Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard (Krimpenerwaard)
Waar gaat deze regeling over?
Dit omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard stelt regels en doelen voor de fysieke leefomgeving, met als hoofddoel het beschermen van een goede leefomgeving en het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Het plan richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het waarborgen van veiligheid, gezondheid en milieubescherming.
Voor wie: Inwoners en bedrijven die activiteiten verrichten in de gemeente Krimpenerwaard; Degene die een activiteit verricht die onder de regels van dit omgevingsplan valt.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Gezondheids- en farmaceutisch recht
- Artikelen
- 372
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De algemene begripsbepalingen die van toepassing zijn op het omgevingsplan.
- De doelen van het omgevingsplan, gericht op een evenwichtige en duurzame fysieke leefomgeving.
- Specifieke regels en doelen voor activiteiten met betrekking tot milieu, waaronder bodem en niet-industriële voedselbereiding.
- De toepassing van maatwerkvoorschriften en de specifieke zorgplicht bij het uitvoeren van activiteiten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bedrijven die activiteiten verrichten in de gemeente Krimpenerwaard.
- Degene die een activiteit verricht die onder de regels van dit omgevingsplan valt.
Wat zijn de kernpunten?
- Het omgevingsplan heeft 40 specifieke doelen, variërend van het beschermen van de gezondheid tot het realiseren van een energieneutraal woongebied.
- Bij activiteiten met betrekking tot milieu gelden doelen zoals het waarborgen van veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van hinder (geluid, trilling, licht, geur).
- Voor activiteiten met betrekking tot de bodem gelden doelen zoals het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit en het doelmatig benutten van de bodem.
- Bij het bereiden van niet-industrieel voedsel met bepaalde keuken- of bakkerijapparatuur (met een nominaal vermogen of aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW) moet aan specifieke regels worden voldaan.
Gezondheids- en farmaceutisch recht
Gezondheids- en farmaceutisch recht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (372)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan
- Artikel 2.2 Omgevingswaarde bodem
- Artikel 4.1 Toepassingsbereik
- Artikel 4.2 Doelen
- Artikel 4.3 Toepassingsbereik
- Artikel 4.4 Doelen
- Artikel 4.5 Aanwijzing zettingsgevoelig gebied
- Artikel 4.6 Het leiden van afvalwater door een olieafscheider
- Artikel 4.7 Het toepassen van grond en baggerspecie
- Artikel 4.8 Het terugplaatsen van grond bij werk in kabel- en leidingentracés
- Artikel 4.9 Het wijzigen van gebruiksruimte waardoor een bodemgevoelige locatie on
- Artikel 4.10 Toepassingsbereik
- Artikel 4.11 Doelen
- Artikel 4.12 Niet-industriële voedselbereiding
- Artikel 5.1 Toepassingsbereik
- Artikel 5.2 Normadressaat
- Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht
- Artikel 5.5 Algemene gegevens bij een melding
- Artikel 5.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Artikel 5.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
- Artikel 5.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
- Artikel 5.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning
- Artikel 5.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen)
- Artikel 5.11 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 5.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 5.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon
- Artikel 5.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving
- Artikel 5.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan
- Artikel 5.16 Algemene beoordelingsregel
- Artikel 5.17 Inherente afwijkingsmogelijkheden
- Artikel 5.18 Algemeen toepassingsbereik
- Artikel 5.19 Oogmerken
- Artikel 5.20 Specifieke zorgplicht
- Artikel 5.21 Aanleveren onderzoeksgegevens bodem
- Artikel 5.22 Toepassingsbereik
- Artikel 5.23 Oogmerken
- Artikel 5.24 Plaatsen peilbuis
- Artikel 5.25 Bemonsteren peilbuis
- Artikel 5.26 Informatieplicht bemonstering
- Artikel 5.27 Nader onderzoek
- Artikel 5.28 Informatieplicht nader onderzoek
- Artikel 5.29 Herstelplicht
- Artikel 5.30 Informatieplicht herstel
- Artikel 5.31 Onderhoud olieafscheider
- Artikel 5.32 Toepassingsbereik
- Artikel 5.33 Oogmerken
- Artikel 5.34 Maatwerkregel kwaliteitseisen toepassen grond en baggerspecie
- Artikel 5.35 Maatwerkregel kwaliteitseisen verspreiden grond en baggerspecie
- Artikel 5.36 Toepassingsbereik
- Artikel 5.37 Oogmerken
- Artikel 5.38 Maatwerkregel terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracé
- Artikel 5.39 Toepassingsbereik
- Artikel 5.40 Oogmerken
- Artikel 5.41 Informatieplicht
- Artikel 5.42 Kwaliteitseisen bodemkwaliteit
- Artikel 5.43 In gebruik nemen bodemgevoelige locatie bij overschrijding
- Artikel 5.44 Toepassingsbereik
- Artikel 5.45 Oogmerken
- Artikel 5.46 Informatieplicht
- Artikel 5.47 Lozen van afvalwater
- Artikel 5.48 Voorkomen of beperken van geurhinder
- Artikel 5.49 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
- Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
- Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
- Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
- Artikel 22.6 Vervallen
- Artikel 22.7 Repressief welstand
- Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
- Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
- Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
- Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
- Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
- Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
- Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
- Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
- Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
- Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
- Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
- Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
- Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
- Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
- Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
- Artikel 22.24 Meetbepalingen
- Artikel 22.25 Mantelzorg
- Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
- Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onver
- Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.29
- Artikel 22.30
- Artikel 22.31
- Artikel 22.32
- Artikel 22.33
- Artikel 22.34
- Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
- Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
- Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
- Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
- Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
- Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
- Artikel 22.42 Oogmerken
- Artikel 22.43 Normadressaat
- Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
- Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
- Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
- Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
- Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 22.51 Toepassingsbereik
- Artikel 22.52 Energie: maatregelen
- Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
- Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
- Artikel 22.54 Toepassingsbereik
- Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
- Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
- Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
- Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
- Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
- Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
- Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.62 Toepassingsbereik
- Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)
- Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
- Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
- Artikel 22.65
- Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
- Artikel 22.67
- Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
- Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
- Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
- Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
- Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
- Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
- Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.75 Toepassingsbereik
- Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
- Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
- Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.79 Toepassingsbereik
- Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
- Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
- Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.83 Toepassingsbereik
- Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
- Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
- Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
- Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
- Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.90 Toepassingsbereik
- Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
- Artikel 22.93 Geur: functionele binding
- Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
- Artikel 22.95 Geur: cumulatie
- Artikel 22.96 Toepassingsbereik
- Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
- Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
- Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
- Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
- Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
- Artikel 22.102
- Artikel 22.103
- Artikel 22.104
- Artikel 22.105
- Artikel 22.106 Vervallen
- Artikel 22.107 Vervallen
- Artikel 22.108 Vervallen
- Artikel 22.109 Vervallen
- Artikel 22.110 Vervallen
- Artikel 22.111 Vervallen
- Artikel 22.112 Vervallen
- Artikel 22.113 Vervallen
- Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
- Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
- Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
- Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
- Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
- Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
- Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
- Artikel 22.121 Toepassingsbereik
- Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
- Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
- Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
- Artikel 22.125 Toepassingsbereik
- Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
- Artikel 22.127 Toepassingsbereik
- Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
- Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
- Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
- Artikel 22.131 Toepassingsbereik
- Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
- Artikel 22.133 Gereserveerd
- Artikel 22.134 Gereserveerd
- Artikel 22.135 Gereserveerd
- Artikel 22.136 Gereserveerd
- Artikel 22.137 Toepassingsbereik
- Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
- Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
- Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.142 Toepassingsbereik
- Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Artikel 22.145 Toepassingsbereik
- Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
- Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.151 Toepassingsbereik
- Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.153 Koelwater
- Artikel 22.154 Toepassingsbereik
- Artikel 22.155 Periodiek reinigen
- Artikel 22.156 Toepassingsbereik
- Artikel 22.157 Inerte goederen
- Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
- Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.161
- Artikel 22.162 Toepassingsbereik
- Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
- Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
- Artikel 22.165 Toepassingsbereik
- Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
- Artikel 22.167 Toepassingsbereik
- Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
- Artikel 22.170 Toepassingsbereik
- Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
- Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
- Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
- Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.177 Toepassingsbereik
- Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.179 Water
- Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.181 Toepassingsbereik
- Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.183 Water
- Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.185 Toepassingsbereik
- Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.187 Water: lozingsroute
- Artikel 22.188 Toepassingsbereik
- Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.190 Water
- Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.192 Toepassingsbereik
- Artikel 22.193 Bodem
- Artikel 22.194 Water
- Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.196 Toepassingsbereik
- Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.198 Water
- Artikel 22.199 Geur
- Artikel 22.200 Toepassingsbereik
- Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
- Artikel 22.202 Toepassingsbereik
- Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
- Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
- Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
- Artikel 22.214 Toepassingsbereik
- Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
- Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
- Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
- Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
- Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
- Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
- Artikel 22.221 Toepassingsbereik
- Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.224 Toepassingsbereik
- Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
- Artikel 22.227 Toepassingsbereik
- Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
- Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
- Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
- Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
- Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
- Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
- Artikel 22.237 Toepassingsbereik
- Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.239 Licht
- Artikel 22.240 Toepassingsbereik
- Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.242 Bodem: opslag
- Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.244 Water: lozingsroute
- Artikel 22.245 Geur
- Artikel 22.246 Toepassingsbereik
- Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
- Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.252 Toepassingsbereik
- Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
- Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
- Artikel 22.255 Bodem: logboek
- Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
- Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 22.258 Toepassingsbereik
- Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
- Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
- Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
- Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
- Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
- Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
- Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
- Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
- Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
- Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
- Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
- Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
- Artikel 22.271 Toepassingsbereik
- Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
- Artikel 22.273 Aandachtsgebied
- Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
- Artikel 22.275
- Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
- Artikel 22.277 Toepassingsbereik
- Artikel 22.278
- Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
- Artikel 22.280
- Artikel 22.281
- Artikel 22.282
- Artikel 22.283 Toepassingsbereik
- Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
- Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
- Artikel 22.286
- Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
- Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
- Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
- Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
- Artikel 22.291
- Artikel 22.292
- Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
- Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
- Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
- Artikel 22.296
- Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
- Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
- Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
- Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
- Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
- Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
- Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
- Artikel 23.1 (citeertitel)
- Artikel 2.4 Omgevingswet
/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696527 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1931/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-12-09 2025-12-09 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696527/nld@2026-01-07 /join/id/proces/gm1931/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1931/2024/4_9_integraletekstvervanging /join/id/proces/gm1931/2025/4_21_mutatie 2026-01-07 2026-01-09 2026-01-07 2026-01-09 2026-01-07 2026-01-09 /akn/nl/act/gm1931/2020/omgevingsplan/nld@21 /akn/nl/act/gm1931/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1931/2020/omgevingsplan/nld@21 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
1.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
2.
Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn vanovereenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in Bijlage I Begripsbepalingen daarvan is afgeweken.
3.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, geldt voor de regels die behoren tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat de begripsbepalingen uit dat tijdelijke deel onverkort van toepassing blijven.
4.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-omgevingsplan geldt de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-omgevingsplan.
5.
Als een begripsbepaling in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen, dan is op de begripsbepaling in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of TAM-omgevingsplan.
Hoofdstuk 2
Doelen en omgevingswaarden
Afdeling 2.1
Doelen omgevingsplan
Artikel 2.1Doelen omgevingsplan
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op: a.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b.
Het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c.
Het waarborgen van de veiligheid; d.
Het beschermen van de gezondheid; e.
Het beschermen van het milieu; f.
Het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening; g.
Het beschermen van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h.
Het behoud van cultureel erfgoed; i.
De natuurbescherming; j.
De instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente; k. het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering; l.
Het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; m.
Het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; n.
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; o.
Het beheren van infrastructuur; p.
Het beheren van watersystemen; q. het beheren van geohydrologisch en geothermische systemen en ecosystemen; r.
Het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; s.
Het beheren van natuurlijke hulpbronnen; t.
Het beheren van natuurgebieden; u.
Het gebruiken van bouwwerken; v.
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte van personen; w.
Het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; x.
Het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; y.
Het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; z.
Het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten; aa.
Het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; ab.
Het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie; ac. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling; ad.
Het bieden van voldoende woonruimte; ae.
Het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; af.
Het doelmatig beheren van afvalstoffen; ag.
Het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing; ah.
Het bevorderen van extensief recreatief medegebruik; ai.
Het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap; aj.
Het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing; ak.
Het voorkomen en beschermen van mensen tegen infecties door het houden van landbouwhuisdieren; al.
Het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen; am.
Het vergroten van de natuurbeleving en recreatie waarden, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden; an.
Het behouden van een klimaatbestendig watersysteem; ao.
Het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing; ap.
Het realiseren van een fietsvriendelijk woongebied; aq.
Het realiseren van een woongebied dat ontsloten is met openbaar vervoer; ar.
Het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; as.
Het realiseren van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau; at.
Het realiseren van een veilig woongebied; au.
Het realiseren van een energieneutraal woongebied; av.
Het realiseren van een klimaatbestendig woongebied; aw.
Het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied; ax.
Het beschermen van natuurgebieden; ay.
Een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; az.
Het voorkomen van geluidhinder; ba.
Het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen; bb.
Een veilige en doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van het afvalwater.
Afdeling 2.2
Verplichte omgevingswaarden
Afdeling 2.3
Facultatieve omgevingswaarden
Artikel 2.2Omgevingswaarde bodem
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 3
Programma's [ gereserveerd]
Hoofdstuk 4
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1
Thematische aanwijzingen
Paragraaf 4.1.1
Milieu Subparagraaf 4.1.1.1 Algemeen
Artikel 4.1Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot milieu.
Artikel 4.2Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:
Subparagraaf 4.1.1.2 Bodem
Artikel 4.3Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over activiteiten met betrekking tot de bodem.
Artikel 4.4Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot bodem gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de grondwaterkwaliteit; d. het doelmatig benutten van de bodem; e. het zuinig gebruik van grondstoffen; en f. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 4.5Aanwijzing zettingsgevoelig gebied
Er is een Zettingsgevoeliggebied.
Artikel 4.6Het leiden van afvalwater door een olieafscheider
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het leiden van afvalwater door een olieafscheider in Zettingsgevoeliggebied voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.1.
Artikel 4.7Het toepassen van grond en baggerspecie
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.2.
Artikel 4.8Het terugplaatsen van grond bij werk in kabel- en leidingentracés
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.3.
Artikel 4.9Het wijzigen van gebruiksruimte waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het wijzigen van gebruik van een locatie, waardoor een bodemgevoelige locatieontstaat, voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.4.
Subparagraaf 4.1.1.3 Niet-industriële voedselbereiding
Artikel 4.10Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over activiteiten met betrekking tot niet-industriële voedselbereiding.
Artikel 4.11Doelen
Voor activiteiten met betrekking tot niet-industriële voedselbereiding gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de veiligheid; c. het beschermen van de natuur; d. het beperken van de luchtverontreiniging; en e. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
Artikel 4.12Niet-industriële voedselbereiding
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.11, wordt bij het bereiden van niet-industrieel voedsel met de volgende apparatuur: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW, voldaan aan Paragraaf 5.2.3.
Afdeling 4.2
Gebiedstypen [gereserveerd]
Hoofdstuk 5
Activiteiten
Afdeling 5.1
Algemene bepalingen
Artikel 5.1Toepassingsbereik
Met uitzondering van Afdeling 5.1 en Paragraaf 5.2.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.
