als circulatievloeistof wordt toegepast, zonder toevoeging van additieven; en c. een startmelding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.5.
Afdeling 3.4
Grondwaterverontreiniging
Paragraaf 3.4.1
Algemeen
Artikel 3.45Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op: a. het uitvoeren van een risicobeoordeling om de risico's voor optredende verontreiniging van het grondwater vast te stellen; b. het beschermen van de kwaliteit van het bodem- en watersysteem; c. het uitvoeren van een grondwatersanering; en d. een toevalsvondst verontreiniging van het grondwater.
Artikel 3.46Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater; b. het beschermen van de kwaliteit van het bodem- en watersysteem c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de wet aan watersystemen zijn toegekend; en e. het waarborgen van de veiligheid en gezondheid.
Paragraaf 3.4.2
Inhoudelijke regels Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit
Artikel 3.47Aanwijzing module: Voorafgaand bodemonderzoek
Bij de risicobeoordeling gericht op het vaststellen van risico's voor optredende verontreiniging van het grondwater, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.48Risicobeoordeling algemene grondwaterkwaliteit
De risicobeoordeling algemene grondwaterkwaliteit, zoals beschreven in Bijlage IV onder a, is van toepassing als de verontreinigingscontour van één of meer verontreinigende stoffen in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordelen grondwatersanering, bedoeld in Bijlage V, overschrijdt.
Artikel 3.49Risicobeoordeling kwetsbaar gebied
1 De risicobeoordeling kwetsbaar gebied, zoals beschreven in Bijlage IV onder b, c, en d, is van toepassing als het grondwater verontreinigd is en de verontreiniging een kwetsbaar gebied kan beïnvloeden.
2 Een verontreiniging beïnvloedt een kwetsbaar gebied als de verontreiniging zich bevindt: a. in of binnen 100 m van een kwetsbaar gebied; b. in een watervoerend pakket dat het kwetsbare gebied kan beïnvloeden; en c. in de stromingsrichting naar het kwetsbare gebied.
3 Een kwetsbaar gebied betreft: a. een krw-oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen in het nationaal waterprogramma of regionaal waterprogramma; b. overige wateren, inhoudende een oppervlaktewaterlichaam dat niet als krw-oppervlaktewaterlichaam is aangewezen en dat zich buiten stedelijk gebied bevindt; c. een in het regionaal waterprogramma opgenomen locatie waar water voor menselijke consumptie wordt onttrokken uit een grondwaterlichaam; d. het in deze verordening aangewezen gebied Waterwinning voor menselijke consumptie; of e. een natuurgebied dat binnen de Attentiezone waterhuishouding ligt.
4 Het grondwater is verontreinigd als de verontreinigende stof in minimaal 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in Bijlage V overschrijdt.
Artikel 3.50Resultaten risicobeoordeling
Op grond van de risicobeoordeling wordt vastgesteld welke van de onderstaande situaties van toepassing is: a. gevaar voor het grondwater is uit te sluiten; b. gevaar voor het grondwater is niet uit te sluiten; of c. gevaar voor het grondwater is aanwezig.
Artikel 3.51Maatregelen na uitvoering risicobeoordeling
1 Een bodemsanering als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats met een bronaanpak op het eigen perceel, als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat gevaar voor het grondwater niet is uit te sluiten of als gevaar voor het grondwater aanwezig is.
2 In het geval dat uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat gevaar voor het grondwater aanwezig is, wordt in aanvulling op het eerste lid ook een grondwatersanering uitgevoerd.
Paragraaf 3.4.3
Inhoudelijke regels grondwatersanering
Artikel 3.52Aanwijzing vergunningplichtige grondwatersanering
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 3.51, tweede lid, uit te voeren.
Artikel 3.53Aanwijzing vergunningvrije grondwatersanering
1 Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in Paragraaf 3.4.2, blijkt dat gevaar voor het grondwater niet is uit te sluiten of als er geen gevaar voor het grondwater aanwezig is, is uitvoering van de grondwatersanering toegestaan nadat een melding is gedaan als bedoeld in artikel 3.4 waaruit blijkt dat: a. wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de saneringsmethode leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; c. de grondwatersanering wordt verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000; en d. de activiteit wordt begeleid door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
2 Wanneer de saneringsaanpak of de verwachte startdatum van de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens onverwijld verstrekt aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.54Informatieplicht beëindigen activiteit
Na het beëindigen van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.53, wordt daarvan binnen vier weken mededeling gedaan aan Gedeputeerde Staten en worden gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage III.
Paragraaf 3.4.4
Inhoudelijke regels toevalsvondst verontreiniging van grondwater
Artikel 3.55Toepassingsbereik
1 Deze paragraaf is van toepassing als naar het oordeel van Gedeputeerde Staten: a. ten minste een redelijk vermoeden bestaat van een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater; en b. onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico's voor het grondwater te voorkomen of te beperken, met inbegrip van onderzoek naar de aard en omvang van de risico's voor het grondwater.
2 Van onaanvaardbare risico's voor het grondwater is in ieder geval sprake wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in Paragraaf 3.4.2, blijkt dat er gevaar voor het grondwater aanwezig is vanwege risico's door de verspreiding van de verontreiniging in het grondwater naar het omliggende grondwater of indirect vanuit de bodem naar het grondwater.
3 Deze paragraaf is niet van toepassing op onaanvaardbare risico's voor de gezondheid als bedoeld in afdeling 19.2a van de wet.
Artikel 3.56Treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen
1 Bij een toevalsvondst als bedoeld in Artikel 3.55 verplichten Gedeputeerde Staten de eigenaar of erfpachter tot het onmiddellijk treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen op de locatie waar de verontreiniging zich bevindt of waar de directe gevolgen van verspreiding van de verontreiniging zich voordoen, voor zover die maatregelen redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden.
2 Tijdelijke beschermingsmaatregelen strekken niet tot het ongedaan maken van de aangetroffen verontreiniging.
3 Als de eigenaar of erfpachter niet of niet tijdig de vereiste tijdelijke beschermingsmaatregelen treft, kunnen Gedeputeerde Staten die maatregelen treffen of laten treffen. De kosten van die maatregelen worden met overeenkomstige toepassing van artikelen 5:10, tweede lid, en 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, verhaald op de eigenaar of erfpachter, onverminderd artikel 13.3a van de wet.
4 Een beslissing tot het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen wordt op schrift gesteld en onmiddellijk aan de eigenaar of erfpachter gezonden.
