Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidplas (Zuidplas)

Waar gaat deze regeling over?

Deze verordening regelt diverse zaken in de gemeente Zuidplas die te maken hebben met de openbare orde, veiligheid en het gebruik van openbare plaatsen, en stelt regels voor vergunningen en ontheffingen.

Voor wie: Inwoners en bedrijven die vergunningen of ontheffingen aanvragen bij de gemeente Zuidplas; Iedereen die zich op openbare plaatsen in de gemeente Zuidplas bevindt.

Termijnen:

  • Voor betogingen moet minimaal 48 uur van tevoren schriftelijk kennis worden gegeven aan de burgemeester.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
355
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De procedure voor het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
  • Gedrag op openbare plaatsen om ongeregeldheden te voorkomen.
  • Regels voor betogingen en het verspreiden van gedrukte stukken.
  • Het gebruik en de bruikbaarheid van wegen en openbare plaatsen.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Inwoners en bedrijven die vergunningen of ontheffingen aanvragen bij de gemeente Zuidplas.
  • Iedereen die zich op openbare plaatsen in de gemeente Zuidplas bevindt.

Wat zijn de kernpunten?

  • Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen moeten binnen acht weken worden beslist, met een mogelijke verlenging van zes weken.
  • Een aanvraag kan niet behandeld worden als deze minder dan drie weken voor de benodigde datum wordt ingediend.
  • Vergunningen en ontheffingen zijn persoonsgebonden, tenzij anders bepaald.
  • Vergunningen en ontheffingen kunnen worden geweigerd in het belang van openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming.
  • Het is verboden deel te nemen aan samenscholingen of door uitdagend gedrag ongeregeldheden te veroorzaken op een openbare plaats.
  • Voor betogingen moet minimaal 48 uur van tevoren schriftelijk kennis worden gegeven aan de burgemeester.
  • Het is verboden om zonder vergunning een weg aan te leggen, op te breken, te graven of te veranderen.
  • Roken in bossen, op heide, veengronden of duingebieden, of binnen 30 meter daarvan, is verboden gedurende een door het college aangewezen periode.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (355)
  1. Artikel1:1 Begripsbepalingen
  2. Artikel1:2 Beslistermijn
  3. Artikel1:3 Indiening aanvraag
  4. Artikel1:4 Voorschriften en beperkingen
  5. Artikel1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
  6. Artikel1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
  7. Artikel1:7 Termijnen
  8. Artikel1:8 Weigeringsgronden
  9. Artikel2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
  10. Artikel2:2 Optochten
  11. Artikel2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
  12. Artikel2:4 Afwijking termijn
  13. Artikel2:5 Te verstrekken gegevens
  14. Artikel2:6 Beperkingen aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbee
  15. Artikel2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d
  16. Artikel2:8 Nieuw Artikel
  17. Artikel2:9 Straatartiest
  18. Artikel2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd me
  19. Artikel2:12 Maken, veranderen van een uitweg
  20. Artikel2:10a Straatreclame
  21. Artikel2:13 Veroorzaken van gladheid
  22. Artikel2:14 Winkelwagentjes
  23. Artikel2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
  24. Artikel2:16 Openen straatkolken e.d
  25. Artikel2:17 Kelderingangen e.d
  26. Artikel2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
  27. Artikel2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  28. Artikel2:20 Vallende voorwerpen
  29. Artikel2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  30. Artikel2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
  31. Artikel2:23 Veiligheid op het ijs
  32. Artikel2:24 Begripsbepaling
  33. Artikel2:25 Evenement
  34. Artikel2:26 Ordeverstoring
  35. Artikel2:27 Begripsbepalingen
  36. Artikel2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf
  37. Artikel2:29 Sluitingstijd
  38. Artikel2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
  39. Artikel2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
  40. Artikel2:32 Handel in horecabedrijven
  41. Artikel2:33 Ordeverstoring
  42. Artikel2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
  43. Artikel2:34a Begripsbepaling
  44. Artikel2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen, privé-bijeenkomsten en bi
  45. Artikel2:34c Schenktijden voor commerciële kantines
  46. Artikel2:34d Ontheffingen
  47. Artikel2:34e Prijsacties horeca
  48. Artikel2:34f Aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen
  49. Artikel2:34g Voorschriften aan vergunningen
  50. Artikel2:35 Begripsbepaling
  51. Artikel2:36 Kennisgeving exploitatie
  52. Artikel2:37 Nachtregister
  53. Artikel2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
  54. Artikel2:39 Speelgelegenheden
  55. Artikel2:40 Speelautomaten
  56. Artikel2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
  57. Artikel2:42 Plakken en kladden
  58. Artikel2:43 Vervoer plakgereedschap e.d
  59. Artikel2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
  60. Artikel2:45 Betreden van plantsoenen e.d
  61. Artikel2:46 Rijden over bermen e.d
  62. Artikel2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  63. Artikel2:48 Verboden drankgebruik
  64. Artikel2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
  65. Artikel2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
  66. Artikel2:51 Neerzetten van fiesten e.d
  67. Artikel2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d
  68. Artikel2:53 Bespieden van personen
  69. Artikel2:54 Bewakingsapparatuur
  70. Artikel2:55 Nodeloos alarmeren
  71. Artikel2:56 Alarminstallaties
  72. Artikel2:57 Loslopende honden
  73. Artikel2:58 Verontreiniging door honden
  74. Artikel2:59 Gevaarlijke honden
  75. Artikel2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  76. Artikel2:61 Wilde dieren
  77. Artikel2:62 Loslopend vee
  78. Artikel2:63 Duiven
  79. Artikel2:64 Bijen
  80. Artikel2:65 Bedelarij
  81. Artikel2:66 Begripsbepaling
  82. Artikel2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
  83. Artikel2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafr
  84. Artikel2:69 Vervreemding van door opkoop vekregen goederen
  85. Artikel2:70 Handel in horecabedrijven
  86. Artikel2:71 Begripsbepalingen
  87. Artikel2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdage
  88. Artikel2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  89. Artikel2:75 Bestuurlijke ophouding
  90. Artikel2:76 Veiligheidsrisicogebieden
  91. Artikel2:77 Cameratooezicht op openbare plaatsen
  92. Artikel2:78 Gebiedsontzeggingen
  93. Artikel3:1 Begripsbepalingen
  94. Artikel3:2 Bevoegdbestuursorgaan
  95. Artikel3:3 Nadere regels
  96. Artikel3:4 Seksinrichtingen
  97. Artikel3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
  98. Artikel3:6 Sluitingstijden
  99. Artikel3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
  100. Artikel3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
  101. Artikel3:9 Straatprostitutie
  102. Artikel3:10 Sekswinkels
  103. Artikel3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
  104. Artikel3:12 Beslissingstermijn
  105. Artikel3:13 Weigeringsgronden
  106. Artikel3:14 Beeindiging exploitatie
  107. Artikel3:15 Wijziging beheer
  108. Artikel3:16 Overgangsbepaling
  109. Artikel4:1 Begripsbepaling
  110. Artikel4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  111. Artikel4:3 Kennisgeving incidentele festviteiten
  112. Artikel4:4 Verboden incidentele festiviteiten
  113. Artikel4:5 Onverstrekte muziek
  114. Artikel4:6 Overige geluidhinder
  115. Artikel4:7 Straatvegen
  116. Artikel4:8 Natuurlijke behoefte doen
  117. Artikel4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putte
  118. Artikel4:10 Begripsbepalingen
  119. Artikel4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
  120. Artikel4:12 Vergunning van rechtswege
  121. Artikel4:13 Opslag voertuigen,vaartuigen,mest,afvalstoffen enz
  122. Artikel4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
  123. Artikel4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
  124. Artikel4:16 Vergunningsplicht lichtreclame
  125. Artikel4:17 Begripsbepaling
  126. Artikel4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
  127. Artikel4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
  128. Artikel4:20 Vervoer van gevaarlijke stoffen
  129. Artikel5:1 Begripsbepalingen
  130. Artikel5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
  131. Artikel5:3 Te koop aanbioeden van voertuigen
  132. Artikel5:4 Defecte voertuigen
  133. Artikel5:5 Voertuigwrakken
  134. Artikel5:6 Kampeermiddelen e.a
  135. Artikel5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
  136. Artikel5:8 Parkeren van grote voertuigen
  137. Artikel5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
  138. Artikel5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
  139. Artikel5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  140. Artikel5:12 Overlast van fiets of bromfiets
  141. Artikel5:13 Inzameling van geld of goederen
  142. Artikel5:14 Begripsbepaling
  143. Artikel5:15 Ventverbod
  144. Artikel5:16 Venten met gedrukte stukken
  145. Artikel5:17 Begripsbepaling
  146. Artikel5:17a Locaties en tijden
  147. Artikel5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
  148. Artikel5:19 Standplaatsen in winkelcentra
  149. Artikel5:20 Gronden voor intrekking
  150. Artikel5:20a Rechtsopvolging
  151. Artikel5:22 Begripsbepaling
  152. Artikel5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
  153. Artikel5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  154. Artikel5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
  155. Artikel5:26 Aanwijzingen ligplaats
  156. Artikel5:27 Vebrod innemen ligplaats
  157. Artikel5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
  158. Artikel5:29 Reddingsmiddelen
  159. Artikel5:30 Veiligheid op het water
  160. Artikel5:31 Overlast aan vaartuigen
  161. Artikel5:32 Crossterreinen
  162. Artikel5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
  163. Artikel5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vu
  164. Artikel5:35 Begripsbepaling
  165. Artikel5:36 Verboden plaatsen
  166. Artikel5:37 Hinder of overlast
  167. Artikel6:1 Strafbepaling
  168. Artikel6:2 Toezichthouders
  169. Artikel6:3 Binnentreden woningen
  170. Artikel6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
  171. Artikel6:5 Overgangsbepaling
  172. Artikel6:6 Citeertitel
  173. Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
  174. Artikel 1:2 Beslistermijn
  175. Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag
  176. Artikel 1:3 Indiening aanvraag
  177. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  178. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
  179. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
  180. Artikel 1:7 Termijnen
  181. Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  182. Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
  183. Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)
  184. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
  185. Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen met
  186. Artikel 2:4 Afwijking termijn
  187. Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens
  188. Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeld
  189. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt
  190. Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d
  191. Artikel 2:8 Dienstverlening
  192. Artikel 2:9 Straatartiest
  193. Artikel 2:10
  194. Artikel 2:10a Straatreclame
  195. Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  196. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
  197. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
  198. Artikel 2:14 Winkelwagentjes
  199. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp
  200. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d
  201. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d
  202. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
  203. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  204. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)
  205. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  206. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
  207. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
  208. Artikel 2:24 Begripsomschrijving
  209. Artikel 2:25 Evenement
  210. Artikel 2:26 Ordeverstoring
  211. Artikel 2:27 Begripsbepalingen
  212. Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf
  213. Artikel 2:29 Sluitingstijden
  214. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
  215. Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
  216. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven
  217. Artikel 2:33 Ordeverstoring
  218. Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
  219. Artikel 2:34a Begripsbepalingen
  220. Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen, privé-bijeenkomsten en bi
  221. Artikel 2:34c Schenktijden voor commerciële kantines
  222. Artikel 2:34d Ontheffingen
  223. Artikel 2:34e Prijsacties horeca
  224. Artikel 2:34f Aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen
  225. Artikel 2:34g Voorschriften aan vergunningen
  226. Artikel 2:35 Begripsbepalingen
  227. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
  228. Artikel 2:37 Nachtregister
  229. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
  230. Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden aangevu
  231. Artikel 2:39 Speelgelegenheden
  232. Artikel 2:40 Speelautomaten
  233. Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
  234. Artikel 2:42 Plakken en kladden
  235. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d
  236. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
  237. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d
  238. Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d
  239. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte
  240. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
  241. Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
  242. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
  243. Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ 195
  244. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d
  245. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d
  246. Artikel 2:53 Bespieden van personen
  247. Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (vervallen)
  248. Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (vervallen)
  249. Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen)
  250. Artikel 2:57 Loslopende honden
  251. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
  252. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
  253. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  254. Artikel 2:61 Wilde dieren
  255. Artikel 2:62 Loslopend vee
  256. Artikel 2:63 Duiven
  257. Artikel 2:64 Bijen
  258. Artikel 2:65 Bedelarij
  259. Artikel 2:66 Begripsbepaling
  260. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
  261. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafr
  262. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)
  263. Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
  264. Artikel 2:71 Begripsbepalingen
  265. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen
  266. Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  267. Artikel 2:74 Drugshandel op straat
  268. Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
  269. Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen
  270. Artikel 2:26a Evenementen
  271. Artikel 2:47a Verplichte route
  272. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
  273. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
  274. Artikel 2 Wom bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is van een ope
  275. Artikel 3:1 Begripsbepalingen
  276. Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan
  277. Artikel 3:3 Nadere regels
  278. Artikel 3:4 Seksinrichtingen
  279. Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
  280. Artikel 3:6 Sluitingstijden
  281. Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
  282. Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
  283. Artikel 3:9 Straatprostitutie
  284. Artikel 3:10 Sekswinkels
  285. Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
  286. Artikel 3:12 Beslissingstermijn
  287. Artikel 3:13 Weigeringsgronden
  288. Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie
  289. Artikel 3:15 Wijziging beheer
  290. Artikel 3:16 Overgangsbepaling
  291. Artikel 4:1 Begripsbepalingen
  292. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  293. Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
  294. Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten
  295. Artikel 4:5 Onversterkte muziek
  296. Artikel 4:6 Overige geluidhinder
  297. Artikel 4:7 Straatvegen
  298. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
  299. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putte
  300. Artikel 4:10 Begripsbepalingen
  301. Artikel 4:11 Kapvergunning
  302. Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz
  303. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)
  304. Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
  305. Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame
  306. Artikel 4:17 Begripsbepaling
  307. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
  308. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
  309. Artikel 4:20 Vervoer van gevaarlijke stoffen
  310. Artikel 5:1 Begripsbepalingen
  311. Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
  312. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
  313. Artikel 5:4 Defecte voertuigen
  314. Artikel 5:5 Voertuigwrakken
  315. Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a
  316. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
  317. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
  318. Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
  319. Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
  320. Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  321. Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
  322. Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
  323. Artikel 5:14 Begripsbepaling
  324. Artikel 5:15 Ventverbod
  325. Artikel 5:16 Venten met gedrukte stukken
  326. Artikel 5:17 Begripsbepaling
  327. Artikel 5:17a Locaties en tijden
  328. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
  329. Artikel 5:19 Standplaatsen in winkelcentra
  330. Artikel 5:20 Gronden voor intrekking
  331. Artikel 5:20a Rechtsopvolging
  332. Artikel 5:22 Begripsbepaling
  333. Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
  334. Artikel 42
  335. Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  336. Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
  337. Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats
  338. Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats
  339. Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
  340. Artikel 5:29 Reddingsmiddelen
  341. Artikel 5:30 Veiligheid op het water
  342. Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
  343. Artikel 5:32 Crossterreinen
  344. Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
  345. Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vu
  346. Artikel 10.2
  347. Artikel 5:35 Begripsbepaling
  348. Artikel 5:36 Verboden plaatsen
  349. Artikel 5:37 Hinder of overlast
  350. Artikel 6.1 Strafbepaling
  351. Artikel 6.2 Toezichthouders
  352. Artikel 6.3 Binnentreden woningen
  353. Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen
  354. Artikel 6.5 Overgangsbepaling
  355. Artikel 6.6 Citeertitel