Artikel 5.2Normadressaat
Aan Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.3Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
2.
Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.
3.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
4.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
5.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
6.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.
Artikel 5.4Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 5.5Algemene gegevens bij een melding
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 5.6Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 5.7Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 5.8Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 5.9Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In aanvulling op de Algemene aanvraagvereisten in artikel 7.3 Omgevingsregeling, worden bij het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: [gereserveerd]
Artikel 5.10Gelijkwaardige maatregelen (algemeen)
[Gereserveerd]
Artikel 5.11Informeren over een ongewoon voorval
[Gereserveerd]
Artikel 5.12Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.13Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon
[Gereserveerd]
Artikel 5.14Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving
[Gereserveerd]
Artikel 5.15Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan
[Gereserveerd]
Artikel 5.16Algemene beoordelingsregel
[Gereserveerd]
Artikel 5.17Inherente afwijkingsmogelijkheden
[Gereserveerd]
Afdeling 5.2
Milieubelastende activiteiten
Paragraaf 5.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 5.18Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit, als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Artikel 5.19Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 5.20Specifieke zorgplicht
1.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4 houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.18 in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
2.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
3.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.21Aanleveren onderzoeksgegevens bodem
De resultaten van het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden verstrekt in het bestandformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Paragraaf 5.2.2
Bodem Subparagraaf 5.2.2.1 Leiden van afvalwater door een olieafscheider
Artikel 5.22Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het leiden van afvalwater door een olieafscheider in een Zettingsgevoeliggebied.
Artikel 5.23Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en c. het beschermen van de doelmatige werking van de voorzieningen van het beheer van afvalwater.
Artikel 5.24Plaatsen peilbuis
1.
In de directe nabijheid van een olieafscheider wordt een peilbuis geplaatst.
2.
De peilbuis wordt geplaatst door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
3.
De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van: a. de opbouw en samenstelling van de bodem; b. de stand en stromingsrichting van het grondwater; en c. de aanwezigheid en invloed van een oppervlaktewaterlichaam en grondwateronttrekkingsactiviteiten.
4.
De peilbuis is horizontaal gelegen op een afstand: a. van minder dan 2 m gelegen van de influentzijde van de olieafscheider; of b. die redelijkerwijs zo kort mogelijk is.
5.
De peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst.
Artikel 5.25Bemonsteren peilbuis
1.
Een peilbuis wordt uiterlijk binnen 2 maanden na plaatsing bemonsterd.
2.
Na de eerste bemonstering wordt de peilbuis ten minste eenmaal per twee jaar bemonsterd.
3.
De bemonstering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4.
De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
5.
De monsters worden onderzocht op aanwezigheid van: a. minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2; en b. vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680.
Artikel 5.26Informatieplicht bemonstering
1.
Binnen een maand na afloop van de bemonstering wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van die bemonstering verstrekt.
2.
De rapportage voldoet aan de normen voor een verslag, bedoeld in de NEN 5740.
3.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, overeenkomstig de geldende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 5.27Nader onderzoek
1.
Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat het grondwater is verontreinigd tot boven de waarden voor nader onderzoek, bedoeld in tabel Artikel 5.27, wordt binnen 2 maanden een nader onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de verontreiniging.
Tabel Artikel 5.27 Waarden voor nader onderzoek Stof Waarden voor nader onderzoek in µg/l Benzeen 15,1 Ethylbenzeen 77 Tolueen 504 Xylenen (som) 35,1 Naftaleen 35 Minerale olie 325 2.
Het nader onderzoek voldoet aan de NTA 5755.
3.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 5.28Informatieplicht nader onderzoek
1.
Binnen een maand na afloop van het nader onderzoek wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van dat onderzoek verstrekt.
2.
De rapportage voldoet aan de normen voor een rapportage, bedoeld in de NTA 5755.
3.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, overeenkomstig de geldende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 5.29Herstelplicht
1.
Als de bodem door een activiteit als bedoeld in Artikel 5.22 is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van de rapportage nader onderzoek, bedoeld in Artikel 5.27 de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de kwaliteitsklasse landbouw/ natuur, bedoeld in artikel 25d, van het Besluit bodemkwaliteit.
2.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Artikel 5.30Informatieplicht herstel
1.
Ten minste 5 dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.29 Herstelplicht, wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de begindatum.
2.
Ten hoogste 5 dagen na afloop van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.29 Herstelplicht, wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de einddatum.
3.
Ten hoogste vier weken na beëindiging van de herstelwerkzaamheden wordt aan het bevoegd gezag een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 verstrekt dat in ieder geval de resultaten van de milieukundige begeleiding bevat, bestaaande uit de onderdelen: a. processturing, met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de herstelwerkzaamheden; en b. verificatie van het eindresultaat van de herstelwerkzaamheden.
Artikel 5.31Onderhoud olieafscheider
De olieafscheider wordt onderhouden en geïnspecteerd conform NEN-EN 858-2:2003.
Subparagraaf 5.2.2.2 Toepassen van grond en baggerspecie
Artikel 5.32Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.33Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; c. het voorkomen van bestrijding van verontreinigde grond; d. het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem; en e. het doelmatig beheren van afvalstoffen.
Artikel 5.34Maatwerkregel kwaliteitseisen toepassen grond en baggerspecie
In afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in de in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan opgenomen Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.
Artikel 5.35Maatwerkregel kwaliteitseisen verspreiden grond en baggerspecie
In afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1278 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in de in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan opgenomen Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.
Subparagraaf 5.2.2.3 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés
Artikel 5.36Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld.
Artikel 5.37Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en c. het doelmatig beheren van afvalstoffen.
Artikel 5.38Maatwerkregel terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés
In afwijking van artikel 4.1222a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 4.1230a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.36, grond na het tijdelijk uitnemen van die grond niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
Subparagraaf 5.2.2.4 Wijzigen van gebruiksfunctie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat
Artikel 5.39Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover daarin is voorzien in Paragraaf 22.2.4.
Artikel 5.40Oogmerken
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 5.41Informatieplicht
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in Artikel 5.39 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.30 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Artikel 5.42Kwaliteitseisen bodemkwaliteit
In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld Artikel 22.30, of als uit de gegevens en bescheiden blijkt dat het aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.
Artikel 5.43In gebruik nemen bodemgevoelige locatie bij overschrijding
Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het bevoegd gezag is geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of beschermende maatregelen, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn getroffen.
Paragraaf 5.2.3
Niet-industriële bereiding van voedsel
Artikel 5.44Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 5.45Oogmerken
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. een doelmatig beheer van afvalwater; c. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en d. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 5.46Informatieplicht
1.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.44, eerste lid, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 5.47Lozen van afvalwater
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool.
2.
Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
3.
Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.
4.
Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
5.
Afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt niet geloosd.
6.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: a. een vetafscheider en slibvangput die voldoet aan NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 en met een capaciteit van ten minste 2 l/s; of b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
7.
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
8.
Bewijzen van het legen en reinigen van de vetafscheider en slibvangput worden gedurende ten minste 5 jaar bewaard.
Artikel 5.48Voorkomen of beperken van geurhinder
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: a. ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of b. geleid door een ontgeuringsinstallatie.
2.
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en b. als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.
4.
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5.49Maatwerkvoorschriften
1.
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.47, vijfde lid, toegestaan worden dat afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt geloosd op het vuilwaterriool.
2.
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.47, zesde lid, toegestaan worden dat afvalwater wordt geloosd zonder een vetafscheider en slibvangput, indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Hoofdstuk 6
Beheer en onderhoud [Gereserveerd]
Hoofdstuk 7
Financiële bepalingen [Gereserveerd]
Hoofdstuk 8
Procedureregels [Gereserveerd]
Hoofdstuk 9
Handhaving [Gereserveerd]
Hoofdstuk 10
Monitoring en informatie [Gereserveerd]
Hoofdstuk 11
Overgangsrecht [Gereserveerd]
Hoofdstuk 12
Slotbepalingen [Gereserveerd]
Hoofdstuk 13
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 14
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 15
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 16
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 17
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 18
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 19
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 20
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 21
[Gereserveerd]
Hoofdstuk 22
ACTIVITEITEN
Afdeling 22.1
ALGEMEEN
Artikel 22.1Voorrangsbepaling
1.
De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
1.
Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Afdeling 22.2
ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN
Paragraaf 22.2.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
Paragraaf 22.2.2
Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.
Artikel 22.6Vervallen
Paragraaf 22.2.3
Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7Repressief welstand
1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Artikel 22.13Bluswatervoorziening
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Paragraaf 22.2.4
Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16Overbewoning woonruimte
1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 22.2.5
In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.
50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide n.v.t.
1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Paragraaf 22.2.6
Cultureel erfgoed
Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek
1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Paragraaf 22.2.7
Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen
1.
Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.24Meetbepalingen
1.
Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Artikel 22.25Mantelzorg
Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29
Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30
Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage II A bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
3.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31
Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 22.29.
Artikel 22.32
Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van Artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33
Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34
Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
2.
Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
I.
5 m;
II.
0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;
I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
I. een woonwagen;
II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in Artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
2.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in Artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.
Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
Paragraaf 22.2.8
Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Afdeling 22.3
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN
Paragraaf 22.3.1
Algemene bepalingen
Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik
1.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:
3.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
4.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 22.3.7
Artikel 22.42Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:
Artikel 22.43Normadressaat
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 22.44Specifieke zorgplicht
1.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
4.
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften
1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het Artikel 22.44, Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in Artikel 22.42.
4.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.
Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
1.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 22.3.2
Energiebesparing
Artikel 22.51Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.52Energie: maatregelen
1.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
4.
Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.
Artikel 22.52aEnergie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
1.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
2.
Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel 22.52 niet van toepassing.
Paragraaf 22.3.3
Zwerfafval
Artikel 22.53Afval: zwerfvuil
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Paragraaf 22.3.4
Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.54Toepassingsbereik
1.
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
4.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.
Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
1.
In afwijking van Artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.
In afwijking van Artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:
Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd Artikel 22.41 worden voor de toepassing van Paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 22.60Geluid: onderzoek
1.
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
I.
70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II.
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
2.
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
3.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
4.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.2, Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
Artikel 22.61Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.61aGegevens en bescheiden
1.
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1.
70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
2.
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
3.
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
4.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
5.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.62Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Artikel 22.62a(tijdelijke uitzondering windparken)
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.
Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.
Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 2 3.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid , Artikel 22.63, derde lid en Artikel 22.63, vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.
Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 - 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 22.65
Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.
Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.
Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
06.00 - 19.00 uur 1 9.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LTveroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.
Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van Artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.
Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.67
Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
2.
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in het Artikel 22.65, eerste lid, en Artikel 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Artikel 22.68Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63, eerste lid, Artikel 22.64, eerste lid, Artikel 22.65, eerste lid en Artikel 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:
Artikel 22.69Geluid: eerbiedigende werking
1.
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
2.
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.
Artikel 22.70Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69 en Artikel 22.71, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
2.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.67 en Artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
3.
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).
Artikel 22.71Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein
Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in Artikel 22.63, eerste lid, en Artikel 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 22.72Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
1.
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
2.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 22.73Geluid: festiviteiten
1.
De waarden, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
2.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Artikel 22.74Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines
Artikel 22.75Toepassingsbereik
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.
2.
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.76Geluid: waarden windturbines
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.
Artikel 22.77Registratie gegevens windturbines
1.
De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b.