Artikel 3.57Gedoogplicht maatregelen toevalsvondst verontreiniging grondwater
Een rechthebbende gedoogt dat tijdelijke beschermingsmaatregelen als bedoeld in Artikel 3.56 worden uitgevoerd ter voorkoming of beperking van onaanvaardbare risico's voor het grondwater als gevolg van verspreiding van verontreiniging, al dan niet indirect vanuit de bodem, naar het grondwater.
Afdeling 3.5
Gesloten stortplaats
Paragraaf 3.5.1
Algemeen
Artikel 3.58Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een milieubelastende activiteit binnen de locatieGesloten stortplaats.
Artikel 3.59Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van risico's voor vervuiling van de bodem en het grondwater; b. het beschermen van de nazorgvoorzieningen en nazorgmaatregelen; c. het veiligstellen van de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen en de uitvoering van de nazorg; d. het voorkomen van overschrijding van het doelvermogen zoals gestort in het nazorgfonds; en e. het waarborgen van de belangen vanuit gezondheid en veiligheid.
Artikel 3.60Specifieke zorgplicht Gesloten stortplaats
1 Degene die een activiteit verricht binnen de locatie Gesloten stortplaats en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.59, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2 De zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; en b. de best beschikbare technieken worden toegepast.
Paragraaf 3.5.2
Inhoudelijke regels Gesloten stortplaats
Artikel 3.61Aanwijzing milieubelastende activiteit Gesloten stortplaats
1 Als milieubelastende activiteit binnen Gesloten stortplaats worden aangewezen alle activiteiten en handelingen die in, op, onder of over een gesloten stortplaats plaatsvinden.
2 Niet aangewezen zijn: a. activiteiten gericht op de totstandkoming, het beheer, onderhoud, vervanging of verwijdering van nazorgvoorzieningen en het treffen van nazorgmaatregelen, voor zover dit in opdracht van Gedeputeerde Staten plaatsvindt; of b. activiteiten waarvoor Gedeputeerde Staten in het verleden toestemming hebben verleend.
Artikel 3.62Vergunningplicht milieubelastende activiteit Gesloten stortplaats
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de milieubelastende activiteit, bedoeld in Artikel 3.61, te verrichten.
Afdeling 3.6
Ontgrondingen
Paragraaf 3.6.1
Algemeen
Artikel 3.63Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op de ontgrondingsactiviteit, bedoeld in paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.64Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoud en het bevorderen van duurzaam gebruik van natuurlijke grondstoffen; en b. de doelen van de wet.
Paragraaf 3.6.2
Inhoudelijke regels Ontgrondingsactiviteit
Artikel 3.65Aanwijzing ontgrondingsactiviteit
In aanvulling op paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingen die in elkaars nabijheid liggen of die volgtijdelijk worden uitgevoerd en waarbij onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan, aangemerkt als één ontgrondingsactiviteit.
Artikel 3.66Aanwijzing vergunningvrije gevallen
In aanvulling op, en zo nodig in afwijking van, artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist in de volgende gevallen: a. het maken van een proefsleuf en het doen van een grondboring of sondering; b. het plaatsen, vervangen of opruimen van in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen; c. de normale uitoefening van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf; d. grondwerken voor het normale onderhoud aan grond, werken of bouwwerken, inclusief het reguliere onderhoud van waterlopen en zandvangers; e. het aanleggen, wijzigen en opruimen van infrastructurele werken inclusief de retentievoorziening, welke direct gekoppeld is aan het infrastructurele werk ter plaatse, met een maximale diepte van 3 m beneden het maaiveld, die in technische en functionele zin een onlosmakelijk onderdeel vormen van deze werken, ter uitvoering van een ter plaatse geldend omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; f. het verbeteren van de bodemgesteldheid en egalisatie ten behoeve van het aanleggen, wijzigen en verwijderen van openbaar groen, pleinen, parken, parkeer- en industrieterreinen, sportterreinen met uitzondering van golfbanen- en speelterreinen, als:
Artikel 3.67Aanwijzing meldplichtige ontgrondingsactiviteiten
1 In aanvulling op, en zo nodig in afwijking van, artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor functionele ontgrondingen, met een oppervlakte groter dan 2.000 m2, als: a. niet dieper wordt ontgrond dan 3 m beneden maaiveld; b. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt vergraven; c. de ontgronding niet in strijd is met een ter plaatse geldend omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; d. de ontgronding niet plaats vindt binnen een gebied dat op de Cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid als archeologisch monument; e. door middel van een rapportage, opgesteld door een gespecialiseerd bureau met kennis over aardkundige waarden, is aangetoond dat de ontgrondingsactiviteit geen afbreuk doet aan de aardkundige waarden, ingeval de ontgronding plaatsvindt in een gebied dat op de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart is aangeduid als aardkundig waardevol gebied; f. door middel van een rapportage conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is aangetoond dat de ontgrondingsactiviteit geen afbreuk doet aan archeologische of cultuurhistorische waarden, ingeval de ontgronding plaatsvindt in een gebied dat op de Cultuurhistorische waardenkaart is aangeduid met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde of in een gebied met een zeer hoge of hoge historische geografische waarde of historische groenstructuren; g. voor zover het de uitvoering betreft van werkzaamheden ten behoeve van de waterhuishouding, de ontgronding niet binnen 30 m van de teen van een waterkering of binnen 200 m van het aansluitpunt van een primaire waterkering op de hogere gronden plaatsvindt; en h. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
2 In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning vereist voor een ontgrondings- en herinrichtingsactiviteit in het kader van de realisering van een ecologische verbindingszone, een project gericht op behoud en herstel van watersystemen of een overig natuurontwikkelingsproject, als die ontgrondingsactiviteit: a. in overeenstemming is met een ter plaatse geldende gebiedsanalyse PAS of het vigerende natuurbeheerplan en door middel van een rapportage conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is aangetoond dat de ontgrondingsactiviteit geen afbreuk doet aan archeologische waarden, voor zover de ontgronding plaatsvindt in een gebied dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde; b. is opgenomen in een op grond van de wet vastgesteld plan of besluit waarin de betrokken belangen bij de ontgronding zijn afgewogen en dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; en c. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Afdeling 3.7
Stiltegebied
Paragraaf 3.7.1
Algemeen
Artikel 3.68Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een milieubelastende activiteit in en om de locatie Stiltegebied.
Artikel 3.69Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de stilte en de rust; b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en c. de doelen van de wet.