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente ZuidplasHoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel1:1Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel1:2Beslistermijn

1 Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2 Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verlengen.

3 In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, artikel 2;11 of artikel 4:11

Artikel1:3Indiening aanvraag

1 Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2 Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel1:4Voorschriften en beperkingen

1 Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2 Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel1:7Termijnen

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel1:8Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.

Hoofdstuk2OPENBARE ORDE Afdeling1Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden

1 Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2 Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

4De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

6Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afdeling2Betoging

Artikel2:2Optochten

[gereserveerd]

Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

1Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

5De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel2:4Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel2:5Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Afdeling3Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel2:6Beperkingen aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

1Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

2Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

4Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg

Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d

[gereserveerd]

Artikel2:8Nieuw Artikel

[gereserveerd]

Artikel2:9Straatartiest

1Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

2De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel2:10Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met publieke functie ervan

1 Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2 Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen.

3Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

4Het bevoegd gezag kan een omgevingsvegrunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

5 Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.

6Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.

1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2De vergunning wordt verleend a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in overige gevallen.

3Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg

1 Het is verboden zonder vergunning van het college: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

3 De vergunning kan, in aanvulling op artikel 1.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

4 Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel2:10aStraatreclame

1 Artikel 2:10 is niet van toepassing op straatreclame.

2 Onder straatreclame wordt verstaan: elke aanduiding van commerciële en niet-commerciële aard in de vorm van een opschrift, aankondiging en/of mededeling, voor zover deze op een openbare plaats geplaatst is.

3 Straatreclame mag alleen worden aangebracht op de door het college aangewezen plekken door middel van de door het college beschikbaar gestelde middelen.

4 Het college kan nadere regels stellen omtrent straatreclame.

5 Het college wijst aanplakobjecten aan waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard.

Afdeling6Veiligheid op de weg

Artikel2:13Veroorzaken van gladheid

[gereserveerd]

Artikel2:14Winkelwagentjes

1De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel2:16Openen straatkolken e.d

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken

Artikel2:17Kelderingangen e.d

1Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

2Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

3Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht 4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel2:20Vallende voorwerpen

[gereserveerd]

Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn

1Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel2:23Veiligheid op het ijs

1Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Afdeling7Evenementen

Artikel2:24Begripsbepaling

1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.

2Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een klein evenement.

3Onder klein evenement wordt o.a. verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op een dag.

Artikel2:25Evenement

1 Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2 In afwijking van artikel 1:3 kan de burgmeester besluiten om de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag minder dan 13 weken voor aanvang van het evenement wordt ingediend.

3 De burgemeester kan voor het indienen van een aanvraag voor een evenementenvergunning een aanvraagformulier vaststellen.

4 De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde en veiligheid, verkeersveiligheid, volksgezondheid en milieuhygiëne.

5 Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor een meerjarige vergunning kan worden verleend.

7 Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. het evenement tussen 09:00 uur en 23:00 uur plaats vindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur en het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A); d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan of (brom)fietspad of anderszins een belemmering of gevaar vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object; f. er een organisator is; g. de organisator twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; h. de organisator een ontvangstbevestiging van de melding kan tonen;

8 De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

9

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel2:26Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling8Toezicht op horecabedrijven

Artikel2:27Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. b. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel2:28Exploitatievergunning horecabedrijf

1Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

3In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

4In aanvulling op het vorige lid, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien weigeringsgronden als bedoeld in de Wet Bibob en de daarbij behorende beleidslijn, aan de orde zijn.

5Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

6Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;

7De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt 8 Voorts geldt het eerste lid niet voor: a. een horecabedrijf in zorginstellingen; b. een horecabedrijf in musea; c. een Bed & Breakfast voor maximaal vier personen, die niet toegankelijk is voor anderen dan de Bed & Breakfastgasten.

9

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel2:29Sluitingstijd

1Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 1 uur en 6 uur, en op zaterdag en zondag tussen 2 uur en 6 uur.

2De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.

3Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel2:31Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel2:32Handel in horecabedrijven

1In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel2:33Ordeverstoring

Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

Artikel2:34Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31 Afdeling8ABijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Artikel2:34aBegripsbepaling

1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. inrichting: de lokaliteiten, waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte; b. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf; c. paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert; d. sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn; e.vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet; f. de wet: Drank- en Horecawet; g. zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke drank.

2 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige begrippen in deze afdeling verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat.

Artikel2:34bSchenktijden paracommerciële rechtspersonen, privé-bijeenkomsten en bijeenkomsten derden

1 Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12:00 uur tot uiterlijk 00:00 uur tijdens een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

2 Het is verboden voor een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van jeugdwerk en daarbij gelegenheid schept tot verantwoorde en vormende activiteiten die jongeren in contact kunnen brengen met cultuur, amusement en informatie, om sterke drank te schenken, zwak-alcoholhoudende drank kan uitsluitend verstrekt worden op:

-Woensdag en donderdag van 18:00 uur tot uiterlijk 00:30 uur;
-Vrijdag en zaterdag van 12:00 uur tot uiterlijk 01:30 uur;
-Zondag van 13:00 uur tot uiterlijk 19:00 uur.

3 Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een paracommerciële inrichting tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot aantoonbare oneerlijke mededinging of dit buiten de in lid 1, 2 genoemde schenktijden gebeurt.

4 De burgemeester verleent op aanvraag ontheffing van de in lid 4 gestelde verboden indien de paracommerciële rechtspersoon kan aantonen dat in een straal van 10 kilometer rond de paracommerciële inrichting geen commercieel horecabedrijf in staat en bereid is om de in dat artikel bedoelde bijeenkomsten te organiseren.

5

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag

om ontheffingen als bedoeld in dit lid 4.

Artikel2:34cSchenktijden voor commerciële kantines

In een inrichting, niet door een paracommerciële rechtspersoon uitgebaat, welke deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of –instellingen of welke zich richt op sociaal-culturele, levensbeschouwelijke of godsdienstige activiteiten kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12:00 uur tot uiterlijk 00:00 uur tijdens een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

Artikel2:34dOntheffingen

1 De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in de artikelen 2:34b, lid 1, 2 en 2:34c gestelde verboden. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag

om ontheffingen als bedoeld in dit artikel.

Artikel2:34ePrijsacties horeca

Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel2:34fAanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen

1 Een paracommercieel rechtspersoon geeft bij de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning tot uitoefening van het horecabedrijf nadere informatie over de doelstelling van de paracommerciele rechtspersoon en de doelgroep waarop de rechtspersoon zich richt.

2 Hiertoe wordt het in de bijlage IV van deze verordening opgenomen formulier ingevuld en verstrekt de paracommerciele rechtspersoon een afschrift van de statuten en het bestuursreglement als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet.

Artikel2:34gVoorschriften aan vergunningen

De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf en een slijtersbedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de wet.

Afdeling9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel2:35Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

Artikel2:36Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel2:37Nachtregister

[gereserveerd]

Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling10Toezicht op speelgelegenheden

Artikel2:39Speelgelegenheden

1Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel2:40Speelautomaten

1In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

2In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

3In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal

1Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel2:42Plakken en kladden

1Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d

1Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

2Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen

1Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

Artikel2:46Rijden over bermen e.d

1Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

1Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt 2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel2:48Verboden drankgebruik

1Het is verboden op een openbare plaats of op openbaar water, dan wel in voor publiek toegankelijke gebouwen alcoholhoudende drank te nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

2Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

3Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en horecawet.

4Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.

5Onder softdrugs worden verstaan: de middelen genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet. a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

Artikel2:49Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

1Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel2:51Neerzetten van fiesten e.d

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel2:53Bespieden van personen

1Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

2Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel2:54Bewakingsapparatuur

[gereserveerd]

Artikel2:55Nodeloos alarmeren

[gereserveerd]

Artikel2:56Alarminstallaties

[gereserveerd]

Artikel2:57Loslopende honden

1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt 3De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond

Artikel2:58Verontreiniging door honden

1De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; c. op een andere door het college aangewezen plaats.

2Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt.

3De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel2:59Gevaarlijke honden

1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

2In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

3In het eerste lid wordt verstaan onder: a. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevig kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben,of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

2Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven 3Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel2:61Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel2:62Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel2:63Duiven

1De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

2Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.

3Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel2:64Bijen

1 Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.

2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.

3Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

4Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement 5Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

6Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel2:65Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel2:66Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

1De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

2De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

3Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

1.dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2.van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen;
3.als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4.dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel2:69Vervreemding van door opkoop vekregen goederen

[gereserveerd]

Artikel2:70Handel in horecabedrijven

(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32).

Afdeling13Vuurwerk

Artikel2:71Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

1Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

2Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel2:73Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

1Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling14Drugsoverlast

Artikel2:72Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Afdeling15Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel2:75Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.11, 2.16, 2.18, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zuidplas groepsgewijs niet naleven.

Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel2:77Cameratooezicht op openbare plaatsen

1De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats 2De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen.

Artikel2:78Gebiedsontzeggingen

1De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt uit oogpunt van openbare orde het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij bevel plaats of gebied gedurende de tijd bij het bevel genoemd.

2Het is verboden zich in het gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.

3 Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor zover de personen tot wie het bevel is gericht: a. in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is of b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats in het gebied werkzaam is, of c. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich in dat gebied op te houden 4 De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden.

Hoofdstuk3SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.

Afdeling1Begripsbepalingen

Artikel3:1Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

1.de exploitant;
2.de beheerder;
3.de prostituee;
4.het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5.toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;
6.andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen

Artikel3:2Bevoegdbestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel3:3Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.

Artikel3:4Seksinrichtingen

1Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

2In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

3Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder

1De exploitant en de beheerder: a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

2Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:  bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;  de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;  de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;  de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;  de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;  de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

3Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

4De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

5De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

Artikel3:6Sluitingstijden

1Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 en 08:00 uur.

2Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

3Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

4Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

1Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

2Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

1Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel3:9Straatprostitutie

1Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

2Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

4De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

5De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

6Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel3:10Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel3:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en e.d

1Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling3Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel3:12Beslissingstermijn

1Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

2Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel3:13Weigeringsgronden

1De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde 2In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

3In aanvulling op lid één en twee, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien weigeringsgronden als bedoeld in de Wet Bibob en de daarbij behorende beleidslijn, aan de orde zijn.

Afdeling4Beeindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel3:14Beeindiging exploitatie

1De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

2Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel3:15Wijziging beheer

1Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

3In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling5Overgangsbepaling

Artikel3:16Overgangsbepaling

[gereserveerd] Hoofdstuk4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling1Geluidhinder en verlichting

Artikel4:1Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten

1De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 24:00 uur op zondag tot en met donderdag en 01:00u op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zij gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven.

3 In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

4Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

6Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten 8Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 24:00 uur op zondag tot en met donderdag en 01:00 uur op vrijdag en zaterdag te worden beëindigd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven.

Artikel4:3Kennisgeving incidentele festviteiten

1Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

2Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 24:00 uur op zondag tot en met donderdag of 01:00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd.

3Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving 4De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 24:00 uur op zondag tot en met donderdag en 01:00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

8De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

9Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten

[gereserveerd]

Artikel4:5Onverstrekte muziek

1Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e. Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

3Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel4:6Overige geluidhinder

1Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel4:7Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling3Het bewaren van houtopstanden

Artikel4:10Begripsbepalingen

1In deze afdeling wordt verstaan onder: a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

2In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlage 1 (Bomenlijst).

2De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

3Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel4:12Vergunning van rechtswege

[gereserveerd] Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel4:13Opslag voertuigen,vaartuigen,mest,afvalstoffen enz

1Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening.

Artikel4:14Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2Het college kan nadere regels stellen in het belang van de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

3Dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel4:16Vergunningsplicht lichtreclame

[gereserveerd] Afdeling5Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel4:17Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

2Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; b. de bescherming van een stadsgezicht.

5Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel4:19Aanwijzing kampeerplaatsen

1Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt.

2Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Afdeling6Vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel4:20Vervoer van gevaarlijke stoffen

1Het is verboden met transporteenheden ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2, Hoofdstuk 2 van het Reglement vervoer over land van gevaarlijke stoffen alsmede gevaarlijke stoffen als bedoeld in dat artikel te vervoeren over andere wegen of weggedeelten dan die, welke voor dat transport door burgemeester en wethouders zijn aangewezen en als zodanig zijn aangeduid met borden overeenkomstig model K 14 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

2Ter uitvoering van het eerste lid worden aangewezen: a. een route of routes voor doorvoer door de gemeente; b. een route of routes van en naar de laad , los en overslagplaatsen in de gemeente.

3Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Het verleent deze ontheffing slechts op een schriftelijke aanvraag, waarbij ten minste is vermeld ten behoeve van wie en naar welk adres het vervoer dient te geschieden.

Hoofdstuk5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling1Parkeerexcessen

Artikel5:1Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d

1Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4 Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel5:3Te koop aanbioeden van voertuigen

1Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

3Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel5:4Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel5:5Voertuigwrakken

1Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel5:6Kampeermiddelen e.a

1Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuigen

1 Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel5:8Parkeren van grote voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

4Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

5Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel5:9Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel5:10Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

[gereserveerd]

Artikel5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel5:12Overlast van fiets of bromfiets

1Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

Afdeling2Collecteren

Artikel5:13Inzameling van geld of goederen

1Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling3Venten

Artikel5:14Begripsbepaling

1In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

2Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel5:15Ventverbod

1Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 21:00 en 9:00 uur.

3Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel5:16Venten met gedrukte stukken

1Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of b. voor bepaalde dagen en uren.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling4Standplaatsen

Artikel5:17Begripsbepaling

1 In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden,, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2 Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel5:17aLocaties en tijden

1 Standplaatsen kunnen op gemeentegrond worden ingenomen op de onderstaande locaties en zoals aangegeven op de bij deze verordening gevoegde plattegronden:

J.A. Beijerinkstraat 53 Nieuwerkerk aan den IJssel 2 (waarvan één met geurverspreidende waren) Raadhuisplein (ingang raadhuis) Nieuwerkerk aan den IJssel 1 Raadhuisplein Moerkapelle 1 Dorpsplein gemeentehuis Zevenhuizen 1 Parkeerterrein bij oude begraafplaats aan de kerkaaln nabij de hoek van Kon. Juliananstraat Moordrecht 1 2 Indien onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard zulks noodzakelijk maken, kan het college wijziging aanbrengen in de situering van de vaste standplaatsen en elders in de gemeente een andere locatie aanwijzen.

3 Het college kan als naar haar oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

4 Het college kan standplaatsvergunningen verlenen voor maandag tot en met zaterdag van 8.00 tot 20.00 uur.

5 De standplaatsvergunningen worden niet verleend op de dag dat de weekmarkt plaats vindt in het betreffende dorp.

6 De standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbare verkoopwagen/kraam die buiten de verkoopuren van de standplaats verwijderd wordt.

Artikel5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1 Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de vergunning: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; c. het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald in artikel 5:17a, lid 1.

3

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

4 Aan een aanvrager kan één standplaatsvergunning per dag worden verleend.

Artikel5:19Standplaatsen in winkelcentra

Geen vergunning is vereist voor een standplaats in een winkelcentrum, dat ‘s nachts is afgesloten, indien de standplaatshouder binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de inname van de standplaats melding heeft gedaan aan het college en de inname van de standplaats voldoet aan de brandveiligheidseisen.

Artikel5:20Gronden voor intrekking

1 De verleende standplaatsvergunning kan worden ingetrokken:

a)wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet langer voldoet aan alle overige voorgeschreven publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties;
b)bij overlijden van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving toestaat;
c)als gebleken is dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder dat daarvoor vergunning is verleend;
d)als een vergunninghouder gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige reden;

2 Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken.

Artikel5:20aRechtsopvolging

1 Bij overlijden van de houder van een standplaatsvergunning wordt de vergunning overgeschreven op de overblijvende echtgeno(o)t(e), dan wel duurzaam samenwonende partner, of een kind dat bij voortduring zijn ouder op diens standplaats heeft bijgestaan, mits een schriftelijk verzoek daartoe binnen vier weken na het overlijden wordt ingediend.

2 De standplaatsvergunning kan analoog aan het in lid 1 bepaalde ook overgeschreven worden bij blijvende arbeidsongeschiktheid of pensioen van de vergunninghouder, mits daartoe een schriftelijk verzoek wordt gedaan binnen vier weken na het bekend worden van de blijvende arbeidsongeschiktheid, dan wel vier weken voor aanvang van het pensioen.

Afdeling5Snuffelmarkten

Artikel5:22Begripsbepaling

1In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

2Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel5:23Organiseren van een snuffelmarkt

1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren 2Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

3De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling6Openbaar water

Artikel5:24Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een aan het college.

3De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel5:25Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

1Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening .

Artikel5:26Aanwijzingen ligplaats

1Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

2De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening .

Artikel5:27Vebrod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.

Artikel5:28Beschadigen van waterstaatswerken

1Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel5:29Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel5:30Veiligheid op het water

1Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening .

Artikel5:31Overlast aan vaartuigen

1Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel5:32Crossterreinen

1Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

4Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel5:33Beperking verkeer in natuurgebieden

1Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

2Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen van overlast; b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van het publiek.

3Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

5Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

6Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling8Verbod vuur te stoken

Artikel5:34Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2Het verbod geldt niet voorzover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

3Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

6Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling9Verstrooiing van as

Artikel5:35Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel5:36Verboden plaatsen

1Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

2Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

3Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel5:37Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel6:1Strafbepaling

Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel6:2Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel6:3Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel6:4Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

Deze verordening treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in werking. Op hetzelfde tijdstip vervalt de volgende verordening: De algemene plaatselijke verordening Zuidplas 2010, d.d. 4 januari 2010 (gewijzigd in juni en september 2010).

Artikel6:5Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel6:6Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidplas.

Toelichting1Toelichting

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1Begripsomschrijvingen

Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. a. Een openbare plaats De definitie van weg is in de APV aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term "een openbare plaats". Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen:

1.al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
2.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
3.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

Hierbij kan o.a. gedacht worden aan winkelcentra die ’s avonds en ’s nachts gesloten zijn maar overdag voor iedereen toegankelijk.

Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:3 Betogingen. b. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". In artikel 1:1 is de "weg" omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip "weg" viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip "weg" op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd (aanwijzing 66).

Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving "openbare plaats".

In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip "weg": a. de "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); b. de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.

Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.

Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. c. Openbaar water Een "'openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk". d. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom.

Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Voor de duidelijkheid zou de grens van de bebouwde kom op een topografische kaart weergegeven kunnen worden en als bijlage bij de APV gevoegd kunnen worden. e. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. f. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren"; g. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: "elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt". h. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.

Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.

In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo.

De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening.

Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.

Jurisprudentie b. Weg Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, lid 1, onder II, Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH.

Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr. AD3795. h. Handelsreclame Onder een "commercieel belang te dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68.

Artikel 1:2Beslistermijn

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In dit model hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Deze termijn hebben we in het model op zesweken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.

Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.

Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.

De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.

Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio.

Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.

Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.

Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.