Omgevingsplan gemeente Blaricum (Blaricum)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Blaricum stelt regels en doelen vast voor de fysieke leefomgeving binnen de gemeente, met als breed doel het bevorderen van een goede kwaliteit van de leefomgeving. Het richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van diverse waarden zoals veiligheid, gezondheid, milieu en cultureel erfgoed.
Voor wie: Inwoners en bedrijven die activiteiten uitvoeren met betrekking tot bouwwerken, woonruimte, infrastructuur, openbaar gebied, cultureel erfgoed en natuur binnen de gemeente Blaricum; De gemeente Blaricum zelf, als beheerder van de fysieke leefomgeving en handhaver van de gestelde regels.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 560
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken, inclusief het bouwen van hoofdgebouwen.
- Activiteiten betreffende woonruimte, zoals het wijzigen van woonruimte, het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis, en het verzorgen van een Bed and Breakfast.
- Activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied, waaronder het plaatsen van objecten, het aanleggen van wegen en uitritten, en opslag van voertuigen.
- Activiteiten die cultureel erfgoed beïnvloeden, zoals gemeentelijke monumenten, rijksbeschermde dorpsgezichten en gebieden met archeologische verwachting.
- Activiteiten met betrekking tot natuur, zoals het kappen van bomen en recreatief kamperen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bedrijven die activiteiten uitvoeren met betrekking tot bouwwerken, woonruimte, infrastructuur, openbaar gebied, cultureel erfgoed en natuur binnen de gemeente Blaricum.
- De gemeente Blaricum zelf, als beheerder van de fysieke leefomgeving en handhaver van de gestelde regels.
Wat zijn de kernpunten?
- Het omgevingsplan heeft als doelen onder andere het beschermen van een goed woon- en leefklimaat, het waarborgen van de veiligheid en gezondheid, en het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
- Voor het bouwen van een hoofdgebouw moet worden voldaan aan specifieke paragrafen, afhankelijk van de aanwezigheid van een bouwvlak.
- Activiteiten zoals het wijzigen van woonruimte, het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis, en het verzorgen van een Bed and Breakfast moeten voldoen aan de gestelde paragrafen.
- Er zijn specifieke regels voor het plaatsen van objecten en beplanting, het aanleggen of veranderen van wegen en uitritten, en de opslag van voertuigen in het openbaar gebied.
- Cultureel erfgoed, zoals gemeentelijke monumenten en rijksbeschermde dorpsgezichten, en gebieden met archeologische verwachting, zijn aangewezen en hebben specifieke regels voor activiteiten.
- Voor het kappen van bomen en recreatief kamperen buiten een kampeerterrein gelden regels om de natuur te beschermen.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (560)
- Artikel 1.1
- Artikel 2.1
- Artikel 2.2
- Artikel 4.1
- Artikel 4.2
- Artikel 4.3
- Artikel 4.4
- Artikel 4.5
- Artikel 4.6
- Artikel 4.7
- Artikel 4.8
- Artikel 4.9
- Artikel 4.10
- Artikel 4.11
- Artikel 4.12
- Artikel 4.13
- Artikel 4.14
- Artikel 4.15
- Artikel 4.16
- Artikel 4.17
- Artikel 4.18
- Artikel 4.19
- Artikel 4.20
- Artikel 4.21
- Artikel 4.22
- Artikel 4.23
- Artikel 4.24
- Artikel 4.25
- Artikel 4.26
- Artikel 4.27
- Artikel 4.28
- Artikel 4.29
- Artikel 4.30
- Artikel 4.31
- Artikel 4.32
- Artikel 4.33
- Artikel 4.34
- Artikel 4.35
- Artikel 4.36
- Artikel 4.37
- Artikel 4.38
- Artikel 4.39
- Artikel 4.40
- Artikel 4.41
- Artikel 4.42
- Artikel 4.43
- Artikel 4.44
- Artikel 4.45
- Artikel 4.46
- Artikel 4.47
- Artikel 5.1
- Artikel 5.2
- Artikel 5.3
- Artikel 5.4
- Artikel 5.5
- Artikel 5.6
- Artikel 5.7
- Artikel 5.8
- Artikel 5.9
- Artikel 5.10
- Artikel 5.11
- Artikel 5.12
- Artikel 5.13
- Artikel 5.14
- Artikel 5.15
- Artikel 5.16
- Artikel 5.17
- Artikel 5.18
- Artikel 5.19
- Artikel 5.20
- Artikel 5.21
- Artikel 5.22
- Artikel 5.23
- Artikel 5.24
- Artikel 5.25
- Artikel 5.26
- Artikel 5.27
- Artikel 5.28
- Artikel 5.29
- Artikel 5.30
- Artikel 5.31
- Artikel 5.32
- Artikel 5.33
- Artikel 5.34
- Artikel 5.35
- Artikel 5.36
- Artikel 5.37
- Artikel 5.38
- Artikel 5.39
- Artikel 5.40
- Artikel 5.41
- Artikel 5.42
- Artikel 5.43
- Artikel 5.44
- Artikel 5.45
- Artikel 5.46
- Artikel 5.47
- Artikel 5.48
- Artikel 5.49
- Artikel 5.50
- Artikel 5.51
- Artikel 5.52
- Artikel 5.53
- Artikel 5.54
- Artikel 5.55
- Artikel 5.56
- Artikel 5.57
- Artikel 5.58
- Artikel 5.59
- Artikel 5.60
- Artikel 5.61
- Artikel 5.62
- Artikel 5.63
- Artikel 5.64
- Artikel 5.65
- Artikel 5.66
- Artikel 5.67
- Artikel 5.68
- Artikel 5.69
- Artikel 5.70
- Artikel 5.71
- Artikel 5.72
- Artikel 5.73
- Artikel 5.74
- Artikel 5.75
- Artikel 5.76
- Artikel 5.77
- Artikel 5.78
- Artikel 5.79
- Artikel 5.80
- Artikel 5.81
- Artikel 5.82
- Artikel 5.83
- Artikel 5.84
- Artikel 5.85
- Artikel 5.86
- Artikel 5.87
- Artikel 5.88
- Artikel 5.89
- Artikel 5.90
- Artikel 5.91
- Artikel 5.92
- Artikel 5.93
- Artikel 5.94
- Artikel 5.95
- Artikel 5.96
- Artikel 5.97
- Artikel 5.98
- Artikel 5.99
- Artikel 5.100
- Artikel 5.101
- Artikel 5.102
- Artikel 5.103
- Artikel 5.104
- Artikel 5.105
- Artikel 5.106
- Artikel 5.107
- Artikel 5.108
- Artikel 5.109
- Artikel 5.110
- Artikel 5.111
- Artikel 5.112
- Artikel 5.113
- Artikel 5.114
- Artikel 5.115
- Artikel 5.116
- Artikel 5.117
- Artikel 5.118
- Artikel 5.119
- Artikel 5.120
- Artikel 5.121
- Artikel 5.122
- Artikel 5.123
- Artikel 5.124
- Artikel 5.125
- Artikel 5.126
- Artikel 5.127
- Artikel 5.128
- Artikel 5.129
- Artikel 5.130
- Artikel 5.131
- Artikel 5.132
- Artikel 5.133
- Artikel 5.134
- Artikel 5.135
- Artikel 5.136
- Artikel 5.137
- Artikel 5.138
- Artikel 5.139
- Artikel 5.140
- Artikel 5.141
- Artikel 5.142
- Artikel 5.143
- Artikel 5.144
- Artikel 5.145
- Artikel 5.146
- Artikel 5.147
- Artikel 5.148
- Artikel 5.149
- Artikel 5.150
- Artikel 5.151
- Artikel 5.152
- Artikel 5.153
- Artikel 5.154
- Artikel 5.155
- Artikel 5.156
- Artikel 5.157
- Artikel 5.158
- Artikel 5.159
- Artikel 5.160
- Artikel 5.161
- Artikel 5.162
- Artikel 5.163
- Artikel 5.164
- Artikel 5.165
- Artikel 5.166
- Artikel 5.167
- Artikel 5.168
- Artikel 5.169
- Artikel 5.170
- Artikel 5.171
- Artikel 5.172
- Artikel 5.173
- Artikel 5.174
- Artikel 5.175
- Artikel 5.176
- Artikel 5.177
- Artikel 5.178
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.3
- Artikel 10.1
- Artikel 11.1
- Artikel 11.2
- Artikel 11.3
- Artikel 11.4
- Artikel 11.5
- Artikel 11.6
- Artikel 11.7
- Artikel 11.8
- Artikel 11.9
- Artikel 12.1
- Artikel 12.2
- Artikel 12.3
- Artikel 12.4
- Artikel 12.5
- Artikel 12.6
- Artikel 12.7
- Artikel 12.8
- Artikel 12.9
- Artikel 12.10
- Artikel 12.11
- Artikel 22.1
- Artikel 22.2
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.7
- Artikel 22.8
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 22.11
- Artikel 22.12
- Artikel 22.13
- Artikel 22.14
- Artikel 22.15
- Artikel 22.16
- Artikel 22.17
- Artikel 22.18
- Artikel 22.19
- Artikel 22.20
- Artikel 22.21
- Artikel 22.22
- Artikel 22.23
- Artikel 22.24
- Artikel 22.25
- Artikel 22.26
- Artikel 22.27
- Artikel 22.28
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35
- Artikel 22.36
- Artikel 22.37
- Artikel 22.38
- Artikel 22.39
- Artikel 22.40
- Artikel 22.41
- Artikel 22.42
- Artikel 22.43
- Artikel 22.44
- Artikel 22.45
- Artikel 22.46
- Artikel 22.47
- Artikel 22.48
- Artikel 22.49
- Artikel 22.50
- Artikel 22.51
- Artikel 22.52
- Artikel 22.52a
- Artikel 22.53
- Artikel 22.54
- Artikel 22.55
- Artikel 22.56
- Artikel 22.57
- Artikel 22.58
- Artikel 22.59
- Artikel 22.60
- Artikel 22.61
- Artikel 22.61a
- Artikel 22.62
- Artikel 22.62a
- Artikel 22.63
- Artikel 22.64
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68
- Artikel 22.69
- Artikel 22.70
- Artikel 22.71
- Artikel 22.72
- Artikel 22.73
- Artikel 22.74
- Artikel 22.75
- Artikel 22.76
- Artikel 22.77
- Artikel 22.78
- Artikel 22.79
- Artikel 22.80
- Artikel 22.81
- Artikel 22.82
- Artikel 22.83
- Artikel 22.84
- Artikel 22.85
- Artikel 22.86
- Artikel 22.87
- Artikel 22.88
- Artikel 22.89
- Artikel 22.90
- Artikel 22.91
- Artikel 22.92
- Artikel 22.93
- Artikel 22.94
- Artikel 22.95
- Artikel 22.96
- Artikel 22.97
- Artikel 22.98
- Artikel 22.99
- Artikel 22.100
- Artikel 22.101
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106
- Artikel 22.107
- Artikel 22.108
- Artikel 22.109
- Artikel 22.110
- Artikel 22.111
- Artikel 22.112
- Artikel 22.113
- Artikel 22.114
- Artikel 22.115
- Artikel 22.116
- Artikel 22.117
- Artikel 22.118
- Artikel 22.119
- Artikel 22.120
- Artikel 22.121
- Artikel 22.122
- Artikel 22.123
- Artikel 22.124
- Artikel 22.125
- Artikel 22.126
- Artikel 22.127
- Artikel 22.128
- Artikel 22.129
- Artikel 22.130
- Artikel 22.131
- Artikel 22.132
- Artikel 22.133
- Artikel 22.134
- Artikel 22.135
- Artikel 22.136
- Artikel 22.137
- Artikel 22.138
- Artikel 22.139
- Artikel 22.140
- Artikel 22.141
- Artikel 22.142
- Artikel 22.143
- Artikel 22.144
- Artikel 22.145
- Artikel 22.146
- Artikel 22.147
- Artikel 22.148
- Artikel 22.149
- Artikel 22.150
- Artikel 22.151
- Artikel 22.152
- Artikel 22.153
- Artikel 22.154
- Artikel 22.155
- Artikel 22.156
- Artikel 22.157
- Artikel 22.158
- Artikel 22.159
- Artikel 22.160
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162
- Artikel 22.163
- Artikel 22.164
- Artikel 22.165
- Artikel 22.166
- Artikel 22.167
- Artikel 22.168
- Artikel 22.169
- Artikel 22.170
- Artikel 22.171
- Artikel 22.172
- Artikel 22.173
- Artikel 22.174
- Artikel 22.175
- Artikel 22.176
- Artikel 22.177
- Artikel 22.178
- Artikel 22.179
- Artikel 22.180
- Artikel 22.181
- Artikel 22.182
- Artikel 22.183
- Artikel 22.184
- Artikel 22.185
- Artikel 22.186
- Artikel 22.187
- Artikel 22.188
- Artikel 22.189
- Artikel 22.190
- Artikel 22.191
- Artikel 22.192
- Artikel 22.193
- Artikel 22.194
- Artikel 22.195
- Artikel 22.196
- Artikel 22.197
- Artikel 22.198
- Artikel 22.199
- Artikel 22.200
- Artikel 22.201
- Artikel 22.202
- Artikel 22.203
- Artikel 22.204
- Artikel 22.205
- Artikel 22.206
- Artikel 22.207
- Artikel 22.208
- Artikel 22.209
- Artikel 22.210
- Artikel 22.211
- Artikel 22.212
- Artikel 22.213
- Artikel 22.214
- Artikel 22.215
- Artikel 22.216
- Artikel 22.217
- Artikel 22.218
- Artikel 22.219
- Artikel 22.220
- Artikel 22.221
- Artikel 22.222
- Artikel 22.223
- Artikel 22.224
- Artikel 22.225
- Artikel 22.226
- Artikel 22.227
- Artikel 22.228
- Artikel 22.229
- Artikel 22.230
- Artikel 22.231
- Artikel 22.232
- Artikel 22.233
- Artikel 22.234
- Artikel 22.235
- Artikel 22.236
- Artikel 22.237
- Artikel 22.238
- Artikel 22.239
- Artikel 22.240
- Artikel 22.241
- Artikel 22.242
- Artikel 22.243
- Artikel 22.244
- Artikel 22.245
- Artikel 22.246
- Artikel 22.247
- Artikel 22.248
- Artikel 22.249
- Artikel 22.250
- Artikel 22.251
- Artikel 22.252
- Artikel 22.253
- Artikel 22.254
- Artikel 22.255
- Artikel 22.256
- Artikel 22.257
- Artikel 22.258
- Artikel 22.259
- Artikel 22.260
- Artikel 22.261
- Artikel 22.262
- Artikel 22.263
- Artikel 22.264
- Artikel 22.265
- Artikel 22.266
- Artikel 22.267
- Artikel 22.268
- Artikel 22.269
- Artikel 22.270
- Artikel 22.271
- Artikel 22.272
- Artikel 22.273
- Artikel 22.274
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276
- Artikel 22.277
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283
- Artikel 22.284
- Artikel 22.285
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287
- Artikel 22.288
- Artikel 22.289
- Artikel 22.290
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293
- Artikel 22.294
- Artikel 22.295
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297
- Artikel 22.298
- Artikel 22.299
- Artikel 22.300
- Artikel 22.301
- Artikel 22.302
- Artikel 22.303
- Artikel 23.1
- Artikel 2.4
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696294 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0376/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-04-02 2026-04-02 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696294/nld@2026-04-04 /join/id/proces/gm0376/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0376/2024/4_18_integraletekstvervanging /join/id/proces/gm0376/2026/4_24_integraletekstvervanging /join/id/proces/gm0376/2026/4_26_integraletekstvervanging 2026-04-04 2026-04-04 /akn/nl/act/gm0376/2020/omgevingsplan/nld@26 /akn/nl/act/gm0376/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0376/2020/omgevingsplan/nld@26 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsplan gemeente Blaricum
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Test 2.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Hoofdstuk 2
Doelen
Afdeling 2.1
Doelen omgevingsplan
Artikel 2.1Doelen omgevingsplan
Dit omgevingsplan is, met het oog op de reikwijdte van artikel 1.2 en de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; j. de natuurbescherming; k. de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente; l. het tegengaan van klimaatverandering; m. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; n. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; o. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; p. het beheren van infrastructuur; q. het beheren van watersystemen; r. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; s. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; t. het beheren van natuurlijke hulpbronnen; u. het beheren van natuurgebieden; v. het doelmatig gebruiken van bouwwerken; w. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; x. het behoud van de groenstructuur van de gemeente; y. het zorgdragen voor voldoende woningen opdat zoveel mogelijk aan de woningbehoefte van inwoners wordt voldaan; z. het zorddragen van voldoende woningen voor mensen met een zorgbehoefte; aa. <zonodig later aanvullen>.
Afdeling 2.2
Verplichte omgevingswaarden
Artikel 2.2Geluidproductieplafond industrieterreinen
Afdeling 2.3
Facultatieve omgevingswaarden
Hoofdstuk 3
Programma's
Afdeling 3.1
Programma's met programmatische aanpak
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1
Thema's
Paragraaf 4.1.1
Bouwwerken en andere werken
Artikel 4.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken.
Artikel 4.2Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; f. het voorkomen van hinder en overlast; g. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; en h. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling.
Artikel 4.3Hoofdgebouw bouwen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw voldaan: a. paragraaf Paragraaf 5.2.1 Bouwen – algemeen; b. in hoofdgebouw bouwen - met bouwvlak: Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen – categorie I; c. in hoofdgebouw bouwen - zonder bouwvlak: Paragraaf 5.2.3 Hoofdgebouw bouwen – categorie II.
Paragraaf 4.1.2
Woonruimte
Artikel 4.4Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot woonruimte.
Artikel 4.5Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot woonruimte gelden de volgende doelen: a. het behoud van de leefbaarheid; en b. het waarborgen van een geordend woon- en leefklimaat.
Artikel 4.6Woonruimte wijzigen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.5, wordt bij het wijzigen van woonruimte, voldaan aan Paragraaf 5.2.6 Woonruimte wijzigen.
Artikel 4.7Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.5, wordt bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis, voldaan aan Paragraaf 5.2.7 Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen.
Artikel 4.8Bed and Breakfast verzorgen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.5, wordt bij het verzorgen van een Bed and Breakfast voldaan aan Paragraaf 5.2.8 Bed and Breakfast verzorgen.
Paragraaf 4.1.3
Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied
Artikel 4.9Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 4.10Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen[CJ1] : a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. het beheren van infrastructuur; e. het beheren van watersystemen; f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad; h. het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau; i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied.
Artikel 4.11Objecten en beplanting plaatsen
1.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij plaatsen van objecten op een openbare weg in beheer bij de gemeente voldaan aan Paragraaf 5.2.9 Objecten plaatsen op een openbare plaats.
2.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten een openbare weg in beheer bij de gemeente voldaan aan Paragraaf 5.2.10 Objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten een openbare plaats.
Artikel 4.12Weg aanleggen of veranderen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het aanleggen of veranderen van een weg voldaan aan Paragraaf 5.2.11 Weg aanleggen, veranderen en opbreken.
Artikel 4.13Uitrit aanleggen of veranderen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het aanleggen van een uitrit voldaan aan Paragraaf 5.2.12 Uitrit aanleggen of veranderen.
Artikel 4.14Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen voldaan aan Paragraaf 5.2.13 Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen.
Artikel 4.15Ligplaats innemen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het innemen van een ligplaats door vaartuigen voldaan aan Paragraaf 5.2.14 Ligplaats innemen.
Artikel 4.16Standplaats innemen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het innemen van een standplaats voldaan aan Paragraaf 5.2.15 Standplaats innemen.
Artikel 4.17Reclame plaatsen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het plaatsen van reclame voldaan aan Paragraaf 5.2.16 Reclame plaatsen.
Artikel 4.18Crossen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.10, wordt bij het crossen voldaan aan Paragraaf 5.2.17 Crossen.
Paragraaf 4.1.4
Cultureel erfgoed
Artikel 4.19Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed.
Artikel 4.20Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.
Artikel 4.21Aanwijzing gemeentelijk monument
Een onroerende zaak met de funcite-aanduiding 'gemeentelijk monument' is een gemeentelijk monument.
Artikel 4.22Aanwijzing rijksbeschermd dorpsgezicht
Een gebied met de functie-aanduiding ‘rijksbeschermd dorpsgezicht’ is een rijksbeschermd dorpsgezicht.
Artikel 4.23Aanwijzing gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Een gebied met de functie-aanduiding 'Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht’ is een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht.
Artikel 4.24Aanwijzing karakteristiek gebouw
Een onroerende zaak met de functie-aanduiding 'karakteristiek gebouw' is een karakteristiek gebouw.
Artikel 4.25Aanwijzing gebieden met een archeologische verwachting
Er zijn gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, onderverdeeld in: a. archeologisch terrein; b. gebieden met een hoge archeologische verwachting; c. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting; d. gebieden met een lage archeologische verwachting; e. gebieden waar geen archeologische verwachting (meer) geldt; en f. gebieden met een onbekende archeologische verwachting.
Artikel 4.26Activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.20, wordt bij het verrichten van activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten voldaan aan Artikel 4.26 Activiteiten met betrekking tot gemeentelijk monument.
Artikel 4.27Activiteiten met betrekking tot rijksbeschermde dorpsgezichten
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.20, wordt bij het verrichten van activiteiten met betrekking tot rijksbeschermde dorpsgezichten voldaan aan Artikel 4.27 Activiteiten met betrekking tot rijksbeschermd dorpsgezicht.
Artikel 4.28Activiteiten met betrekking tot gemeentelijke beschermde dorpsgezichten
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.20, wordt bij het verrichten van activiteiten met betrekking tot gemeentelijk beschermde dorpsgezichten voldaan aan Paragraaf 5.2.19 Activiteiten met betrekking tot gemeentelijk beschermde dorpsgezichten.
Artikel 4.29Activiteiten in gebieden met een archeologische verwachting
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.20, wordt bij het verrichten van activiteiten in gebieden met een archeologische verwachtingswaarde voldaan aan Paragraaf 5.2.28 Activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingen.
Artikel 4.30Slopen van karakteristieke gebouwen
Met oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.20, wordt bij het slopen van karakteristieke gebouwen voldaan aan Paragraaf 5.2.21 Slopen van karakteristieke gebouwen.
Paragraaf 4.1.5
Natuur
Artikel 4.31Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot natuur.
Artikel 4.32Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot natuur gelden de volgende doelen: a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; b. de natuurbescherming; c. het tegengaan van klimaatverandering; d. het beheren van watersystemen; e. het beheren van ecosystemen; f. het beheren van natuurlijke hulpbronnen; g. het realiseren van een natuurnetwerk; h. het beschermen van natuurgebieden; en i. een hoge kwaliteit van het openbaar gebied.
Artikel 4.33Aanwijzing bebouwingscontour houtkap
Er is een bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn.
Artikel 4.34Bomen kappen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.32, wordt bij het kappen van bomen voldaan aan Paragraaf 5.2.22 Kappen van beschermde bomen.
Artikel 4.35Kamperen buiten kampeerterrein
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.32 wordt bij het recreatief kamperen buiten een kampeerterrein voldaan aan Paragraaf 5.2.23 Kamperen buiten kampeerterrein.
Artikel 4.36Verkeer in natuurgebieden en recreatieterreinen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.32 wordt bij het rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard in natuurgebieden en recreatieterreinen voldaan aan Paragraaf 5.2.24 Verkeer in natuurgebieden en recreatieterreinen.
Paragraaf 4.1.6
Milieu
Artikel 4.37Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot milieu.
Artikel 4.38Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen : a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:
Artikel 4.39Geluidhinder veroorzaken anders dan bij activiteiten met gebruiksruimte
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.38, wordt bij de volgende activiteiten voldaan aan Paragraaf 5.2.25 Overige geluidhinder veroorzaken: a. het gebruiken van apparatuur en machines; b. het laden en lossen van een vrachtwagen; en c. het houden van dieren.
Artikel 4.40Oplaten van ballonnen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.38, wordt bij het oplaten van ballonnen voldaan aan Paragraaf 5.2.26 Oplaten van ballonnen.
Paragraaf 4.1.7
Duurzaamheid
Artikel 4.41Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot duurzaamheid.
Artikel 4.42Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot duurzaamheid gelden de volgende doelen: a. het beheersbaar houden van klimaatverandering; b. het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; c. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; d. het bevorderen van duurzame ontwikkeling; en e. het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie.
Artikel 4.43Afkoppelen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.42, wordt bij het lozen van afstromend hemelwater voldaan aan Paragraaf 5.2.27 Afkoppelen van hemelwater.
Paragraaf 4.1.8
Bodem
Artikel 4.44Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bodem.
Artikel 4.45Doelen
Voor bodem gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit; c. het zuinig gebruik van grondstoffen; en d. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 4.46Bodemgevoelig gebouw bouwen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.45, wordt bij het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw voldaan aan Paragraaf 5.2.29 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen.
Artikel 4.47Grond en baggerspecie toepassen
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.45, wordt bij het toepassen van grond en baggerspecie voldaan aan Paragraaf 5.2.30 Grond en baggerspecie toepassen.
Hoofdstuk 5
Activiteiten
Afdeling 5.1
Algemene bepalingen
Artikel 5.1Toepassingsbereik
Met uitzondering van Afdeling 5.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.
Artikel 5.2Normadressaat
Aan de Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.3Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
2.
Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
3.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
4.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
5.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
6.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.
Artikel 5.4Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 5.5Algemene gegevens bij een melding
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de omschrijving van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 5.6Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 5.7Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen Artikel 5.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voor de activiteit door xeen ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 5.8Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 5.9Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning
[Gereserveerd]
Artikel 5.10Gelijkwaardige maatregelen (algemeen)
[Gereserveerd]
Artikel 5.11Informeren over een ongewoon voorval
[Gereserveerd]
Artikel 5.12Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteitenleefomgeving.
Artikel 5.13Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon voorval zijn
[Gereserveerd]
Artikel 5.14Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving
[Gereserveerd]
Artikel 5.15Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan
[Gereserveerd]
Artikel 5.16Algemene beoordelingsregel
[Gereserveerd]
Afdeling 5.2
Thematische activiteiten
Paragraaf 5.2.1
Bouwen - algemeen
Artikel 5.17Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; en c. het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Artikel 5.18Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het functioneel kunnen gebruiken van bouwwerken; b. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; c. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; d. het waarborgen van de veiligheid; en e. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Artikel 5.19Meetbepalingen
Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. afstand tot de zijdelingse perceelgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelgrens tot enig punt van het op dat perceel voorkomende bouwwerk; b. bebouwd oppervlak: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen; c. bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het perceel; d. bouwhoogte: de afstand vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; e. breedte, diepte of lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren; f. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak; g. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel; h. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels of het hart van de scheidsmuren, en de buitenzijde van daken en dakkapellen; en i. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
Artikel 5.20Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.17, in ieder geval in dat: a. beschadiging van de bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of wordt beperkt; en c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
Artikel 5.21Verboden bouwactiviteit
De volgende bouwactiviteiten worden niet verricht: a. bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, die niet voldoen aan de eisen in:
Paragraaf 5.2.2 tot en met Paragraaf 5.2.5; en
b. bouwactiviteiten anders dan de bouwactiviteiten, bedoeld in Paragraaf 5.2.2 tot en met Paragraaf 5.2.5.
Paragraaf 5.2.2
Hoofdgebouw bouwen - met bouwvlak
Artikel 5.22Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen.
Artikel 5.23Aanwijzing vergunningplichtige gevallen (welstand)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
Artikel 5.24Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Artikel 5.25Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
2.
Met de omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maten, afmetingen en percentages, bedoeld in Artikel 5.26 Algemene regels voor hoofdgebouwen, ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, als dat voor een betere technische of stedenbouwkundige inpassing wenselijk is.
Artikel 5.26Algemene regels voor hoofdgebouwen
1.
Hoofdgebouwen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd.
2.
Het aantal woningen verandert niet ten opzichte van: a. het bestaande aantal woningen; of b. als er direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit omgevingsplan meer woningen waren toegestaan dan het bestaande aantal woningen: het aantal woningen dat op dat moment was toegestaan.
3.
Gestapelde woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding gestapeld.
4.
De bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte aangegeven bouwhoogte.
5.
De goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding maximale goothoogte aangegeven goothoogte.
Paragraaf 5.2.3
Hoofdgebouw bouwen - zonder bouwvlak
Artikel 5.27Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen.
Artikel 5.28Aanwijzing vergunningplichtige gevallen (stedenbouw en welstand)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
Artikel 5.29Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen.
2.
Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.
Artikel 5.30Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van de stedenbouwkundige structuur; b. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast; en c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
2.
Met de omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maten, afmetingen en percentages, bedoeld in Artikel 5.31 Algemene regels voor hoofdgebouwen, met maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages, als dat voor een betere technische of stedenbouwkundige inpassing wenselijk is.
Artikel 5.31Algemene regels voor hoofdgebouwen
1.
Het aantal woningen verandert niet ten opzichte van: a. het bestaande aantal woningen; of b. als er direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit omgevingsplan meer woningen waren toegestaan dan het bestaande aantal woningen: het aantal woningen dat op dat moment was toegestaan.
2.
De afstand ten opzichte van de zijdelingse perceelgrens is bij woningen aan de niet aangebouwde zijde minimaal 3 m.
3.
De bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding maximale bouwhoogte aangegeven bouwhoogte.
4.
De gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw inclusief bijbehorende bouwwerken en ondergrondse ruimtes, die niet onder het hoofdgebouw zijn gelegen, bedraagt niet meer dan: oppervlakte van het perceel max. gezamenlijke oppervlakte hoofdgebouw incl. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen (m²) max. oppervlakte bijgebouwen en vrijstaande overkappingen (m²) A B C 0 - 250 75 20 251 - 500 110 25 501 - 700 125 30 751 - 1.000 150 35 1.001 - 2.500 10% van oppervlakte kolom A + 60 20% van totaal kolom B 2.501 - 5.000 5% van oppervlakte kolom A + 185 20% van totaal kolom B 5.000 - 10.000 2% van oppervlakte kolom A + 325, en daarbij bedraagt de oppervlakte minimaal 435 m² en maximaal 500 m² 20% van totaal kolom B > 10.000 500 m² 20% van totaal kolom B 5.
De goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding maximale goothoogte aangegeven goothoogte.
Paragraaf 5.2.4
Bijbehorend bouwwerk bouwen
Artikel 5.32Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken.
Artikel 5.33Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving; en d. het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Artikel 5.34Algemene regels bijbehorend bouwwerk achtererfgebied
1.
Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied staat het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding op de grond xen op een afstand van meer dan 4 m vanaf openbaar toegankelijk gebied.
2.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan: a.
5 m; b.
0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en c. het hoofdgebouw.
3.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 m: a. wordt deze voorzien van een schuin dak; b. is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en c. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.
4.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg 5.
De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bedraagt niet meer dan: a. bij een achtererfgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat gebied; b. bij een achtererfgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het gebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een achtererfgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het gebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.
6.
Voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
7.
Het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding ligt aan of bij, of is een uitbreiding van, een hoofdgebouw, anders dan: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Artikel 5.35Algemene regels dakkapel
1.
Bij het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, wordt de dakkapel voorzien van een plat dak.
2.
De dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 m.
3.
De onderzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m boven de dakvoet.
4.
De bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m onder de daknok.
5.
De zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.
Artikel 5.36Maatwerkvoorschriften
1.
Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 5.3 kan worden afgeweken van: a. de maximale hoogtemaat van 5 m, bedoeld in Artikel 5.34, tweede en derde lid, tot maximaal 6 m; en b. en de overige maten, afmetingen en percentages genoemd in Artikel 5.34 tot en met Artikel 5.35, met maximaal 10%.
2.
Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt alleen gesteld als: a. er een functionele of architectonische aanleiding is voor de afwijking; b. landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; c. de maatvoering aansluit op de maatvoering van omliggende bebouwing; en d. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties niet onevenredig worden aangetast.
Paragraaf 5.2.5
Bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen
Artikel 5.37Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2.
De regels zijn niet van toepassing op de bouwwerken geen gebouw zijnde, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover die in dat artikel zijn vrijgesteld van de omgevingsvergunningplicht.
Artikel 5.38Algemene regels bouwwerken geen gebouwen zijnde
1.
De bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt ten hoogste: a.
1,8 m voor toegangspoorten; b.
2 m voor penanten van toegangspoorten; c.
7 m voor masten; d.
1,5 m voor stalling van scootmobielen en klikobergingen; e.
4 m voor hekken en lichtmasten rond tennisbanen, niet zijnde een padelbaan; f.
15 m voor vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast; g.
5 m voor vrijstaande antenne-installaties, niet zijnde schotelantennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie; h.
0,5 voor zwembaden; en i.
3 m voor de overige bouwwerken geen gebouw zijnde.
2.
De oppervlakte van een stalling van scootmobielen of een klikoberging is maximaal 3 m2.
3.
Het is verboden om bouwwerken geen gebouwen zijnde te bouwen, met inbegrip van hekwerken en lichtmasten, als onderdeel van een padelbaan voor privégebruik.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op het bouwen van erf- en perceelafscheidingen.
Artikel 5.39Algemene regels erf- en perceelafscheidingen
1.
De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
2.
De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 5.40Algemene regels bouwhoogte silo's
1.
Dit artikel is van toepassing op het bouwen van silo's in het buitengebied - agrarisch.
2.
In afwijking van Artikel 5.38, eerste lid, bedraagt de bouwhoogte van mestsilo’s ten hoogste 8 m en van voedersilo’s ten hoogste 12 m.
Artikel 5.41Maatwerkvoorschriften
1.
Het college kan maatwerkvoorschriften stellen over Artikel 5.38 tot en met Artikel 5.40.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de maten, afmetingen en percentages, genoemd in Artikel 5.38 tot en met Artikel 5.40, met maximaal 10%.
Paragraaf 5.2.6
Woonruimte wijzigen
Artikel 5.42Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwkundig of functioneel wijzigen van woonruimte.
Artikel 5.43Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; b. het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte; c. het behoud van de leefbaarheid; en d. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.
Artikel 5.44Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonruimte te verbouwen of te splitsen tot twee of meer zelfstandige woonruimten of in die verbouwde of gesplitste staat te houden.
Artikel 5.45Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegrond van iedere verdieping van het gebouw in de huidige en beoogde situatie; b. de wijze waarop het terrein ontsloten wordt; c. de volgende gegevens over de huidige situatie:
Artikel 5.46Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. de samenstelling van de woonruimtevoorraad;de leefbaarheid; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. het woon- en leefklimaat; of d. het in de vormgeving tot uitdrukking komende karakter van het hoofdgebouw.
2.
De omgevingsvergunning voor een vertikale splitsing wordt in ieder geval geweigerd als de inhoud van de woning (exclusief bijgebouwen) minder dan 1.000 m³ bedraagt.
Paragraaf 5.2.7
Beroep of bedrijf aan huis uitoefenen
Artikel 5.47Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis.
Artikel 5.48Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; en c. ruimte bieden aan economische activiteiten.
Artikel 5.49Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis in ieder geval in dat geen onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie optreedt.
Artikel 5.50Algemene regels beroep of bedrijf aan huis
1.
Een beroep of bedrijf aan huis wordt door de hoofdbewoner zelf uitgeoefend en is ondergeschikt aan het wonen.
2.
De bruto oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend is ten hoogste 1/3 van de bruto vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 60m2.
3.
Er wordt geen gebruik gemaakt van gevelreclame.
Paragraaf 5.2.8
Bed and Breakfast verzorgen
Artikel 5.51Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verzorgen van een bed and breakfast.
Artikel 5.52Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat; b. het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad; c. het tegengaan van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte; d. het beschermen van de gezondheid; e. het bevorderen van toerisme; en f. het bieden van ruimte aan economische activiteiten.
Artikel 5.53Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het verzorgen van een Bed and Breakfast in ieder geval in dat: a. de Bed and Breakfast geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat; en b. voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein of in een duurzame parkeergelegenheid.
Artikel 5.54Algemene regels Bed and Breakfast verzorgen
1.
De Bed and Breakfast wordt verzorgd door de hoofdbewoner van het perceel.
2.
Er wordt maximaal 25% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken gebruikt voor de Bed and Breakfast.
3.
De Bed and Breakfast omvat niet meer dan 3 slaapkamers, ten behoeve van de overnachting van maximaal 6 personen.
4.
De Bed and Breakfast functioneert niet als een zelfstandige woning.
5.
Er wordt geen gevelreclame voor de Bed and Breakfast aangebracht.
Paragraaf 5.2.9
Objecten plaatsen op een openbare plaats
Artikel 5.55Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten op de weg, een weggedeelte of een andere plaats.
2.
Deze paragraaf gaat niet over wegen in beheer bij de provincie of bij het Rijk.
3.
Deze paragraaf gaat niet over: a. standplaatsen als bedoeld in Paragraaf 5.2.15 van dit omgevingsplan; en b. reclame als bedoeld in Paragraaf 5.2.16 van dit omgevingsplan.
Artikel 5.56Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van openbare plaatsen en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; e. het beperken van hinder voor het verkeer; en f. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.
Artikel 5.57Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het plaatsen van objecten op een openbare plaats in beheer van de gemeente in ieder geval in dat: a. voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten en op voetpaden overblijft; b. de vrije toegang tot brandputten en vluchtroutedeuren is geborgd; c. objecten voldoende zichtbaar zijn; en d. objecten stabiel worden geplaatst.
Artikel 5.58Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object op een openbare plaats te plaatsen.
2.
Het verbod geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken; b. zonneschermen; c. voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan; d. uitstallingen bij winkels; en e. containers of andere voorwerpen nodig voor de inrichting van een werkterrein.
Artikel 5.59Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het object; b. de lengte, breedte en hoogte van het object; c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen; en d. een verkeersplan als de straat moet worden afgesloten.
Artikel 5.60Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. de belangen, bedoeld in Artikel 5.56, onevenredig worden geschaad; b. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; d. de activiteit hinder oplevert voor het verkeer; of e. de activiteit hinder of overlast oplevert of kan opleveren voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Artikel 5.61Algemene regels plaatsen vlaggen, wimpels en vlaggenstokken
1.
Vlaggen, wimpels en vlaggenstokken leveren geen gevaar of hinder op voor personen of goederen.
2.
Vlaggen, wimpels en vlaggenstokken worden niet voor commerciële doeleinden gebruikt.
Artikel 5.62Algemene regels plaatsen zonneschermen
1.
Een zonnescherm wordt alleen geplaatst boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg, op een hoogte van tenminste van 2,2 m.
2.
De afstand van een zonnescherm tot het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bedraagt tenminste 0,6 m.
3.
Een zonnescherm reikt niet meer dan 1,5 m buiten de opgaande gevel.
4.
De afstandseisen gelden voor alle onderdelen van het zonnescherm, in welke stand het scherm ook staat.
Artikel 5.63Algemene regels plaatsen uitstallingen
1.
De uitstalling wordt direct voor de winkel geplaatst tegen de winkelgevel aan.
2.
De uitstalling wordt op het voetpad geplaatst.
3.
De doorgang voor voetgangers wordt door de uitstalling niet belemmerd en bedraagt minimaal 1,5 m.
4.
De uitstalling heeft een breedte van ten hoogste 1,5 m.
5.
De uitstalling heeft een relatie met de in de winkel aangeboden waren of diensten.
6.
De uitstalling is alleen aanwezig gedurende de tijden waarop de winkel is geopend.
7.
De uitstalling wordt niet geplaatst voor een nooduitgang, voor de entree van een winkel, voor de ingang van een woning, op een fietspad of op een rijbaan.
8.
Er worden geen kabels of leidingen van de winkel naar de uitstalling aangelegd en de uitstalling wordt niet verankerd in de bestrating van het voetpad.
Artikel 5.64Algemene regels plaatsen voorwerpen voor de inrichting van een werkterrein
1.
Een voorwerp voor de inrichting van een werkterrein wordt zodanig geplaatst dat: a. er geen gevaar is voor weggebruikers en omwonenden; en b. de vrije doorgang voor het verkeer, waaronder voetgangers en hulpdiensten, niet wordt belemmerd.
2.
De hoeken van een voorwerp voor de inrichting van een werkterrein wordt voorzien van rood-wit geblokte verticale planken, die tussen zonsondergang en -opgang worden verlicht.
3.
Bij het plaatsen van een voorwerp voor de inrichting van een werkterrein wordt de toegang tot woningen, opritten en garages vrijgehouden.
4.
Een voorwerp voor de inrichting van een werkterrein mag blijven staan zolang de werkzaamheden voortduren, met een duur van ten hoogste twee maanden.
5.
Na beëindiging van de activiteit en het verwijderen van het geplaatste voorwerp wordt de gemeentegrond in de oorspronkelijke staat opgeleverd.
Artikel 5.65Meldingsplicht plaatsen container of ander voorwerp inrichting werkterrein
1.
Het is verboden een container of een ander voorwerp voor de inrichting van een werkterrein te plaatsen zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding bevat: a. de locatie van het object; b. de lengte, breedte en hoogte van het object; en c. de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen.
Paragraaf 5.2.10
Objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten een openbare plaats
Artikel 5.66Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten een openbare plaats in beheer bij de gemeente.
Artikel 5.67Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bevorderen van de verkeersveiligheid; en b. het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer.
Artikel 5.68Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting in ieder geval in dat: a. het vrije uitzicht voor het verkeer niet wordt belemmerd; en b. geen gevaar of hinder voor het wegverkeer ontstaat.
Paragraaf 5.2.11
Weg aanleggen, veranderen en opbreken
Artikel 5.69Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het aanleggen, veranderen en opbreken van een weg in beheer bij de gemeente.
Artikel 5.70Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder voor het verkeer en voor omwonenden; en e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.
Artikel 5.71Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op een andere manier de weg te veranderen in beheer bij de gemeente.
2.
Het verbod is ook van toepassing bij het wijzigen van de inrichting van de weg.
3.
Het verbod geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de overheid in het kader van haar publieke taken.
Artikel 5.72Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, dwarsprofielen, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; b. als een bemaling plaatsvindt: een bemalingsplan; en c. als de grond wordt: voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen.
Artikel 5.73Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. het beoogde gebruik ten koste gaat van parkeerruimte in de bermen; c. door het aanleggen, opbreken en veranderen van een weg in beheer bij de gemeente een verkeersonveilige situatie kan ontstaan; d. de aanleg, verandering en opbreking van de weg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; e. het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of f. het perceel al wordt ontsloten, en de aanleg, verandering en opbreking van de weg ten koste gaat van het openbaar groen.
Paragraaf 5.2.12
Uitrit aanleggen of veranderen
Artikel 5.74Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de openbare weg in beheer bij de gemeente.
Artikel 5.75Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte; en f. het beschermen van het openbaar groen.
Artikel 5.76Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitrit te veranderen naar de weg.
Artikel 5.77Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of foto met daarop de gewenste ligging van de uitrit; en b. een foto van de bestaande situatie.
Artikel 5.78Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. door de uitrit een verkeersonveilige situatie kan ontstaan; b. de aanleg of verandering van de uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen door de uitrit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitrit ten koste gaat van het openbaar groen.
Paragraaf 5.2.13
Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen
Artikel 5.79Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het in de openlucht en buiten een weg opslaan van de volgende goederen, bij het uitvoeren van activiteiten die geen milieubelastende activiteit zijn als bedoeld in paragraaf 22.3 van de bruidsschat en hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; b. een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen.
Artikel 5.80Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beëindigen van overlast; b. het voorkomen van schade aan de volksgezondheid; en c. het voorkomen van schade aan het uiterlijk aanzien van de omgeving.
Artikel 5.81Verbod opslaan van voorwerpen en stoffen
Het is verboden om de volgende voorwerpen en stoffen op te slaan op de locaties verbod opslaan: a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; b. een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen.
Paragraaf 5.2.14
Ligplaats innemen
Artikel 5.82Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats voor een vaartuig op openbaar water.
Artikel 5.83Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de veiligheid op het openbaar water; b. het mogelijk maken van beheer en onderhoud van het openbaar water; c. het beschermen van de volksgezondheid; en d. het waarborgen van een goede milieuhygiëne.
Artikel 5.84Verbod ligplaats vaartuigen
Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in het 'gebied verbod ligplaatsen'.
Artikel 5.85Algemene regels ligplaatsen Blaricummermeent
1.
In de Blaricummermeent zijn ligplaatsen voor recreatievaartuigen bij particuliere percelen toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de ligplaats is gesitueerd langs de oever van het perceel; b. de ligplaats wordt gebruikt door de rechthebbende op het perceel; c. het oppervlaktewaterlichaam behoudt ten minste een breedte van 5 m doorvaarbaar water rekenend van 2,5 m aan weerzijde as watergang; d. de ligplaats wordt niet gebruikt van 1 november tot en met 31 maart; en e. de rechthebbende op een vaartuig volgt de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen op over het innemen, veranderen of gebruik van de ligplaats.
2.
In de Blaricummermeent zijn ligplaatsen voor recreatievaartuigen toegestaan in de periode van 1 april tot en met 31 oktober onder de volgende voorwaarden: a. de ligplaats wordt minder dan vijf aaneengesloten dagen ingenomen; b. het innemen van een ligplaats op een afstand van minder dan 200 meter van de oude ligplaats, geldt als het innemen van een en dezelfde ligplaats; en c. de rechthebbende op een vaartuig volgt de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen op over het innemen, veranderen of gebruik van de ligplaats.
Paragraaf 5.2.15
Standplaats innemen
Artikel 5.86Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het innemen of het hebben van een standplaats in het openbaar toegankelijk gebied.
2.
Deze paragraaf gaat niet over een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet.
Artikel 5.87Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg; b. het bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; e. het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied; f. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:
Artikel 5.88Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben.
Artikel 5.89Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de standplaats; b. een foto of tekening van het uiterlijk van de fysieke middelen die worden gebruikt op de standplaats; c. de afmetingen van die fysieke middelen; d. het soort goederen of diensten dat wordt aangeboden of verhandeld; en e. de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen.
Artikel 5.90Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. het uiterlijk van de standplaats, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de goede omgevingskwaliteit; b. door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs de verkeersveiligheid in het geding komt; c. de volksgezondheid in het geding komt; d. de veiligheid in het geding komt; e. de bescherming van een goede milieuhygiëne in het geding komt; en f. de veiligheid van het verkeer in het geding is.
Paragraaf 5.2.16
Reclame plaatsen
Artikel 5.91Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over: a. het aanbrengen en maken van reclame in de openbare ruimte; en b. het aanbrengen en maken van reclame die zichtbaar is vanuit de openbare ruimte.
2.
Deze paragraaf gaat niet over: a. uitstallingen die behoren tot een standplaats als bedoeld in Paragraaf 5.2.15; b. het uiten van een persoonlijke opvatting; en c. het plaatsen van objecten door een overheidsorgaan voor het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
Artikel 5.92Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bevorderen van de verkeersveiligheid; b. het beperken van hinder; en c. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.
Artikel 5.93Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning handelsreclame te plaatsen op of aan een onroerende zaak, als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat
Artikel 5.94Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto verstrekt met daarop de locatie van de reclame; b. een foto, tekening of duidelijke omschrijving van de reclame verstrekt; c. als een object wordt gebruikt: de lengte, breedte en hoogte van dat object aangegeven; en d. de voorgenomen tijdsduur van het maken van reclame vermeld.
Artikel 5.95Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. als het verkeer in gevaar wordt gebracht; en b. of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat.
Paragraaf 5.2.17
Crossen
Artikel 5.96Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het crossen met een motorvoertuig of bromfiets buiten de openbare weg.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het crossen met een motorvoertuig of een bromfiets op crossterreinen
Artikel 5.97Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; b. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; en c. het beschermen van de veiligheid van de deelnemers en het publiek.
Artikel 5.98Verbod crossen
Het is verboden te crossen met een motorvoertuig of een bromfiets of een motorvoertuig of bromfiets aanwezig te hebben met het kennelijke doel om te crossen.
Paragraaf 5.2.18
Cultureel erfgoed: gemeentelijke monumenten
Artikel 5.99Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot door de gemeente aangewezen monumenten, zoals beschreven in Bijlage III Redengevende omschrijving gemeentelijke monumenten bij deze regels
Artikel 5.100Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en behouden van gemeentelijke monumenten.
Artikel 5.101Verbod
Het is verboden: a. een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen; en b. aan gemeentelijke monumenten onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 5.102Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht.
3.
De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden niet voor zover het gaat om: a. normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt; of b. de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
Artikel 5.103Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: algemeen
1.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bouw- of cultuurhistorisch onderzoeksrapport; b. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument; c. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en d. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
2.
In aanvulling op het eerste lid onder a vindt overleg plaats als de kosten van het bouw- of cultuurhistorisch onderzoekrapport niet evenredig is met de bouwkosten.
Artikel 5.104Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: slopen monument
1.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en V. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; en c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.
Artikel 5.105Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: verplaatsen monument
1.
Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht. d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; c. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; en d. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.
Artikel 5.106Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: wijzigen monument
1.
Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht;
I. plattegronden;
II. doorsneden;
III. gevelaanzichten; of IV. een dakaanzicht; en 5. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
2.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; en g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
Artikel 5.107Eisen aan tekeningen
1.
Tekeningen als bedoeld in Artikel 5.104 tot en met Artikel 5.106, hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.
1:1000, als het gaat om een situatietekening; b.
1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c.
1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d.
1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.
2.
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
3.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
4.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:
Artikel 5.108Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als de activiteit in strijd is met het belang van de monumentenzorg.Activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument
Paragraaf 5.2.19
Activiteiten met betrekking tot gemeentelijk beschermde dorpsgezichten
Artikel 5.109Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in gebieden met de functie-aanduiding ‘gemeentelijk beschermde dorpsgezichten’.
Artikel 5.110Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en behouden van gemeentelijk beschermde dorpsgezichten vanwege hun historische waarde.
Artikel 5.111Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht geheel of gedeeltelijk te slopen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen als sprake is van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 en 13b van de Woningwet of een verplichting, gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.112Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
2.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 5.113Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als deze in strijd is met het belang van de monumentenzorg.
2.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Paragraaf 5.2.20
Activiteiten met betrekking tot rijksbeschermde dorpsgezichten
Artikel 5.114Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in gebieden met de functie-aanduiding 'rijksbeschermd dorpsgezicht’.
Artikel 5.115Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en behouden van rijksbeschermde dorpsgezichten vanwege hun historische waarde.
Artikel 5.116Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een rijksbeschermd dorpsgezicht: a. een bouwwerk te bouwen; b. een bouwwerk te slopen; c. de bodem af te graven, op te hogen of te egaliseren; d. wegen, paden, parkeergelegenheid of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen; e. leilindes te kappen of te verwijderen, ter plaatse van de locatie 'beschermd groen - Leilindes'; of f. hulsthagen te kappen of te verwijderen, ter plaatse van de locatie 'beschermd groen - Hulsthagen'.
2.
Het eerste lid, onder b, geldt niet als sprake is van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 en 13b van de Woningwet of een verplichting, gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Het eerste lid, onder c, geldt niet voor het ophogen, egaliseren of verlagen van de bodem ten behoeve van de bouw van een aan- of uitbouw op dezelfde hoogte als het hoofdgebouw waaraan de aan- of uitbouw gebouwd wordt.
4.
Het eerste lid, onder d, geldt niet voor het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van toegangspaden, terrassen en parkeergelegenheden, voor zover de oppervlakte aan verhardingen niet meer bedraagt dan 10% van het perceel en niet meer dan 100 m².
5.
Het eerste lid, onder c tot en met f, geldt ook niet voor: a. normaal onderhoud, beheer en gebruik; en b. werken of werkzaamheden die strekken ter behoud of herstel van de cultuurhistorische waarden.
Artikel 5.117Aanvraagvereisten omgevingsvergunning rijksbeschermd dorpsgezicht
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. bij het bouwen van een bouwwerk:
Artikel 5.118Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als deze in strijd is met het belang van de monumentenzorg.
2.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd als het college het niet aannemelijk acht dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Paragraaf 5.2.21
Slopen van karakteristieke gebouwen
Artikel 5.119Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het slopen van karakteristieke gebouwen ter plaatse van het werkingsgebied karakteristiek bepaalde waarde.
Artikel 5.120Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden; en b. het waarborgen van het woon- en leefklimaat.
Artikel 5.121Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een karakteristiek gebouw te slopen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als sprake is van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 en 13b van de Woningwet of een verplichting, gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 5.122Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument; b. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen voor het gemeentelijk monument; c. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
Artikel 5.123Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de karakteristieke waarden niet worden aangetast.
Paragraaf 5.2.22
Kappen van beschermde bomen
Artikel 5.124Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het kappen van bomen.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het vellen van houtopstanden waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.
Artikel 5.125Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de natuurwaarde van bomen; b. de landschappelijke waarde van bomen; c. de waarde van bomen voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van bomen; e. de cultuurhistorische waarde van bomen; f. de levensverwachting van bomen; en g. de waarde van bomen voor klimaatadaptatie.
Artikel 5.126Meetbepalingen
De omtrek van de boom wordt gemeten op 1,30 m boven het maaiveld. Bij een meerstammige boom geldt de omtrek van de dikste stam.
Artikel 5.127Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen.
2.
Het verbod geldt niet voor: a. bomen met een omtrek van 95 cm of minder; b. houtopstand die buiten de bebouwingscontour houtkap staat, tenzij de houtopstand:
Prunus serotina (bospest of Amerikaanse vogelkers); en h. dunnen van houtopstand.
Artikel 5.128Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een locatie-aanduiding van de te kappen boom op een kaart, foto of tekening; b. de reden voor het kappen van de boom; c. de diameter van de stam van de te kappen boom; d. de stamomtrek van de te kappen boom; en e. de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten.
Artikel 5.129Beoordelingsregels omgevingsvergunning
1.
De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de belangen, bedoeld in Artikel 5.125, onevenredig worden geschaad.
2.
Bij vergunningvoorschrift kan een herplantplicht worden opgelegd. Daarbij kan worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3.
Als herbeplanten binnen het perceel van kap niet mogelijk is, kan het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift bepalen dat de boom niet wordt gekapt voordat een bedrag is gestort in het gemeentelijk herplantfonds.
4.
Het verbod geldt ook niet voor een boom die naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormt; of b. een besmettelijke boomziekte heeft.
Artikel 5.130Meldingsplicht
1.
Het is verboden een boom te kappen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als: a. het gaat om dunnen van een houtopstand; b. de boom wordt gekapt, omdat deze een onmiddellijk dreigend gevaar voor omgeving vormt; c. de boom wordt gekapt vanwege een besmettelijke boomziekte; d. het gaat om een boomsoort opgenomen op de Europese Unielijst voor zorgwekkende invasieve uitheemse soorten; of e. het gaat om een Prunus serotina (bospest of Amerikaanse vogelkers).
2.
De melding bevat: a. een locatie-aanduiding van de te kappen boom op een kaart, foto of tekening; b. de reden voor het kappen van de boom; c. de diameter van de stam van de te kappen boom; d. de stamomtrek van de te kappen boom; en e. de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten.
3.
Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningvrij is aangewezen in Artikel 5.127, tweede lid, onder a tot en met e.
4.
De termijn van vier weken is niet van toepassing als er sprake is van noodkap.
Artikel 5.131Algemene regel - bomen in tuinen
Met het oog op de natuurwaarde van bomen en het bevorderen van de leefbaarheid is de afstand waarbinnen het geoorloofd is bomen te hebben, bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, 0 m vanaf de erfgrens.
Artikel 5.132Algemene regel herplant- en instandhoudingsplicht
1.
Als een boom, waarop deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning is gekapt of op andere wijze is tenietgegaan, kan het college bij maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen binnen een bepaalde termijn te herbeplanten.
2.
Het maatwerkvoorschrift wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de boom bevond of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.
3.
Bij het maatwerkvoorschrift kan worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
4.
Als herbeplanten binnen het perceel van kap niet mogelijk is, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bedrag wordt gestort in het gemeentelijk herplantfonds.
5.
Als een boom, waarop deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de boom bevindt of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, bij maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
6.
Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens:
Artikel 5.133Algemene regel bestrijding van boomziekten
1.
Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 5.3 bepalen: a. dat de boom binnen de bij dat maatwerkvoorschrift vast te stellen termijn wordt gekapt; en b. de gekapte boom op de bij dat maatwerkvoorschrift bepaalde wijze wordt behandeld om verspreiding van de boomziekte te voorkomen.
2.
Het is verboden gekapte bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.
Paragraaf 5.2.23
Kamperen buiten kampeerterrein
Artikel 5.134Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het kamperen buiten een kampeerterrein.
Artikel 5.135Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; b. het in stand houden van de natuur; en c. het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.136Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te kamperen buiten een kampeerterrein.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen door de rechthebbende op eigen terrein.
3.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen buiten een kampeerterrein gedurende twee of minder overnachtingen, wanneer de rechthebbende van het terrein daartoe toestemming verleent.
Artikel 5.137Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de kampeermiddelen; b. een tekening of duidelijke omschrijving van het aantal en uiterlijk van de kampeermiddelen; en c. de voorgenomen tijdsduur van de activiteit.
Artikel 5.138Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de natuur en landschappelijke elementen; en b. het uiterlijk aanzien van de omgeving niet onevenredig wordt geschaad, voor zover de activiteit zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied.
Paragraaf 5.2.24
Verkeer in natuurgebieden en recreatieterreinen
Artikel 5.139Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard in natuurgebieden en recreatieterreinen.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het kamperen buiten een kampeerterrein, bedoeld in Paragraaf 5.2.23.
Artikel 5.140Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; b. het in stand houden van de natuur; en c. het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.141Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of recreatieterreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2.
Het verbod geldt niet voor motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. die worden gebruikt door de politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening of andere hulpverleningsdiensten die volgens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister zijn aangewezen; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; c. die worden gebruikt in verband met werken die volgens een wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid liggen; of e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de personen, bedoeld onder d.
Artikel 5.142Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving waaruit blijkt waarom er verkeer nodig is in het gebied, of waarom de aanvrager het gebied moet bereiken; b. een routeplan op een plattegrond; c. de frequentie en de duur van de activiteiten; d. een beschrijving van de effecten op de natuur en recreatie in het gebied; en e. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen tegen eventuele schade, zoals mogelijke milieuschade en geluidoverlast in de natuur.
Artikel 5.143Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in Artikel 5.140, niet onevenredig worden geschaad.
Paragraaf 5.2.25
Overige geluidhinder veroorzaken
Artikel 5.144Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gaan niet over de milieubelastende activiteiten waarvoor in Paragraaf 22.3.4 regels zijn gesteld.
Artikel 5.145Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beperken van geluidhinder; en b. een gezonde woon- en leefomgeving.
Artikel 5.146Geluidhinder privé feest
1.
Het is verboden, bij het houden van een privé feest in de openlucht, een muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te maken: a. op zondag tot en met donderdag tussen 23.00 uur en 09.00 uur van de daaropvolgende dag; b. in de nacht van vrijdag op zaterdag tussen 00.00 uur en 09.00 uur; of c. in de nacht van zaterdag op zondag na 00.00 uur en op zondag voor 13.00 uur.
2.
Het is verboden bij het houden van een privé feest een muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te maken wanneer dit een kerkdienst kan verstoren.
Artikel 5.147Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben: a. van 20.00 uur tot 07.00 uur van de daaropvolgende dag, of tot 10.00 uur als dat een zondag betreft; en b. op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een motorrijtuig bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 5.148Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van het soort en type apparatuur of machines; b. de tijdstippen en de duur van het gebruik c. een plattegrond, waaruit blijkt welke gevoelige functies zoals woningen in de buurt liggen; en d. een beschrijving van de te nemen maatregelen om hinder te beperken.
Artikel 5.149Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vrachtauto op zodanige wijze te laden of te lossen als daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Artikel 5.150Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond, met de locaties van het laden en lossen; b. de tijdstippen en de duur van het gebruik; c. een beschrijving van de te nemen maatregelen om hinder te beperken.
Artikel 5.151Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in artikel Artikel 5.145, onevenredig worden geschaad.
Paragraaf 5.2.26
Oplaten van ballonnen
Artikel 5.152Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het oplaten van ballonnen.
Artikel 5.153Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een gezonde woon- en leefomgeving; en b. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen tegen milieuverontreiniging.
Artikel 5.154Verbod oplaten ballonnen
1.
Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter is dan lucht, op te laten in de buitenlucht met het oogmerk om deze weg te laten zweven.
2.
Onder ballon wordt onder meer verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings- of reclameballon.
Paragraaf 5.2.27
Afkoppelen van hemelwater
Artikel 5.155Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het lozen van afstromend hemelwater.
Artikel 5.156Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; b. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; en c. het aanpassen van de gebouwde omgeving aan de gevolgen van klimaatverandering.
Artikel 5.157Verbod lozen hemelwater bij nieuwbouw
1.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 5.156, is het verboden afstromend hemelwater te lozen in het openbaar riool of de openbare ruimte.
2.
Het verbod geldt niet voor lozingen die al voor 1 januari 2024 plaatsvonden en sindsdien niet zijn gewijzigd.
3.
Het college kan met een omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid, als van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater of grondwater kan worden gevergd.
4.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend voor lozingen van hemelwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.158Afkoppelen van hemelwater bij bestaande bouw
1.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 5.156, is het verboden in het afkoppelgebied afstromend hemelwater te lozen in het openbaar riool of in de openbare ruimte.
2.
Het eerste lid is van toepassing vanaf 12 maanden nadat een perceel is aangewezen als onderdeel van het afkoppelgebied.
3.
Het college kan met een omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid, als van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater of grondwater kan worden gevergd.
4.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend voor lozingen van hemelwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.159Algemene regels lozen van hemelwater
1.
Het afstromende hemelwater, bedoeld in Artikel 5.157 en Artikel 5.158, komt niet in contact met uitlogende materialen zoals zink, lood en koper.
2.
De eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein draagt zorg voor goed onderhoud van de aangebrachte hemelwatervoorzieningen.
3.
Op verzoek van het college toont de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein aan dat de hemelwatervoorziening het hemelwater op een juiste manier blijft verwerken.
Artikel 5.160Maatwerkvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 5.3 kan worden gesteld over de wijze waarop het afkoppelen plaatsvindt.
Paragraaf 5.2.28
Activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingen
Artikel 5.161Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingen.
Artikel 5.162Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische waarden.
Artikel 5.163Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of op andere wijze de grond te roeren in een archeologisch terrein, als: a. de diepte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 30 cm; en b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 50 m2.
2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of op andere wijze de grond te roeren in gebieden met een hoge archeologische verwachting, als: a. de diepte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 30 cm; en b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 200 m2.
3.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of op andere wijze de grond te roeren in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, als: a. de diepte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 50 cm; en b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 500 m2.
4.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of op andere wijze de grond te roeren in gebieden met een lage archeologische verwachting, als: a. de diepte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 50 cm; en b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 2500 m2.
5.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning te graven of op andere wijze de grond te roeren in het gebied met een onbekende archeologische verwachting, als: a. de diepte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 30 cm; en b. de oppervlakte van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen meer is dan 200 m2.
Artikel 5.164Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de graafwerkzaamheden of andere grondroeringen; en b. een rapport conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie waarin de archeologische waarde van die locatie is vastgesteld.
Artikel 5.165Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad en dit in een archeologische rapportage conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is aangetoond; of b. schade door de werkzaamheden kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften.
Paragraaf 5.2.29
Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen
Artikel 5.166Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw.
2.
Een bodemgevoelig gebouw is: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen.
3.
Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.
Artikel 5.167Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 5.168Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bodemgevoelige gebouwen
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw te bouwen.
Artikel 5.169Bijzondere aanvraagvereisten bodemgevoelige gebouwen
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in Artikel 5.171: de gegevens en bescheiden over sanerende of andere beschermende maatregelen die worden getroffen.
Artikel 5.170Beoordelingsregels bodemgevoelige gebouwen
1.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.172, ter plaatse van het gebouw, het woonschip of de woonwagen, en de onmiddellijk daaraan grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, niet worden overschreden; en b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
2.
Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.171Toelaatbare bodemkwaliteit
1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume ” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 5.172Maatregelen bij overschrijding toelaatbare bodemkwaliteit
1.
Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen gebouwd als een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
2.
Een sanerende maatregel is in ieder geval een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.173Ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem
Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen in gebruik genomen als de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in Artikel 5.172, zijn getroffen.
Artikel 5.174Informatieplicht maatregelen op verontreinigde bodem
Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, worden burgemeester en wethouders ten minste 5 werkdagen voordat een bodemgevoelig gebouw in gebruik wordt genomen geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in Artikel 5.172, zijn getroffen.
Paragraaf 5.2.30
Grond en baggerspecie toepassen
Artikel 5.175Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf gaat over het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het terugbrengen van grond op of in de bodem bij het tijdelijk uitnemen van grond, bedoeld in artikel 4.1222a of 4.1230a van Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.176Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit; c. het zuinig gebruik van grondstoffen; en d. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 5.177Bodembeheergebied
Het aangewezen bodembeheergebied, bedoeld in artikel 4.1265, derde lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bestaat uit het ambtsgebied van de gemeente Blaricum.
Artikel 5.178Aanwijzing geometrische begrenzing bodemfunctieklassen
1.
Voor de toepassing van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn locaties ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: a. bodemfunctieklasse - overig (landbouw en natuur); b. bodemfunctieklasse - wonen; c. bodemfunctieklasse - industrie; en d. bodemfunctieklasse - water.
2.
Het eerste lid geldt niet voor de bodem en oever van een oppervlaktewaterlichaam.
Afdeling 5.3
Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte
Hoofdstuk 6
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 7
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 8
Procedureregels
Afdeling 8.1
Voorbereiding van besluiten
Afdeling 8.2
Gemeentelijke projecten van publiek belang
Afdeling 8.3
Advies
Artikel 8.1BEL adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
Er is een BEL adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Artikel 8.2Advies aanwijzingen
Het college vraagt advies aan de BEL adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit over: a. de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument, bedoeld in Artikel 4.21; en b. de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht, bedoeld in Artikel 4.23 en Artikel 4.22.
Artikel 8.3Advies bij omgevingsvergunning monument
1.
Het college vraagt advies aan de BEL adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, voordat zij een besluit neemt op de aanvraag van de vergunning, bedoeld in: a.
Artikel 5.28(Aanwijzing vergunningplichtige gevallen (stedenbouw en welstand));
b.
Artikel 5.102(Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gemeentelijk monument);
c.
Artikel 5.116(Aanwijzing vergunningplichtige gevallen rijksbeschermd dorpsgezicht); en
d.
Artikel 5.121(Aanwijzing vergunningplichtige gevallen slopen beeldbepalende gebouwen)
2.
Als de aanvraag betrekking heeft op een gemeentelijk archeologisch monument, dan betrekt de BEL adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit een externe deskundige op het gebied van archeologie.
Hoofdstuk 9
Handhaving
Hoofdstuk 10
Monitoring en informatie
Afdeling 10.1
Registers
Paragraaf 10.1.1
Register gemeentelijk erfgoed
Artikel 10.1Register gemeentelijk erfgoed
1.
Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin, onder andere, het op grond van dit omgevingsplan aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien.
2.
In het gemeentelijk erfgoedregister staan: a. gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten en een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht; b. gegevens over de afschriften die het college heeft ontvangen van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet, en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet over een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; en c. gegevens over door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet over een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.
Hoofdstuk 11
Overgangsrecht
Afdeling 11.1
Overgangsrecht algemeen
Paragraaf 11.1.1
Lopende procedures en gelijkschakelingen
Artikel 11.1Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
1.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
2.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
3.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 11.2Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten
1.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.
2.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Artikel 11.3Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften
1.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.
2.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.
3.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
4.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Artikel 11.4Overgangsrecht handhavingsbesluiten
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: d. de last volledig is uitgevoerd; e. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of f. de last is opgeheven.
Paragraaf 11.1.2
Eerbiedigende werking
Artikel 11.5Eerbiedigende werking bouwwerken
1.
Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een bouwwerk dat aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning op grond van de paragrafen 5.2.2 tot en met 5.2.6, en dat bouwwerk afwijkt van dit omgevingsplan, mag dat bouwwerk, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan door een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning op grond van paragraaf 5.2.2 tot en met 5.2.6 wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2.
Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.
Afdeling 11.2
Verhouding met het tijdelijk deel omgevingsplan
Paragraaf 11.2.1
Voorrangsbepalingen
Artikel 11.6Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan
1.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, over het bouwen van bouwwerken zijn niet van toepassing voor zover de regels van paragraaf 5.2.2 tot en met 5.2.6 van toepassing zijn.
2.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, over het wijzigen van woonruimte, het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis en het verzorgen van een Bed and Breakfast zijn niet van toepassing voor zover de regels van paragraaf 5.2.7 tot en met 5.2.9 van toepassing zijn.
3.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, ter bescherming van archeologische waarden zijn niet van toepassing.
Paragraaf 11.2.2
Regeling festiviteiten
Artikel 11.7Begrippen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal milieubelastende activiteiten als bedoeld in afdeling 22.3 is verbonden; b. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal milieubelastende activiteiten als bedoeld in afdeling 22.3.
Artikel 11.8Collectieve festiviteiten
1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.73 en 22.239 wijst het college per kalenderjaar collectieve festiviteiten aan, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
3.
Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit meteen als collectieve festiviteit aanwijzen.
Artikel 11.9Incidentele festiviteiten
1.
Het is een milieubelastende activiteit als bedoeld in paragraaf 22.3.4.2 toegestaan op maximaal 7 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71, niet van toepassing zijn, mits dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit is gemeld.
2.
Het is een milieubelastende activiteit als bedoeld in paragraaf 22.3.22 toegestaan om tijdens maximaal 7 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, niet van toepassing is, dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit is gemeld.
3.