Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2011 (Overijssel)
Waar gaat deze regeling over?
Dit besluit regelt de toekenning van subsidies door Gedeputeerde Staten van Overijssel en definieert belangrijke begrippen en procedures die daarbij komen kijken. Het beschrijft de soorten subsidies, subsidiabele kosten en de behandeling van aanvragen.
Voor wie: Aanvragers van subsidies bij Gedeputeerde Staten van Overijssel; Gedeputeerde Staten van Overijssel als verstrekker van subsidies.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Procesrecht
- Artikelen
- 788
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definitie van verschillende soorten subsidies, zoals eenmalige en jaarlijkse subsidies.
- Welke kosten in aanmerking komen voor subsidie (subsidiabele kosten).
- De procedure voor het behandelen van subsidieaanvragen, inclusief de volgorde van behandeling.
- De maximale subsidiebedragen en de grondslag voor subsidieverlening.
Voor wie geldt deze regeling?
- Aanvragers van subsidies bij Gedeputeerde Staten van Overijssel.
- Gedeputeerde Staten van Overijssel als verstrekker van subsidies.
Wat zijn de kernpunten?
- Eenmalige subsidies zijn voor eenmalige activiteiten, terwijl jaarlijkse subsidies voor maximaal vier jaar worden verstrekt voor voortdurende activiteiten.
- Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst; als een aanvraag moet worden aangevuld, geldt de datum van aanvulling als ontvangstdatum.
- De maximale subsidie voor een verplichte controleverklaring bedraagt 100% van de kosten van derden.
- Interne loonkosten zijn subsidiabel als ze direct toerekenbaar, getrouw en verifieerbaar zijn, en berekend volgens specifieke systematieken zoals het Integraal kostprijstarief (IKT) of loonkosten plus vaste opslag.
Procesrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (788)
- Artikel 1.1.1
- Artikel 1.1.2
- Artikel 1.1.3
- Artikel 1.1.4
- Artikel 1.1.5
- Artikel 1.1.6
- Artikel 1.2.1
- Artikel 1.2.2
- Artikel 1.2.3
- Artikel 1.3.1
- Artikel 1.3.2
- Artikel 1.3.3
- Artikel 1.4.1
- Artikel 1.4.2
- Artikel 1.5.1
- Artikel 1.5.2
- Artikel 1.5.3
- Artikel 1.5.4
- Artikel 1.5.5
- Artikel 1.6.1
- Artikel 3.2.1
- Artikel 3.2.2
- Artikel 3.2.3
- Artikel 3.2.4
- Artikel 3.2.4a
- Artikel 3.2.5
- Artikel 3.2.6
- Artikel 3.2.7
- Artikel 3.2.8
- Artikel 3.2.9
- Artikel 4.5.1.1
- Artikel 4.5.1.2
- Artikel 4.5.1.3
- Artikel 4.5.1.4
- Artikel 4.5.1.5
- Artikel 4.5.1.6
- Artikel 4.5.1.7
- Artikel 4.5.1.8
- Artikel 4.5.2.1
- Artikel 4.5.2.2
- Artikel 4.5.2.3
- Artikel 4.5.2.4
- Artikel 4.5.2.5
- Artikel 4.5.2.6
- Artikel 4.5.2.7
- Artikel 4.5.2.8
- Artikel 4.5.2.9
- Artikel 4.13.1
- Artikel 4.13.2
- Artikel 4.13.3
- Artikel 4.13.4
- Artikel 4.13.5
- Artikel 4.13.6
- Artikel 4.13.7
- Artikel 4.13.8
- Artikel 4.13.9
- Artikel 4.13.10
- Artikel 4.15.1
- Artikel 4.15.2
- Artikel 4.15.3
- Artikel 4.15.4
- Artikel 4.15.5
- Artikel 4.15.6
- Artikel 4.15.7
- Artikel 4.15.8
- Artikel 4.15.9
- Artikel 4.15.10
- Artikel 4.16.1
- Artikel 4.16.2
- Artikel 4.16.3
- Artikel 4.16.4
- Artikel 4.16.5
- Artikel 4.16.6
- Artikel 4.16.7
- Artikel 4.17.1
- Artikel 4.17.2
- Artikel 4.17.3
- Artikel 4.17.4
- Artikel 4.17.5
- Artikel 4.17.6
- Artikel 4.17.7
- Artikel 4.17.8
- Artikel 4.17.9
- Artikel 4.18.1
- Artikel 4.18.2
- Artikel 4.18.3
- Artikel 4.18.4
- Artikel 4.18.5
- Artikel 4.18.6
- Artikel 4.18.7
- Artikel 4.18.8
- Artikel 4.18.9
- Artikel 4.18.10
- Artikel 4.19.1
- Artikel 4.19.2
- Artikel 4.19.3
- Artikel 4.19.4
- Artikel 4.19.5
- Artikel 4.19.6
- Artikel 4.19.7
- Artikel 4.19.8
- Artikel 4.19.9
- Artikel 4.19.10
- Artikel 4.20.1
- Artikel 4.20.2
- Artikel 4.20.3
- Artikel 4.20.4
- Artikel 4.20.5
- Artikel 4.20.6
- Artikel 4.20.7
- Artikel 4.20.8
- Artikel 4.20.9
- Artikel 4.20.10
- Artikel 4.20.11
- Artikel 4.21.1
- Artikel 4.21.2
- Artikel 4.21.3
- Artikel 4.21.4
- Artikel 4.21.5
- Artikel 4.21.6
- Artikel 4.21.7
- Artikel 4.21.9
- Artikel 4.21.10
- Artikel 4.21.11
- Artikel 4.23.1.1
- Artikel 4.23.1.2
- Artikel 4.23.1.3
- Artikel 4.23.1.4
- Artikel 4.23.2.1
- Artikel 4.23.2.2
- Artikel 4.23.2.3
- Artikel 4.23.2.4
- Artikel 4.23.2.5
- Artikel 4.23.2.6
- Artikel 4.23.2.7
- Artikel 4.23.3.1
- Artikel 4.23.3.2
- Artikel 4.23.3.3
- Artikel 4.23.3.3a
- Artikel 4.23.3.4
- Artikel 4.23.3.5
- Artikel 4.25.1
- Artikel 4.25.2
- Artikel 4.25.3
- Artikel 4.25.4
- Artikel 4.25.5
- Artikel 4.25.6
- Artikel 4.25.7
- Artikel 4.25.8
- Artikel 4.25.9
- Artikel 4.25.10
- Artikel 4.25.11
- Artikel 4.25.12
- Artikel 5.1.1
- Artikel 5.1.2
- Artikel 5.1.3
- Artikel 5.1.4
- Artikel 5.1.5
- Artikel 5.1.6
- Artikel 5.1.7
- Artikel 5.2.1.1
- Artikel 5.2.1.2
- Artikel 5.2.1.3
- Artikel 5.2.1.4
- Artikel 5.2.2.1
- Artikel 5.2.2.2
- Artikel 5.2.2.3
- Artikel 5.2.2.4
- Artikel 5.2.2.5
- Artikel 5.2.2.6
- Artikel 5.2.3.1
- Artikel 5.2.3.2
- Artikel 5.2.3.3
- Artikel 5.2.3.4
- Artikel 5.2.3.5
- Artikel 5.2.3.6
- Artikel 5.2.3.7
- Artikel 5.2.6.1
- Artikel 5.2.6.2
- Artikel 5.2.6.3
- Artikel 5.2.6.4
- Artikel 5.2.6.5
- Artikel 5.2.6.6
- Artikel 5.2.6.7
- Artikel 5.2.6.8
- Artikel 5.2.6.9
- Artikel 5.5.1
- Artikel 5.5.2
- Artikel 5.5.3
- Artikel 5.5.4
- Artikel 5.5.5
- Artikel 5.5.6
- Artikel 5.6.1
- Artikel 5.6.2
- Artikel 5.6.3
- Artikel 5.6.4
- Artikel 5.6.5
- Artikel 5.7.1
- Artikel 5.7.2
- Artikel 5.7.3
- Artikel 5.7.4
- Artikel 5.7.4a
- Artikel 5.7.5
- Artikel 5.7.6
- Artikel 5.7.7
- Artikel 5.7.8
- Artikel 5.7.9
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.8.4
- Artikel 5.8.5
- Artikel 5.8.6
- Artikel 5.8.7
- Artikel 5.8.8
- Artikel 5.8.9
- Artikel 5.10.1
- Artikel 5.10.2
- Artikel 5.10.3
- Artikel 5.10.4
- Artikel 5.10.5
- Artikel 5.10.6
- Artikel 5.10.7
- Artikel 5.10.8
- Artikel 5.10.9
- Artikel 5.11.1
- Artikel 5.11.2
- Artikel 5.11.3
- Artikel 5.11.4
- Artikel 5.11.5
- Artikel 5.11.6
- Artikel 5.11.7
- Artikel 5.12.1
- Artikel 5.12.2
- Artikel 5.12.3
- Artikel 5.12.4
- Artikel 5.12.5
- Artikel 5.12.6
- Artikel 5.12.7
- Artikel 5.12.8
- Artikel 5.12.9
- Artikel 5.12.10
- Artikel 5.12.11
- Artikel 5.14.2
- Artikel 5.14.3
- Artikel 5.14.4
- Artikel 5.14.5
- Artikel 5.14.6
- Artikel 5.14.7
- Artikel 5.14.8
- Artikel 5.14.9
- Artikel 5.15.1.1
- Artikel 5.15.1.2
- Artikel 5.15.1.3
- Artikel 5.15.1.4
- Artikel 5.15.1.5
- Artikel 5.15.1.6
- Artikel 5.15.1.7
- Artikel 5.15.1.8
- Artikel 5.15.1.9
- Artikel 5.15.1.10
- Artikel 5.15.1.11
- Artikel 5.15.1.12
- Artikel 5.15.1.13
- Artikel 5.15.1.14
- Artikel 5.15.1.15
- Artikel 5.15.2.1
- Artikel 5.15.2.2
- Artikel 5.15.2.3
- Artikel 5.15.2.4
- Artikel 5.15.3.1
- Artikel 5.15.3.2
- Artikel 5.15.3.3
- Artikel 5.15.3.4
- Artikel 5.15.4.1
- Artikel 5.15.4.2
- Artikel 5.15.4.3
- Artikel 5.15.4.4
- Artikel 5.16.1
- Artikel 5.16.2
- Artikel 5.16.3
- Artikel 5.16.4
- Artikel 5.16.5
- Artikel 5.16.7
- Artikel 5.16.8
- Artikel 5.16.9
- Artikel 5.16.10
- Artikel 5.17.2
- Artikel 5.17.3
- Artikel 5.17.4
- Artikel 5.17.5
- Artikel 5.17.6
- Artikel 5.17.7
- Artikel 5.17.8
- Artikel 5.17.9
- Artikel 5.18.1
- Artikel 5.18.2
- Artikel 5.18.3
- Artikel 5.18.4
- Artikel 5.18.5
- Artikel 5.18.6
- Artikel 5.18.7
- Artikel 5.18.8
- Artikel 5.18.9
- Artikel 5.18.10
- Artikel 5.19.1
- Artikel 5.19.2
- Artikel 5.19.3
- Artikel 5.19.4
- Artikel 5.19.5
- Artikel 5.19.6
- Artikel 5.19.7
- Artikel 5.19.8
- Artikel 5.19.9
- Artikel 5.19.10
- Artikel 5.19.11
- Artikel 5.19.12
- Artikel 5.21.1
- Artikel 5.21.2
- Artikel 5.21.3
- Artikel 5.21.4
- Artikel 5.21.5
- Artikel 5.21.6
- Artikel 5.21.7
- Artikel 5.21.8
- Artikel 5.21.9
- Artikel 5.22.1
- Artikel 5.22.2
- Artikel 5.22.3
- Artikel 5.22.4
- Artikel 5.22.5
- Artikel 5.22.6
- Artikel 5.22.7
- Artikel 5.22.8
- Artikel 6.3.1
- Artikel 6.3.2
- Artikel 6.3.3
- Artikel 6.3.4
- Artikel 6.3.5
- Artikel 6.3.6
- Artikel 6.3.7
- Artikel 6.3.8
- Artikel 6.3.9
- Artikel 6.4.1
- Artikel 6.4.2
- Artikel 6.4.3
- Artikel 6.4.4
- Artikel 6.4.5
- Artikel 6.4.6
- Artikel 6.4.7
- Artikel 6.4.8
- Artikel 6.4.9
- Artikel 6.4.10
- Artikel 6.4.11
- Artikel 6.4.12
- Artikel 6.4.13
- Artikel 6.4.14
- Artikel 6.4.15
- Artikel 6.4.16
- Artikel 6.5.1
- Artikel 6.5.2
- Artikel 6.5.3
- Artikel 6.5.4
- Artikel 6.5.5
- Artikel 6.5.6
- Artikel 6.5.7
- Artikel 6.5.8
- Artikel 6.5.9
- Artikel 6.5.10
- Artikel 6.6.1
- Artikel 6.6.2