Artikel 3.70Specifieke zorgplicht Stiltegebied
Degene die een activiteit verricht binnen de locatie Stiltegebied en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.69, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Paragraaf 3.7.2
Inhoudelijke regels Stiltegebied
Artikel 3.71Streefwaarde Stiltegebied
Binnen Stiltegebied geldt een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24 uur.
Artikel 3.72Maatwerkregel milieubelastende activiteit Stiltegebied
De grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting voor het verrichten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen Stiltegebied is: a.
40 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 m hoogte, op een afstand van 50 m vanaf de grens van de locatie waar de activiteit verricht wordt, wanneer die locatie op 100 m of meer van de grens van het Stiltegebied ligt; b.
45 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 m hoogte, op een afstand van 50 m vanaf de grens van de locatie waar de activiteit verricht wordt, wanneer die locatie op minder dan 100 m van de grens van het Stiltegebied ligt.
Artikel 3.73Maatwerkregel milieubelastende activiteit Attentiezone stiltegebied
1 De grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting voor het verrichten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen Attentiezone stiltegebied is 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 m hoogte: a. op de grens van het daarbinnen liggende stiltegebied, als de locatie waar de activiteit verricht wordt op 50 m of meer van de grens van het stiltegebied ligt; b. op 50 m vanaf de grens van de locatie waar de activiteit verricht wordt, als die locatie op minder dan 50 m van de grens van het daarbinnen liggende stiltegebied ligt.
2 Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege het houden van een evenement binnen Attentiezone stiltegebied, geldt een geluidsniveau van 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op de grens van het daarbinnen liggende stiltegebied.
Artikel 3.74Maatwerkvoorschrift
1 Het bevoegd gezag kan in geval van een bijzondere omstandigheid met een maatwerkvoorschrift afwijken van de in Artikel 3.72 en Artikel 3.73 vastgestelde grenswaarden als: a. de afwijking van de grenswaarde zoveel als mogelijk wordt beperkt; en b. de overschrijding van de grenswaarde ten hoogste 5 dB(A) bedraagt.
2 Er is in ieder geval sprake van een bijzondere omstandigheid in het geval dat: a. de milieubelastende activiteit door het onverkort toepassen van de grenswaarde redelijkerwijs niet mogelijk is; en b. uit onderzoek blijkt dat geen alternatieve locatie mogelijk is waar de activiteit verricht kan worden.
Artikel 3.75Aanwijzing milieubelastende activiteit Stiltegebied
1 Als milieubelastende activiteit binnen de locatie Stiltegebied wordt aangewezen: a. het gebruik van een toestel dat de stilte verstoort; b. het houden van een evenement; c. het gebruik van motorvoertuigen en bromfietsen buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen; d. het gebruik van een met verbrandingsmotor aangedreven vaartuig; e. het ontbranden van vuurwerk.
2 Niet aangewezen zijn: a. de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; b. het verrichten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de daarvoor geldende voorwaarden; c. het verrichten van een activiteit ten behoeve van het algemeen nut tussen 07.00 en 19.00 uur, voor zover de geluidbelasting op 100 m afstand van de activiteit ten hoogste 60 dB(A) bedraagt; d. een vaartuig dat ten hoogste 6 km/uur vaart; e. het gebruik van een toestel binnen 50 m van een woonhuis als dat niet hoorbaar is op een afstand van meer dan 50 m van het toestel; f. het ontbranden van consumentenvuurwerk gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangegeven periode binnen 50 m van een woonhuis; g. het gebruik van een toestel of vuurwerk als dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid; h. het gebruik van een toestel:
3 Een activiteit ten behoeve van het algemeen nut is in ieder geval het aanleggen, beheren en onderhouden van: a. waterstaatswerken; b. kabels, buis- en hoogspanningsleidingen van nutsvoorzieningen; c. natuur binnen het Natuurnetwerk Brabant of van de daarvoor aanwezige bouwwerken en andere constructies; d. infrastructurele werken; of e. drinkwatervoorzieningen.
Artikel 3.76Verbod milieubelastende activiteit Stiltegebied
Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 3.75 te verrichten.
Artikel 3.77Meldplicht activiteit ten behoeve van algemeen nut
Het verbod om een toestel te gebruiken dat de stilte verstoort binnen Stiltegebied, bedoeld in Artikel 3.75, eerste lid, onder a, in samenhang met Artikel 3.76, geldt niet voor het verrichten van een activiteit ten behoeve van het algemeen nut met een geluidsbelasting van meer dan 60 dB(A) op 100 m, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de activiteit vindt plaats tussen 7.00 en 19.00 uur; b. de geluidbelasting op 100 m afstand van de werklocatie en de blootstellingsduur voldoen aan tabel 3.77; en c. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Tabel 3.77 Geluidsbelasting Maximale blootstellingsduur* Boven de 60 dB(A) ten hoogste 50 dagen Boven de 65 dB(A) ten hoogste 30 dagen Boven de 70 dB(A) ten hoogste 15 dagen Boven de 75 dB(A) ten hoogste 5 dagen Boven de 80 dB(A) 0 dagen *Deze tabel wordt als volgt gelezen: Voor activiteiten die een geluidbelasting veroorzaken van meer dan 60 dB(A) zijn ten hoogste 50 dagen per kalenderjaar beschikbaar, waarvan maximaal 30 dagen de geluidbelasting meer dan 65 dB(A) mag zijn. Van deze 30 dagen mag de geluidbelasting maximaal 15 dagen hoger dan 70 dB(A) zijn, enz. Een geluidbelasting boven de 80 dB(A) is niet toegestaan.
Artikel 3.78Meldplicht evenement Stiltegebied
Het verbod om een evenement te houden binnen Stiltegebied, bedoeld in Artikel 3.75, eerste lid, onder b, in samenhang met Artikel 3.76, geldt niet als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het evenement kan niet buiten het Stiltegebied plaatsvinden; b. de duur van het evenement bedraagt, inclusief opbouwen en afbreken, ten hoogste 6 aaneengesloten dagen; c. het evenement vindt plaats tussen 07.00 en 19.00 uur; d. er zijn ten hoogste 20 tijdelijke parkeerplaatsen buiten de openbare weg; e. het equivalente geluidniveau op 50 m afstand en 1,5 m hoogte vanaf de grens van het evenement is ten hoogste 50 dB(A) en het bronvermogen is niet hoger dan 95 dB(A); f. het maximale geluidniveau op 50 m afstand en 1,5 m hoogte vanaf de grens van het evenement is ten hoogste 60 dB(A); en g. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Artikel 3.79Meldplicht mobiel evenement Stiltegebied
Het verbod om een evenement te houden binnen Stiltegebied, bedoeld in Artikel 3.75, eerste lid, onder b, in samenhang met Artikel 3.76, geldt niet als er sprake is van een mobiel evenement, die een route aflegt door stiltegebied en aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het evenement kan niet buiten het stiltegebied plaatsvinden; b. het evenement duurt ten hoogste een dag; c. het evenement vindt plaats tussen 07.00 en 19.00 uur; d. de route maakt uitsluitend gebruik van een verharde openbare weg; e. het equivalente geluidniveau op 50 m afstand van de route op 1,5 m hoogte bedraagt ten hoogste 40 dB(A); f. het maximale geluidniveau op 50 m afstand van de route op 1,5 m hoogte bedraagt ten hoogste 50 dB(A); en g. een melding is gedaan als bedoeld in Artikel 3.4.
Afdeling 3.8
Natuur
Paragraaf 3.8.1
Algemeen
Artikel 3.80Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op: a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond, bedoeld in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. de natura-2000 activiteit, bedoeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.81Oogmerken
De regels zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; c. de instandhouding van het bosareaal in Nederland; en d. het beschermen van landschappelijke waarden.
Paragraaf 3.8.2
Inhoudelijke regels flora- en fauna activiteit
Artikel 3.82Aanwijzing vergunningvrije flora- en faunactiviteit algemeen
1 Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet als: a. de activiteit betrekking heeft op:
Tabel 3.82 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Amfibieen Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris (oud: Triturus vulgaris) Meerkikker Rana ridibunda Middelste groene kikker (of bastaardkikker) Rana esculenta Zoogdieren Aardmuis Microtus agrestis Bosmuis Apodemus sylvaticus Dwergmuis Micromys minutus Dwergspitsmuis Sorex minutus Egel Erinaceus europeus Gewone bosspitsmuis Sorex araneus Haas Lepus europeus Huisspitsmuis Crocidura russula Konijn Oryctolagus cuniculus Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus Ree Capreolus capreolus Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus Veldmuis Microtus arvalis Vos Vulpes vulpes Wild zwijn Sus scrofa Woelrat Arvicola terrestris
Artikel 3.83Maatwerkregel bescherming van vogels tegen landbouwwerkzaamheden
De verboden, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, met uitzondering van het verbod tot doden, b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet als de activiteiten worden verricht voor de bescherming tegen landbouwwerkzaamheden van: a. vogels; b. eieren; of c. niet vliegvlugge jongen als deze onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden weer in vrijheid worden gesteld.
Artikel 3.84Maatwerkregel bescherming van amfibieën tegen verkeer
1 Ter veiligstelling tegen het verkeer is het in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, artikel 11.47, eerste lid, onder b, en artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan om: a. beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te vangen door middel van het plaatsen van schermen en met behulp van emmers; b. de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; of c. de soorten, genoemd onder a, te vervoeren.
2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen: a. voor het vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 m vanaf de vangplaats; en b. als de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.
Artikel 3.85Maatwerkregel vangen en vervoeren amfibieën voor onderzoek en onderwijs
Voor het gebruik bij onderzoek en onderwijs is het in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder b, artikel 11.47, eerste lid, onder b, en artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan: a. eieren van de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad, te vangen; b. eieren van de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; c. eieren van de soorten, genoemd onder a, te vervoeren; d. de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad onder zich te hebben, voor zover de metamorfose nog niet is voltooid; of e. de soorten, genoemd onder d, te vervoeren.
Artikel 3.86Maatwerkregel bezit- en vervoersverbod voor onderzoek en onderwijs
Voor het gebruik voor onderzoek of onderwijs is het in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan: a. keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot onder zich te hebben; of b. de producten, genoemd onder a, te vervoeren.
Artikel 3.87Maatwerkregel uitzetten dieren of eieren van dieren
1 Voor zover op basis van deze paragraaf soorten zijn gevangen, is het in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan dieren of eieren van dieren uit te zetten.
2 De uitzetting vindt zo spoedig mogelijk plaats op een voor de soort geschikte locatie in de directe omgeving binnen het leefgebied van de soort.
Paragraaf 3.8.3
Inhoudelijke regels schade- en overlastbestrijding
Artikel 3.88Maatwerkregel schadeveroorzakende soorten
1 Ter voorkoming van schade is het in afwijking van artikel 11.37, eerste lid, onder a, b en d, en artikel 11.54, eerste lid, onder a en b van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan de in tabel 3.88 benoemde handelingen te verrichten, voor de daar genoemde soorten, vanuit de daar genoemde belangen, voor de daar genoemde gevallen en met gebruik van de genoemde middelen.
Tabel 3.88 Soorten Handeling Wettelijk belang Gevallen Middelen Steenmarter Het door een ecologisch ter zake deskundige:- opzettelijk verstoren of vangen; of- opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Ter voorkoming van:- ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; of- schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.
Op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortbeheerplan bij:- belangrijke schade aan gebouwen of eigendommen gelegen binnen de bebouwde kommen; of-overlast in geval van vaste voortplantingsplaats of verblijfplaats in woningen, scholen, bedrijfsgebouwen of sportaccommodaties, gelegen binnen de bebouwde kommen vangkooien Veldmuis -vangen-doden-opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Artikel 3.89Maatwerkregel overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom
Ter bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom is het gemeenten, in afwijking van artikel 11.37, eerste lid, onder a, b en d, en artikel 11.54, eerste lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toegestaan de in die artikelen genoemde handelingen te verrichten voor de genoemde soorten, vanuit de genoemde belangen, voor de genoemde gevallen en met de genoemde middelen, bedoeld in Artikel 3.88, eerste lid.
Artikel 3.90Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten
1 In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten worden in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk verontrust: a. brandganzen; b. grauwe ganzen; c. kolganzen; d. rotganzen; e. taigarietganzen; f. toendrarietganzen; g. smienten.
2 In afwijking van Artikel 3.88 Maatwerkregel schadeveroorzakende soorten, eerste lid, is het binnen een Rust- en foerageergebied, in de periode 1 november tot 1 april, alleen toegestaan van die vrijstelling gebruik te maken voor zover gebruikmaking hiervan niet leidt tot verontrusting van de aldaar aanwezige, in het eerste lid genoemde, soorten.
Artikel 3.91één-op-één beheermethode wilde zwijnen
Het doden van wilde zwijnen door middel van de één-op-één beheermethode, bedoeld in artikel 11.58, vijfde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is alleen toegestaan als dit in overeenstemming is met het faunabeheerplan.
Paragraaf 3.8.4
Inhoudelijke regels houtopstanden
Artikel 3.92Maatwerkregel meld- en herplantplicht houtopstanden
1 De meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, alsmede de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet als sprake is van: a. houtopstanden op oevers van vennen en poelen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; b. houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk omgevingsplan of projectbesluit waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist; c. een tijdelijke houtopstand; of d. houtopstanden als onderdeel van agroforestry.
2 Er is sprake van een tijdelijke houtopstand als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg gemeld op grond van artikel 3.4; b. de houtopstand wordt niet aangeplant om te voldoen aan een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of vanwege een compensatieverplichting gebaseerd op andere regelgeving; c. de houtopstand is aangeplant voor de productie van hout of biomassa; en d. de houtopstand wordt binnen een periode van 40 jaar geheel geveld, gerekend vanaf het tijdstip van aanleg, bedoeld onder a.
3 Er is sprake van een houtopstand als onderdeel van agroforestry als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg gemeld op grond van artikel 3.4; b. de houtopstand wordt niet aangeplant om te voldoen aan een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of vanwege een compensatieverplichting gebaseerd op andere regelgeving; en c. de houtopstand is aangelegd op landbouwgrond met een blijvende agrarische bestemming zonder dat daarvoor een provinciale subsidie is verleend.
Artikel 3.93Eisen herplanting houtopstanden
Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoet aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herbeplanting is tenminste even groot als de oppervlakte van de gevelde houtopstand; b. de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak vormen; d. het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; e. herplant binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet aantasten; en f. de herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen als de gevelde houtopstand.
Artikel 3.94Maatwerkvoorschriften herplantplicht houtopstanden
1 Maatwerkvoorschiften over de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn mogelijk wanneer er sprake is van: a. een velling van een houtopstand die als gevolg van natuurlijke processen op heideterreinen of zandverstuivingen is ontstaan; of b. een velling van een houtopstand ter bevordering van de cultuurhistorische, aardkundige of archeologische waarden ter plaatse.
2 Het stellen van maatwerkvoorschriften over de plicht tot herbeplanting op dezelfde grond, bedoeld in artikel 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is mogelijk als dit niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden ter plaatse en, in aanvulling op Artikel 3.93 Eisen herplanting houtopstanden, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de andere grond is gelegen in de provincies Noord-Brabant of Limburg; b. de andere grond is van gelijkwaardige grondkwaliteit; c. als de velling heeft plaatsgevonden op grond die is gelegen in of aan een boskern vindt herplant ook plaats in of aan een boskern; d. beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van ter plaatse aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; en e. de andere grond is onbeplant en vrij van een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en vrij van natuurcompensatieverplichtingen, ontstaan vanuit andere wet- en regelgeving.
3 Maatwerkvoorschriften zijn mogelijk over de herplanttermijn, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving als natuurlijke of fysieke omstandigheden het niet mogelijk maken om binnen die termijn aan de plicht tot herbeplanting te voldoen.
Artikel 3.95Maatwerkregel vellingsmelding houtopstanden
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de termijn, bedoeld in artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.96Gegevens en bescheiden vellen houtopstand
Een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in Bijlage III.
Paragraaf 3.8.5
Inhoudelijke regels Natura 2000
Artikel 3.97Aanwijzen vergunningvrije Natura 2000-activiteit
1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet geldt niet voor agrarische beregening uit grondwater als dit geen significant negatief effect veroorzaakt op Natura 2000-gebied.
2 Er is geen significant effect op Natura 2000-gebied als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de onttrekkingsactiviteit ligt buiten de Attentiezone waterhuishouding of een door het waterschap aangewezen invloedgebied Natura 2000; b. de onttrekkingsactiviteit heeft een maximale pompcapaciteit van 70 m3/uur als het gaat om de beregening van grasland en van 100 m3/uur als het gaat om de beregening van akkerbouw, vollegronds tuinbouw en de vollegrond boomteelt; c. er is niet meer dan één put per vijf hectare aanwezig; d. de putten zijn niet dieper dan de maximale diepte onder maaiveld zoals opgenomen in Maximum boordiepte; e. er is een bedrijfswaterplan als bedoeld in de waterschapsverordening en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd; f. het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor een agrarisch beregeningsdoel, met inachtneming van door het waterschap ingestelde tijdelijke onttrekkingsverboden bij droogte of schaarste; en g. er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.
3 Het tweede lid, onder a, geldt niet voor een wateronttrekkingsactiviteit die binnen een door het waterschap De Dommel aangewezen beperkt invloedgebied Natura 2000 wordt verricht wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het is een bestaande legale wateronttrekkingsactiviteit; en b. de wateronttrekkingsactiviteit wordt uitsluitend gebruikt voor het beregenen van grasland binnen de periode van het voorjaars- en urenverbod.
Artikel 3.98Maatwerkregels huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij
1 Vanaf 1 juli 2024 geldt dat: a. een veehouderij gemiddeld op bedrijfsniveau voldoet aan de eisen van Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem; of b. elk huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is, voldoet aan de eisen uit Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem, behoudens in het geval dat het huisvestingssysteem is gerealiseerd op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving die:
2 In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt: a.
1 januari 2020, voor een veehouderij die op 19 juli 2017 voor een hele hoofdcategorie niet voldeed aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; b.
1 januari 2026, voor de diercategorieën HA1, HA2 en HA3, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling.
3 Een bestaand huisvestingssysteem voor een veehouderij hoeft niet te voldoen aan het eerste lid, onder a en b, als: a. op de datum, bedoeld in het eerste lid, aanhef, of het tweede lid, onder b, binnen de bestaande diercategorie ten hoogste het aantal dieren wordt gehouden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit de stal waarvan sprake zou zijn geweest wanneer de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de vanaf 1 juli 2024 geldende emissiereductie eisen, zoals opgenomen in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem; en b. is geborgd dat in de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit op grond van de wet of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het aantal dieren is vastgelegd dat op grond van het eerste lid in de stal mag worden gehouden.
4 Voor de toepassing van het derde lid, onder a, geldt als referentiesituatie de diercategorie en het aantal dieren dat op 1 januari 2023 mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit op grond van de wet of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.
5 Voor de toepassing van dit artikel geldt dat het in beperkte omvang en aantal houden van hobbydieren voor privé gebruik en zonder relatie met de bedrijfsvoering, niet betrokken hoeft te worden in de beoordeling of een veehouderij voldoet aan de eisen uit Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem.
Artikel 3.99Maatwerkregels huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij
1 In aanvulling op artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat in een nieuwe stal ieder huisvestingssysteem dat wordt toegepast, voldoet aan de eisen uit Bijlage VI, die gelden op het moment van besluitvorming op een vergunningaanvraag of het moment waarop de melding is ingediend, bij: a. de omgevingsvergunning ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef onder e, van de wet; b. de omgevingsvergunning ingevolge de wet of een ingevolge de wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur, waarvoor op grond van artikel 4.25, eerste lid, onder e, van het Omgevingsbesluit advies met instemming is vereist door Gedeputeerde Staten; of c. als onderdelen a. en b. niet van toepassing zijn:
2 In afwijking van het eerste lid geldt dat de nieuwe stal en de toepassing van ieder huisvestingssysteem voldoet aan de eisen zoals opgenomen in Bijlage VI die gelden op het moment van indiening, als de vergunningaanvraag uiterlijk 9 maanden voor de termijn, bedoeld in Artikel 3.98, eerste lid of Artikel 3.98, tweede lid, onder b, is ingediend.
3 Onder nieuwe stal wordt verstaan: a. een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf, 1. waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een bouwactiviteit en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het in het dierenverblijf aanwezige huisvestingssysteem; of 2. waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de systemen opgenomen in Artikel 3.102 Lijst met systemen, op het moment dat de daarvoor vereiste aanvraag om een vergunning is ingediend of de benodigde melding is gedaan, voor zover het aanleggen, aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof; b. een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf; of c. een gebouw dat als dierenverblijf wordt ingericht.
4 Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een emissiefactor is vastgesteld in de Omgevingsregeling.
5 Het bepaalde in Artikel 3.98, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.100Uitzondering natuurinclusieve veehouderij
1 Een bestaand huisvestingssysteem voor een veehouderij hoeft niet te voldoen aan Artikel 3.98, eerste lid, onder a en b, als: a. de stallen op de datum, bedoeld in Artikel 3.98, eerste lid, aanhef, of Artikel 3.98, tweede lid, onder b, onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering; b. de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van ten hoogste 2 GVE perhectare; c. door het treffen van aanvullende maatregelen de gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de toepassing van emissiearme huisvesting die voldoet aan Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem, als onderdeel van een niet natuurinclusieve bedrijfsvoering; en d. uit monitoring blijkt dat het bedrijf gemiddeld op jaarniveau aan de voorwaarde onder c. voldoet.
2 Artikel 3.99, eerste lid, geldt niet voor een vrijloopstal voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, als onderdeel van een natuurinclusieve bedrijfsvoering.
Artikel 3.101(gereserveerd)
Artikel 3.102Lijst met systemen
Systemen als bedoeld in Artikel 3.99 zijn: a. luchtwasser; b. warmtewisselaar; c. warmteheater; d. bevorderen van interne luchtcirculatie door middel van ventilatoren of verwarming; e. biofilter; f. aanpassing en vervanging van mestputten bij vee; g. aanpassing en vervanging van vloeren, waaronder roostervloeren, bij vee; h. aanpassing en vervanging van opslagsystemen voor dierlijke mest; i. schuine putwanden; j. water- of mestkanalen; k. systemen voor frequente mestafvoer, waaronder riolering, mestpannen, mestbanden en mestschuiven; l. mestmix- en mestbeluchtingssystemen; m. systemen voor gescheiden opvang van urine en vaste mest; n. mestbehandeling of wijzigen samenstelling, waaronder temperatuurwijziging, luchtdoorvoer, toevoegen van zuur of formaldehyde; o. aanpassing en vervanging van ventilatiesystemen; p. ionisatie; q. droogfilterwand; r. droogtunnel; s. filters; t. wijzigingen in grond- of volièrehuisvesting; u. strooiselschuiven; v. luchtconditionering; of w. buizenverwarming.
Artikel 3.103(gereserveerd)
Artikel 3.104(gereserveerd)
Afdeling 3.9
(gereserveerd)
Artikel 3.105(gereserveerd)
Artikel 3.106(gereserveerd)
Afdeling 3.10
Provinciale weg
Paragraaf 3.10.1
Algemeen
Artikel 3.107Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een beperkingengebiedactiviteit in en om de locatie Provinciale weg.
Artikel 3.108Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van de functie van de provinciale weg als stroomweg, gebiedsontsluitingsweg of erftoegangsweg; b. het behoud van de kwaliteit van de provinciale weg; c. het beschermen van de doorstroming en verkeersveiligheid van het verkeer op de provinciale weg; en d. het beschermen van de provinciale weg tegen negatieve invloeden op of rond die weg, waaronder het belang tot onderhoud, verruiming of wijziging van de provinciale weg.
Artikel 3.109Specifieke zorgplicht
1 Degene die een activiteit verricht en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.108, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2 De zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. het vrije zicht naar de provinciale weg niet wordt belemmerd; b. dat het zicht van weggebruikers niet gehinderd wordt door het plaatsen van verlichting of het verbranden van materialen; c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst en onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer veroorzaken; en d. geen vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen of voorwerpen op de weg worden achtergelaten.
Paragraaf 3.10.2
Inhoudelijke regels Provinciale weg
Artikel 3.110Aanwijzing beperkingengebiedactiviteit
1 Als beperkingengebiedactiviteit binnen de locatie Provinciale weg worden aangewezen alle activiteiten die aan, op, onder, langs of over de provinciale weg plaatsvinden, anders dan het gebruik voor verkeersdoeleinden.
2 Niet aangewezen zijn: a. activiteiten die door of in opdracht van de provincie worden uitgevoerd; en b. het plaatsen van voorwerpen en stoffen die kortstondig op de provinciale weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, zolang deze voorwerpen of stoffen niet schadelijk, gevaarlijk of hinderlijk zijn of anderszins de oogmerken, bedoeld in Artikel 3.108, in gevaar brengen.
Artikel 3.111Verbod verrichten beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
Het is verboden een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in Artikel 3.110.
Artikel 3.112Vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
Het verbod om een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in Artikel 3.111 geldt niet als een omgevingsvergunning is verleend voor: a. het verrichten van activiteiten in het kader van een wettelijke verplichting; b. het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een zijwegaansluiting van een andere overheid; c. het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een uitweg; d. het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen; e. het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een leiding voor het lozen van hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat behoort tot de provinciale weg; f. het plaatsen of bevestigen van een aanduiding; g. het plaatsen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een kunstobject; h. het aanbrengen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een beschildering van een kunstwerk; i. het plaatsen van een voorwerp in verband met activiteiten buiten de provinciale weg; j. het houden van een evenement of een wedstrijd zonder voertuigen; k. het plaatsen van een verkeersmaatregel vanwege activiteiten die buiten de provinciale weg plaatsvinden.
Artikel 3.113Meldplicht beperkingengebiedactiviteit Provinciale weg
Het verbod om een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in Artikel 3.111 geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of verwijderen van een gedenkteken als: a. de plaatsing van het gedenkteken geschiedt door of in opdracht van de nabestaande die het gedenkteken wil plaatsen; b. het gedenkteken een maximale afmeting heeft van 0,50 m breed, 0,50 m lang en 0,50 m hoog; c. het gedenkteken in de berm wordt geplaatst, op een zo groot mogelijke afstand gerekend vanaf de kant van de hoofdrijbaan; d. het gedenkteken niet wordt bevestigd aan een tot de weg behorende verkeersvoorziening, bomen of beplanting; e. in, op of bij het gedenkteken geen verlichting wordt geplaatst; f. de nabestaande het gedenkteken plaatst of onderhoudt, hij de belangen, bedoeld in Artikel 3.108, niet in het geding brengt en een veiligheidsvest draagt; g. de nabestaande het gedenkteken verwijdert binnen 10 jaar na de datum dat het gedenkteken geplaatst is, of zo veel eerder als Gedeputeerde Staten daarom verzoeken; en h. een melding is gedaan als bedoeld in artikel 3.4.
Hoofdstuk 4
Instructieregels omgevingsvergunning
Paragraaf 4.1
Algemeen
Artikel 4.1Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk bevat: a. beoordelingsregels voor de op grond van deze verordening vergunningplichtige activiteiten; en b. aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige activiteiten opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 4.2Oogmerken
Bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning betrekt het bevoegd gezag de oogmerken die bij de aanwijzing van de vergunningplichtige activiteit in Hoofdstuk 3 zijn opgenomen.
Artikel 4.3Normadressaat
De instructieregels richten zich tot het orgaan dat bevoegd is een besluit te nemen over de omgevingsvergunning.
Artikel 4.4Gegevens en bescheiden vergunningplicht
In aanvulling op afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling bevat een aanvraag voor omgevingsvergunning als bedoeld in deze verordening: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de gewenste startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit; c. de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie; d. een machtigingsformulier in geval de aanvrager namens een initiatiefnemer handelt; e. de gegevens en bescheiden opgenomen in Bijlage III.
Artikel 4.5Ontheffing
1 Op verzoek van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de instructieregels in dit hoofdstuk als het verrichten van de activiteit onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd.
2 Het verzoek om ontheffing bevat in ieder geval: a. een onderbouwing waarom het verrichten van de activiteit onevenredig wordt belemmerd; b. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; en c. een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de locatie waarop de ontheffing betrekking heeft.
Paragraaf 4.2
Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Artikel 4.6Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwatersanering
1 De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.52, wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
2 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. De vergunning wordt niet verleend als dat ertoe leidt dat: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; d. de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; e. de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; of f. de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
3 Het tweede lid, onder a tot en met d, geldt niet als: a. het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbij het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, in verbinding met het eerste lid van dat besluit; of b. het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
4 Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over: a. de saneringsaanpak zodat deze leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; b. het beoogde saneringsresultaat, waarbij op zijn minst het aanwezige gevaar voor het grondwater wordt weggenomen; c. planning van de activiteit en wijziging daarvan; d. het wijzigen van de activiteit ten opzichte van de aanvraag; e. het beëindigen van de activiteit; en f. verplichtingen na het beëindigen van de activiteit.
Artikel 4.7Beoordelingsregels omgevingsvergunning Gesloten stortplaats
1 De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.62, wordt alleen verleend als de activiteit: a. verenigbaar is met het belang van de werking en instandhouding van de aanwezige nazorgvoorziening; b. verenigbaar is met de uitvoering van een nazorgmaatregel; c. geen overschrijding van het berekende doelvermogen en de daarbij behorende belastingaanslag met zich brengt; en d. past binnen de provinciale belangen die deze verordening beoogt te beschermen.
2 Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die nodig zijn gelet op het oogmerk waarvoor de regels zijn gesteld.
Artikel 4.8Beoordelingsregels omgevingsvergunning Provinciale weg
1 De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.112, wordt alleen verleend als: a. de activiteit plaatsvindt op een datum of in een periode die verenigbaar is met werkzaamheden die de provincie Noord-Brabant op dezelfde datum of in dezelfde periode op dezelfde weg uitvoert; b. het doel, de functionaliteit en de kwaliteit van de provinciale weg, dan wel van een tot de provinciale weg behorende verkeersvoorziening, niet wordt aantast; c. het vrije uitzicht van weggebruikers op de provinciale weg of het zicht op tot de weg behorende verkeersvoorzieningen niet wordt aantast; en d. er voldoende fysieke ruimte beschikbaar is.
2 Aan de omgevingsvergunning wordt een voorschrift verbonden dat de kosten die verbonden zijn aan het gebruikmaken van de omgevingsvergunning, alsmede de onderhoudskosten, voor rekening zijn van de vergunninghouder, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.
Artikel 4.9Aanvullende beoordelingsregels werkzaamheden Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden aan de provinciale weg, bedoeld in Artikel 3.112, onder a, alleen verleend als de werkzaamheden worden verricht door of namens het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen of beheerders als bedoeld in de Spoorwegwet, vanwege hun zorgplicht voor wegen of spoorwegen of een andere wettelijke verplichting.
Artikel 4.10Aanvullende beoordelingsregels uitweg Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een uitweg, bedoeld in Artikel 3.112, onder c, alleen verleend als: a. de uitweg niet ontsluit op een stroomweg; b. de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Artikel 4.11Aanvullende beoordelingsregels kabels en leidingen Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen, bedoeld in Artikel 3.112, onder d, alleen verleend als: a. de kabel of leiding een openbare functie of daarmee gelijk te stellen functie heeft; b. de kabel of leiding niet in de lengterichting onder een gesloten verharding ligt, met uitzondering van telecommunicatiekabels of elektriciteitskabels, als daarvoor in de berm van de provinciale weg onvoldoende fysieke ruimte beschikbaar is; c. voor zover de kabel of leiding in een kunstwerk ligt, dit kunstwerk beschikt over mantelbuizen of holle ruimten die voor de ligging van een kabel of leiding zijn gereserveerd; en d. de kabel of leiding op zodanige afstand van bomen en beplanting ligt dat daaraan geen schade wordt toegebracht.
Artikel 4.12Aanvullende beoordelingsregels lozen hemelwater Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een leiding voor het lozen van water op een tot de provinciale weg behorend oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in Artikel 3.112, onder e, alleen verleend als het oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft om het hemelwater of grondwater afkomstig van een perceel buiten de provinciale weg te verwerken.
Artikel 4.13Aanvullende beoordelingsregels aanduiding Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen of bevestigen van een aanduiding, bedoeld in Artikel 3.112, onder f, alleen verleend als: a. de locatie van de aanduiding binnen of direct op de grens van de bebouwde kom ligt; en b. de aanduiding niet aan een tot de provinciale weg behorende verkeersvoorziening, boom of beplanting is bevestigd.
Artikel 4.14Aanvullende beoordelingsregels kunstobject Provinciale weg
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen of bevestigen van een kunstobject, bedoeld in Artikel 3.112, onder g, alleen verleend als: a.
Kunstloc Brabant een positief oordeel heeft gegeven over het ontwerp van het kunstobject; b. de aanvraag wordt gedaan door het gemeentebestuur; c. het kunstobject op het middenterrein van een rotonde binnen of direct op de grens van de bebouwde kom geplaatst wordt; d. het kunstobject op het middenterrein van een rotonde maximaal 50% van het grondoppervlak van het middenterrein beslaat; e. het kunstobject van niet-reflecterend materiaal is gemaakt; f. het kunstobject uit statische delen bestaat; g. het kunstobject geen scherpe of boven de provinciale weg uitstekende elementen bevat; h. het kunstobject ondergeschikt is aan de technische en verkeerstechnische inrichting van de provinciale weg; i. het kunstobject een minimale breekkans heeft; en j. het kunstobject zo veel mogelijk vandalismebestendig is.
Artikel 4.14aAanvullende beoordelingsregels beschilderen kunstwerk
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanbrengen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een beschildering van een kunstwerk, bedoeld in artikel 3.112, onder h, alleen verleend als: a. de aanvraag wordt gedaan door het gemeentebestuur; b. dit geen nadelige gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 4.15Aanvullende beoordelingsregels voorwerpen Provinciale weg
In aanvulling op Artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen van voorwerpen op de provinciale weg, bedoeld in Artikel 3.112, onder i, alleen verleend als: a. een locatie buiten de provinciale weg niet beschikbaar is; en b. het voorwerp zo dicht als de fysiek beschikbare ruimte toelaat bij het perceel van de aanvrager wordt geplaatst.
Artikel 4.16Aanvullende beoordelingsregels evenement Provinciale weg
In aanvulling op Artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het houden van een evenement of wedstrijd zonder voertuigen, bedoeld in Artikel 3.112, onder j, alleen verleend als: a. het evenement of de wedstrijd zonder voertuigen plaatsvindt binnen de bebouwde kom, tenzij het evenement of de wedstrijd zonder voertuigen van internationale, nationale of regionale betekenis is; b. een omleidingsroute is bepaald, behalve wanneer het verkeer op de provinciale weg alleen kortstondig staande wordt gehouden door de politie of een verkeersregelaar, waarbij:
Paragraaf 4.3
Aanvullende beoordelingsregels op het Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 4.17Aanvullende beoordelingsregels wateractiviteit
1 In aanvulling op artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving leidt het verlenen van de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit er in ieder geval niet toe dat: a. de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en b. de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
2 Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit wordt rekening gehouden met de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen die gelden na het uitvoeren van de grondwatersanering, bedoeld in Artikel 3.52.
3 Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
Artikel 4.18Aanvullende beoordelingsregel wateronttrekkingsactiviteit
In aanvulling op artikel 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is het tweede en derde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met de onttrekking van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, en waarbij het in de bodem te brengen water niet afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam.
Hoofdstuk 5
Instructieregels voor het omgevingsplan gemeenten
Afdeling 5.1
Algemeen
Paragraaf 5.1.1
Algemene bepalingen
Artikel 5.1Toepassingsbereik
1 Dit hoofdstuk bevat instructieregels voor het omgevingsplan over: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. de regulering van activiteiten.
2 Waar in dit hoofdstuk is opgenomen dat het omgevingsplan een ontwikkeling, functie of activiteit motiveert of onderbouwt, wordt dit opgenomen in het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan of de toelichting op dat omgevingsplan.
Artikel 5.2Normadressaat
De regels in dit hoofdstuk richten zich tot het gemeentebestuur.
Artikel 5.3Rangorde
Als meerdere bepalingen in dit hoofdstuk gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied, op een bouwperceel, voor het toewijzen van een functie aan een locatie of voor het verrichten van activiteiten, geldt de meest beperkende bepaling tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 5.4Bestaand ruimtebeslag
Onder bestaand ruimtebeslag wordt in dit hoofdstuk verstaan de locatie Stedelijk gebied, de locatie Bebouwd gebied of een bestaand bouwperceel.
Artikel 5.5Algemene maatwerkbepaling
1 Een omgevingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel waarvoor de regel is gesteld.
2 Een omgevingsplan kan een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken buiten bestaand ruimtebeslag als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor: a. het transporteren en leveren van energie, gas of water; b. communicatiedoeleinden; of c. de bouw van waterstaatswerken.
3 Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor het overige toepassing gegeven aan de instructieregels van dit hoofdstuk en de specifieke regels die gelden voor de locatie waar de activiteit plaatsvindt.
Artikel 5.6Ontheffing
1 Op verzoek van het gemeentebestuur kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de instructieregels in dit hoofdstuk als de verwezenlijking van gemeentelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd.
2 Het verzoek om ontheffing maakt deel uit van het overleg over het besluit waarvoor ontheffing wordt gevraagd en bevat in ieder geval: a. een onderbouwing waarom de verwezenlijking van het gemeentelijke beleid onevenredig wordt belemmerd; b. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; en c. een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de locatie waarop de ontheffing betrekking heeft.
3 Als het gemeentebestuur binnen twee jaar, te rekenen van de datum van de ontheffing, geen besluit heeft genomen met gebruikmaking van de ontheffing, vervalt de ontheffing.
Paragraaf 5.1.2
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Artikel 5.7Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
1 Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.
Artikel 5.8Zorgvuldig ruimtegebruik
1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.
Artikel 5.9Toepassing van de lagenbenadering
1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.
2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: