Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid (APV Schiedam 2013) (Schiedam)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening van de gemeente Schiedam regelt de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente. Het stelt regels vast voor gedrag op openbare plaatsen en voor het gebruik van de openbare ruimte.
Voor wie: Inwoners en bezoekers van de gemeente Schiedam die zich op openbare plaatsen begeven; Personen die vergunningen of ontheffingen aanvragen voor activiteiten in de openbare ruimte.
Termijnen:
- Wie een betoging, vergadering of samenkomst wil houden, moet dit minimaal 72 uur van tevoren schriftelijk melden aan de burgemeester.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 434
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het gebruik van openbare plaatsen en wegen.
- Het houden van betogingen, vergaderingen en samenkomsten.
- Het verspreiden van gedrukte stukken en optredens van straatartiesten.
- Het aanleggen, veranderen of beschadigen van wegen en uitwegen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bezoekers van de gemeente Schiedam die zich op openbare plaatsen begeven.
- Personen die vergunningen of ontheffingen aanvragen voor activiteiten in de openbare ruimte.
- Winkeliers die winkelwagentjes ter beschikking stellen.
Wat zijn de kernpunten?
- Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen worden binnen acht weken behandeld, met een mogelijke verlenging van nog eens acht weken.
- Vergunningen of ontheffingen kunnen worden geweigerd in het belang van openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming.
- Het is verboden om op een openbare plaats deel te nemen aan samenscholingen, te vechten of wanordelijkheden te veroorzaken.
- Wie een betoging, vergadering of samenkomst wil houden, moet dit minimaal 72 uur van tevoren schriftelijk melden aan de burgemeester.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (434)
- Artikel1:1
- Artikel1:2
- Artikel1:3
- Artikel1:4
- Artikel1:5
- Artikel1:6
- Artikel1:7
- Artikel1:8
- Artikel2:1
- Artikel2:2
- Artikel2:3
- Artikel2:4
- Artikel2:5
- Artikel2.6
- Artikel2:7
- Artikel2:8
- Artikel2:9
- Artikel2:10
- Artikel2:12
- Artikel2:13
- Artikel2:14
- Artikel2:15
- Artikel2:16
- Artikel2:17
- Artikel2:18
- Artikel2:19
- Artikel2:20
- Artikel2:21
- Artikel2:21a
- Artikel2:22
- Artikel2:22a
- Artikel2:23
- Artikel2:23a
- Artikel2:24
- Artikel2:25
- Artikel2:25a
- Artikel2:25b
- Artikel2:26
- Artikel 2:26a
- Artikel2:27
- Artikel2:28
- Artikel2:28a
- Artikel2:28b
- Artikel2:28c
- Artikel2:28d
- Artikel2:28e
- Artikel2:28f
- Artikel2:29
- Artikel2:30
- Artikel2:30a
- Artikel2:31
- Artikel2:31a
- Artikel2:32
- Artikel2:33
- Artikel2:34
- Artikel2:34a
- Artikel2:35
- Artikel2:36
- Artikel2:37
- Artikel2:38
- Artikel2:39
- Artikel2:40
- Artikel2:40a
- Artikel2:40b
- Artikel2:40c
- Artikel2:40d
- Artikel2:40e
- Artikel2:40f
- Artikel2:40g
- Artikel2:40h
- Artikel2:40i
- Artikel2:40j
- Artikel2:40k
- Artikel2:40l
- Artikel2:40m
- Artikel2:40n
- Artikel2:40o
- Artikel2:40p
- Artikel2:40q
- Artikel2:40r
- Artikel2:40s
- Artikel 2:40t
- Artikel 2:40u
- Artikel 2:40v
- Artikel 2:40w
- Artikel 2:40x
- Artikel2:41
- Artikel2:41a
- Artikel2:42
- Artikel2:43
- Artikel2:44
- Artikel2:44a
- Artikel2:45
- Artikel2:46
- Artikel2:47
- Artikel 2:47a
- Artikel2:48
- Artikel 2:48a
- Artikel2:49
- Artikel2:50
- Artikel2:50a
- Artikel2:51
- Artikel2:52
- Artikel2:53
- Artikel2:54
- Artikel2:55
- Artikel2:56
- Artikel2:57
- Artikel2:58
- Artikel2:59
- Artikel2:60
- Artikel2:61
- Artikel2:62
- Artikel2:63
- Artikel2:64
- Artikel2:65
- Artikel2:66
- Artikel2:67
- Artikel2:68
- Artikel2:69
- Artikel2:70
- Artikel2:71
- Artikel2:72
- Artikel2:73
- Artikel2:73a
- Artikel2:74
- Artikel2:74a
- Artikel2:74b
- Artikel2:74c
- Artikel2:75
- Artikel2:76
- Artikel2:77
- Artikel2:77a
- Artikel2:77b
- Artikel2:78
- Artikel3:1
- Artikel3:2
- Artikel3:3
- Artikel3:4
- Artikel3:5