- Artikel 6.6.3
- Artikel 6.6.4
- Artikel 6.6.5
- Artikel 6.6.6
- Artikel 6.6.7
- Artikel 6.6.8
- Artikel 6.6.9
- Artikel 6.6.10
- Artikel 6.7.1
- Artikel 6.7.2
- Artikel 6.7.3
- Artikel 6.7.4
- Artikel 6.7.5
- Artikel 6.7.6
- Artikel 6.7.7
- Artikel 6.7.8
- Artikel 6.7.9
- Artikel 6.7.10
- Artikel 6.9.1
- Artikel 6.9.2
- Artikel 6.9.3
- Artikel 6.9.4
- Artikel 6.10.1
- Artikel 6.10.2
- Artikel 6.10.3
- Artikel 6.11.1
- Artikel 6.11.2
- Artikel 6.11.3
- Artikel 7.1.1
- Artikel 7.1.2
- Artikel 7.1.3
- Artikel 7.1.4
- Artikel 7.1.5
- Artikel 7.1.6
- Artikel 7.1.7
- Artikel 7.1.8
- Artikel 7.1.9
- Artikel 7.1.10
- Artikel 7.1.11
- Artikel 7.1.12
- Artikel 7.1.13
- Artikel 7.2.1.1
- Artikel 7.2.1.2
- Artikel 7.2.1.3
- Artikel 7.2.1.4
- Artikel 7.2.1.5
- Artikel 7.2.1.6
- Artikel 7.2.1.7
- Artikel 7.2.1.8
- Artikel 7.2.2.1
- Artikel 7.2.2.2
- Artikel 7.2.2.3
- Artikel 7.2.2.4
- Artikel 7.2.2.5
- Artikel 7.2.2.6
- Artikel 7.2.2.7
- Artikel 7.2.2.8
- Artikel 7.2.3.1
- Artikel 7.2.3.2
- Artikel 7.2.3.3
- Artikel 7.2.3.4
- Artikel 7.2.3.5
- Artikel 7.2.3.6
- Artikel 7.2.3.6a
- Artikel 7.2.3.7
- Artikel 7.2.3.8
- Artikel 7.2.4.1
- Artikel 7.2.4.2
- Artikel 7.2.4.3
- Artikel 7.2.4.4
- Artikel 7.2.4.5
- Artikel 7.2.4.6
- Artikel 7.2.4.7
- Artikel 7.2.4.8
- Artikel 7.2.4.9
- Artikel 7.2.4.10
- Artikel 8.1.1
- Artikel 8.1.2
- Artikel 8.1.3
- Artikel 8.1.4
- Artikel 8.1.5
- Artikel 8.1.6
- Artikel 8.1.7
- Artikel 8.1.8
- Artikel 8.1.9
- Artikel 8.1.10
- Artikel 8.1.11
- Artikel 8.1.12
- Artikel 8.1.13
- Artikel 8.9.1
- Artikel 8.9.2
- Artikel 8.9.3
- Artikel 8.9.4
- Artikel 8.9.5
- Artikel 8.9.6
- Artikel 8.9.7
- Artikel 8.9.8
- Artikel 8.10.1
- Artikel 8.10.2
- Artikel 8.10.3
- Artikel 8.10.4
- Artikel 8.10.5
- Artikel 8.10.6
- Artikel 8.10.7
- Artikel 8.10.8
- Artikel 8.11.1
- Artikel 8.11.2
- Artikel 8.11.3
- Artikel 8.11.4
- Artikel 8.11.5
- Artikel 8.11.6
- Artikel 8.11.7
- Artikel 8.11.8
- Artikel 8.11.9
- Artikel 8.11.10
- Artikel 8.11.11
- Artikel 8.13.1
- Artikel 8.13.2
- Artikel 8.13.3
- Artikel 8.13.4
- Artikel 8.13.5
- Artikel 8.13.6
- Artikel 8.13.7
- Artikel 8.13.8
- Artikel 8.14.1
- Artikel 8.14.2
- Artikel 8.14.3
- Artikel 8.14.4
- Artikel 8.14.5
- Artikel 8.14.6
- Artikel 8.14.7
- Artikel 8.14.8
- Artikel 8.14.9
- Artikel 8.14.10
- Artikel 8.16.1
- Artikel 8.16.2
- Artikel 8.16.3
- Artikel 8.16.4
- Artikel 8.16.5
- Artikel 8.16.6
- Artikel 8.16.7
- Artikel 8.16.8
- Artikel 8.16.9
- Artikel 8.17.1
- Artikel 8.17.2
- Artikel 8.17.3
- Artikel 8.17
- Artikel 8.17.5
- Artikel 8.17.6
- Artikel 8.17.7
- Artikel 8.17.8
- Artikel 8.17.9
- Artikel 8.18.1
- Artikel 8.18.2
- Artikel 8.18.3
- Artikel 8.18.4
- Artikel 8.18.5
- Artikel 8.18.6
- Artikel 8.18.7
- Artikel 8.18.8
- Artikel 8.18.9
- Artikel 8.18.10
- Artikel 8.18.11
- Artikel 8.19.1
- Artikel 8.19.2
- Artikel 8.19.3
- Artikel 8.19.4
- Artikel 8.19.5
- Artikel 8.19.6
- Artikel 8.19.7
- Artikel 8.19.8
- Artikel 8.19.9
- Artikel 8.19.10
- Artikel 8.19.11
- Artikel 8.20.1
- Artikel 8.20.1.1
- Artikel 8.20.1.2
- Artikel 8.20.1.3
- Artikel 8.20.1.4
- Artikel 8.20.1.5
- Artikel 8.20.1.6
- Artikel 8.20.1.7
- Artikel 8.20.1.8
- Artikel 8.20.1.9
- Artikel 8.20.1.10
- Artikel 8.20.1.11
- Artikel 8.20.1.12
- Artikel 8.20.1.13
- Artikel 8.20.1.14
- Artikel 8.20.1.15
- Artikel 8.20.1.16
- Artikel 8.20.2.1
- Artikel 8.20.2.2
- Artikel 8.20.2.3
- Artikel 8.20.2.4
- Artikel 8.20.2.5
- Artikel 8.20.2.6
- Artikel 8.20.2.7
- Artikel 8.20.2.8
- Artikel 8.20.2.9
- Artikel 8.20.2.10
- Artikel 8.20.2.11
- Artikel 8.20.2.12
- Artikel 8.20.2.13
- Artikel 8.20.2.14
- Artikel 8.20.2.15
- Artikel 8.20.2.16
- Artikel 8.20.2.17
- Artikel 8.20.2.18
- Artikel 8.20.3.1
- Artikel 8.20.3.2
- Artikel 8.20.3.3
- Artikel 8.20.3.4
- Artikel 8.20.3.5
- Artikel 8.20.3.6
- Artikel 8.20.3.7
- Artikel 8.20.3.8
- Artikel 8.20.3.9
- Artikel 8.20.3.10
- Artikel 8.20.3.11
- Artikel 8.20.3.12
- Artikel 8.20.3.13
- Artikel 8.20.3.14
- Artikel 8.20.3.15
- Artikel 8.20.3.16
- Artikel 8.20.3.17
- Artikel 8.20.3.18
- Artikel 8.21.1
- Artikel 8.21.2
- Artikel 8.21.3
- Artikel 8.21.4
- Artikel 8.21.5
- Artikel 8.21.6
- Artikel 8.21.7
- Artikel 8.21.8
- Artikel 8.21.9
- Artikel 8.22.1
- Artikel 8.22.2
- Artikel 8.22.3
- Artikel 8.22.4
- Artikel 8.22.5
- Artikel 8.22.6
- Artikel 8.22.7
- Artikel 8.22.8
- Artikel 8.23.1
- Artikel 8.23.2
- Artikel 8.23.3
- Artikel 8.23.4
- Artikel 8.23.5
- Artikel 8.23.6
- Artikel 8.23.7
- Artikel 8.23.8
- Artikel 8.23.9
- Artikel 8.23.10
- Artikel 8.24.1
- Artikel 8.24.2
- Artikel 8.24.3
- Artikel 8.24.4
- Artikel 8.24.5
- Artikel 8.24.6
- Artikel 8.24.7
- Artikel 8.24.8
- Artikel 8.25.1
- Artikel 8.25.2
- Artikel 8.25.3
- Artikel 8.25.4
- Artikel 8.25.5
- Artikel 8.25.6
- Artikel 8.25.7
- Artikel 8.25.8
- Artikel 8.25.9
- Artikel 9.1.1
- Artikel 9.1.2
- Artikel 9.1.3
- Artikel 9.1.4
- Artikel 9.1.5
- Artikel 9.1.6
- Artikel 9.1.7
- Artikel 9.1.8
- Artikel 9.5.1
- Artikel 9.5.2
- Artikel 9.5.3
- Artikel 9.5.4
- Artikel 9.5.5
- Artikel 9.5.6
- Artikel 9.5.7
- Artikel 9.9.1
- Artikel 9.9.2
- Artikel 9.9.3
- Artikel 9.9.4
- Artikel 9.9.5
- Artikel 9.9.6
- Artikel 9.9.7
- Artikel 9.9.8
- Artikel 9.9.9
- Artikel 9.9.10
- Artikel 9.9.11
- Artikel 9.15.1
- Artikel 9.15.2
- Artikel 9.15.3
- Artikel 9.15.4
- Artikel 9.15.5
- Artikel 9.15.6
- Artikel 9.15.7
- Artikel 9.16.1
- Artikel 9.16.2
- Artikel 9.16.3
- Artikel 9.16.4
- Artikel 9.16.5
- Artikel 9.16.6
- Artikel 9.16.7
- Artikel 9.16.8
- Artikel 9.16.9
- Artikel 9.16.10
- Artikel 9.16.11
- Artikel 9.16.12
- Artikel 9.16.13
- Artikel 9.17.1
- Artikel 9.19.1
- Artikel 9.19.2
- Artikel 9.19.3
- Artikel 9.19.4
- Artikel 9.21.1
- Artikel 9.21.2
- Artikel 9.21.3
- Artikel 9.21.4
- Artikel 9.23.1
- Artikel 9.23.2
- Artikel 9.23.3
- Artikel 9.23.4
- Artikel 9.23.5
- Artikel 9.23.6
- Artikel 9.23.7
- Artikel 9.23.8
- Artikel 9.23.9
- Artikel 9.23.10
- Artikel 9.23.11
- Artikel 9.24.1
- Artikel 9.24.2
- Artikel 9.24.3
- Artikel 9.24.4
- Artikel 9.24.5
- Artikel 9.24.6
- Artikel 9.24.7
- Artikel 10.1.1
- Artikel 10.1.2
- Artikel 10.1.3
- Artikel 10.1.4
- Artikel 10.1.5
- Artikel 10.1.6
- Artikel 10.1.7
- Artikel 10.1.8
- Artikel 10.1.9
- Artikel 11.1.1
- Artikel 11.1.2
- Artikel 11.1.3
- Artikel 11.1.4
- Artikel 11.1.5
- Artikel 11.1.5a
- Artikel 11.1.5b
- Artikel 11.1.6
- Artikel 11.1.7
- Artikel 11.1.8
- Artikel 11.2.1
- Artikel 11.2.2
- Artikel 11.2.3
- Artikel 11.2.4
- Artikel 11.2.5
- Artikel 11.2.6
- Artikel 11.2.7
- Artikel 11.2.8
- Artikel 11.3.1.1
- Artikel 11.3.1.2
- Artikel 11.3.1.3
- Artikel 11.3.1.4
- Artikel 11.3.1.5
- Artikel 11.3.1.6
- Artikel 11.3.1.7
- Artikel 11.3.1.8
- Artikel 11.3.1.9
- Artikel 11.3.2.1
- Artikel 11.3.2.2
- Artikel 11.3.2.3
- Artikel 11.3.2.4
- Artikel 11.3.2.5
- Artikel 11.3.2.6
- Artikel 11.3.2.7
- Artikel 11.3.2.8
- Artikel 11.3.2.9
- Artikel 11.3.2.10
- Artikel 12.1.1
- Artikel 12.1.2
- Artikel 12.1.3
- Artikel 12.1.4
- Artikel 12.1.5
- Artikel 12.1.6
- Artikel 12.1.7
- Artikel 12.1.8
- Artikel 12.1.9
- Artikel 12.1.10
- Artikel 12.1.11
- Artikel 13.2.1
- Artikel 13.2.2
- Artikel 13.2.3
- Artikel 13.2.4
- Artikel 13.2.5
- Artikel 13.2.6
- Artikel 15.1.2
- Artikel 15.1.3
- Artikel 15.4
- Artikel 15.1.5
- Artikel 15.1.6
- Artikel 15.1.7
- Artikel 15.1.8
- Artikel 16.1
- Artikel 16.2
- Artikel 16.3
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1Begripsomschrijvingen
1[Toelichting: In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, die in het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.Subsidie: In artikel 4:21, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een definitie van subsidie gegeven. Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de volgende kenmerken voldoen:a. het betreft een aanspraak op financiële middelen;b. die door een bestuursorgaan worden verstrekt;c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;d. anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.De provincie maakt een onderscheid tussen eenmalige en jaarlijkse subsidies.Eenmalige subsidie: Dit zijn subsidies die Gedeputeerde Staten voor een eenmalige activiteit wil verlenen.Jaarlijkse subsidie: De jaarlijkse subsidie wordt bij voorkeur voor meerdere jaren verleend en heeft veelal op voortdurende activiteiten van een instelling betrekking.
Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies. In het Ubs is bepaald dat deze jaarlijkse subsidie voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen.
Er is bewust niet voor gekozen het regime van afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de jaarlijkse subsidie. In de subsidieverleningsbeschikking bij jaarlijkse subsidies zal expliciet worden aangegeven welke bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb van toepassing zijn.] Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste een andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. eenmalige subsidie: de subsidievorm, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op verrichte resultaten óf op een combinatie van resultaten, bedrijfsvoering of middelen en waartegen geen rechtstreekse baat staat voor de provincie; e. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; f. bovengemeentelijk: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste twee Overijsselse gemeenten; g. regionaal: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste drie Overijsselse gemeenten; h. provinciaal: de subsidieactiviteiten vinden plaats in ten minste zestien Overijsselse gemeenten; i. jaarlijkse subsidie: subsidie die per boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan subsidieontvanger voor een periode van maximaal vier boekjaren worden verstrekt; j. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; k. projectperiode: de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de beschikking tot verlening of vaststelling van de subsidie opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit moet zijn afgerond; l. de -minimisverordening: Verordening (EU) 1407/2013 van de commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; m. Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EG) nr. 800/2008, Pb L 214/3 van de commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden; n. medeoverheden: gemeenten, waterschappen en provincies; o. Vrijstellingsverordening Landbouw: Verordening (EG) 1857/2006 Pb L 358/3 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001;
p. de-minimisverordening landbouw: Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector; q. Algemene Groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard.
Artikel 1.1.2Toepassingsbereik
2[Toelichting:
Artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat de kern van de subsidietitel in de Awb, te weten de eis dat er voor het verstrekken van subsidie een wettelijke grondslag moet bestaan. Hierbij heeft de wens van de wetgever om een weloverwogen gebruik van het subsidie-instrument te bevorderen een rol gespeeld. Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen; de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Hier wordt volstaan met het noemen van de subsidie die rechtstreeks op grond van Europese subsidieprogramma's (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder b Awb) of de provinciale begroting worden verstrekt (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c Awb).
Ook op buitenwettelijke subsidies zijn de bepalingen van titel 4.2 Awb over de verplichtingen van de subsidieontvanger, de betaling en terugvordering van subsidies en de subsidieverlening en -vaststelling van toepassing. Om ervoor te zorgen dat daarnaast ook de bepalingen van deze verordening gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemt.De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de Wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure.
Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etc. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. Bij de afhandeling van Europese subsidies (EFRO (regionale ontwikkeling), ESF (sociaal fonds) en het EOGFL (landbouw)) (inclusief provinciale cofinanciering) wordt de Europese regelgeving gevolgd. De regelingen en programma's met betrekking tot bijdragen uit de Europese fondsen kennen hun eigen criteria en procedureregels.
Het uitvoeringsbesluit kent eigen procedureregels. Gedeputeerde Staten kunnen door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing te laten. Voor het deel provinciale cofinanciering kan maatwerk worden toegepast.Daarnaast zijn subsidiebesluiten op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer uitgezonderd van de werking van het Ubs. De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer is in interprovinciaal verband tot stand gekomen (uniformiteit in 12 provincies). De uitvoering ligt in handen van een externe uitvoeringsorganisatie (de Dienst Regelingen). ] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer.
Artikel 1.1.3Subsidieplafond en volgorde van behandeling
3[Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst. De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Als een subsidieplafond niet tijdig is gepubliceerd, kan een aanvraag niet worden afgewezen wegens overschrijding van dat plafond. ] Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
Artikel 1.1.4Grondslag subsidie
Artikel 1.1.5Subsidiabele kosten
5[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag alleen de volgende rechtstreeks aan de activiteit toe te rekenen kosten mee te nemen:1loonkosten; 2kosten voor gebruik van apparatuur, waaronder afschrijvingskosten; 3kosten voor gebruik van materiaal; 4kosten voor derden. Deze kosten zijn subsidiabel voor zover de activiteit overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.1.6 sub c binnen de projectperiode uitgevoerd wordt. ] 1. Interne loonkosten zijn subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, een getrouw beeld geven, verifieerbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken:
6[Toelichting: Voor de berekening van de loonkosten wordt aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger en is de keuze aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt. Wanneer sub a en b niet van toepassing zijn dan kan op basis van sub c een vast uurtarief van € 35 gehanteerd worden.Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat uren zorgvuldig worden bijgehouden in een, zo mogelijk, gesloten urenadministratie, welke verifieerbaar is en dat kosten navolgbaar worden toegerekend.] berekening van de loonkosten op basis van het Integraal kostprijstarief (IKT). Het IKT mag worden gehanteerd indien aan de vereisten zoals genoemd in ‘Toepassing Integraal kostprijstarief provincie Overijssel' is voldaan;
7[Toelichting: Het document ‘Toepassing Integraal kostprijstarief provincie Overijssel' is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. In dit document zijn de vereisten opgenomen waaraan de subsidieaanvrager of ontvanger moet voldoen om voor de berekening van de loonkosten het Integraal kostprijstarief (IKT) te mogen toepassen.Het gaat om de volgende vereisten:1het IKT is gebruikelijk en stelselmatig in gebruik door de subsidieaanvrager. Van stelselmatigheid is sprake indien de subsidieaanvrager of -ontvanger een IKT al minimaal twee jaar toepast. Wanneer de subsidieaanvrager of -ontvanger pas 1 jaar met het IKT werkt kan stelselmatigheid worden vastgesteld indien deze kan aantonen wat de IKT's zouden zijn geweest in de voorgaande twee jaren; 2het IKT is vooraf bepaald. Dat wil zeggen dat uiterlijk bij de subsidieverstrekking het tarief bepaald dient te zijn; 3het IKT wordt jaarlijks voorcalculatorisch bepaald; 4de werkelijke kosten dienen nacalculatorisch te worden vastgesteld; 5de subsidieaanvrager of ontvanger hanteert een kostentoerekeningsmodel gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen; 6het IKT bestaat enkel uit directe personeelskosten en algemene indirecte kosten (overhead); 7het IKT bevat geen debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten; 8het IKT is goedgekeurd door een accountant en gebaseerd op het voorgaande boekjaar. ] volgens de loonkosten plus vaste opslag. Voor de berekening van de loonkosten wordt de volgende formule gehanteerd: ((brutoloon op jaarbasis + sociale lasten) /(1600 * deeltijdfactor)) + 20%, waarbij het brutoloon inclusief vakantiegeld en eventuele eindejaarsuitkering is;
8[Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele kosten. Het aantal productieve uren en percentage overhead waarmee het uurtarief mag worden berekend is een vast getal. Met deze gegevens levert de subsidieaanvrager een berekening conform de volgende formule: ((brutoloon op jaarbasis + sociale lasten) /(1600 * deeltijdfactor )) + 20%. ] het hanteren van een forfaitair vastgesteld uurtarief van € 35.
9[Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. ] 2. Kosten voor gebruik van apparatuur, waaronder de afschrijvingskosten daarvan, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn.
10[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn. Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook licenties voor software. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. ] 3. Kosten voor gebruik van materiaal zijn subsidiabel indien het verbruik ervan geadministreerd wordt én deze kosten rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Indien sprake is van gebruik van materiaal uit voorraad wordt uitgegaan van historische aanschafprijzen. Voor materiaal dat speciaal voor de activiteit wordt aangeschaft is het vierde lid van toepassing.
11[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van materiaal ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn als het verbruik word geadministreerd. Onder materialen vallen o.a. verbruiksgoederen zoals grondstoffen en onderdelen. Onder kosten voor materiaal uit voorraad kunnen de kosten van het verbruik van materialen, die al eerder zijn aangeschaft, worden opgevoerd. Hierbij moet worden uitgegaan van historische aanschafprijzen. Als er geen administratie van het verbruik van materialen uit voorraad is, dan kunnen de kosten niet rechtstreeks aan het project worden toegerekend. Onder kosten voor speciaal aangeschafte materialen kunnen de kosten van materialen die speciaal voor een project worden gekocht, bij begroting en bij vaststelling opgevoerd worden onder de post ‘kosten derden'. ] 4. Kosten derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen en door een onafhankelijke derde worden geleverd.
12[Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen en diensten. Het kan hier bijvoorbeeld ook gaan om materiaal en inhuur van personeel.Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo minimaal mogelijke kosten. Daarnaast moeten de kosten worden gemaakt en de dienst of producten worden geleverd door een onafhankelijke derde. Er is bijvoorbeeld sprake van onafhankelijkheid als er:- geen onderlinge band is tussen de aanvrager en de derde. De derde kan zelfstandige besluiten nemen zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de derde en de subsidieaanvrager;- geen sprake is van een dochter-/zuster-/moederonderneming die als derde wordt betrokken.] 5. [vervallen]
Artikel 1.1.6Niet subsidiabele kosten
De volgende kosten zijn niet subsidiabel: a. boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar, vergoedingen voor de inzet van vrijwilligers, kostenpost onvoorzien én andere kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn;
13[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag de in dit artikel genoemde kosten niet mee te nemen. Deze kosten worden niet aangemerkt als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. ] b. BTW, tenzij door de subsidieaanvrager kan worden aangetoond dat de BTW over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het BTW compensatiefonds kan worden verrekend. Indien de gevraagde subsidie € 125.000 of meer bedraagt dient het aantonen te gebeuren door middel van een verklaring van de belastingdienst of door een verklaring van een accountant. Indien de gevraagde subsidie minder dan € 125.000 bedraagt, dient het aantonen te gebeuren door middel een getekende verklaring van de aanvrager; c. kosten die betrekking hebben op de activiteiten die buiten de projectperiode zijn uitgevoerd, met uitzondering van de kosten van een controleverklaring, als bedoeld in artikel 1.1.4 derde lid.;
14[Toelichting: De projectperiode is de periode vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot en met de in de beschikking tot verlening van de subsidie opgenomen datum waarop de subsidiabel activiteit moet zijn afgerond. De kosten van de activiteiten die in de periode worden uitgevoerd kunnen subsidiabel zijn. Voor zover sprake is van kosten derden moet de betaling ook binnen de projectperiode plaats hebben gevonden. ] d. gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt.
15[Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 sub n worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan.Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn.Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als:1er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 vierde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of 2er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of 3er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.]
Paragraaf 1.2 De aanvraag
Artikel 1.2.1Bij aanvraag in te dienen gegevens
16[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. ] 1. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend. Als daarvoor een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruik gemaakt. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat aanvragen elektronisch kunnen of moeten worden ingediend.
17[Toelichting: Een aanvraag voor subsidie moet schriftelijk worden gedaan. Dit kan door een schriftelijke brief. Soms is het invullen van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier vereist. Doel van een aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken wat voor informatie hij bij de aanvraag moet geven. Een aanvraag kan ook elektronisch worden gedaan, mits Gedeputeerde Staten deze digitale vorm open heeft gesteld. ] 2. Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens:
18[Toelichting: Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid zijn de minimale vereisten van de aanvraag voor subsidie geregeld. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. ] een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd; de doelstellingen en resultaten die daarmee worden nagestreefd en hoe de activiteiten aan het provinciale doel van beleid bijdragen; een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.
19[Toelichting: Gelet op het maximaal te verstrekken subsidiebedrag is er de mogelijkheid gebruik te maken van een vrijstellingsverordening van de EG nr. 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 EG op de-minimissteun. Dit betekent dat de subsidieontvanger (dus per onderneming, alsmede het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort) niet meer dan € 200.000,-- aan subsidie over een periode van drie belastingjaren (dus inclusief eerdere ontvangen subsidies overheidsinstanties) aan steun mag ontvangen. De aanvrager moet daarom aangeven hoeveel de-minimussteun door de aanvrager in het lopende en de twee daar aan voorafgaande belastingjaren ontvangen is en verklaren dat de totale steun niet meer dan € 200.000,-- bedraagt.
De vrijstelling is ook van toepassing op de afzet en verwerking van landbouwproducten en op de sector vervoer. Ten aanzien van het laatste geldt een specifieke beperking: de-minimissteun voor ondernemingen actief in de sector wegvervoer wordt beperkt tot € 100.000,--. Aankoop van vervoermiddelen voor vrachtvervoer over de weg (vrachtwagens) blijft uitgesloten. De de-minimisegel is onder andere niet van toepassing op de primaire productie van landbouwproducten en de visserijsector (voor deze twee sectoren gelden eigen de-minimisdrempels, zie hieronder), exportsteun en steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden bevoordeeld.Voor landbouwbedrijven (een primaire producent van landbouwproducten in de zin van Bijlage I EG-Verdrag) bedraagt de maximale steun € 7.500,--.
Een vissersbedrijf kan tot € 30.000,-- steun binnen een periode van drie belastingjaren ontvangen, zonder dat de overheid dat vooraf aan de Europese Commissie moet melden. ]
Artikel 1.2.2Indieningstermijn aanvraag
20[Toelichting: Dit artikel dient in samenhang met artikel 1.1.5 en artikel 1.2.3 te worden gelezen. Na ontvangst van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten op basis van artikel 1.2.3 13 weken de tijd om te beslissen over de aanvraag voor subsidie.Het tweede lid geeft de aanvraagtermijn voor de jaarlijkse subsidie: op uiterlijk 1 oktober vóór het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. Deze termijn maakt een tijdige beslissing mogelijk. Als het project start op 1 januari 2011, dan wordt geadviseerd om de aanvraag voor 1 oktober 2010 in te dienen. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend op 1 december 2010, dan beslissen Gedeputeerde Staten voor 1 maart 2011. Als het project reeds is begonnen op 1 januari 2011 en de aanvraag wordt afgewezen door Gedeputeerde Staten, dan loopt de subsidieontvanger een financieel risico. Dit risico is voor eigen rekening van de aanvrager. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend na 1 januari 2011, dan zijn de kosten die reeds gemaakt zijn niet subsidiabel, op basis van artikel 1.1.5. lid 3. ] 1. Tenzij in enig ander hoofdstuk van dit besluit anders bepaald, kan een aanvraag voor een subsidie het hele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 1.2.3Beslistermijn
21[Toelichting: De in dit artikellid genoemde termijnen zijn maximum termijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. In dit artikel zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 12 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden. Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ] 1. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, 13 weken na aanvang van het subsidietijdvak.
22[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal dertien weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). ] 2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt 22 weken indien:
23[Toelichting: In geval van EU-cofinanciering, inschakeling van een commissie en nadere controle hebben Gedeputeerde Staten meer tijd nodig om een verleningsbeschikking af te kunnen geven en kan de termijn van maximaal 22 weken worden toegepast. ] sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld.
24[Toelichting: Op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie moet uiterlijk zijn beslist op 31 december voor het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. ]
Paragraaf 1.3 Verlening van de subsidie
Artikel 1.3.1Weigeringsgronden
25[Toelichting: In artikel 4:35 Awb zijn een aantal weigeringsgronden opgenomen. Zo kan een subsidie bijvoorbeeld geweigerd worden als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. Met artikel 1.3.1 worden die gronden aangevuld. In lid 1 blijkt uit het gebruik van het woord "kan" dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteiten ook zonder de subsidie gerealiseerd kunnen worden. Met lid 2 wordt een minimumbedrag gegeven voor subsidie: subsidie beneden de € 1.000,-- wordt niet verstrekt. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt.
Artikel 1.3.2Verlening subsidie
26[Toelichting: Ingevolge het eerste lid geven Gedeputeerde Staten al in het besluit tot verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld dat Gedeputeerde Staten de ontvanger verplichtingen kan opleggen. ] 1. Tenzij een subsidie door Gedeputeerde Staten direct wordt vastgesteld, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.
27[Toelichting: Uit artikel 4:29 Awb volgt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan voorafgaande een beschikking tot subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven. Gedeputeerde Staten hebben besloten dat voor te verstrekken subsidie tot € 25.000,- de subsidie direct na de aanvraag wordt vastgesteld. Er volgt dus geen voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. In alle andere gevallen zal de subsidievaststelling worden voorafgegaan door een beschikking tot subsidieverlening.In een beschikking tot subsidieverlening zal de datum worden vermeld waarop de gesubsidieerde activiteit(en) uiterlijk moet(en) zijn verricht. ] 2. Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt.
28[Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van drietal arrangementen: - kleine subsidies tot € 25.000,- middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en - grote subsidies vanaf € 125.000. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag.Gedeputeerde Staten moeten bij het besluit tot subsidieverlening bepalen hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving kan een zwaardere verantwoording eisen. Dit komt bijvoorbeeld voor op het beleidsveld inrichting landelijk gebied waar Europees recht soms tot zwaardere verantwoording verplicht. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welke verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. ]
Artikel 1.3.3Betaling en bevoorschotting
29[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.3.3. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.De wijze van betaling en bevoorschotting verschilt per arrangement. ] 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1 wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.
30[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die valt in arrangement 1, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. ] 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2 of artikel 1.5.3 wordt gegeven, verlenen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger een voorschot van maximaal 90% van het verleende subsidiebedrag.
31[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die in arrangement 2 of 3 valt, dan verlenen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger een voorschot van maximaal 90 %. Dat kan in één of meerdere termijnen zijn. Dit zal vaak afhangen van de looptijd van de activiteiten. ] 3. Bij jaarlijkse subsidie kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag. De voorschotten worden, in termijnen, beschikbaar gesteld.
32[Toelichting: Bij jaarlijkse subsidie zal in de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden vermeld. ]
Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 1.4.1Informatieplicht
33[Toelichting: De informatieplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000, het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten.
Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige subsidieverordening.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de informatieplicht niet geldt na vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.] 2. De subsidieontvanger informeert Gedeputeerde Staten binnen twee weken schriftelijk over:
34[Toelichting: Hierin zijn een aantal belangrijke wijzigingen opgenomen waarover de ontvanger de provincie verplicht moet informeren. ] besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten van de subsidieontvanger dan wel ontbinding van de rechtspersoon; relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, wijzigingen van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.
35[Toelichting: In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies hoger dan € 25.000 slechts een keer per jaar tussentijdse verantwoording te vragen. Op basis van deze gegevens kan de provincie zich verantwoorden over de realisatie van beleid naar PS en derden. ]
Artikel 1.4.2Overige verplichtingen van de subsidieontvanger
36[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.2.2 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
Paragraaf 1.5 Vaststelling van de subsidie
Artikel 1.5.1Subsidies tot € 25.000
37[Toelichting: De omvang van de verantwoordingsverplichting is gekoppeld aan de hoogte van het subsidiebedrag.Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om te verstrekken subsidies tot aan een bedrag tot € 25.000 direct vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie niet eerst wordt verleend (meer voorlopige toekenning) maar dat deze meteen wordt vastgesteld (waarbij de definitieve hoogte wordt bepaald en betaling volgt). Bevoorschotting is niet van toepassing zie artikel 1.3.3. Kenmerkend voor subsidies van minder dan € 25.000 is, dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. Als de subsidie direct wordt vastgesteld blijft de subsidieontvanger verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. ] Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct verleend en vastgesteld.
Artikel 1.5.2Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000
38[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.] 1. Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten.
39[Toelichting: Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag. ] de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
40[Toelichting: Soms blijkt het niet mogelijk om vooraf de kosten en opbrengsten van de prestatie realistisch te begroten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij innovatieve activiteiten, als er nog geen standaard voor de daarmee samenhangende kosten en opbrengsten voorhanden is. In dergelijke gevallen is het mogelijk om af te rekenen op basis van een opgave van de totale werkelijke kosten en opbrengsten. De afrekening vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten. Bij toepassing van deze variant komt een afzonderlijke prestatieverantwoording te vervallen; een verklaring zoals omschreven in het tweede lid van artikel 1.5.2, volstaat.
De opgave van de gerealiseerde kosten en opbrengsten vormt de grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Indien de subsidiabele kosten, na aftrek van de gerealiseerde opbrengsten (inclusief gerealiseerde bijdragen van derden) en de gerealiseerde eigen bijdrage, lager zijn dan begroot wordt de subsidie lager vastgesteld, tenzij rekening dient te worden gehouden met een in de van toepassing zijnde regelgeving geboden mogelijkheid tot het vormen van een egalisatiereserve. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag uitgekeerd. Steekproefsgewijs kan de subsidieverstrekker de opgegeven totalen controleren.
In de verklaring geef de subsidieontvanger niet meer aan dan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is, wat in voorkomend geval de stand van de egalisatiereserve is, wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ]
Artikel 1.5.3Subsidies vanaf € 125.000
41[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.Voor verleende subsidies van meer dan € 125.000,- geldt een verantwoording over prestaties en kosten. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag (zie toelichting bij artikel 1.5.2). Daarnaast wordt over de kosten verantwoord, de wijze waarop dit plaatsvindt wordt per regeling bepaald. Er zijn standaard formats beschikbaar voor verantwoording over de kosten en verantwoording middels een controleverklaring.] 1. Indien de subsidieverlening € 125.000 of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten.
Artikel 1.5.4Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (Sisa)
42[Toelichting: Single information, Single audit betekent eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop medeoverheden (provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen) aan het Rijk of Provincies ieder jaar verantwoorden of en hoe ze specifieke uitkeringen hebben besteed. De indicatoren worden landelijk vastgesteld. Uitgangspunt is om per specifieke uitkering zo weinig mogelijk verantwoordingsinformatie en controle te vragen. Er wordt aangesloten bij het reguliere jaarrekeningproces van de gemeenten. Dit houdt in dat: de provincie Overijssel gebruik maakt van de reguliere jaarstukken van de gemeente: het jaarverslag, de jaarrekening, inclusief SISA-bijlage en het verslag van bevindingen van de accountant waarin de accountant specifiek rapporteert over haar controle op de specifieke uitkeringen.
Voor de specifieke uitkering worden geen bijzondere controleverklaringen meer gevraagd. In plaats daarvan wordt de noodzakelijke met name financiële beleidsinformatie per specifieke uitkering opgenomen in een bijlage bij de (reguliere) jaarrekening en tijdens de jaarrekening controle door de accountant gecontroleerd. Met uitzondering van de eerder genoemde financiële verantwoordingsplicht blijven de voorwaarden die in de beschikking of overeenkomst hebben gestaan van kracht. Wat betreft het verantwoordingsmoment wordt aangesloten bij de procedure die voor de reguliere jaarstukken geldt: uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar of tijdvak waar over verantwoording moet worden afgelegd aan de provincie worden de stukken via het CBS bij de provincie aangeleverd.
Na ontvangst van de verantwoordingsinformatie kan de provincie Overijssel de regeling financieel vaststellen. Hierbij kan worden vertrouwd op de van de gemeente ontvangen gecertificeerde jaarstukken, welke zijn getoetst aan de afgesproken controles. Daarbij wordt ook het rapport van de bevindingen van de accountant en in het bijzonder de hierin opgenomen tabel met fouten en onzekerheden bij de vaststelling van de specifieke uitkering betrokken. Op basis van de verkregen verantwoordingsinformatie vindt vervolgens de inhoudelijke toets bij de provincie plaats. Dit kan leiden tot nadere vragen of maatregelen vanuit de provincie. Zie hiervoor ook de nota procedure aanlevering verantwoordingsinformatie die jaarlijks op de website van de Rijksoverheid wordt gepubliceerd. ] 1. In afwijking van de artikelen 1.5.1 tot en met 1.5.3 verantwoorden gemeenten de regelingen die worden genoemd in de 'Kruisjeslijst ontvangende medeoverheden' jaarlijks volgens het Sisa-principe.
43[Toelichting: De Sisa-circulaire met daarin o.a. de ‘kruisjeslijst ontvangende medeoverheden' (kruisjeslijst sisa) en de SISA bijlage worden jaarlijks aangepast en gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid. De Sisa systematiek wordt voor de regelingen uit de kruisjeslijst op alle openstaande beschikkingen en/of tweezijdige rechtshandelingen toegepast waaruit informatieverplichtingen voortvloeien. In uitzondering hierop wordt deze systematiek voor de regeling bodemsanering alleen toegepast voor alle na 1 januari 2008 aangegane overeenkomsten. ] 2. De Sisa-verantwoording geldt als aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
44[Toelichting: In de Invulwijzer sisa medeoverheden Overijssel is per regeling aangegeven hoe het verzoek tot vaststelling dient te worden gedaan.] 3. In aanvulling op het tweede lid geldt voor meerjarige projecten de laatste Sisa verantwoording als de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Artikel 1.5.5Vaststelling subsidie
45[Toelichting: In dit artikel is geregeld binnen welke termijn Gedeputeerde Staten besluiten ter zake van de vaststelling van de subsidie. De in dit artikel genoemde termijn is een maximum termijn. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen.] Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.
46[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal 22 weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling. ]
Paragraaf 1.6 Overige bepalingen
Artikel 1.6.1Staatssteun
Gedeputeerde Staten wijzigen of trekken de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in, als de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun.
47[Toelichting: Als een subsidie is aan te merken als ontoelaatbare staatssteun, moeten Gedeputeerde Staten het subsidiebesluit wijzigen of intrekken.]
Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen Familie, jeugd en gezin
Paragraaf 2.1 Jeugdactiviteiten Eigen Kracht
[Ingetrokken]
Paragraaf 2.2 Jeugdzorg
[Ingetrokken]
Paragraaf 2.3 Senioren
[ingetrokken]
Paragraaf 2.4 Transitie en transformatie jeugdzorg
[Ingetrokken]
Paragraaf 2.5 Transitie Jeugdzorg Overijssel 2.0
[Ingetrokken]
Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen Zorg en gezondheid
Paragraaf 3.1 Zorg
[ingetrokken]
Paragraaf 3.2 Ondersteuning uitvoering Wet maatschappelijke ondersteuning
De provincie heeft een wettelijke taak op het gebied van de Wmo. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor het voeren van beleid betreffende steunfunctiewerk. Gedeputeerde Staten vullen deze taak in door het laten uitvoeren van steunfunctietaken en door het financieren van projecten van gemeenten in het kader van de Wmo. Deze subsidieregeling bevat de criteria waaraan deze projecten moeten voldoen.
Artikel 3.2.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning, 29 juni 2006, Stb. 2006/351.
Artikel 3.2.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die gemeenten ondersteunen bij hun taken voor de uitvoering van de Wmo.
Artikel 3.2.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:
48[Toelichting: Prestatievelden Wmo zijn: 1. het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;2. op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;3. het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;4. het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;5. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;6. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;7. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang;8. het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;9. het bevorderen van verslavingsbeleid.] 3. De activiteit is uiterlijk 31 december 2017 afgerond.
Artikel 3.2.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 300.000 per aanvraag.
Artikel 3.2.4aSubsidiabele kosten
In afwijking van artikel 1.1.6 sub d zijn de gemeentelijke apparaatskosten wel subsidiabel.
49[Toelichting: Deze afwijking is noodzakelijk, omdat de provincie een wettelijke taak heeft om de uitvoering van de WMO te ondersteunen. ]
Artikel 3.2.5Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 3.2.6Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 3.2.7Indieningstermijn aanvraag
Artikel 3.2.8Volgorde van behandeling
50[Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. ] 1. In afwijking van artikel 1.1.3. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.
51[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen een externe deskundige om advies vragen ter beoordeling van de mate waarin het project inhoudelijk bijdraagt aan de prestatievelden van de Wmo.] de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel; de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten.
52[Toelichting: Scoretabel 1Onderdeel; Cijfer; Weging; Score; a. het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 30%; Cijfer x 0,3 = score 1; b. de mate waarin het project inhoudelijk bijdraagt aan de prestatievelden van de Wmo. Dit wordt bepaald op basis van de volgende factoren: impact van het project op de doelstellingen van de prestatievelden, geografische verdeling en de mate waarin het project innovatief is voor Overijssel; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 30%; Cijfer x 0,3 = score 2; c. de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 20%; Cijfer x 0,2 = score 3; d. de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten.; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 20%; Cijfer x 0,2 = score 4; ; ; ; Totale score = score 1 + score 2 + score 3 + score 4];
Artikel 3.2.9Verplichtingen van de subsidieontvanger
In aanvulling op artikel 1.4.1. en 1.4.2. dient de subsidieontvanger de opgedane kennis of het ontwikkelde concept beschikbaar te stellen aan andere Overijsselse gemeenten.
Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen Cultuur, sport en vrije tijd
Paragraaf 4.1 Archeologie
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.2 Restauratieachterstanden Rijksmonumenten
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.3 Podiumplan
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.4 Cultuurdeelname
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.5 Productiefonds Overijssel 2013-2015
53[Toelichting: De provincie Overijssel geeft in 2013-2015 een impuls aan de vergroting van de dynamiek, diversiteit en vitaliteit van de kunstensector in Overijssel. Hiervoor heeft zij de subsidieregeling Productiefonds Overijssel 2013-2015 in het leven geroepen.Dit om aan de ene kant ter aanvulling op het reguliere aanbod bijzondere producties mogelijk te maken. En aan de andere kant een aantrekkelijker werkklimaat voor getalenteerde makers te stimuleren. Het gaat de provincie om professionele initiatieven met een bijzondere waarde voor Overijssel. Met deze impuls kan een nieuw en nog breder en groter publiek voor de kunsten in Overijssel bereikt worden.] Subparagraaf 4.5.1. Versterking productie aanbod Overijssel (2013-2015)
Artikel 4.5.1.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. productie: het geheel van artistieke creatie, ontwikkeling en uitvoering van een nieuwe uiting op het terrein van ten minste één van de volgende kunstdisciplines: muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media, literaire cultuur, niet zijnde een festival, boek, cd- of dvd-uitgave of een tentoonstelling; b. artistiek inhoudelijke kwaliteit: de artistiek inhoudelijke kwaliteit van een productie blijkt uit het vakmanschap, de zeggingskracht en de oorspronkelijkheid van de productie;
54[Toelichting: Vakmanschap is een noodzakelijke randvoorwaarde om de beoogde artistieke kwaliteit ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Zeggingskracht en oorspronkelijkheid zijn uiteindelijk bepalend voor de artistieke kwaliteit. Het is dan ook van groot belang dat in de beschrijving van de productie voldoende inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze de aanvrager deze zeggingskracht en oorspronkelijkheid denkt te realiseren. Daarvoor is noodzakelijk dat in de aanvraag duidelijk wordt gemaakt vanuit welke inhoudelijke visie de productie gestalte krijgt.Het vakmanschap van de kunstenaar bestaat niet alleen uit ambachtelijke vaardigheden. Vakmanschap van een kunstenaar is méér dan ambacht, namelijk door de specifieke greep van (een) specifieke kunstenaar(s) op materiaal.
Dat materiaal kan bestaan uit verf, steen, muziek, taal of wat in de kunsten ook maar als grondstof gebruikt kan worden (ook oorspronkelijk werk van een ander). De specifieke greep van de kunstenaar is wat hij of zij met dat materiaal doet, te vertellen heeft, vorm wil geven, tot uitdrukking wil brengen, met een publiek wil delen: zijn artistieke visie. De combinatie van zijn ambachtelijke vaardigheden en visie vormen het vakmanschap van de kunstenaar. Sterker, dit is wat hem kunstenaar maakt en een kunstwerk doet creëren, in plaats van een producent die een product maakt. Zonder visie kan een werk ambachtelijk kwaliteit hebben, het is dan echter geen kunst. Zeggingskracht ontstaat uit het vakmanschap plus wat wel de ‘noodzaak' of ‘urgentie' van een kunstwerk genoemd wordt.
Terwijl vakmanschap een objectief te omschrijven fenomeen is, is noodzaak/urgentie subjectiever. Het is de overtuiging die een kunstwerk in zich draagt en vanuit zichzelf profileert. Het is een eigenschap die door iedere, zeker de geoefende, ontvanger ongeacht smaak, esthetische opvatting of persoonlijke mening, in een kunstwerk herkend wordt. Het vakmanschap van een kunstenaar is geen garantie voor deze zeggingskracht. Echter, wanneer het vakmanschap van de kunstenaar in essentie onvoldoende wordt benut, zal er zeker geen sprake zijn van zeggingskracht in het kunstwerk. Dat geldt niet alleen voor werken die af zijn, het geldt ook voor plannen. Het vakmanschap en de zeggingskracht geven een kunstwerk zijn oorspronkelijkheid.
Oorspronkelijkheid is een combinatie van authenticiteit, originaliteit en zelfstandigheid in een kunstwerk. De specifieke greep van de kunstenaar op het materiaal maakt het werk oorspronkelijk. Een kunstwerk kan nooit oorspronkelijk zijn als het vakmanschap er niet ten volle in terugkomt. De visie van de kunstenaar is hierin een essentieel criterium, hij is per slot van rekening de geestesvader van het gecreëerde.] c. festival: een feest of openbare gebeurtenis met verschillende activiteiten of evenementen; d. tentoonstelling: een tijdelijke of permanente gelegenheid waarbij één of meer personen of organisaties objecten tonen voor een publiek van particulieren of bedrijven, die voor dit doel naar deze gelegenheid komen.
Artikel 4.5.1.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. professionele producties met een hoge artistieke inhoudelijke kwaliteit en ten minste een nationale uitstraling; b. professionele producties met ten minste een provinciale uitstraling.
55[Toelichting: Op basis van deze regeling kan subsidie aangevraagd worden voor de kosten van professionele producties in alle kunstdisciplines. Het gaat om producties waarvan een hoge artistieke kwaliteit verwacht wordt en ten minste een nationale uitstraling en om producties met ten minste een provinciale uitstraling. Rechtspersonen zoals culturele instellingen kunnen een aanvraag indienen, maar ook natuurlijke personen zoals individuele kunstenaars (beeldend kunstenaars, componisten, auteurs). De subsidiabele kosten zijn alle voor de productie noodzakelijke kosten die aantoonbaar rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de productie binnen de projectperiode. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden voor het voorbereiden, ontwikkelen en uitvoeren van de productie subsidiabel zijn. De aanvrager geeft met behulp van het aanvraagformulier aan of hij subsidie vraagt voor onderdeel a) of onderdeel b). Aanvragen voor festivals, boekuitgaven, tentoonstellingen, cd-dvd uitgave en aanvragen ter aanvullende bekostiging van de reguliere activiteiten van door de provincie Overijssel gesubsidieerde instellingen komen niet in aanmerking. ]
Artikel 4.5.1.3Criteria
Artikel 4.5.1.4Grondslag subsidie
Artikel 4.5.1.5Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
CV's van de maker en artistieke leiding van de productie; indien aanwezig een speellijst.
Artikel 4.5.1.6Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.5.1.7Adviescommissie
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4.5.1.2 onder sub a wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie Productiefonds Overijssel 2013-2015 die advies geeft over de hoge artistieke inhoudelijke kwaliteit van de productie. De artistiek inhoudelijke kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de invulling van de begrippen vakmanschap, zeggingskracht en oorspronkelijkheid. Daarnaast geeft de adviescommissie advies over de artistieke kwaliteit van de maker(s), de toegevoegde waarde voor het bestaande kunst- en cultuuraanbod in Overijssel en de nationale uitstraling van de productie.
Artikel 4.5.1.8Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: a. de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 4.5.1.2 sub a minder dan € 25.000 bedraagt; b. de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 4.5.1.2 sub b minder dan € 10.000 bedraagt.
Subparagraaf 4.5.2 Nieuwe makers Overijssel 56[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen bijdragen aan de ontwikkeling van beginnende Overijsselse makers tot professionals, binnen de verschillende kunstdisciplines. Daartoe verstrekt zij subsidie voor ontwikkelingstrajecten, waarin een Overijsselse maker zich kan ontwikkelen door onder begeleiding van een professionele organisatie ten minste één artistieke productie te realiseren. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een professionele organisatie.]
Artikel 4.5.2.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. nieuwe maker: Overijsselse maker of groep van nieuwe Overijsselse makers die zich nog niet of maar beperkt als professional heeft of hebben gemanifesteerd in de cultuursector;
57[Toelichting: Als indicatie geldt dat, op het moment dat de subsidieaanvraag wordt ingediend, de maker niet langer dan drie jaar als maker actief is. Een nieuwe maker kan wel al langere tijd als uitvoerder (bijv. acteur, danser, musicus) actief zijn geweest.] b. professionele organisatie: organisatie die primair gericht is op het zelf ontwikkelen en produceren van artistieke producties of het presenteren daarvan; c. ontwikkelingstraject: een periode waarin een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van de nieuwe maker. Centraal staan de leerdoelen persoonlijk, artistiek en zakelijk van de maker; d. productie: het geheel van artistieke creatie, ontwikkeling en uitvoering van een nieuwe uiting op het terrein van ten minste één van de volgende kunstdisciplines: muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media, literaire cultuur.
Artikel 4.5.2.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor het ontwikkelingstraject van een nieuwe maker, waarin ten minste één productie wordt ontwikkeld en gepresenteerd.
Artikel 4.5.2.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een professionele organisatie of een samenwerking van professionele organisaties, met elk een vestigingsadres in Overijssel; b. de nieuwe maker is woonachtig of gevestigd in Overijssel; c. er is sprake van een intensieve samenwerking tussen de aanvrager en de nieuwe maker, zowel ten aanzien van de artistieke en zakelijke doelen als ten aanzien van de coaching op persoonlijke leerdoelen van de nieuwe maker; d. er is aantoonbaar voorzien in deskundige begeleiding voor de duur van ten minste 12 maanden, zowel artistiek, zakelijk als coaching op persoonlijke leerdoelen van de nieuwe maker;
58[Toelichting: In de aanvraag moet op basis van een CV worden aangetoond dat sprake is van deskundigheid op het gebied van het begeleiden van een maker.] e. er wordt ten minste één productie in Overijssel gemaakt en gepresenteerd; f. de artistieke verantwoordelijkheid voor de productie die tot stand komt, berust bij de nieuwe maker; g. het ontwikkelingstraject inclusief de voorgenomen productie maakt geen deel uit van regulier door Rijk of de provincie gesubsidieerde activiteiten van de aanvrager; h. als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan de de-minimisverordening; i. de aanvraag moet vooraf zijn afgestemd met de beleidsmedewerker van de provincie Overijssel die betrokken is bij paragraaf 4.5 Productiefonds Overijssel.
Artikel 4.5.2.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000 per aanvraag.
Artikel 4.5.2.5Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
Artikel 4.5.2.6Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie
CV van de betreffende nieuwe maker of nieuwe makers én de CV's van de deskundige begeleider of begeleiders.
Artikel 4.5.2.7Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: a. minder dan € 20.000 aan subsidie zal worden verstrekt; b. voor de betreffende nieuwe maker al subsidie op basis van deze paragraaf is verstrekt; c. de aanvrager al drie keer subsidie op basis van deze paragraaf verstrekt heeft gekregen; d. voor de nieuwe maker subsidie is verstrekt op grond van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten; e. de aanvrager een intermediair is tussen de professionele organisatie en de nieuwe maker; f. de productie niet bijdraagt aan de spreiding over de in artikel 4.5.2.1 sub d genoemde kunstdisciplines.
Artikel 4.5.2.8Verplichtingen subsidieontvanger
In aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 is de subsidieontvanger verplicht de subsidiabele activiteit binnen 2 jaar na subsidieverlening te hebben afgerond.
Artikel 4.5.2.9Aanvullende stukken bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie
Een aanvraag voor vaststelling van een subsidie van € 25.000 of meer bevat, in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid, een door de nieuwe maker ondertekend evaluatieformulier.
59[Toelichting: Een format van een evaluatieformulier wordt bij de verlening van de subsidie meegezonden.]
Paragraaf 4.6 Beeldende Kunst en Vormgeving Art (E)motion
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.7 Cultureel erfgoed
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.8 Stimulering Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel
[ingetrokken]
Paragraaf 4.9 Sportaccommodaties en jeugd
[ingetrokken]
Paragraaf 4.10 Overijssel werkt! KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel
[ingetrokken]
Paragraaf 4.11 Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (pMJP 3.2.5)
[Ingetrokken]
Paragraaf 4.12 Routenetwerken (pMJP 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4)
[ingetrokken]
Paragraaf 4.13 Vrijetijdseconomie Routebeleving 2014-2015
Artikel 4.13.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. routebeleving: de mogelijkheid om ervaringen of verhalen op te doen tijdens het gebruik van de toeristische routenetwerken; b. belevingselementen: al dan niet tastbare voorzieningen die een structurele bijdrage leveren aan de routebeleving van de toeristische routenetwerken voor gasten; c. innovatieve technieken of technologieën:technieken of technologieën die nieuw zijn in Overijssel; d. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent; e. recreatieve voorzieningen: zowel voorzieningen die in de openbare ruimte door de overheid als door bedrijven of particulieren zijn of worden ontwikkeld en bestemd zijn voor vrijetijdsbesteding;
60[Toelichting: Hierbij kan gedacht kan worden aan: bankjes en ander straatmeubilair,digitale infrastructuur zoals informatiepanelen, verhalenpalen, apps, websites, en andere (digitale) informatiedragers, etc.] f. toeristische routenetwerken: routes voor fietsen, wandelen, ruiteren of varen zoals genoemd in de Atlas van Overijssel;
61[Toelichting: De Toeristische routenetwerken zijn te vinden in de Atlas van Overijssel, via www.overijssel.nl/algemene-onderdelen/uitleg-atlas/.] g. structureel: blijvend of voortdurend.
Artikel 4.13.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. activiteiten die structureel bijdragen aan kwaliteitsverhoging van de bestaande toeristische routenetwerken in Overijssel;
62[Toelichting: Eenmalige of tijdelijke activiteiten zoals festivals, evenementen of tijdelijke installaties worden niet gezien als activiteiten die een structurele bijdrage leveren aan de kwaliteitsverhoging van de bestaande toeristische routenetwerken in Overijssel, omdat ze eenmalig of tijdelijk van aard zijn.] b. activiteiten die structureel bijdragen aan de versterking van de routebeleving van de bestaande toeristische routenetwerken in Overijssel;
63[Toelichting: Eenmalige of tijdelijke activiteiten zoals festivals, evenementen of tijdelijke installaties worden niet gezien als activiteiten die een structurele bijdrage leveren aan de versterking van de routebeleving van bestaande toeristische routenetwerken in Overijssel, omdat ze eenmalig of tijdelijk van aard zijn.] c. onderzoek naar- of monitoring van de activiteiten als bedoeld onder sub a of b; d. ontwikkeling en inzet van innovatieve technieken of technologieën die bijdragen aan activiteiten als bedoeld onder sub a of b.
Artikel 4.13.3Criteria
64[Toelichting: De toeristische A- merken zijn WaterReijk, IJsseldelta, Vechtdal, Salland, Twente inclusief het thema Hanzesteden. De toeristische thema's zijn: ‘puur genieten', ‘plezier varen en ‘cultuurparels'.] het ontwikkelen van belevingselementen op, langs en in de buurt van de toeristische routenetwerken of het verbinden van deze elementen met de toeristische routenetwerken.
Artikel 4.13.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat: a. de subsidie voor de aanleg van een recreatief pad maximaal € 120 per meter bedraagt; b. de subsidie aan onderneming maximaal € 200.000 bedraagt.
Artikel 4.13.5Niet subsidiabele kosten
65[Toelichting: De toeristische A-merken zijn WaterReijk, IJsseldelta, Vechtdal, Salland, Twente inclusief het thema Hanzesteden. De toeristische thema's zijn: puur genieten, plezier varen en cultuurparels. ]
Artikel 4.13.6Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.13.7Weigeringsgrond
Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien: a. de activiteit niet past binnen de speerpunten van het beleid, zoals opgenomen in de regionaal Economisch beleid De kracht van Overijssel 2012-2015; b. binnen het project geen duidelijke projectverantwoordelijke is aangewezen; c. minder dan € 25.000 aan subsidie zal worden verstrekt; d. indien sprake is van uitsluitend een investering in een overnachting/uitgaansmogelijkheid, camping, bungalowpark, hotel, restaurant of café.
Artikel 4.13.8Bij de aanvraag in te dienen stukken
De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruikt van het aanvraagformulier Vrijetijdseconomie 2014-2015.
Artikel 4.13.9Verplichtingen subsidieontvanger
In aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2. moet de subsidieontvanger: a. de activiteiten binnen 24 maanden na datum subsidieverlening en uiterlijk op 31 december 2017 hebben afgerond; b. de onderzoeksresultaten, als bedoeld in artikel 4.13.2 sub c, beschikbaar stellen aan derden indien daarom wordt gevraagd.
Artikel 4.13.10Verbod vervreemding
Paragraaf 4.14 Vrijwilligers
[ingetrokken]
Paragraaf 4.15 Evenementen en festivals
66[Toelichting: Evenementen en festivals leveren een belangrijke bijdrage aan het versterken van de regionale economie. Door het zoeken van de verbinding met het lokale/regionale bedrijfsleven en door dwarsverbanden te leggen met kunst, cultuur, sport, zorg, natuur en nevenactiviteiten van de landbouwontstaan nieuwe arrangementen . Deze interesseren gasten voor een langer bezoek aan of een verblijf in Overijssel. Daarnaast leveren evenementen en festivals ook een bijdrage aan de verscherping van het profiel van de toeristische A-merken in Overijssel. De toeristische A-merken zijn: IJsseldelta, Salland, WaterReijk, Twente en Vechtdal aangevuld met de Hanzesteden. Doelstelling van deze subsidieregeling is de economische spin off van festivals en evenementen duurzaam te vergroten door een eenmalige impuls.]
Artikel 4.15.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. festival: een feest of openbare gebeurtenis met verschillende activiteiten of evenementen; b. economische spin off: het totaal van de volgende effecten: meer bezoekers, uitbreiding sponsoring, meer werkgelegenheid, meer publiciteitswaarde en vergroten economische betekenis; c. evenement: een georganiseerde openbare gebeurtenis rond een thema, dag of week; d. innovatief project: een project rondom een evenement of een festival met als doel het vergroten van de economische spin off van het evenement of festival;
67[Toelichting: Met rondom wordt bedoeld dat het aan een festival of evenement wordt toegevoegd. Het project is niet eerder door een organisator uitgevoerd en de kosten voor het project maken geen onderdeel uit van de begroting voor het evenement of festival zelf. ] e. [vervallen]; f. [vervallen].
Artikel 4.15.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. [vervallen]; b. een innovatief project rondom een evenement of festival dat in 2014 of 2015 plaatsvindt in Overijssel niet zijnde de exploitatie van een evenement of festival.
681[Toelichting: Niet subsdiabel is de exploitatie van een evenement of festival. Onder exploitatie valt tevens ook de programmering van artiesten, podiumkunstenaars, sporters, etc. 1Voorbeelden van innovatie projecten: 1innovatieve samenwerkingsverbanden met bedrijfsleven en partners; 2moderne en slimme vormen van crowdmanagement & inzet van multimedia; 3moderne en slimme vormen van publieksbereik en -binding en marketing. ]1innovatieve samenwerkingsverbanden met bedrijfsleven en partners; 2moderne en slimme vormen van crowdmanagement & inzet van multimedia; 3moderne en slimme vormen van publieksbereik en -binding en marketing. ]
Artikel 4.15.3Criteria
69[Toelichting: Met duurzaam wordt bedoeld dat het project niet eenmalig bijdraagt aan het vergroten van de economische spin off, maar van lange duur dan wel blijvend bijdraagt. ] de activiteit is nieuw voor de aanvrager; de activiteit dient als voorbeeld of is overdraagbaar naar andere evenementen of festivals; als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
Artikel 4.15.4Grondslag subsidie
Artikel 4.15.5Indieningstermijn aanvraag
Artikel 4.15.6Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie
Artikel 4.15.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.15.8Volgorde van behandeling
70[Toelichting: Hierbij wordt beoordeeld in hoeverre het project nieuw is: ingeval het nieuw is in Overijssel krijgt het een hogere score] in hoeverre de activiteit als voorbeeld kan dienen of overdraagbaar is.
71[Toelichting: De prioriteitsvolgorde van de innovatieve projecten wordt bepaald aan de hand van de totale score die het project behaalt. Voor het berekenen van de score wordt Scoretabel 2 gebruikt.Scoretabel 2: Innovatieve projectenOnderdeel; Cijfer; Weging; Score; De mate van innovativiteit.; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 30%; (Cijfer) x 0,3 = score1; In hoeverre de activiteit als voorbeeld kan dienen of overdraagbaar is.; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 20%; (Cijfer) x 0,2 = score2; De mate waarin het bijdraagt aan het duurzaam vergroten van de economische spin off van het festival of evenement.; matig (1), goed (3), uitstekend (4); 50%; (Cijfer) x 0,5 = score3; ; ; ; Totale score = score1+score2+score3; Bij gelijke score bepaalt het % bijdragen van bedrijven en sponsoren op de begroting de rangorde.]
Artikel 4.15.9Weigeringsgrond
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd voor zover: a. de te verlenen subsidie minder dan € 10.000 bedraagt; b. de aanvraag een sponsorverzoek betreft; c. de aanvraag ten behoeve van kermissen, carnavalsoptochten, braderieën, circussen, dance-events, congressen of beurzen is; d. de aanvraag een nieuw evenement of festival betreft.
Artikel 4.15.10Verplichtingen subsidieontvanger
[Vervallen].
Paragraaf 4.16 Cultuureducatie ‘Cultuur aan de basis'
Artikel 4.16.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuureducatie: het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie van het primair onderwijs. De Kerndoelen zijn vastgesteld in het Besluit vernieuwde kerndoelen Wet Primair Onderwijs; b. doorgaande leerlijn: de uitwerking per leerjaar van wat een kind aan het eind van het primair onderwijs moet kennen en kunnen. Deze uitwerking is gebaseerd op de kerndoelen kunstzinnige oriëntatie en geeft daarnaast zicht op de plaats van cultuur binnen andere vakken, de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs en de aansluiting tussen binnenschools en buitenschools leren.
Artikel 4.16.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. een aanbod van cultuureducatieve activiteiten voor het primair onderwijs; b. activiteiten gericht op de ontwikkeling, de verdieping en de vernieuwing van doorgaande leerlijnen cultuureducatie; c. activiteiten die bijdragen aan de vakinhoudelijke deskundigheid van leerkrachten inclusief vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie;
72[Toelichting: Het gaat hierbij zowel om pedagogisch-didactische vaardigheden als ook om vaardigheden in de verschillende kunstdisciplines en kennis over het cultureel erfgoed. ] d. activiteiten gericht op het versterken van de meerjarige samenwerking van de school met de lokale culturele omgeving ten behoeve van de kunstzinnige en culturele ontwikkeling van leerlingen.
73[Toelichting: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een meerjarige samenwerking tussen een culturele organisatie met een onderwijsinstelling. ]
Artikel 4.16.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de aanvraag moet betrekking hebben op ten minste drie van de vier in artikel 4.16.2 genoemde subsidiabele activiteiten voor de periode 2013, 2014, 2015 en 2016; c. er is aantoonbaar gemaakt door de aanvrager dat het bedrag voor cultuureducatie op de gemeentelijke cultuurbegroting voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 ten minste 75% bedraagt van het bedrag dat in 2012 op de gemeentelijke begroting was opgenomen voor cultuureducatie;
74[Toelichting: De aanvrager overlegt een collegevoorstel waarin B&W of de gemeenteraad dit voornemen bevestigt. ] d. ten minste 50% van de scholen in een gemeente committeert zich uiterlijk 1 juni 2014 inhoudelijk en financieel aan het gemeentelijke cultuureducatieplan.
Artikel 4.16.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt per gemeente maximaal het bedrag zoals opgenomen in tabel 1, waarbij de subsidie voor de activiteit als bedoeld onder 4.16.2 sub a maximaal 50% van de totale subsidie bedraagt.
75[Toelichting: De maximale subsidie is gebaseerd op het leerlingenaantal per gemeente, volgens de gegevens van DUO, peildatum 1 oktober 2012.Tabel 1Gemeente; Maximale subsidie; Almelo; € 24.189; Borne; € 6.324; Dalfsen; € 8.856; Deventer; € 30.294; Dinkelland; € 8.454; Enschede; € 44.166; Haaksbergen; € 6.879; Hardenberg; € 19.386; Hellendoorn; € 11.583; Hengelo; € 27.453; Hof van Twente; € 10.125; Kampen; € 17.661; Losser; € 6.138; Oldenzaal; € 10.101; Olst Wijhe; € 4.785; Ommen; € 5.868; Raalte; € 11.433; Rijssen Holten; € 13.050; Staphorst; € 6.258; Steenwijkerland; € 12.930; Tubbergen; € 7.701; Twenterand; € 11.154; Wierden; € 7.296; Zwartewaterland; € 8.004; Zwolle; € 42.783];
Artikel 4.16.5Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.2.2 kan een aanvraag worden ingediend vanaf 3 januari 2013 en moet deze ontvangen zijn uiterlijk op 1 april 2013.
Artikel 4.16.6Aanvullende stukken bij de aanvraag
76[Toelichting: Deze intentieverklaring dient voor 1 juni 2014 ingediend te worden. In de intentieverklaring geeft het schoolbestuur aan dat zij voornemens is een inspanning te verrichten op bijvoorbeeld samenwerking in ontwikkeling doorlopende leerlijn, ontwikkeling van visie op cultuureducatie, activiteiten die bijdragen aan de deskundigheid van leerkrachten, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatieactiviteiten die de relatie tussen school en en de lokale culturele omgeving versterken.] indien aanwezig, een overzicht van scholen die zich financieel en inhoudelijk committeren aan het gemeentelijk cultuureducatieplan.
77[Toelichting: Hierbij is sprake van een ontwikkelmodel: aan deze voorwaarde moet voor 1 juni 2014 zijn voldaan.]
Artikel 4.16.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Paragraaf 4.17 Cultuurmakelaars
Artikel 4.17.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuurmakelaar: een onafhankelijke adviseur, die ten dienste staat of in opdracht van culturele organisaties of gemeenten werkt;
78[Toelichting: De cultuurmakelaar wordt onder andere ingezet om contacten tussen de culturele organisaties te intensiveren, de deskundigheid van culturele organisaties te verbeteren, vernieuwend aanbod te onderzoeken en ondersteuning te bieden in het organiseren van cultuurprojecten.] b. culturele organisatie: een organisatie met een culturele doelstelling, die werkzaam is op ten minste één van de volgende disciplines: muziek, theater, beeldende kunst, erfgoed, literaire cultuur, cultuureducatie, podiumkunsten, volkscultuur en amateurkunst en ten minste twee jaar is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; c. cultuurdisciplines: hieronder worden de volgende disciplines verstaan: muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, podiumkunsten, film, nieuwe media en literaire cultuur; d. samenwerkingsverband: de samenwerking tussen gemeenten of culturele organisaties, waarbij sprake is van financiële betrokkenheid bij de activiteit van alle betrokken partijen.
Artikel 4.17.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een cultuurmakelaar.
Artikel 4.17.3Criteria
79[Toelichting: Hiermee wordt beoogd dat de cultuurmakelaar als onafhankelijke intermediair op een breed cultureel terrein wordt ingezet met meerdere cultuurdisciplines.] er is aantoonbaar voor ten minste 50% voorzien in de co-financiering van de totale subsidiabele kosten;
80[Toelichting: Hierbij wordt een intentieverklaring van de partners die co-financieren geleverd.] de cultuurmakelaar wordt ingezet voor ten minste vier uur per gemeente per week voor een periode van twee aaneensluitende jaren tot uiterlijk 1 juli 2017; de inzet van de cultuurmakelaar bedraagt maximaal 24 uur per week per aanvraag; de gevraagde en te verlenen subsidie per aanvraag bedraagt ten minste € 25.000; als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
Artikel 4.17.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 55.000 per aanvraag.
Artikel 4.17.5Subsidiabele kosten
In afwijking van 1.1.5 eerste lid bedraagt het uurtarief van de cultuurmakelaar maximaal € 75 per uur.
Artikel 4.17.6Indieningstermijn aanvraag
Artikel 4.17.7Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 4.17.8Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.17.9Weigeringsgrond
In aanvulling op 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten een subsidie indien de financiering als bedoeld onder artikel 4.17.3 eerste lid onder sub d, een door de gemeente ontvangen provinciale subsidie is.
Paragraaf 4.18 Cultuurparticipatie
Artikel 4.18.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuurparticipatie: actief deelnemen aan kunst en cultuur op de volgende deelgebieden: beeldende kunst, volkscultuur, podiumkunsten, erfgoed, muziek en literatuur; b. amateurkunst: het actief beoefenen van kunst uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien; c. receptieve activiteit: activiteit waarbij de doelgroep passief kijkt of luistert naar kunst- of cultuuruitingen;
81[Toelichting: Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een tentoonstelling in een museum, een concert, film, toneel- of dansvoorstelling.] d. innovatieve activiteiten: activiteiten op het gebied van amateurkunst of cultuurparticipatie die nieuw zijn voor de aanvrager met als doel de inhoudelijke of organisatorische innovatie of innovatie op het gebied van cultureel ondernemerschap te stimuleren;
82[Toelichting: Uit de aanvraag moet blijken dat de aanvrager een nieuw doel heeft, een nieuwe vorm van ondernemerschap ontplooit, een nieuwe doelgroep aanboort of een nieuwe artistiek inhoudelijke keuze maakt, ten opzichte van eerdere projecten of zijn reguliere werkzaamheden.] e. artistiek inhoudelijke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van een activiteit moet blijken uit een gedegen artistieke of inhoudelijke invulling, een haalbaar organisatorisch plan voorzien van een begroting en een doordachte en realistische doelgroepbenadering; f. cultureel ondernemerschap: de aanvrager maakt gebruik van instrumenten en technieken uit de commerciële wereld om zoveel mogelijk kunstzinnig, artistiek-cultureel, zakelijk en maatschappelijk rendement te halen uit een activiteit; g. culturele ontwikkeling deelnemers: het vergroten van de interesse in cultuur en de mate waarin actief wordt deelgenomen aan culturele activiteiten van en door deelnemers; h. deelnemers: personen die actief deelnemen aan een culturele activiteit; i. marketingplan: in een marketingplan staat beschreven hoe de aanvrager de doelgroep(en) gaat benaderen en waarom dit op die manier gebeurt.
Artikel 4.18.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die aantoonbaar bijdragen aan de toename en ontwikkeling van cultuurparticipatie of amateurkunst en de culturele ontwikkeling van de deelnemers, in combinatie met ten minste twee van de volgende activiteiten: a. activiteiten die artistiek inhoudelijke innovatie beogen op het gebied van cultuurparticipatie, door samenwerkingen tussen verschillende amateurkunstdisciplines of samenwerkingen tussen de amateurkunstsector en professionele sector; b. innovatieve activiteiten ter verbetering van de deskundigheid van een culturele organisatie op het gebied van ledenwerving, vrijwilligersbeleid, publieksbereik, fondsenwerving, marketing en communicatie;
83[Toelichting: Het gaat hierbij om het borgen en verbreden van kennis en de know how van een organisatie op de genoemde gebieden.] c. innovatieve activiteiten op het gebied van cultureel ondernemerschap.
84[Toelichting: Beoogd wordt dat culturele organisaties op een voor hen nieuwe wijze gebruik maken van instrumenten en technieken uit de commerciële wereld. Daarbij kun je denken aan crowdfunding, crowdsourcing of samenwerkingen met het bedrijfsleven. ]
Artikel 4.18.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een rechtspersoon; b. de activiteit vindt plaats binnen de provinciegrenzen van Overijssel; c. er is aantoonbaar voor ten minste 35% door de aanvrager of andere partijen dan de provincie Overijssel voorzien in de co-financiering van de totale subsidiabele kosten; d. de gevraagde en de te verlenen subsidie bedraagt ten minste € 5.000; e. de activiteit wordt afgerond uiterlijk 18 maanden na ontvangstdatum van de aanvraag.
85[Toelichting: De aanvrager dient rekening te houden met het feit dat de termijn waarbinnen de activiteit moet zijn afgerond al begint te lopen op de datum van ontvangst van de aanvraag.] f. als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
Artikel 4.18.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten met een maximum van € 20.000.
Artikel 4.18.5Indieningstermijn aanvraag
[vervallen]
Artikel 4.18.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 4.18.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.18.8Volgorde van behandeling
[vervallen]
Artikel 4.18.9Weigeringsgrond
In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie: a. voor boekuitgaven, geluidsdragers, films of dvd's, aanschaf van audiovisuele middelen, muziekinstrumenten, kleding/uniformen, tentoonstellingen, congressen of beurzen; b. activiteiten met een receptieve doelstelling; c. activiteiten gericht op het ontwikkelen van cultuureducatief aanbod in het primair onderwijs; d. activiteiten op het gebied van de media met een journalistieke en informatieve invulling; e. activiteiten die gericht zijn op het realiseren van een beeld of geluidregistratie van bijvoorbeeld concerten en voorstellingen; f. activiteiten die primair gericht zijn op of plaatsvinden binnen het kunstvakonderwijs met inbegrip van de mbo-kunstopleidingen en de particuliere opleidingen; g. activiteiten die tot doel hebben subsidie te verwerven voor investeringen in bedrijfsmiddelen of bouwkundige voorzieningen;
86[Toelichting: Zoals bijvoorbeeld (pop)podia of tribunes.] h. activiteiten die primair gericht zijn op het realiseren van reguliere scholingsactiviteiten voor professionals; i. activiteiten die gefinancierd kunnen worden uit het reguliere taakstellingbudget van aanvragers; j. indien de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van deze paragraaf.
Artikel 4.18.10Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de resultaten en de methodiek van het gesubsidieerde project overdraagbaar zijn aan andere partijen.
Paragraaf 4.19 Erfgoed ‘Het verhaal van Overijssel'
Artikel 4.19.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. archeologie: Overijsselse materiële overblijfselen van de menselijke geschiedenis die zich onder de grond bevinden. Ook grafheuvels, hunebedden, mottes en vergelijkbare overblijfselen van menselijk handelen in het verleden worden tot archeologie gerekend; b. cultureel erfgoed: Overijsselse gebouwen, bouwwerken en cultuurlandschappen die vanuit het verleden zijn overgebleven, die het waard zijn om behouden te blijven en die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied; c. gebundelde aanpak: ten minste twee eigenaren nemen deel aan de activiteit. Voor terreinbeherende organisaties wordt hierop een uitzondering gemaakt als deze eigenaar zijn van een ensemble gebouwen, bouwwerken of cultuurhistorische elementen die bepalend zijn voor de karakteristieke identiteit van het gebied; d. restauratiewerkzaamheden: noodzakelijke renovatiewerkzaamheden aan gevels, daken of cultuurhistorische elementen; e. streekcultuur: de Overijsselse gewoonten, gebruiken, tradities en rituelen uit het verleden, die voor mensen van nu betekenis hebben.
87[Toelichting: Hieronder wordt tevens immaterieel erfgoed verstaan.] f. Betrokken partijen: partijen die financieel of in natura bijdragen aan de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
Artikel 4.19.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
88[Toelichting: Het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd richt zich op ten minste één, en bij voorkeur meerdere, van de thema's archeologie, cultureel erfgoed of streekcultuur/immaterieel erfgoed. Het verbinden van meerdere thema's versterkt het project en levert daarom ook een hogere score op bij het bepalen van de prioriteitsvolgorde van de aanvragen.] a. activiteiten ter verbetering van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de archeologie, inclusief aardkundige waarden; b. de uitvoering van restauratie- en herstelwerkzaamheden, inclusief voorbereidende werkzaamheden, aan cultureel erfgoed binnen een gebundelde aanpak; c. activiteiten op het gebied van streekcultuur die: het verhaal en de geschiedenis achter een plek, karakteristiek gebouw of archeologische vondst uitdragen; of bijdragen aan het uitdragen en behouden van streektaal en streekcultuur.
Artikel 4.19.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een rechtspersoon; b. de activiteit wordt uiterlijk 18 maanden na verzenddatum van de subsidiebeschikking afgerond; c. de gevraagde en te verlenen subsidie bedraagt ten minste € 7.500; d. de restauratie- en herstelwerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.19.2 sub b dienen een substantiële bijdrage te leveren aan behoud, herstel of ontwikkeling van de karakteristieke identiteit van het gebied; e. de activiteit wordt uitgevoerd of begeleid door een deskundige uit het veld; f. als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
Artikel 4.19.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met maximum van € 100.000 per aanvraag.
Artikel 4.19.5Indieningstermijn
Artikel 4.19.6Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie
Artikel 4.19.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 4.19.8Volgorde van behandeling
89[Toelichting: De prioriteitsvolgorde wordt bepaald aan de hand van de totale score die het programma behaalt. Hierover adviseert de provinciale Monumentencommissie. Voor het berekenen van de score wordt Scoretabel 1 gebruikt.] Scoretabel 1 Onderdeel Cijfer Weging Score Het aantal subsidiabele activiteiten dat het project aan elkaar verbindt 1, 2 of 3 40% (Cijfer) x 0,4 = score 1 De mate van publieksbereik en de versterking van de Overijsselse identiteit matig (1), goed (3), uitstekend (4) 30% (Cijfer) x 0,3 = score 2 De mate van verankering van de betrokken deskundigheid bij het project matig (1), goed (3), uitstekend (4) 30% (Cijfer) x 0,3 = score 3 Totale score = score 1 + score 2 + score 3
Artikel 4.19.9Adviescommissie
De aanvragen worden voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die advies uitbrengt en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatst.
90[Toelichting: De commissie kan op het terrein streekcultuur/immaterieel erfgoed aanvullend advies inwinnen bij het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed. ]
Artikel 4.19.10Weigeringsgrond
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien: a. het een aanvraag betreft voor enkel het uitbrengen van een boek; b. de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van dit Uitvoeringsbesluit.
Paragraaf 4.20 Restauratie Rijksmonumenten
91[Toelichting: Met ingang van 2012 heeft het Rijk middelen voor de restauratie van rijksmonumenten overgedragen aan de provincies. Overijssel ontvangt hiervoor jaarlijks een bedrag van € 1.249.181. Met het Rijk is afgesproken dat deze middelen worden aangevuld. Deze regeling is staatssteunproof. De Nationale Monumentenregeling kan gebruikt worden voor steun monumenten. Steunmaatregelen op basis van deze regeling hoeven niet aangemeld te worden bij de Europese Commissie. ]
Artikel 4.20.1Begripsbepaling
In deze regeling wordt verstaan onder: a. Brim: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten; b. herbestemmingsopgave: cultureel erfgoed krijgt door aanpassing aan nieuwe functies en economische dragers een duurzame bestemming; c. herbouwwaarde: kosten om een beschermd monument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering, zoals blijkt uit de voor het monument afgesloten verzekeringspolis of een door een verzekeraar geaccepteerde taxatie; d. inspectierapport: rapport dat de technische of fysieke staat van een beschermd monument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie; e. POM: een professionele organisatie voor monumentenbehoud zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten; f. rijksmonument: een van rijkswege beschermd monument of zelfstandig onderdeel, niet zijnde een groen monument als bedoeld in de Subsidieregeling instandhouding monument hoofdstuk 1 artikel 1.a of archeologisch monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 hoofdstuk 1 artikel 1.c, en niet zijnde een woonhuis; g. Sim: de Subsidieregeling instandhouding monumenten zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 9 oktober 2012; h. woonhuis: beschermd monument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat thans voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt: gebouwen die deel uitmaken van een geregistreerd museum, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens.
Artikel 4.20.2Subsidiabele activiteiten
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de restauratie van een rijksmonument.
Artikel 4.20.3Criteria
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is de eigenaar van het rijksmonument; b. het rijksmonument bevindt zich binnen de Overijsselse provinciegrenzen; c. de subsidiabele kosten voor rijksmonumenten, niet zijnde molens, bedragen ten minste 6% van de herbouwwaarde;
92[Toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, richt zich op planmatig onderhoud. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel dat stelt dat een investering voor sober onderhoud in beginsel gelijk is aan 0,5 % van de herbouwwaarde per jaar. Omdat de Sim subsidie verstrekt voor een zesjarig instandhoudingsplan komt dit neer op 3% van de herbouwwaarde in zes jaar. De provinciale regeling richt zich op restauraties die het reguliere onderhoudswerk overstijgen. Hierbij wordt uitgegaan van restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor de provinciale subsidieregeling groter moet zijn dan 6% van de herbouwwaarde.] d. de subsidiabele kosten voor rijksmonumentale molens bedragen ten minste € 120.000;
93[Toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, maakt voor het berekenen van de onderhoudskosten aan molens geen gebruik van de herbouwwaarde. Deze methode volstaat bij molens niet, omdat de bewegende onderdelen van molens harder slijten dan "gewone" monumenten. De subsidiabele kosten voor molens in de Sim zijn daarom voor zesjarig onderhoud vastgesteld op maximaal € 60.000. De provinciale regeling zich richt op restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor molens voor de provinciale subsidie groter moet zijn dan € 120.000. ] e. de restauratie wordt uitgevoerd door, of in samenwerking met, een aantoonbaar deskundig restauratiebedrijf; f. op de restauratie wordt ten minste één leerlingplaats voor een leerling in de restauratiebouw gerealiseerd;
94[Toelichting: Om ook in de toekomst vakkundig en kwalitatief hoogstaand restauratiewerk mogelijk te maken is het noodzakelijk dat restauratieleerlingen worden opgeleid voor dit specialistische vak. Zonder de benodigde praktijkervaring is het succesvol afronden van een leertraject niet mogelijk. De provincie hecht er daarom aan dat op projecten die subsidie ontvangen voor restauratie voor ten minste één leerling in de restauratiebouw een leerlingplaats wordt gerealiseerd. Indien de aard van de werkzaamheden de inzet van leerlingen uitsluit overlegt de aanvrager hierover een verklaring van het restauratiebedrijf. Gedeputeerde Staten kunnen deze verklaring ter beoordeling aan de provinciale Monumentencommissie voorleggen.] g. de exploitatie van het rijksmonument is voor ten minste vijf jaar gegarandeerd.
Artikel 4.20.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten.
Artikel 4.20.5Subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 1.1.5. eerste lid is voor de berekening van de subsidiabele kosten artikel 4 van de Sim van toepassing.