- Artikel3:6
- Artikel3:70
- Artikel3:8
- Artikel3:9
- Artikel3:10
- Artikel3:11
- Artikel3:11a
- Artikel3:12
- Artikel3:13
- Artikel3:14
- Artikel3:15
- Artikel3:16
- Artikel3:17
- Artikel3:18
- Artikel3:19
- Artikel4:1
- Artikel4:2
- Artikel4:3
- Artikel4:4
- Artikel4:5
- Artikel4:6
- Artikel4:7
- Artikel4:8
- Artikel4:9
- Artikel 4:10
- Artikel4:13
- Artikel4:14
- Artikel4:15
- Artikel4:16
- Artikel4:17
- Artikel4:18
- Artikel4:19
- Artikel5:1
- Artikel5:2
- Artikel5:3
- Artikel5:4
- Artikel5:5
- Artikel5:6
- Artikel5:7
- Artikel5:8
- Artikel5:9
- Artikel5:10
- Artikel5:11
- Artikel5:12
- Artikel5:13
- Artikel5:14
- Artikel5:15
- Artikel5:16
- Artikel5:17
- Artikel5:18
- Artikel5:19
- Artikel5:20
- Artikel5:21
- Artikel5:21a
- Artikel5:21b
- Artikel5:21c
- Artikel5:22
- Artikel5:23
- Artikel5:24
- Artikel 5:25
- Artikel5:26
- Artikel5:27
- Artikel5:28
- Artikel5:29
- Artikel5:29a
- Artikel5:30
- Artikel5:31
- Artikel5:32
- Artikel5:33
- Artikel5:34
- Artikel5:35
- Artikel5:36
- Artikel6:1
- Artikel6:2
- Artikel6:3
- Artikel6:4
- Artikel6:5
- Artikel6:6
- Artikel 1:1
- Artikel 1:2
- Artikel 1.3
- Artikel 1:3
- Artikel 1:4
- Artikel 1:5
- Artikel 1:6
- Artikel 1:7
- Artikel 1:8
- Artikel 2:1
- Art. 2
- Artikel 2:2
- Artikel 2:3
- Artikel 2:4
- Artikel 2:5
- Artikel 2:7
- Artikel 2:8
- Artikel 2:9
- Artikel 2:10
- Artikel 2:11
- Artikel 2:12
- Artikel 2:13
- Artikel 2:14
- Artikel 2:15
- Artikel 2:16
- Artikel 2:17
- Artikel 2:18
- Artikel 2:19
- Artikel 2:20
- Artikel 2:21
- Artikel 2:22
- Artikel 2:23
- Artikel 2:24
- Artikel 2:26
- Artikel 2:27
- Artikel 2:28
- Artikel 2:28a
- Artikel 2:28b
- Artikel 2:28c
- Artikel 2:28d
- Artikel 2:28e
- Artikel 2:28f
- Artikel 2:29
- Artikel 2:30
- Artikel 2:30a
- Artikel 2:31
- Artikel 2:31a
- Artikel 2:32
- Artikel 2:34
- Artikel 2:34a
- Artikel 2:34b
- Artikel 2:35
- Artikel 2:36
- Artikel 2:37
- Artikel 2:38
- Artikel 438
- Artikel 2:39
- Artikel 2:40
- Artikel 2:40a
- Artikel 2:40b
- Artikel 2:40f
- Artikel 2:40g
- Artikel 2:40k
- Artikel 2:40l
- Artikel 2:40m
- Artikel 2:40n
- Artikel 2:40p
- Artikel 2:40q
- Artikel 2:40r
- Artikel 2:40s
- Artikel 2:41
- Artikel 2:41a
- Artikel 2:42
- Artikel 2:43
- Artikel 2:44
- Artikel 2:45
- Artikel 2:46
- Artikel 2:47
- Artikel 2:48
- Artikel 2:49
- Artikel 2:50
- Artikel 138
- Artikel 2:51
- Artikel 2:52
- Artikel 2:53
- Artikel 2:54
- Artikel 2:55
- Artikel 2:56
- Artikel 2:57
- Artikel 2:58
- Artikel 2:59
- Artikel 2:60
- Artikel 2:61
- Artikel 2:62
- Artikel 2:63
- Artikel 2:64
- Artikel 2:65
- Artikel 2:66
- Artikel 2:67
- Artikel 2:68
- Artikel 2:69
- Artikel 2:70
- Artikel 2:71
- Artikel 2:72
- Artikel 2:73
- Artikel 2:73a
- Artikel 2:74
- Artikel 2:75
- Artikel 2:76
- Artikel 2:77
- Artikel 2:77a
- Artikel 3:1
- Artikel 3:2
- Artikel 3:3
- Artikel 3:4
- Artikel 3:5
- Artikel 3:6
- Artikel 3:8
- Artikel 3:9
- Artikel 3:10
- Artikel 3:11
- Artikel 3:11a
- Artikel 3:12
- Artikel 3:13
- Artikel 3:14
- Artikel 3:15
- Artikel 3:16
- Artikel 3:17
- Artikel 3:18
- Artikel 3:19
- Artikel 4:1
- Artikel 4:2
- Artikel 4:3
- Artikel 4:4
- Artikel 4:5
- Artikel 4:6
- Artikel 4:7
- Artikel 4:8
- Artikel 4:9
- Artikel 4:13
- Artikel 4:14
- Artikel 4:15
- Artikel 4:16
- Artikel 4:17
- Artikel 4:18
- Artikel 4:19
- Artikel 5:1
- Artikel 5:2
- Artikel 5:3
- Artikel 5:4
- Artikel 5:5
- Artikel 5:6
- Artikel 5:7
- Artikel 5:8
- Artikel 5:9
- Artikel 5:10
- Artikel 5:11
- Artikel 5:12
- Artikel 5:13
- Artikel 5:14
- Artikel 5:15
- Artikel 5:16
- Artikel 7
- Artikel 5:17
- Artikel 5:18
- Artikel 5:19
- Artikel 5:20
- Artikel 5:21
- Artikel 5:22
- Artikel 5:23
- Artikel 42
- Artikel 5:24
- Artikel 5:26
- Artikel 5:27
- Artikel 5:28
- Artikel 5:29
- Artikel 5:30
- Artikel 5:31
- Artikel 5:32
- Artikel 5:34
- Artikel 10.2
- Artikel 5:35
- Artikel 5:36
- Artikel 5:37
- Artikel 6:1
- Artikel 6.2
- Artikel 6.3
- Artikel 6.4
- Artikel 6.5
- Artikel 1:9
- Artikel 2
- Artikel 2:6
- Artikel 2:25
- Artikel 2:33
- Artikel 2:40o
- Artikel 2:44a
- Artikel 2:74a
- Artikel 2:74b
- Artikel 2:74c
- Artikel 2:77b
- Artikel 3
- Artikel 3:7
- Artikel 4:11
- Artikel 4:11b
- Artikel 4:11c
- Artikel 4:11d
- Artikel 4:11e
- Artikel 4:12
- Artikel 5
- Artikel 5:33
- Artikel 6
- Artikel 6:2
- Artikel 6:3
- Artikel 6:4
- Artikel 6:5
- Artikel 6:6
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid (APV Schiedam 2013)Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 De raad van de gemeente Schiedam gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 08-01-2013 (kenmerk: 12INT00634), betreffende het vaststellen van:
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 gelet op de Gemeentewet artikel 149; gelezen het advies van de raadcommissie Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer d.d. 21-01-2013, besluit de:
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 vast te stellen:
Hoofdstuk1Algemene bepalingen
Artikel1:1Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; j. vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; k. woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
Artikel1:2Beslistermijn
3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:15.
Artikel1:3Indiening aanvraag
[vervallen]
Artikel1:4Voorschriften en beperkingen
Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Elke vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel1:7Termijnen
1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel1:8Weigeringsgronden
Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden
Afdeling2Betoging e.a.
Artikel2:2Optochten
[vervallen]
Artikel2:3Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen
Artikel2:4Afwijking termijn
[gereserveerd]
Artikel2:5Te verstrekken gegevens
[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3] Afdeling3Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel2.6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg
Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d
[gereserveerd]
Artikel2:8Dienstverlening
[gereserveerd]
Artikel2:9Straatartiest en straatmuzikant
3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg
3.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of de provinciale wegenverordening.
Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen.
3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Schiedam 2017.
Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.
3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Afdeling6Veiligheid op de weg
Artikel2:13Veroorzaken van gladheid
[gereserveerd]
Artikel2:14Winkelwagentjes
Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel2:16Openen straatkolken e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel2:17Kelderingangen e.d
[gereserveerd]
Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen
[gereserveerd]
Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
[gereserveerd]
Artikel2:20Vallende voorwerpen
[gereserveerd]
Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel2:21aVerwijdering ed. van voorzieningen voor verkeer- en verlichting
Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn
Artikel2:22aValschermspringen
Artikel2:23Veiligheid op het ijs
1.Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Artikel2:23aVerboden slaapverblijf
Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden Afdeling7Evenementen
Artikel2:24Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Evenement: een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waarbij evenementen worden onderverdeeld in: meldingsplichtig evenement: een evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar wel een meldingsplicht geldt;
A-evenement, laag risico-evenement, met een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;
B-evenement, gemiddeld risico-evenement, met een verhoogde impact op de omgeving of gevolgen voor het verkeer;
C-evenement, hoog risico-evenement, met een grote impact op de omgeving/regio of het verkeer.
Onder evenement wordt niet verstaan: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en activiteiten als bedoeld in afdeling 10 van deze verordening; het organiseren van een verrichting van vermaak in een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, dat beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28, dan wel in een van vergunningplicht vrijgesteld horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28b, mits deze verrichting van vermaak behoort tot de bij deze vergunning toegestane vorm van exploitatie respectievelijk de gebruikelijke exploitatiewijze; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:9.
Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid ; een braderie en/of een markt, niet zijnde een markt als bedoeld in het tweede lid onder b of in artikel 5:22 van de APV; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.
Organisator: de natuurlijke- of rechtspersoon die een evenement organiseert en/of als eerste verantwoordelijke aan de evenementorganisatie leiding geeft.
Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de Koemarkt, water van de Buitenhaven, water van de Nieuwe Haven, water van de Noordvestgracht, het water van de Schie, het Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het Emmaplein.
Artikel2:25Evenementenvergunning
1.Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden voorkomen. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit zijn inziens een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.
3.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:25aVrijstelling vergunningplicht, melding evenement
3.Het is verboden om een vergunningvrij evenement te organiseren indien niet minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement een schriftelijke melding is gedaan aan de burgemeester.
4.De burgemeester kan het organiseren van een gemeld evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Artikel2:25bNadere regels, organiseren van een evenement
Het college kan in het belang van de veiligheid, volksgezondheid en het milieu, nadere regels vaststellen met betrekking tot het organiseren en het veilige verloop van een evenement.
Artikel2:26Verboden gedragingen
Artikel 2:26aVerbod gebruik wegwerpplastic
Het is voor organisatoren van evenementen verboden om tijdens evenementen gebruik te maken van wegwerpplastic.
Afdeling8Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel2:27Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: horecabedrijven, inhoudende de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een bij het horecabedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden: amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal of een gamecenter, of voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven.
Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van driecomponentenmaaltijden.
Coffeeshop: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van cannabisproducten.
Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf, waar sta- en/of zitgelegenheid wordt geboden om tegen vergoeding dranken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen.
Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen, krukken, banken, tafels, statafels, tonnen, parasols, terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en plantenbakken, staande asbakken, menuborden, uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal, vrijstaande terrasverwarming Exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt geëxploiteerd.
Leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het horecabedrijf.
Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van: de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de exploitant(en) van het horecabedrijf; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht; de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt; leidinggevenden/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden.
Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen kaart is aangegeven.
Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2 opgenomen kaart is aangegeven.
Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.
Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid
Artikel2:28Exploitatievergunning openbare inrichtingen
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een van de volgende categorieën openbare inrichtingen te exploiteren:
Horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub a, behoudens het bepaalde in artikel 2:28b; door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.
2.De burgemeester kan, in het kader van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat een openbare inrichting of een categorie openbare inrichtingen aanwijzen zoals bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.
3.Het bepaalde in de artikelen 2:28a, 2:28d, 2:28e, 2:28f, en 2:29 is van overeenkomstige toepassing op de door de burgemeester aangewezen (categorieën) openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid sub b.
4.De burgemeester kan bij een vergunningaanvraag betreffende de vestiging van een tijdelijke openbare inrichting in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen.
5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:28aWeigeringsgronden exploitatievergunning
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning, indien: a.de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Hierbij wordt een bij het horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing gelaten; b.de exploitant(-en) of leidinggevende(n) niet voldoen aan de eisen die bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Drank- en Horecawet worden gesteld, met dien verstande dat de minimale leeftijd van 18 jaar is bereikt, tenzij het exploitanten en leidinggevenden ten behoeve van een coffeeshop betreffen die in dat geval de minimale leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a.het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen; b. de aard van het horecabedrijf; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf; d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van het horecabedrijf in dit horecabedrijf of in andere horecabedrijven.
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit artikel, kan de burgemeester indien de vergunningaanvraag (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren: a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
Artikel2:28bVrijstelling vergunningplicht
1.De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de volgende categorieën horecabedrijven wordt vrijgesteld van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28: horecabedrijven behorende bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, religieuze instellingen, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover: deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; en geen terras wordt geëxploiteerd. horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en stichtingen voor sport en recreatie, voor zover: deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting; deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; en een eventueel terras is gelegen aan of nabij het (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend, niet zijnde de openbare weg. horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover: deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; geen sterke drank wordt geschonken; en geen terras wordt geëxploiteerd. horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover: het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten; de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel; er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet worden verstrekt; en een eventueel terras: is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover : zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven; er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet wordt verstrekt; en
een terras: is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.
2.De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het eerste lid onder d en e , meldt uiterlijk 14 dagen voor aanvang van exploitatie bij de burgemeester dat hij voornemens is een horecabedrijf te exploiteren.
3.Het is verboden om zonder of in afwijking van een melding zoals bedoeld in het tweede lid een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid onder d en e te exploiteren.
4.De burgemeester kan een horecabedrijf aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld in artikel 2:28b eerste lid niet geldt.
5.Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde horecabedrijven.
Artikel2:28cVergunning aanvraag en verlening
1.Per openbare inrichting wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor een openbare inrichting alleen verleend aan de exploitant van de inrichting.
3.Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.
Artikel2:28dWijzigingen activiteiten en exploitatie
1.De burgemeester kan de exploitatievergunning wijzigen of intrekken indien: a.een exploitant, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert; b.een leidinggevende, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel 2:28a, eerste lid, onder b; c.de ondernemingsvorm wijzigt; d.er sprake is van een gewijzigde exploitatiewijze; e.binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een exploitatievergunning niet is gestart met de vergunde exploitatie van het horecabedrijf; f.de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken.
De exploitatievergunning vervalt van rechtswege indien geen van de exploitanten op de vergunning meer als zodanig functioneert.
Artikel2:28eSchorsen, intrekking en wijziging van een exploitatievergunning
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen,intrekken of geheel of gedeeltelijk wijzigen: a.indien een exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf de artikelen 2:29, 2:31, 2:31a, 2:32 of 2:34,dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning overtreedt; b.indien aannemelijk is, dat een exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; c.indien een exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf toestaat dan wel gedoogt, dat in het horecabedrijf strafbare en/of beboetbare feiten worden gepleegd; d.indien een exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie; e.indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; f.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken indien hij in een periode van twee jaar ten minste drie maal een aanvraag om bijschrijving van een leidinggevende op de vergunning heeft geweigerd op grond van artikel 2:28a, eerste lid, onder b.
3.De burgemeester trekt de vergunning in indien niet of niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:28a, lid 1b gestelde eisen.
Artikel2:28fSluiting van horecabedrijven
1.De burgemeester kan een horecabedrijf, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren of de openingstijden beperken: a. indien dit een vergunningsplichtig bedrijf betreft en wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning; b. indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen in deze afdeling; c. indien de burgemeester oordeelt, dat een of meer van de in artikel 1:6 of artikel 2:28e van de APV genoemde situaties waarin intrekking van een exploitatievergunning mogelijk is, zich voordoet.
Artikel2:29Openings- en sluitingstijden
1.Horecabedrijven, niet zijnde een coffeeshop, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 07:00 uur.
3.Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 22:00 en 10:00 uur.
4.Terrassen behorende bij horecabedrijven zijn gesloten: in het Centrum en het Stationsgebied tussen 01:00 uur en 07:00 uur; buiten het Centrum en het Stationsgebied tussen 22:00 uur en 07:00 uur.
5.Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
7.De burgemeester kan het aantal aan een horecabedrijf verleende ontheffingen als bedoeld in het zesde lid beperken.
8.De ontheffing bedoeld in het zesde lid kan zowel collectief als individueel worden verleend.
9.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de burgemeester de ontheffing, bedoeld in het zesde lid, weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien zich een situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede lid.
10.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:30Afwijking openings- en sluitingstijden
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid en/of de woon- en leefsituatie, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen al dan niet tijdelijk andere openings- en/of sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Artikel2:30aOntheffing sluitingstijden
[vervallen per 1 augustus 2013]
Artikel2:31Verboden gedragingen
1.Het is verboden in en om een openbare inrichting de orde te verstoren.
2.Het is verboden zich als bezoeker in een openbare inrichting te bevinden op tijden waarop de openbare inrichting voor het publiek gesloten moet zijn.
3.Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben dan wel bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven zonder dat een exploitant of een leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.
4.Het is verboden dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten een terras waarvan exploitatie is toegestaan dan wel vergund.
5.Het is verboden om op een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta- en/of zitplaatsen.
6.Het is een exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting verboden na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
7.Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting te verblijven.
Artikel2:31aExploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen exploitant
1.Exploitanten en leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie van de openbare inrichting.
2.De exploitatie van de openbare inrichting en het gedrag van de bezoekers van de inrichting mogen de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze negatief beïnvloeden.
3.Exploitanten en leidinggevenden geven onverwijld gehoor aan de aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt.
4.Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van de openbare inrichting, in de nabijheid van de inrichting en het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van de inrichting en terras afkomstig, te (laten) verwijderen.
5.Exploitanten en leidinggevenden zijn verplicht om dagelijks na sluiting van het terras, de terraslocatie zodanig op te (laten) ruimen dat de openbare plaats zo min mogelijk belast wordt.
6.Exploitanten en leidinggevenden dienen alle terrasmeubilair meteen van de terraslocatie te (kunnen) verwijderen als dat voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden noodzakelijk is.
7.Indien een terras langer dan één maand niet gebruikt wordt of zal worden, dienen exploitanten en leidinggevenden het terrasmeubilair van de openbare plaats te verwijderen.
Artikel2:32Handel binnen horecabedrijven
Het is de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een horecabedrijf verboden toe te staan dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in het horecabedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel2:34Beperking verstrekking sterke drank
1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor de verkoop van kleinere etenswaren, zoals belegde broodjes en snacks; die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het geven van onderwijs; die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of jeugdinstellingen; die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of sportinstellingen; die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoersbedrijf. als bedoeld in artikel 2:28b, eerste lid onder d en e.
2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling8ABijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet
Artikel2:34aBegripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank: drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet; paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.
Artikel2:34bregulering paracommerciële rechtspersonen 1.Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zaterdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur en op zondag vanaf 11.00 uur tot 01.00 uur;
2.Per kalenderjaar kan een paracommercieel rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens in totaal ten hoogste 12 bijeenkomsten: die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken; die gericht zijn op leden of andere personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, wanneer deze bijeenkomsten geen verband houden met de doelstellingen van de rechtspersoon;
3.Het is een paracommercieel rechtspersoon niet toegestaan bijeenkomsten van persoonlijke aard te organiseren;
4.Dit verbod is niet van toepassing op ontmoetingscentra in de wijken;
5.Bij fusies van meerdere paracommerciële rechtspersonen kan van het maximum aantal bijeenkomsten genoemd in het tweede lid, worden afgeweken tot 2 jaar na de fusiedatum.
6.Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk drie werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.
Afdeling9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel2:35Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. b.exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd.
Artikel2:36Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel2:37Nachtregister
[gereserveerd]
Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling10Toezicht op Speelautomaten, Speelautomatenhallen en Gamecentra
Artikel2:39Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
Besluit: het Speelautomatenbesluit 2000; speelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; kermisautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30a, tweede lid van de Wet; kansspelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; behendigheidsautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder b van de Wet; speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te laten beoefenen, zoals bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b van de Wet, al dan niet ondersteund met behendigheids-en/of kermisautomaten; gamecenter: een inrichting bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van behendigheids- en/of kermisautomaten te laten beoefenen en waar geen kansspelautomaten aanwezig zijn; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet; exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico de speelautomatenhal wordt geëxploiteerd; leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de speelautomatenhal wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de speelautomatenhal.
Afdeling 10aSPEELAUTOMATENHALLEN [vervallen]
Artikel2:40Aantal speelautomaten
1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
3.In een speelautomatenhal zijn maximaal 150 speelautomaten toegestaan.
Artikel2:40aVergunningplicht speelautomatenhal en gamecenter
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal of gamecenter te exploiteren.
2.Van de vergunning bedoeld in het eerste lid wordt er ten hoogste één vergunning verleend voor een speelautomatenhal en ten hoogste twee voor gamecentra.
3.Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt getoetst aan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4.Het college stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in elk geval regels worden gesteld betreffende: de inhoud en wijze van indiening van een aanvraag; de verdelings- en toekenningsprocedure voor een vergunning.
5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:40bWeigering vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning: als het maximaal aantal af te geven vergunningen is verleend; als de exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; als de speelautomatenhal of het gamecenter niet zal worden geëxploiteerd in het door de gemeenteraad, op bijlage 3, aangewezen gebied; als de speelautomatenhal of het gamecenter niet rechtstreeks vanaf de openbare weg of vanaf een centrale entree voor het publiek toegankelijk is; als de exploitant en/of leidinggevende de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt; als een exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Besluit; als door de aanwezigheid van de speelautomatenhal of het gamecenter naar het oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel2:40cDe vergunning
1.De vergunning wordt verleend voor de duur van vijftien jaar.
Artikel2:40dLeeftijdsgrenzen
Artikel2:40eSchorsing, intrekking en wijziging vergunning
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als: de ondernemingsvorm wijzigt; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; een exploitant of leidinggevende, vermeld op de vergunning, niet meer als zodanig functioneert; de exploitant of de leidinggevende niet meer voldoet aan de eisen genoemd in artikel 2:40b, onder f; aannemelijk is, dat een exploitant of een leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal of het gamecenter, die een gevaar opleveren voor de openbare orde, de volksgezondheid of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal of het gamecenter; een exploitant of leidinggevende strafbare feiten in de speelautomatenhal of het gamecenter pleegt, dan wel toestaat of gedoogt dat in de speelautomatenhal of het gamecenter strafbare feiten worden gepleegd; een exploitant of leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid of religie; zich in de speelautomatenhal of het gamecenter anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal of het gamecenter ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
2.De vergunning vervalt van rechtswege als: geen van de op de vergunning vermelde exploitanten nog als zodanig functioneert; binnen zes maanden na verlening van de vergunning niet is gestart met de exploitatie van de speelautomatenhal; de exploitatie van de speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden onderbroken is geweest.
Artikel2:40fGokken op de openbare weg
Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldwaarde te spelen.
Artikel2:40gSluiting overlastgevende gokpanden
1.Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting een perceel of perceelgedeelte of in enige andere ruimte waarover hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin een kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de wet van toepassing is en waarvoor op grond van die wet geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel of perceelgedeelte of die ruimte bevelen.
Artikel2:40hSchorsing, intrekking en wijziging van een vergunning wordt als volgt gewijzigd
( artikel is geïntegreerd in artikel 2:40e )
Artikel2:40iGokken op de openbare weg
( artikel is vernummerd naar artikel 2:40f )
Artikel2:40jSluiting overlast gevende gokpanden
( artikel is vernummerd naar artikel 2:40g ) Afdeling10bTegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel2:40kBegripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel2:40lAanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
1.Het college kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40m van toepassing is.
2.Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van het college de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.
3.Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
4.Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van het college de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. De gemeenteraad wordt hierover vooraf geconsulteerd.
Artikel2:40mVergunning uitoefening bedrijf
Artikel2:40nVergunningaanvraag
Artikel2:40oIntrekking en wijziging van een vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m intrekken of wijzigen indien: door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
Artikel2:40pSluiting bedrijf
1.Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40m wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:40o, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
2.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
3.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Artikel2:40qGeboden en verboden exploitant
1.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.
2.De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
3.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
4.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
Artikel2:40rUitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
In afwijking van het eerste lid van artikel 2:40m geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2:40l genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Artikel2:40sPositieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:40m is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 10c Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling huurders
Artikel 2:40tBegripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: woning: woonruimte als bedoeld in artikel 1 onder j van de Huisvestingswet 2014; woningverhuur: het, al dan niet bedrijfsmatig tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van ene woning; woningbemiddeling: het, al dan niet bedrijfsmatig, tegen een vergoeding bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning; verhuurder: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, een woning tegen een vergoeding beschikbaar stelt dan wel in gebruik geeft; bemiddelingsbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, tegen vergoeding bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning.
Artikel 2:40uAanwijzing vergunningplichtige woningverhuur
Artikel 2:40vAanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling
Artikel 2:40wVergunning woningverhuur en/of woningbemiddeling
Artikel 2:40xIntrekking en wijziging van een vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40w intrekken of wijzigen indien naar het oordeel van de burgemeester: de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; en/of er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan de vergunning op grond artikel 1:8 en van het derde en vierde lid van artikel 2:40w zou zijn geweigerd.
Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel2:41aSluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen
1.De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
4.Het is verboden een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden.
5.Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen,te betreden 6. Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt.
Artikel2:42Plakken en kladden
Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d
Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel2:44aVerbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen
1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Artikel2:46Rijden over bermen e.d
Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:47aMessen en andere steekwapens
Artikel2:48Verboden drankgebruik
1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.
2.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
4.De burgemeester kan ten behoeve van een evenement ontheffing verlenen van het in het tweede lid of in het vijfde lid gestelde verbod.
Artikel 2:48aVerbod gebruik lachgas
Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen
Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel2:50aOverig hinderlijk gedrag
Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel2:52Òverlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel2:53Bespieden van personen
Artikel2:54Bewakingsapparatuur
[gereserveerd]
Artikel2:55Nodeloos alarmeren
[gereserveerd]
Artikel2:56Alarminstallaties
[gereserveerd]
Artikel2:57Loslopende honden
Artikel2:58Verontreiniging door honden
3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden.
5.Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 3 is een ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een deugdelijk opruimmiddel, niet zijnde zijn of haar hand, bij zich te hebben ter onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen.
6.De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht het opruimmiddel, niet zijnde zijn of haar hand, op eerste vordering te laten zien aan de toezichthouder.
Artikel2:59Gevaarlijke honden
1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:61Wilde dieren
[gereserveerd]
Artikel2:62Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel2:63Duiven
[gereserveerd]
Artikel2:64Bijen
[gereserveerd]
Artikel2:65Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden of op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel2:66Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
Artikel2:69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
[gereserveerd]
Artikel2:70Handel in horecabedrijven
(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32).
Afdeling 13 VUURWERK
Artikel2:71Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.
2.De burgemeester verleent ten hoogste acht vergunningen, als bedoeld in het eerste lid.
3.Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien: in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed; de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed; de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer; de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn; geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit; het maximum aantal vergunning reeds is verleend.
4.De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de inrichting.
5.De vergunning is te allen tijde in de inrichting aanwezig.
6.De vergunning vervalt van rechtswege: indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden; zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd; indien geen van de exploitanten meer als zodanig functioneert.
7.Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in dit artikel.
8.[vervallen]
Artikel2:73Bezigen van consumentenvuurwerk
Artikel2:73aBezigen van carbid
2.Het is verboden materialen te vervoeren of voorhanden te hebben op een openbare plaats die klaarblijkelijk bestemd zijn voor het bezigen van carbid.
Afdeling14Drugsoverlast
Artikel2:74Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel2:74aVerzamelingen van personen in verband met drugs
Artikel2:74bOpenlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel2:74cWeggooien van spuiten e.d
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen.
Afdeling15Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel2:75Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:21 a, 2:26 lid 3 onder e, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50 a en 2:73 van de Algemene Plaatselijke Verordening overtreden.
Artikel2:76Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor de maximale duur van 3 jaar ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
Artikel2:77aVerblijfsverbod
1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 72 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste zestien weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel2:77bMosquito
[gereserveerd]
Artikel2:78Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2.Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid 3.De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Hoofdstuk3Regulering prostitutie en seksbranche Afdeling1Algemene bepalingen
Artikel3:1Afbakening
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel3:2Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; leidinggevende: de natuurlijk persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het seksbedrijf wordt geëxploiteerd de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het seksbedrijf; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico het seksbedrijf wordt geëxploiteerd; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie,of het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting van een seksbedrijf; seksinrichting: de voor publiek toegankelijke locatie van een seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.
Artikel3:3Bevoegd bestuursorgaan
Artikel3:4Nadere regels
Met het oog op de in dit hoofdstuk genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling2Vergunning seksbedrijf
Artikel3:5Vergunning
Artikel3:6Concentratie seksbedrijven
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
Artikel3:70beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven
2.Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.
Artikel3:8Aanvraag
Artikel3:9Weigeringsgronden
1.Een vergunning wordt geweigerd indien: de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat; de exploitant of de leidinggevende is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; de exploitant of de leidinggevende onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; er een maximum als bedoeld in artikel 3:7 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:6.
Artikel3:10Eisen met betrekking tot vergunning
1.De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; indien van toepassing, die van de leidinggevende; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend; de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning.
2.De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend.
3.Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.
Artikel3:11Intrekkingsgronden
1.De vergunning wordt ingetrokken indien: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, onder a tot en met h; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:6;
2.De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken: indien is gehandeld in strijd met de artikelen 3:9, vijfde lid, onder h, 3:12, 3:15, 3:17 of 3:18 eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder i; indien is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; indien in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; indien een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of leidinggevende is geworden; indien is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens de hoofdstuk van deze verordening gestelde bepalingen; indien is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; indien de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid of de woon- en leefomgeving; indien de veiligheid of de gezondheid van werkzame personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf; indien de exploitant of de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; indien de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; indien er bij het seksbedrijf personen te werkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; indien gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel3:11aSluiting van een seksinrichting
1.Het bevoegd bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd voor publiek of algeheel gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning dan wel een van de in artikel 3:11, tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.
2.Het bevoegd bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
4.Het is de exploitant of leidinggevende van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.
5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
6.Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.
Artikel3:12Melding gewijzigde omstandigheden
De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:10, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel3:13Verlenging vergunning
Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:5, 3:8, 3:9, 3:10 en 3:17, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
Afdeling3Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf3.1Regels voor alle seksbedrijven
Artikel3:14Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
1.Het is de exploitant of leidinggevende verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 07.00 uur en in het weekeinde (vrijdagnacht en zaterdagnacht) tussen 02.00 uur en 07.00 uur.
2.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.
3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die Inrichting gesloten dient te zijn.
4.Het is de exploitant of de leidinggevende verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel3:15Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld in het eerste lid; als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Artikel3:16Leeftijd en verblijfstitel prostituees
[vervallen]
Artikel3:17Bedrijfsplan
1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten;