Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende vaststelling van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (Zeeland)
Waar gaat deze regeling over?
Dit besluit stelt nadere regels vast voor het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten van Zeeland, ter uitvoering van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023. Het regelt de voorwaarden, procedures en verplichtingen die komen kijken bij het aanvragen en ontvangen van subsidies.
Voor wie: Instellingen (rechtspersonen, vennootschappen of eenmanszaken) die subsidie aanvragen bij de provincie Zeeland; Gedeputeerde Staten van Zeeland als subsidieverstrekker.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 575
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De algemene voorwaarden waaronder subsidies worden verstrekt en geweigerd.
- Welke kosten subsidiabel zijn en hoe deze moeten worden verantwoord.
- De procedure voor het aanvragen van een subsidie en de beslissing daarop.
- De verplichtingen die aan een subsidie verbonden zijn, inclusief publiciteitsverplichtingen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Instellingen (rechtspersonen, vennootschappen of eenmanszaken) die subsidie aanvragen bij de provincie Zeeland.
- Gedeputeerde Staten van Zeeland als subsidieverstrekker.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidie wordt alleen verstrekt aan een instelling en bedraagt minimaal € 2.500.
- De aanvraag voor subsidie moet ten minste acht weken voor de start van de activiteit worden ingediend, met een projectplan en een sluitende begroting.
- Personeelskosten zijn subsidiabel tot een uurtarief van ten hoogste 1,2 procent van het bruto maandsalaris, mits er een controleerbare urenadministratie is.
- Bij subsidies tot en met € 10.000 (Arrangement 1) wordt 100% voorschot verleend en kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
- Bij subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 (Arrangement 2) wordt ten hoogste 75% voorschot verleend.
- De instelling moet de provincie Zeeland vermelden als subsidieverstrekker in publiciteitsuitingen, anders kan het subsidiebedrag met maximaal 5% (tot € 5.000) worden verlaagd.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (575)
- §1.1
- Artikel1.1.1
- §1.2
- Artikel1.2.1
- §1.3
- Artikel1.3.1
- Artikel1.3.2
- Artikel1.3.3
- §1.4
- Artikel1.4.1
- Artikel1.4.2
- Artikel1.4.3
- §1.5
- Artikel1.5.1
- Artikel1.5.2
- Artikel1.5.3
- Artikel1.5.4
- §1.6
- Artikel1.6.1
- Artikel1.6.2
- Artikel1.6.3
- Artikel1.6.4
- Artikel1.6.5
- Artikel1.6.6
- §1.7
- Artikel1.7.1
- Artikel1.7.2
- Artikel1.7.3
- Artikel1.7.4
- Artikel1.7.5
- Artikel1.7.6
- Artikel1.7.7
- Artikel1.7.8
- Artikel1.7.9
- §1.8
- Artikel1.8.1
- Artikel1.8.2
- Artikel1.8.3
- Artikel1.8.4
- Artikel1.8.5
- Artikel1.8.6
- Artikel1.8.7
- Artikel1.8.8
- Artikel1.8.9
- §1.9
- Artikel1.9.1
- Artikel1.9.2
- Artikel1.9.3
- Artikel1.9.4
- Artikel1.9.5
- Artikel1.9.6
- Artikel1.9.7
- Artikel1.9.8
- Artikel1.9.9
- Artikel1.9.10
- §1.10
- Artikel1.10.1
- §2.1
- Artikel2.1.1
- §2.2
- Artikel2.2.1
- Artikel2.2.2
- Artikel2.2.3
- §2.3
- Artikel2.3.1
- Artikel2.3.2
- Artikel2.3.3
- §2.4
- Artikel2.4.1
- Artikel2.4.2
- §2.5
- Artikel2.5.1
- §2.6
- Artikel2.6.1
- §2.7
- Artikel2.7.1
- §2.8
- Artikel2.8.1
- §2.9
- Artikel2.9.1
- Artikel2.9.2
- §2.10
- Artikel2.10.1
- §2.11
- Artikel2.11.1
- §5.1
- Artikel5.1.1
- §5.2
- Artikel5.2.1
- Artikel5.2.2
- Artikel5.2.3
- §5.3
- Artikel5.3.1
- §5.4
- Artikel 5.4.1
- §5.5
- Artikel5.5.1
- Artikel 5.5.2
- Artikel5.5.3
- §5.6
- Artikel5.6.1
- Artikel5.6.2
- §5.7
- Artikel5.7.1
- Artikel5.7.2
- Artikel 5.7.3
- §5.8
- Artikel5.8.1
- Artikel 7.1
- Artikel 7.2
- Artikel8.1
- Artikel8.2
- Artikel8.3
- Artikel8.4
- Artikel8.5
- Artikel8.6
- Artikel8.7
- Artikel8.8
- Artikel8.9
- Artikel8.10
- Artikel9.1
- Artikel9.2
- Artikel9.3
- Artikel9.4
- Artikel9.5
- Artikel9.6
- Artikel9.7
- Artikel9.8
- Artikel9.9
- Artikel10.1
- Artikel10.2
- Artikel10.3
- Artikel10.4
- Artikel10.5
- Artikel10.6
- Artikel10.7
- Artikel10.8
- Artikel11.1
- Artikel11.2
- Artikel11.3
- Artikel11.4
- Artikel11.5
- Artikel11.6
- Artikel11.7
- Artikel11.8
- Artikel12.1
- Artikel12.2
- Artikel12.3
- Artikel12.4
- Artikel12.5
- Artikel 12.6
- Artikel13.1
- Artikel13.2
- Artikel13.3
- Artikel13.4
- Artikel13.5
- Artikel13.6
- Artikel13.7
- Artikel13.8
- Artikel13.9
- Artikel13.10
- Artikel13.11
- Artikel13.12
- Artikel13.13
- Artikel16.1
- Artikel16.2
- Artikel16.3
- Artikel16.4
- Artikel16.5
- Artikel16.6
- Artikel16.7
- Artikel16.8
- Artikel16.9
- Artikel 16.10
- Artikel17.1.1
- Artikel17.1.2
- Artikel17.1.3
- Artikel17.1.4
- Artikel17.2.1
- Artikel17.2.2
- Artikel17.2.3
- Artikel17.2.4
- Artikel17.2.5
- Artikel17.2.6
- Artikel17.2.7
- Artikel17.2.8
- Artikel17.2.9
- Artikel17.2.10
- Artikel17.3.1
- Artikel17.3.2
- Artikel17.3.3
- Artikel17.3.4
- Artikel17.3.5
- Artikel17.3.6
- Artikel17.3.7
- Artikel17.3.8
- Artikel17.3.9
- Artikel17.3.10
- Artikel17
- Artikel19.1
- Artikel19.2
- Artikel19.3
- Artikel19.4
- Artikel19.5
- Artikel19.6
- Artikel19.7
- Artikel19.8
- Artikel20.1
- Artikel20.2
- Artikel20.3
- Artikel20.4
- Artikel20.5
- Artikel20.6
- Artikel20.7
- Artikel20.8
- Artikel20.9
- Artikel20.10
- Artikel20.11
- Artikel20.12
- Artikel20.13
- Artikel22.1
- Artikel22.2
- Artikel22.3
- Artikel22.4
- Artikel22.5
- Artikel22.6
- Artikel22.7
- Artikel22.8
- Artikel22.9
- Artikel22.10
- Artikel22.11
- Artikel23.1
- Artikel23.2
- Artikel23.3
- Artikel23.4
- Artikel23.5
- Artikel23.6
- Artikel23.7
- Artikel23.8
- Artikel23.9
- Artikel23.10
- Artikel23.11
- Artikel23.12
- Artikel23.13
- Artikel24.1
- Artikel24.2
- Artikel24.3
- Artikel24.4
- Artikel24.5
- Artikel24.6
- Artikel24.7
- Artikel24.8
- Artikel24.9
- Artikel 25.1
- Artikel 25.2
- Artikel 25.3
- Artikel 25.4
- Artikel 25.5
- Artikel 25.6
- Artikel 25.7
- Artikel 25.8
- Artikel 25.9
- Artikel 25.10
- Artikel25.11
- Artikel26.1
- Artikel26.2
- Artikel26.3
- Artikel26.4
- Artikel26.5
- Artikel26.6
- Artikel26.7
- Artikel26.8
- Artikel26.9
- Artikel26.10
- Artikel 27.1.1
- Artikel27.1.2
- Artikel27.1.3
- Artikel27.1.4
- Artikel27.1.5
- Artikel27.1.6
- Artikel27.1.7
- Artikel27.2.1
- Artikel27.2.2
- Artikel27.2.3
- Artikel27.2.4
- Artikel27.2.5
- Artikel28.1
- Artikel28.2
- Artikel28.3
- Artikel28.4
- Artikel28.5
- Artikel28.6
- Artikel28.7
- Artikel28.8
- Artikel28.9
- Artikel 29.2
- Artikel 29.3
- Artikel 29.4
- Artikel 29.5
- Artikel 29.6
- Artikel 29.7
- Artikel 29.8
- Artikel 29.9
- Artikel 29.10
- Artikel 29.11
- Artikel 29.12
- Artikel 29.13
- Artikel 30.1.1
- Artikel 30.1.2
- Artikel 30.1.3
- Artikel 30.2.1
- Artikel 30.2.2
- Artikel 30.2.3
- Artikel 30.2.4
- Artikel 30.2.5
- Artikel 30.2.6
- Artikel 30.3.1
- Artikel 30.3.2
- Artikel 30.3.3
- Artikel 30.3.4
- Artikel 30.3.5
- Artikel 30.3.6
- Artikel 30.3.7
- Artikel31.1
- Artikel31.2
- Artikel31.3
- Artikel31.4
- Artikel31.5
- Artikel31.6
- Artikel31.7
- Artikel31.8
- Artikel31.9
- Artikel 31.10
- Artikel 31.11
- Artikel 32.1
- Artikel32.2
- Artikel32.3
- Artikel32.4
- Artikel 32.5
- Artikel32.6
- Artikel32.7
- Artikel32.8
- Artikel32.9
- Artikel32.10
- Artikel32.11
- Artikel32.12
- Artikel32.13
- Artikel33.1
- Artikel33.2
- Artikel33.3
- Artikel33.4
- Artikel33.5
- Artikel33.6
- Artikel33.7
- Artikel33.8
- Artikel33.9
- Artikel33.10
- Artikel34.1
- Artikel34.2
- Artikel34.3
- Artikel34.4
- Artikel34.5
- Artikel34.6
- Artikel34.7
- Artikel34.8
- Artikel34.9
- Artikel35.1
- Artikel 35.2
- Artikel 35.3
- Artikel 35.4
- Artikel 35.5
- Artikel 35.6
- Artikel 35.7
- Artikel 35.8
- Artikel 35.9
- Artikel 35.10
- Artikel 35.11
- Artikel36.1.1
- Artikel 36.1.2
- Artikel36.1.3
- Artikel 36.1.4
- Artikel 36.1.5
- Artikel 36.1.6
- Artikel 36.1.7
- Artikel 36.1.8
- Artikel 36.1.9
- Artikel 36.1.10
- Artikel 36.1.11
- Artikel37.1
- Artikel37.2
- Artikel37.3
- Artikel37.4
- Artikel37.5
- Artikel37.6
- Artikel37.8
- Artikel37.9
- Artikel37.10
- Artikel37.11
- Artikel37.12
- Artikel37.13
- Artikel37.14
- Artikel 37.15
- Artikel 38.1
- Artikel 38.2
- Artikel 38.3
- Artikel 38.4
- Artikel 38.5
- Artikel 38.6
- Artikel 38.7
- Artikel38.8
- Artikel 38.9
- Artikel 38.10
- Artikel 38.11
- §39.1
- Artikel39.1.1
- §39.2
- Artikel39.2.1
- § 1
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2
- Artikel 1.3
- Artikel 1.4
- Artikel 1.5
- Artikel 1.6
- Artikel 1.7
- Artikel 1.8
- Artikel 1.9
- Artikel 1.10
- Artikel 1.11
- Artikel 1.12
- Artikel 1.13
- Artikel 1.14
- Artikel 1.15
- Artikel 1.16
- Artikel 1.17
- Artikel 1.18
- § 2
- Artikel 2.1
- Artikel 2.2
- Artikel 2.3
- Artikel 2.4
- Artikel 2.5
- Artikel 2.6
- Artikel 2.7
- Artikel 2.8
- Artikel 2.9
- Artikel 10
- Artikel 2.11
- Artikel 2.12
- Artikel 2.13
- Artikel 2.14
- Artikel 2.15
- Artikel 2.16
- Artikel 2.17
- Artikel 2.18
- Artikel 2.19
- Artikel 2.20
- § 3
- Artikel 3.1
- Artikel 3.2
- Artikel 2.10
- Artikel 1.1.1
- Artikel 1.2.1
- Artikel 1.3.1
- Artikel 1.3.2
- Artikel 1.3.3
- Artikel 1.4.1
- Artikel 1.4.2
- Artikel 1.4.3
- Artikel 1.5.1
- Artikel 1.5.2
- Artikel 1.5.3
- Artikel 1.5.4
- Artikel 1.6.1
- Artikel 1.6.2
- Artikel 1.6.3
- Artikel 1.6.4
- Artikel 1.6.5
- Artikel 1.6.6
- Artikel 1.7.2
- Artikel 1.7.4
- Artikel 1.7.5
- Artikel 1.7.6
- Artikel 1.7.8
- Artikel 1.7.9
- Artikel 1.8.2
- Artikel 1.8.3
- Artikel 1.8.4
- Artikel 1.8.5
- Artikel 1.8.7
- Artikel 1.8.8
- Artikel 1.8.9
- Artikel 1.9.2
- Artikel 1.9.3
- Artikel 1.9.4
- Artikel 1.9.5
- Artikel 1.9.7
- Artikel 1.9.8
- Artikel 1.9.9
- Artikel 1.9.10
- Artikel 1.10.1
- Artikel 2.1.1
- Artikel 2.2.1
- Artikel 2.2.2
- Artikel 2.2.3
- Artikel 2.3.2
- Artikel 2.3.3
- Artikel 2.4.2
- Artikel 2.5.1
- Artikel 2.8.1
- Artikel 2.9.2
- Artikel 5.1.1
- Artikel 5.6.2
- Artikel 13.1
- Artikel 13.2
- Artikel 13.3
- Artikel 13.5
- Artikel 13.6
- Artikel 13.10
- Artikel 13.12
- Artikel 16.1
- Artikel 16.2
- Artikel 16.4
- Artikel 16.7
- Artikel 16.8
- Artikel 16.9
- Artikel 20.2
- Artikel 20.5
- Artikel 20.6
- Artikel 20.7
- Artikel 20.8
- Artikel 20.9
- Artikel 20.10
- Artikel 20.11
- Artikel 20.12
- Artikel 22.3
- Artikel 22.4
- Artikel 22.5
- Artikel 22.6
- Artikel 22.9
- Artikel 22.10
- Artikel 24.1
- Artikel 24.2
- Artikel 24.3
- Artikel 24.4
- Artikel 26.2
- Artikel 26.3
- Artikel 26.4
- Artikel 26.5
- Artikel 26.7
- Artikel 26.8
- Artikel 26.9
- Artikel 28.1
- Artikel 28.2
- Artikel 28.3
- Artikel 28.4
- Artikel 28.5
- Artikel 28.7
- Artikel 28.8
- Artikel 32.3
- Artikel 32.6
- Artikel 32.9
- Artikel 32.11
- Artikel 32.13
- Artikel 33.1
- Artikel 33.3
- Artikel 33.4
- Artikel 33.5
- Artikel 33.6
- Artikel 33.7
- Artikel 33.8
- Artikel 33.10
- Artikel 35.1
- § 36.1
- Artikel 36.1.3
Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende vaststelling van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 20 december 2022, nr. 230408 , houdende vaststelling van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023.
Gedeputeerde staten van Zeeland, overwegende dat ter uitvoering van de door provinciale staten vastgestelde Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 nadere regels dienen te worden gesteld voor het verstrekken van subsidies; gelet op artikel 7 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023; gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023; besluiten vast te stellen het navolgende Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023:
Hoofdstuk1Algemene bepalingen
§1.1Begripsbepalingen
Artikel1.1.1In dit besluit wordt verstaan onder:
accountant: een Registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 36 van de Wet op het accountantsberoep; arrangement: een vaste set van specifieke regels, voorwaarden en verplichtingen, die gerelateerd is aan de hoogte van het subsidiebedrag; financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit; instelling: een rechtspersoon, een vennootschap of een eenmanszaak; integrale kosten subsidie: een subsidie voor de directe kosten van de gesubsidieerde activiteit en de indirecte kosten die daarmee samengaan; prestatieafspraak: één of meerdere activiteiten geformuleerd in de beschikking tot subsidieverlening, die dienen te worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor subsidie of voor een deel daarvan; prestatiebewijs: een op basis van dit besluit dan wel in de beschikking tot subsidieverlening als zodanig aangeduid geheel van bewijsmiddelen waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat de prestatieafspraak is gerealiseerd.
§1.2Algemene weigeringsgronden
Artikel1.2.1
Subsidie wordt slechts verstrekt aan een instelling.
Subsidie wordt niet verstrekt indien: de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie is gerealiseerd, tenzij in dit besluit anders is bepaald; de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun; ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; of de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 2.500.
§1.3Subsidiabele kosten
Artikel1.3.1
Subsidiabel zijn de voor de te subsidiëren activiteit noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de betreffende activiteit.
De in rekening te brengen BTW die kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze wordt terugbetaald, komt niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel1.3.2Personeelskosten zijn subsidiabel:
indien deze aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en daartoe bij de instelling een door de accountant controleerbare urenadministratie wordt toegepast; tegen een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in welk uurtarief worden geacht te zijn verwerkt: vakantiegeld, bijzondere uitkeringen, werkgeverslasten, feestdagen, verlof, improductieve uren, opslagen en overige directe of indirecte personeelskosten, in geval van een deeltijd dienstverband om te rekenen naar een maandsalaris bij een voltijds dienstverband; en tot een maximum van de in de begroting opgenomen personeelskosten.
Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde systematiek.
Artikel1.3.3
Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze aantoonbaar aan een derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig zijn, betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn en voor zover het uurtarief niet meer bedraagt dan de geldende norm, bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering topinkomens gedeeld door 1.600.
Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van het maximaal subsidiabele uurtarief, bedoeld in het eerste lid.
§1.4De aanvraag voor de subsidie
Artikel1.4.1
Tenzij in dit besluit anders is bepaald, wordt de aanvraag voor de subsidie ten minste acht weken voor het begin van de activiteit ingediend.
Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel1.4.2
De aanvraag om een subsidie wordt ingediend bij gedeputeerde staten met gebruikmaking van het daartoe beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier.
De aanvraag om een subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens: een projectplan; een sluitende (meerjaren)begroting van de activiteit.
Gedeputeerde staten kunnen aanvullende informatie opvragen die zij relevant achten voor de beoordeling van de aanvraag van de subsidie.
Artikel1.4.3De sluitende (meerjaren)begroting, bedoeld in artikel 1.4.2, tweede lid, onder b, vermeldt:
alle kosten en opbrengsten uitgesplitst per jaar, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit; of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend; het subsidiebedrag dat van de provincie Zeeland wordt gevraagd; ter zake van personeelskosten het aan de activiteit toe te rekenen aantal uren per personeelslid; en of de aanvrager van de subsidie betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.
§1.5De beslissing op de aanvraag voor de subsidie
Artikel1.5.1
Gedeputeerde staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie de met de instelling in het verleden opgedane ervaringen met betrekking tot de naleving van de subsidieverplichtingen.
Artikel1.5.2
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij in dit besluit anders is bepaald.
Als de aanvraag voor de subsidie in verband met staatssteun aan de Europese Unie wordt voorgelegd, beschikken gedeputeerde staten daarop binnen acht weken na de beslissing van de Europese Unie.
Artikel1.5.3
Indien voor dezelfde activiteit een subsidie door het Rijk of de Europese Unie is verstrekt, dan sluit de provincie aan bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van vaststelling van de hogere overheid.
Indien voor dezelfde activiteit een hogere subsidie is verstrekt dan de subsidie van de provincie Zeeland door een andere dan de in het eerste lid genoemde overheid kunnen gedeputeerde staten besluiten om aan te sluiten bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van bevoorschotting en vaststelling van de andere subsidieverstrekker.
Gedeputeerde staten kunnen van het bepaalde in het eerste lid afwijken, indien: de provincie een hogere subsidie verstrekt dan de subsidie van het Rijk of de subsidie van de Europese Unie; of de provinciale subsidie wordt toegekend conform paragraaf 1.7: Arrangement 1 van dit besluit.
Artikel1.5.4
Indien een subsidie wordt verstrekt aan een overheidsinstelling in het kader van een specifieke uitkering waarop de beginselen van Single information, Single audit van de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing zijn, dan zijn verplichtingen en voorwaarden betreffende de subsidieverstrekking zoals bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing.
§1.6Verplichtingen
Artikel1.6.1
De instelling besteedt de subsidie niet in strijd met op haar rustende wettelijke verplichtingen.
Artikel1.6.2De instelling stelt gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk in kennis zodra aannemelijk is dat:
de activiteit of de prestatieafspraak waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht; of niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel1.6.3Activa aangeschaft met een subsidie van de provincie Zeeland dienen:
de gehele economische gebruiksduur beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze zijn aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur hebben van minder dan vijf jaar; gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze zijn aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur hebben van meer dan vijf jaar.
Artikel1.6.4
Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling ook andere verplichtingen tot verwezenlijking van het doel van de subsidie opleggen dan die bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel1.6.5
Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de instelling aan de daaraan door de Europese Unie gestelde verplichtingen.
Artikel1.6.6
Aan een subsidie verbinden gedeputeerde staten de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen de provincie als subsidieverstrekker vermeldt.
Gedeputeerde staten kunnen gelet op de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de activiteit besluiten dat het eerste lid niet van toepassing is op de subsidieverstrekking.
Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het uiteindelijke subsidiebedrag ten hoogste worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000.
§1.7Arrangement 1
Artikel1.7.1
Op het verstrekken van subsidie tot en met € 10.000 zijn de regels van arrangement 1 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.
Artikel1.7.2
Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.
Artikel1.7.3
Bij een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, verlenen gedeputeerde staten een voorschot van honderd procent van de maximale subsidie.
Artikel1.7.4
Op basis van een steekproef besluiten gedeputeerde staten of de instelling wel of niet een aanvraag tot vaststelling moet indienen. Gedeputeerde staten stellen de instelling binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit op de hoogte van dit besluit.
Indien de instelling geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen, stellen gedeputeerde staten binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit de subsidie ambtshalve vast.
Artikel1.7.5
Uiterlijk vier weken na ontvangst van het in artikel 1.7.4 eerste lid bedoelde besluit dient de instelling de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel1.7.6
De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraken en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.
Artikel1.7.7
Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.
Artikel1.7.8
De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.
Artikel1.7.9
De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk gerealiseerde, uit het prestatiebewijs blijkende, prestatieafspraken.
Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.
§1.8Arrangement 2
Artikel1.8.1
Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 zijn de regels van arrangement 2 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.
Artikel1.8.2
Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.
Artikel1.8.3
Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.
Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.
Artikel1.8.4
De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.
Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel1.8.5
De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraken en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.
Artikel1.8.6
Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.
Artikel1.8.7
De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.
Artikel1.8.8
De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk, uit het prestatiebewijs blijkende, gerealiseerde prestatieafspraken.
Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.
Artikel1.8.9
Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 arrangement 1 toe te passen.
§1.9Arrangement 3
Artikel1.9.1
Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 50.000 zijn de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.
Artikel1.9.2
Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is, vindt plaats op basis van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en een percentage van de door gedeputeerde staten subsidiabel geachte kosten.
Artikel1.9.3
Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.
Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.
Artikel1.9.4
De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.
Ingeval de instelling een financiële verantwoording indient overeenkomstig artikel 1.9.5, tweede lid, dient de instelling uiterlijk twaalf weken na vaststelling van de jaarrekening een aanvraag tot vaststelling in.
Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid of tweede lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel1.9.5De aanvraag tot vaststelling bevat:
het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraken; de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden; en een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van de accountant.
De financiële verantwoording, bedoeld in het eerste lid onder c, kan onderdeel uitmaken van de vastgestelde jaarrekening van de instelling en hiervan worden gedeputeerde staten tijdig in kennis gesteld.
Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen uit economisch-rationele overwegingen afzien van de vereiste controleverklaring van de accountant en bepalen dat de vaststelling kan geschieden aan de hand van een beoordelingsverklaring dan wel bewijsstukken zoals kopieën van facturen en betalingsbewijzen van de gesubsidieerde kosten.
Artikel1.9.6
Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.
Artikel1.9.7
De accountant voert zijn controle uit mede overeenkomstig het in Bijlage A bij dit besluit opgenomen controleprotocol.
Artikel1.9.8
De financiële administratie van een instelling ten behoeve van de verantwoording van de subsidie dient op een inzichtelijke wijze te worden gevoerd.
De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaren of accountant inzage te verlenen in de administratie en alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.
In aanvulling op het in het tweede lid bepaalde kan de externe accountant van de provincie op verzoek van gedeputeerde staten bij de accountant van de gesubsidieerde instelling een accountantsreview instellen.
Artikel1.9.9De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende verantwoording, waarbij:
het maximale te ontvangen subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gerealiseerde uit het prestatiebewijs blijkende prestatieafspraken; en waarbij de werkelijke subsidie niet meer kan bedragen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde percentage van de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten.
Extra opbrengsten van de activiteit ten opzichte van de begroting bij de aanvraag van de subsidie worden in mindering gebracht op de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten.
Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste en tweede lid wordt berekend.
Artikel1.9.10
Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 50.000 arrangement 2 toe te passen.
§1.10Overige bepalingen
Artikel1.10.1
Indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat de in artikel 1.6.3 genoemde activa zijn vervreemd en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van genoemd artikel aan de subsidie verbonden verplichting, kunnen gedeputeerde staten de beschikking tot subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen of intrekken.
Indien de Europese Unie dat in verband met ontoelaatbare staatssteun vordert, wijzigen of trekken gedeputeerde staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in.
Gedeputeerde staten kunnen afwijken van dit besluit voor zover dit voor subsidieverstrekking noodzakelijk is gelet op: een wet of een daarop gebaseerde regeling;
Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van met de interne markt onverenigbare staatssteun; of bepalingen inzake Europese cofinanciering.
Hoofdstuk2Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie
§2.1Weigeringsgronden
Artikel2.1.1
In aanvulling op artikel 1.2.1 komt een instelling slechts in aanmerking voor een integrale kosten subsidie indien: wordt voldaan aan de maatstaven zoals gesteld in de subsidienota "Samen meer resultaat met subsidie"; en de instelling is opgenomen in een door gedeputeerde staten samengestelde lijst.
Gedeputeerde staten stellen de in het eerste lid onder b genoemde lijst met instellingen die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie vast op basis van de subsidienota "samen meer resultaat met subsidie" en overig provinciaal beleid.
Gedeputeerde staten publiceren de lijst met instellingen en een eventuele wijziging hiervan in het provinciaal blad.
§2.2Subsidiabele kosten en subsidiabele periode
Artikel2.2.1
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3.1, eerste lid, geldt ten aanzien van het verstrekken van een integrale kosten subsidie dat: de kosten die direct en indirect zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren activiteit, subsidiabel zijn; de kosten op een realistische en transparante wijze worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteit; de toevoeging aan een voorziening gerekend wordt tot de subsidiabele kosten; en de toevoeging aan een reserve niet gerekend wordt tot de subsidiabele kosten.
Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvraag van de subsidie, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, besluiten dat de toevoeging aan een bestemmingsreserve wordt beschouwd als subsidiabele kosten.
Artikel 1.3.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel2.2.2
Artikel 1.3.2 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.
Artikel2.2.3
Een integrale kosten subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal het boekjaar van de instelling.
§2.3De aanvraag voor de subsidie
Artikel2.3.1
Een aanvraag voor integrale kosten subsidie wordt ingediend ten minste acht weken voor aanvang van het boekjaar van de instelling.
Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel2.3.2
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, eerste en tweede lid, bevat de aanvraag voor subsidie ten minste: een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan de te subsidiëren activiteiten; en de meest recente jaarrekening van de instelling voorzien van een controleverklaring van een accountant.
Artikel 1.4.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.
Artikel2.3.3
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.3 vermeldt de begroting, bedoeld in artikel 1.4.2, tweede lid, onder b, bij een aanvraag voor een integrale kosten subsidie voor het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd: alle kosten en opbrengsten van de instelling; een overzicht van de kosten en opbrengsten per te subsidiëren activiteit; het subsidiebedrag dat van de provincie Zeeland wordt gevraagd; en of de aanvrager van de subsidie betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.
§2.4De beslissing op de aanvraag
Artikel2.4.1
De artikelen 1.5.1 en 1.5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.
De artikelen 1.5.3 en 1.5.4 zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.
Artikel2.4.2
Bij de beoordeling van de aanvraag voor een integrale kosten subsidie wordt de financiële positie van de instelling betrokken.
Indien de financiële positie van de instelling zo gunstig is dat de instelling over voldoende vrij besteedbare financiële middelen beschikt om activiteiten zelf te realiseren, kunnen gedeputeerde staten besluiten een lagere integrale kosten subsidie te verstrekken dan aangevraagd.
§2.5Egalisatiereserve
Artikel2.5.1
Het is de instelling toegestaan om een egalisatiereserve ten laste van de provinciale subsidie te vormen.
Het verschil tussen de vastgestelde provinciale subsidie en de werkelijke kosten van activiteiten waarvoor deze subsidie werd verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve waarbij wordt aangegeven in hoeverre deze reserve is opgebouwd uit provinciale subsidie.
De totale omvang van de egalisatiereserve, voor zover gevormd met provinciale middelen, bedraagt nooit meer dan 10% van de laatst verstrekte integrale kosten subsidie.
§2.6Verplichtingen
Artikel2.6.1
Op een integrale kosten subsidie zijn de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 van overeenkomstige toepassing.
§2.7Arrangement 3
Artikel2.7.1
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.9.1 zijn op het verstrekken van een integrale kosten subsidie de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in de paragrafen 2.7 tot en met 2.10. Paragrafen 1.7 (arrangement 1) en 1.8 (arrangement 2) zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.
Artikel 1.9.2 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.
§2.8Voorschotten
Artikel2.8.1
Gedeputeerde staten verstrekken op een integrale kosten subsidie een voorschot van ten hoogste honderd procent van de maximale subsidie.
Het voorschot op een integrale kosten subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt in termijnen uitbetaald.
§2.9Aanvraag tot vaststelling
Artikel2.9.1
Bij een integrale kosten subsidie dient de instelling uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in.
Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel2.9.2De aanvraag tot vaststelling voor een integrale kosten subsidie bevat:
de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijzen; de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden; het jaarverslag over het boekjaar; een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening; een verantwoording van de omvang van de egalisatiereserve opgenomen in de jaarrekening, voor zover met toepassing van artikel 2.5.1 van dit besluit een egalisatiereserve is gevormd; en de jaarrekening over het boekjaar van de instelling voorzien van een controleverklaring van de accountant.
§2.10Vaststelling
Artikel2.10.1
De artikelen 1.9.6 tot en met 1.9.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.
Artikel 1.9.10 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.
§2.11Overige bepalingen
Artikel2.11.1
Artikel 1.10.1, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.
Hoofdstuk3Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid Vervallen Hoofdstuk4Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het doen draaien van molens Vervallen Hoofdstuk5Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor restauratie rijksmonumenten
§5.1Begripsbepalingen
Artikel5.1.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
cofinanciering: elke vorm van aanvullende financiering buiten de provinciale restauratiesubsidie. Dit betreft zowel eigen vermogen alsook vreemd vermogen; deskundig restauratiebedrijf: een bedrijf dat de restauratiewerkzaamheden uitvoert volgens de in de beroepsgroep geldende kwaliteitsrichtlijnen en normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg; herbestemming: het geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of het herstellen van de functie die het rijksmonument had voor een periode van leegstand; restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een rijksmonument noodzakelijk zijn; restauratieplan: een plan bestaande uit: een adequaat overzicht van aard en omvang van de werkzaamheden en beschrijving van de daarmee beoogde resultaten in de vorm van een bestek inclusief tekeningen van de huidige en nieuwe situatie, gecombineerd met een projectplan voor de bestemming of herbestemming; actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument en zijn gebreken; en een begroting van de restauratiewerkzaamheden gespecificeerd in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers en niet ouder dan 2 jaar; rijksmonument: monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of een zelfstandig onderdeel daarvan, en dat zich fysiek in de provincie Zeeland bevindt dan wel in het rijksmonumentenregister is gekoppeld aan een zich fysiek in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument;
Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten; zelfstandig onderdeel: zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Subsidieregeling instandhouding monumenten.
§5.2Subsidieverlening
Artikel5.2.1
Subsidie kan worden verleend voor de restauratie van een rijksmonument.
Artikel5.2.2
Subsidie wordt verleend aan de eigenaar van het rijksmonument.
Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijk persoon.
Artikel5.2.3
Een subsidie voor de restauratie van een rijksmonument bedraagt maximaal zeventig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500.000.
§5.3Weigeringsgronden
Artikel5.3.1
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien met de activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is aangevangen voordat de subsidie is verleend.
In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt: voor restauratie van: een woonhuis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Sim, tenzij het een aanvraag betreft van een professionele organisatie voor monumentenbehoud, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen; een groen monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Sim; of een archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het reguliere onderhoud van het rijksmonument niet voor zes jaar na realisatie van de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoende is gewaarborgd; indien voor dezelfde activiteit in de afgelopen tien jaren reeds door gedeputeerde staten een subsidie is verstrekt; voor zover bij schade de subsidiabele kosten op grond van een verzekering worden gedekt.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de te verstrekken subsidie € 50.000 of minder bedraagt in het geval het een restauratie betreft van een rijksmonument dat in het rijksmonumentenregister is opgenomen onder de hoofdcategorie ‘Religieuze gebouwen’ èn de subcategorie ‘Kerk en kerkonderdeel’, dan wel in de hoofdcategorie ‘Boerderijen, molens en bedrijven’; de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.000 in het geval het een restauratie betreft van een ander rijksmonument.
§5.4Subsidiabele kosten
Artikel 5.4.1
In afwijking van artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Sim is opgenomen.
Indien voor de instandhouding van het rijksmonument een subsidie in het kader van de Sim is verstrekt, komen de in de beschikking tot subsidieverstrekking subsidiabel geachte kosten niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit hoofdstuk.
§5.5De aanvraag voor de subsidie
Artikel5.5.1
Een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Artikel 5.5.2
De aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie restauratie rijksmonumenten Provincie Zeeland.
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten: een restauratieplan voor het rijksmonument; een sluitende begroting, uitgevoerd in het standaard begrotingsmodel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inclusief dekkingsplan, voorzien van stukken waaruit de hoogte van de cofinanciering blijkt; een niet meer dan twee jaar oud inspectierapport dat de technische of fysieke staat van het rijksmonument beschrijft en dat is opgesteld door een ter zake deskundige en onafhankelijke persoon of instantie, zoals de Monumentenwacht Zeeland; een sluitende exploitatiebegroting waaruit tevens blijkt, door middel van een meerjarenonderhoudsplan, dat het reguliere onderhoud voor zes jaar na afronding van de restauratie is gewaarborgd; indien rijkssubsidie is ontvangen of is aangevraagd in het kader van de Sim: een kopie van de subsidiebeschikking dan wel de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag; een door een erkend bureau opgestelde bouwhistorische verkenning, voor zover sprake is van herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdiensten voor het Cultureel Erfgoed, 2009; de naam van minimaal één deskundig restauratiebedrijf dat wordt uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de uitvoering van het restauratieplan; een toelichting op de openbare toegankelijkheid waarin wordt aangegeven hoe vaak het rijksmonument vrij en zonder afspraak is opengesteld voor het publiek.
Indien voor de uitvoering van de restauratie een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet vereist is, bevat de aanvraag daarnaast: een onherroepelijke omgevingsvergunning; of indien een omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, maar wel is verleend: de verleende omgevingsvergunning; of een ontvangstbewijs van het bevoegd gezag dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend, vergezeld van een bewijsstuk waaruit de positieve grondhouding ten aanzien van de voorgenomen restauratie door de Gemeentelijke Adviescommissie blijkt.
Indien voor de uitvoering van de restauratie geen omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet vereist is, bevat de aanvraag voor een subsidie daarnaast een bewijsstuk waaruit blijkt dat een omgevingsvergunning niet vereist is.
Artikel5.5.3
Een onvolledige aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan na het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.
§5.6Subsidieplafond en wegingsfactoren
Artikel5.6.1
Gedeputeerde staten stellen voor de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, een subsidieplafond vast.
Artikel5.6.2
Indien de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen door middel van het toekennen van punten op basis van de volgende criteria: de cultuurhistorische waarde van het rijksmonument: maximaal 20 punten; de bouwkundige urgentie van het rijksmonument of het zelfstandig onderdeel hiervan: maximaal 45 punten; de mate van cofinanciering: maximaal 25 punten; de mate waarin het rijksmonument aantoonbaar openbaar toegankelijk is voor het publiek: maximaal 5 punten; of de aanvraag bijdraagt aan prioritaire provinciale beleidsdoelstellingen, namelijk instandhouding van kerkgebouwen, agrarisch erfgoed en industrieel erfgoed: 5 punten.
Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.
Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.
Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.
Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.
§5.7De beslissing op de aanvraag voor de subsidie
Artikel5.7.1
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen zestien weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1.
Gedeputeerde staten kunnen de beslistermijn eenmalig met maximaal vier weken verlengen.
Artikel5.7.2
Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.
Artikel 5.7.3
Indien de omgevingsvergunning, bedoeld in de Omgevingswet, op het moment van de aanvraag voor subsidie nog niet onherroepelijk is, verstrekken gedeputeerde staten de subsidie onder de opschortende voorwaarde dat de omgevingsvergunning zal worden verleend door de daartoe bevoegde instantie en onherroepelijk is binnen een jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening.
De voorwaarde vervalt, indien gedeputeerde staten daarop niet binnen vier weken na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn een beroep hebben gedaan.
Het beroep op de voorwaarde geschiedt door de subsidie met toepassing van artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op nihil vast te stellen.
§5.8Verplichtingen
Artikel5.8.1Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:
voor de duur van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt een casco-all-risk verzekering afgesloten; de restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg; na afloop van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt het betreffende rijksmonument minimaal zes jaar bewaard en onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden, waarvoor de subsidie is verleend, is gebracht; de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen tien maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen 36 maanden na afloop van de openstellingsperiode afgerond; het rijksmonument of een zelfstandig onderdeel hiervan is en blijft gedurende 10 jaar na de datum van subsidieverlening adequaat verzekerd tegen in ieder geval schade als gevolg van brand, storm en bliksem.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder d en e.
Hoofdstuk6 Vervallen Hoofdstuk7Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
Artikel 7.1
Subsidie kan worden verleend voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland met toepassing van de in bijlage B bij dit besluit opgenomen Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025.
Artikel 7.2
De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voor zover daarvan in de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 niet wordt afgeweken.
Hoofdstuk8Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen
Artikel8.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
woning: een pand met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grondgebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement; particuliere woning: een woning in eigendom van een particulier die niet wordt verhuurd; ongewenste particuliere woning: een verouderde, voor 1980 gebouwde, particuliere woning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 250.000; slopen van een woning: het geheel verwijderen van een woning, met inbegrip van de fundering; terugbouwen van een woning: het nieuw bouwen van een woning waarbij de regels van toepassing zijn inzake nieuwbouw conform het Bouwbesluit 2012; toekomstbestendig maken van een woning: het aanpassen van een woning zodanig dat deze voldoet aan de huidige en toekomstige eisen van gebruikers en verandert in minimaal een levensloopbestendige en/of energieneutrale woning; levensloopbestendige woning: een woning die geschikt is of eenvoudig geschikt is te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; energieneutrale woning: een woning die op jaarbasis zelf voldoende energie opwekt om te voorzien in het huishoudelijk verbruik (elektra, warm water, koken, verwarming) bij een normaal leefpatroon en een hoog comfortniveau; onttrokken woning: een woning die is gesloopt en niet meer wordt teruggebouwd waarbij de bestemming 'Wonen' niet meer van toepassing is, waarbij het adres/huisnummer is komen te vervallen, zichtbaar via Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG); regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in het Omgevingsplan Zeeland 2018; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;
landelijke bebouwingsconcentratie: een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest.
Artikel8.2Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:
het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen; het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning; het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen; het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt.
Artikel8.3
Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de woning(en) waarop de activiteit, bedoeld in artikel 8.2, betrekking heeft.
In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit is gestart eerder dan vier weken na ontvangst van de aanvraag.
Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na indiening van de aanvraag voor subsidie; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied en de landelijke bebouwingsconcentratie.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.
Artikel8.4
De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van dit hoofdstuk.
Artikel8.5
Een aanvraag voor subsidie kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld.
Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.
Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst.
Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag.
Indien toepassing van het zesde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.
Artikel8.6
De aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier Provinciale Impuls Wonen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen een beschrijving van de tijdplanning van het project.
Artikel8.7De hoogte van de subsidie bedraagt:
bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 35.000 per onttrokken woning; bij het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning: maximaal € 35.000 per samenvoeging; bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen: maximaal € 15.000 per gesloopte woning; en maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging per gesloopte woning; bij het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt: maximaal € 20.000 per toekomstbestendig gemaakte woning.
Artikel8.8
Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.
Artikel8.9
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na ontvangst van de volledige aanvraag.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Artikel8.10Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:
de activiteit start binnen één jaar na indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit wordt binnen drie jaar na indiening van de aanvraag voor subsidie gerealiseerd.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.
Hoofdstuk9Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement
Artikel9.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
kernsportevenement: wieler-, water- of strandsportevenement waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap als decor dan wel grootschalig loopsportevenement waarbij het Zeeuwse landschap een belangrijke rol speelt; wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU; watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden; strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.
Artikel9.2Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:
door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie; potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of een economische impuls oplevert voor de regio.
Subsidie wordt niet verstrekt voor een kernsportevenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door een aanbod voor talent, breedtesport of gehandicaptensport.
Subsidie wordt niet verstrekt voor een kernsportevenement waarbij naar het oordeel van gedeputeerde staten: het publieksbereik van het evenement onvoldoende is; het niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement onvoldoende is; het provinciaal belang van het evenement onvoldoende is; of de publieke uitstraling (media-impact) van het evenement onvoldoende is.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.
Artikel9.3De subsidie bedraagt maximaal 10% van de subsidiabele kosten met een maximum van:
€ 50.000 voor een (inter)nationaal evenement met internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, met een groot aantal sporters op het hoogste niveau, met meerdere side-events en georganiseerd door een professionele organisatie; € 25.000 voor een nationaal evenement met ten minste provinciale en enige (inter)nationale media-aandacht, met meerdere sporters op hoog niveau, met een provinciaal publieksbereik, met meerdere side-events en georganiseerd door een semi-professionele organisatie; € 10.000 voor een meerdaags evenement met nationale en meerdere internationale deelnemers, met ten minste een provinciaal media- en publieksbereik en met ten minste één side-event; € 5.000 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers, met ten minste een provinciaal media- en publieksbereik en met ten minste één side-event.
Artikel9.4
De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Kernsportevenementen.
Artikel9.5
Subsidie kan worden aangevraagd gedurende een openstellingsperiode die gedeputeerde staten hebben vastgesteld.
Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Artikel9.6
Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, een subsidieplafond vast.
Artikel9.7
Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.
Artikel9.8
Indien de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt het subsidieplafond evenredig over deze aanvragen verdeeld, in die zin dat alle voor deze aanvragen op basis van artikel 9.3 maximaal te verstrekken subsidiebedragen met eenzelfde percentage worden verlaagd.
Artikel9.9
Het kernsportevenement waarvoor subsidie wordt verleend vindt plaats in het kalenderjaar na indiening van de aanvraag.
Hoofdstuk10Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor kavelaanvaardingswerken
Artikel10.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013; kavelaanvaardingswerken: cultuurtechnische werken die een bijdrage leveren aan de landbouwkundige structuurverbetering van toegedeelde kavels in een kavelruil;
Kavelruilbureau Zeeland: het bij besluit van gedeputeerde staten van 6 februari 2017 ingestelde Kavelruilbureau Zeeland; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013.
Artikel10.2
Subsidie kan worden verleend voor kavelaanvaardingswerken.
De kavelaanvaardingswerken hebben betrekking op toegedeelde kavels bij een kavelruil van landbouwgronden via het Kavelruilbureau Zeeland die na 4 februari 2022 door het Kavelruilbureau Zeeland is goedgekeurd en waarvan de notariële akte is gepasseerd.
Artikel10.3
Subsidie wordt slechts verleend aan de bij een kavelruil betrokken grondeigenaar die onderneming is die actief is in de primaire productie van landbouwproducten.
In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt indien reeds eerder subsidie is verstrekt voor kavelaanvaardingswerken die betrekking hebben op dezelfde door het Kavelruilbureau Zeeland goedgekeurde kavelruil.
Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder d is niet van toepassing.
Artikel10.4De subsidie:
bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500 per bij de kavelruil toegedeelde hectare; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 20.000 over een periode van drie belastingjaren.
Artikel10.5
De aanvraag voor de subsidie wordt voor het begin van de activiteit ingediend.
Artikel 1.4.1, tweede lid, is niet van toepassing.
Artikel10.6
De aanvraag voor de subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie kavelaanvaardingswerken Provincie Zeeland.
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor de subsidie een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring.
Artikel10.7
Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.
Artikel10.8
Onverminderd het bepaalde in § 1.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit binnen 24 maanden na passering van de notariële akte van de kavelruil, bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, te realiseren.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
Hoofdstuk11Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden
Artikel11.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;
Faunafonds: zelfstandig bestuursorgaan, onder meer belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade aan de landbouw; ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zeeland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april; gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas; grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013; schadehectare: (deel van een) hectare waarop door het Faunafonds een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Staatscourant 2014 nr. 22309) wordt verstrekt; verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.
Artikel11.2
Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.
Artikel11.3
Subsidie wordt slechts verleend aan de grondgebruikers van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen, voor zover deze gebruikers voor de desbetreffende percelen op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van het Faunafonds in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.
Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en d, is niet van toepassing.
Artikel11.4De subsidie
bedraagt in afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3 en 1.7.9 € 50 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000 over een periode van drie belastingjaren.
Artikel11.5
De aanvraag voor subsidie wordt ingediend binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit van het Faunafonds op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.
Artikel11.6
De aanvraag voor de subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie ingevolge hoofdstuk 11 van het Asb Zeeland 2023.
In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor de subsidie: een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring; én een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan het vereiste van artikel 11.2 om voor subsidie in aanmerking te komen.
Artikel 1.4.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel11.7
In afwijking van de artikelen 1.8.1 en 1.8.9 wordt op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 15.000 arrangement 1 toegepast.
Artikel11.8
De subsidie wordt verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.
In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de volledige betaling van de subsidie plaats na vaststelling.
De artikelen 1.6.6, 1.7.4 tot en met 1.7.8, artikel 1.7.9, tweede lid, en 1.8.1 tot en met 1.10.1, eerste lid, zijn niet van toepassing.
Hoofdstuk12Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van openbaar vervoer per buurtbus
Artikel12.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
buurtbus: een door de concessiehouder beschikbaar gesteld motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, dat wordt ingezet door de concessiehouder voor exploitatie van een lijn, uitgevoerd door in een buurtbusvereniging georganiseerde onbezoldigde chauffeurs; buurtbusproject: een initiatief van vrijwilligers, waarbij een buurtbus een vaste route rijdt met bepaalde intervallen, in een bepaalde bedieningsperiode en halterend bij bepaalde halten, zoals aangegeven in de dienstregeling; buurtbusvereniging: een vereniging, die bij notariële akte is opgericht en de dagelijkse uitvoering van het buurtbusproject coördineert; concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie de concessie is gegund voor het openbaar vervoer over de weg in het betreffende concessiegebied;
Artikel12.2Een eenmalige subsidie kan worden verleend voor de oprichting van een buurtbusvereniging, indien:
de statuten van de nieuwe vereniging bij notariële akte zijn gepasseerd; en de ledenlijst uit minimaal 20 vrijwilligers bestaat die zich hebben aangemeld als buschauffeur; beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts; er een concreet buurtbusproject, zoals benoemd in artikel 12.3, eerste lid, aanwezig is.
Artikel12.3Subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een buurtbusproject, indien:
het buurtbusproject vervoer per buurtbus tussen kernen verzorgt; en het buurtbusproject onderdeel uitmaakt van de voor het openbaar vervoer over de weg opgestelde dienstregeling; en de buurtbusvereniging voor het buurtbusproject een overeenkomst heeft afgesloten met de concessiehouder; en gemiddeld 125 reizigers per maand gebruik maken van het buurtbusproject.
Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen besluiten af te wijken van het in het eerste lid, onder d genoemde aantal reizigers per maand.
Artikel12.4
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor de oprichting van een buurtbusvereniging ten minste: de bij notariële akte gepasseerde statuten van de nieuwe vereniging; een ledenlijst, bestaande uit minimaal 20 vrijwilligers, waarbij duidelijk blijkt dat zij: zich hebben aangemeld als buschauffeur; en beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.
Artikel12.5
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor een buurtbusproject ten minste: een ledenlijst van vrijwillige buschauffeurs, waarbij duidelijk blijkt dat zij: beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts; een opgave van het aantal reizigers dat het afgelopen kalenderjaar van het buurtbusproject gebruik heeft gemaakt.
Artikel 12.6De subsidie bedraagt:
voor de oprichting van een buurtbusvereniging: eenmalig een vergoeding van € 1.000; voor het organiserend vermogen van een buurtbusvereniging: een vast bedrag per vereniging van €1.000 per jaar; voor de werving van vrijwilligers voor een buurtbusproject: een vast bedrag van € 1.000 per jaar; voor de uitvoering van een buurtbusproject: een vast bedrag van € 3.000 per jaar; voor elke ingezette vrijwillige buschauffeur en voor elk bestuurslid, niet zijnde buschauffeur, per vereniging: een vast bedrag van € 100 per jaar.
De in het eerste lid onder d en e bepaalde bedragen worden naar rato berekend, indien er sprake is van een gedeelte van het jaar.
Hoofdstuk13Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval provincie Zeeland 2021-2024
Artikel13.1Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming alsmede de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet; drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs; dumping van drugsafval: in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater; kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn en die direct ten behoeve van de subsidiabele activiteit worden gemaakt; oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen; sanering van de bodem: nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 6.8 van de Waterwet; synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen; verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel13.2Doelgroep
In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan: gemeenten, omgevingsdiensten of waterschappen; natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar of erfpachter zijn van een locatie waar drugsafval is gedumpt;
Staatsbosbeheer als eigenaar van een locatie waar drugsafval is gedumpt.
Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en d is niet van toepassing.
Artikel13.3Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op herstel van bodem en oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van: afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval.
Artikel13.4Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd indien: de aanvrager verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is voor de productie of dumping van het drugsafval of voor de bodemverontreiniging waarop de aanvraag is gericht; het drugsafval is aangetroffen binnen een ruimte waar de productie van de synthetische drugs plaatsvond; het drugsafval is gedumpt via het rioolstelsel; of voor hetzelfde project reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere subsidieregeling.
In afwijking van het eerste lid, onder d, wordt de subsidie niet geweigerd indien: de aanvrager in 2021 of 2022 een subsidie heeft ontvangen; en de subsidiabele kosten meer bedroegen dan € 24.999.
Artikel13.5Subsidievereisten
Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: het project is uitgevoerd in de provincie Zeeland; het project is gericht op herstel van bodem of oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van: afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval; de locatie waarop drugsafval is gedumpt: is in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a, gelegen binnen de territoriale bevoegdheid van de aanvrager; of behoort in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder b of c, tot het eigendom respectievelijk erfpachtrecht van de aanvrager; de afvoer en verwijdering van het drugsafval heeft plaatsgevonden in de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024; aan het project ligt ten grondslag: een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer; een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval alsmede een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem.
Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder a of b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het aangetroffen drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater is afgevoerd en verwijderd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving; aan het project ligt een bewijs van afvoer en verwijdering van het drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater ten grondslag in de vorm van een afvoerbon.
Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: de bodem is gesaneerd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving; aan het project ligt een bewijs van sanering van de bodem ten grondslag in de vorm van een saneringsverslag.
Artikel13.6Subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.3.1, eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, voor subsidie in aanmerking de daadwerkelijk gemaakte kosten derden met betrekking tot: het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval; het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; het saneren van de uit de dumping voortvloeiende verontreinigde bodem.
Artikel 1.3.2 is niet van toepassing.
Artikel13.7Subsidieaanvraag
Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende vereisten: subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier; een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, ten minste de in het aanvraagformulier voorgeschreven bijlagen; subsidieaanvragen worden ingediend na afloop van het project.
Artikel13.8Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen worden ingediend van:
17 november 2021 tot en met 31 december 2021;
1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;
1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;
1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025.
Artikel13.9Subsidieplafond
Gedeputeerde staten stellen het subsidieplafond vast op: € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder a; € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder b; € 50.000 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder c; € 50.000 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder d.
Artikel13.10Subsidiehoogte
De hoogte van de subsidie bedraagt: indien de grond of het water waarop het project betrekking heeft eigendom is van een natuurlijke persoon, privaatrechtelijke rechtspersoon of Staatsbosbeheer, dan wel de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is die de grond in erfpacht heeft: 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000; indien de grond of het water waarop het project betrekking heeft eigendom is van een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000, en 100% van de bovenliggende subsidiabele kosten tot een maximum van € 175.000.
Indien de aanvrager als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, in 2021 of 2022 een subsidie heeft ontvangen op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling terwijl de subsidiabele kosten voor het project meer bedroegen dan € 24.999, wordt de maximaal te verstrekken subsidie van € 200.000 verminderd met de eerder verstrekte subsidie.
Artikel13.11Verdelingswijzen
Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.
De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.
Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.
Artikel13.12Subsidievaststelling
Gedeputeerde staten stellen de subsidie direct vast.
De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.
De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.7 en 1.7.9 tot en met 1.9.10 zijn niet van toepassing.
Artikel13.13Overige bepalingen
De artikelen 1.5.3 en 1.6.6 zijn niet van toepassing.
Hoofdstuk14Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen) Vervallen Hoofdstuk15 Vervallen Hoofdstuk16Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor duurzame versterking van kennis- en innovatienetwerken
Artikel16.1Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: innovatieve projecten of programma’s: projecten of programma’s gericht op de ontwikkeling van: nieuwe producten, processen of diensten; wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; kennis- en innovatienetwerk: een georganiseerd triple helix netwerk gevormd door meerdere partijen binnen een economische sector met de intentie om kennis en ervaring te delen met als doel de sector te versterken en innovatie binnen de sector te stimuleren; meerjaren agenda: gezamenlijke strategische meerjaren visie gericht op de komende drie kalenderjaren inclusief uitvoeringsparagraaf; multiple helix netwerk: een netwerk waar minimaal tien bedrijven, minimaal twee onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen, minimaal één overheidsinstelling en minimaal één maatschappelijke organisatie deel van uitmaken; triple helix netwerk: een netwerk waar minimaal tien bedrijven, minimaal twee onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en minimaal één overheidsinstelling deel van uitmaken; uitvoeringsparagraaf: programma bestaand uit innovatieve projecten of programma’s die door deelnemende partijen binnen het netwerk worden gedefinieerd, georganiseerd en opgevolgd en waarbij de vraag vanuit de ondernemers leidend is.
Artikel16.2Subsidiabele activiteit
Subsidie kan worden verleend voor de duurzame versterking van het organiserend vermogen van een bestaand kennis- en innovatienetwerk: dat bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiekracht; dat actief is binnen een van de volgende Zeeuwse economische sectoren: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg; dat van toegevoegde waarde is binnen de desbetreffende economische sector in Zeeland, in die zin dat er geen of beperkte inhoudelijke overlap is met andere netwerken; dat bijdraagt aan de doelen van Campus Zeeland, zoals opgenomen in de Economische Agenda Zeeland, vastgesteld door gedeputeerde staten op 4 juni 2024; dat de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt neemt; dat ten minste Zeeland breed acteert; dat beschikt over een meerjaren agenda; waarbij de resultaten van de activiteiten van het netwerk overwegend ten goede komen aan Zeeland; dat connecties of samenwerkingen heeft met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de desbetreffende sector; dat niet eerder provinciale subsidie heeft ontvangen voor de duurzame versterking van het organiserend vermogen in het jaar of de jaren waar de aanvraag op ziet.
Subsidie wordt verleend voor een periode van drie jaar, van 2025 tot en met 2027.
Artikel16.3Doelgroep
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan een kennis- en innovatienetwerk dan wel aan één van de deelnemende partijen binnen het netwerk.
Artikel16.4Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten de kosten voor:
de ondersteuning bij het ontwikkelen en updaten van de meerjaren agenda; de ondersteuning bij het ontwikkelen van het plan van aanpak; de uitvoering van het plan van aanpak, waaronder: het initiëren en organiseren van activiteiten en bijeenkomsten voor de leden of samenwerkingspartners van het netwerk en het onderhouden van contacten; het initiëren en organiseren van activiteiten met als doel het werven van nieuwe leden of samenwerkingspartners van het netwerk; het initiëren en organiseren van evaluatie en feedback ten aanzien van de activiteiten van het netwerk; het initiëren en organiseren van samenwerking met andere regionale, landelijke en Europese netwerken; public relations en communicatie omtrent de activiteiten en vertegenwoordiging van het netwerk; de accountantscontrole Niet subsidiabel zijn de kosten: voor het uitvoeren of managen van projecten die voortkomen uit de uitvoeringsparagraaf van het netwerk; gemaakt vóór 1 januari 2025.
Artikel16.5Subsidiehoogte
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 180.000.
Artikel16.6Openstelling en subsidieplafond
Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.
Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.
Artikel16.7Indieningsvereisten
De aanvraag voor de subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier subsidie Kennis- en Innovatienetwerken 2025-2027.
In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, wordt bij de aanvraag overgelegd: een plan van aanpak voor de duurzame versterking van het organiserend vermogen van het kennis- en innovatienetwerk, van maximaal 13 pagina’s A4, waarin tenminste het volgende wordt beschreven: het doel met betrekking tot de duurzame versterking van het organiserend vermogen van het netwerk voor de komende drie jaar; de organisatiestructuur van het netwerk; de governance, rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren in het netwerk en de betrokkenheid van de leden; de wijze waarop de meerjaren agenda van het netwerk wordt bepaald; de wijze waarop de meerjaren agenda wordt omgezet in concrete plannen en projecten en hoe de leden hierbij betrokken worden; de plannen om de samenwerking met de (Zeeuwse) onderwijs- en onderzoeksinstellingen, andere organisaties of kennis- en innovatienetwerken de komende jaren te verbreden of te intensiveren; het beleid met betrekking tot het op peil houden en/of de groei van het ledenaantal; de communicatie activiteiten van het netwerk; de wijze waarop kennis binnen en buiten het netwerk wordt gedeeld; de wijze waarop het netwerk toewerkt naar financiële veerkracht; de wijze waarop de resultaten van het netwerk worden geëvalueerd; een beschrijving en realistische planning van de activiteiten ten behoeve van de duurzame versterking van het organiserend vermogen van het netwerk; een beschrijving op welke wijze het netwerk toewerkt naar een multiple helix netwerk; een schriftelijk vastgestelde meerjaren agenda, inclusief uitvoeringsparagraaf; een sluitende meerjarenbegroting, als bedoeld in artikel 1.4.3, uitgesplitst in de categorieën subsidiabele kosten overeenkomstig artikel 16.4, eerste lid, en nader gespecificeerd in personeelskosten, kosten derden en out-of-pocketkosten; een beschrijving van de connecties of samenwerkingen die het netwerk heeft of zal aangaan met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en op welke wijze het netwerk bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector; een beschrijving op welke wijze bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen betrokken zijn bij het netwerk en op welke op welke wijze en hoeveel overige bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen het netwerk gaat betrekken bij de uitvoering van projecten en andere activiteiten.
Artikel16.8Aanvullende weigeringsgrond
Onverminderd artikel 1.2.1 weigeren gedeputeerde staten de subsidie wanneer het plan van aanpak voor de duurzame versterking van het organiserend vermogen van het kennis- en innovatienetwerk, bedoeld in artikel 16.7, tweede lid, onder a, onvoldoende bijdraagt aan de duurzame versterking van het organiserend vermogen of wanneer dit plan van onvoldoende kwaliteit is.
Artikel16.9Extern deskundige
Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.
Artikel 16.10Beslistermijn
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen 12 weken na indiening van de aanvraag.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Hoofdstuk17Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling Paragraaf17.1Algemene bepalingen
Artikel17.1.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie; demonstratieproject: een project dat kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten, daaronder begrepen digitale producten, processen of diensten, ongeacht domein, technologie, bedrijfstak of sector (met inbegrip van, doch niet beperkt tot digitale bedrijfstakken en technologieën, zoals supercomputers, kwantumtechnologie, blockchaintechnologie, artificiële intelligentie, cyberbeveiliging, big data en cloudtechnologie). Dit kan bijvoorbeeld ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, planning en documentering van nieuwe producten, procedés of diensten.
Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatieomvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden.
Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;
De-minimisverordening:
Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj);
Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;
Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; haalbaarheidsonderzoek: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; innovatief product: nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; kmo: kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in Bijlage I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen; maatschappelijke transities: de volgende transities uit de RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027: landbouw en voeding; energie; klimaat; grondstoffen;
RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027: Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie voor programma’s Europese fondsen vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg op 21 april 2020.
Artikel17.1.2
Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de maatschappelijke transities.
Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.
Artikel17.1.3In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien:
de subsidie geen stimulerend effect heeft, als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden, als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is.
Artikel17.1.4Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:
de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de aanvrager acteert ten minste op Zeeuws regionaal niveau; de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de subsidiabele activiteit neemt de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt; de subsidiabele activiteit draagt bij aan de realisatie van ten minste één van de maatschappelijke transities; de resultaten die voortvloeien uit de subsidiabele activiteit zijn openbaar en worden op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis breed verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium; de deelnemende partijen aan het consortium vormen in het kader van de subsidiabele activiteit een evenwichtig samenwerkingsverband, zowel wat betreft de verdeling van de kosten als wat betreft de inbreng in de activiteit. Geen van de deelnemende partijen neemt meer dan 70% van de kosten voor haar rekening; de licenties voor onderzoeksresultaten die voortvloeien uit de subsidiabele activiteit die door intellectuele eigendomsrechten worden beschermd, worden tijdig tegen marktprijs en op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis beschikbaar gesteld voor gebruik door geïnteresseerde partijen in de Europese Economische Ruimte.
Paragraaf17.2Haalbaarheidsonderzoeken
Artikel17.2.1
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ter voorbereiding van de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.
Artikel17.2.2
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder d, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000 of minder bedraagt.
Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie ten behoeve van de maatschappelijke transities; het project is voldoende innovatief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.
Artikel17.2.3
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten uitsluitend de kosten van het haalbaarheidsonderzoek.
Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.
In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, kan op verzoek van de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele personeelskosten een vast uurtarief van € 60 worden gehanteerd. Per consortiumpartner wordt slechts één berekeningswijze gehanteerd.
Artikel17.2.4
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.
In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de maatschappelijke transities waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn en waaraan de projecten een bijdrage moeten leveren.
Artikel17.2.5
De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - haalbaarheidsonderzoek’.
Artikel17.2.6
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.
Artikel17.2.7
Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie ten behoeve van de maatschappelijke transities; de mate van innovativiteit van het project; en de kwaliteit van het projectplan.
Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.
Artikel17.2.8
Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 voor advies over artikel 17.2.2, derde lid, en artikel 17.2.7, voor aan de Deskundigencommissie.
Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.
Artikel17.2.9
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.2.4, eerste lid.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Artikel17.2.10Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen
het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 18 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.
Paragraaf17.3Demonstratieprojecten
Artikel17.3.1
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een demonstratieproject gericht op de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.
Artikel17.3.2
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder d, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000 of minder bedraagt.
Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie slechts verstrekt indien: het project kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; één van de volgende voorwaarden is vervuld: het project behelst daadwerkelijke samenwerking: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening; of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onder 83, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de subsidiabele kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten worden ruim verspreid via conferenties, publicaties, open-access-repositories, of gratis opensource-software.
Voor zover sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan de vereisten in het tweede lid, wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie ten behoeve van de maatschappelijke transities; het project is voldoende innovatief; het project heeft voldoende perspectief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.
Artikel17.3.3Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten:
personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat gronden betreft, zijn de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten subsidiabel; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.
Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.
In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, kan op verzoek van de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele personeelskosten een vast uurtarief van € 60 worden gehanteerd. Per consortiumpartner wordt slechts één berekeningswijze gehanteerd.
Artikel17.3.4
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.
In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de maatschappelijke transities waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn en waaraan de projecten een bijdrage moeten leveren.
Artikel17.3.5
De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling – demonstratieproject’.
Artikel17.3.6
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 200.000.
Artikel17.3.7
Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie ten behoeve van de maatschappelijke transities; de mate van innovativiteit van het project; het perspectief van het project; en de kwaliteit van het projectplan.
Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.
Artikel17.3.8
Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 voor advies over artikel 17.3.2, vierde lid, en artikel 17.3.7, voor aan de Deskundigencommissie.
Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.
Artikel17.3.9
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.3.4, eerste lid.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Artikel17.3.10Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:
het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 30 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.
Hoofdstuk17A Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Human Capital Agenda
Artikel17A.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie;
De-minimisverordening:
Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj);
Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;
Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; sociale innovatie: het streven naar een originele oplossing met een meetbare of waarneembare sociale impact op een hardnekkig maatschappelijk probleem. De innovatie kan gelegen zijn in de ontwikkeling van een nieuwe organisatorische vorm (samenwerkingsverbanden, relaties) en/of de ontwikkeling van een nieuw product, een nieuwe dienst of een nieuwe methode.
Artikel17A.2
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten: die bijdragen aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; en die gericht zijn op de ontwikkeling van een sociale innovatie die betrekking heeft op één of meer van de volgende thema’s:
Dynamisch managen: nieuwe managementvaardigheden en –methodieken;
Slimmer werken: uitgaan van competenties van medewerkers;
Flexibel organiseren: innovatieve organisatievormen;
Co-Creatie sectoren: hoogwaardige samenwerkingsverbanden binnen één of meer sectoren of cross-sectoraal;
Werknemer in eigen kracht: mobiliteit, flexibiliteit en lef op de arbeidsmarkt;
Mobiliteit leren en ontwikkelen: de juiste mensen op de juiste plek met de juiste kwalificaties;
Duurzame inzetbaarheid: stimuleren van eigenaarschap bij medewerkers op het gebied van vitaliteit, flexibiliteit en maatschappelijke weerbaarheid;
Leven lang leren en ontwikkelen: wendbare, flexibele werknemers die zich kunnen blijven ontwikkelen en mee kunnen met de nieuwste ontwikkelingen;
ICT & digitalisering: stimuleren van groei en sociale innovatie van de arbeidsmarkt gericht op ICT ten behoeve van een succesvolle digitale transitie; en waarbij een methodiek wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.
Artikel17A.3
Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg; onderwijs.
Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.
Artikel17A.4
Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de vraag vanuit de ondernemers vormt het belangrijkste uitgangspunt; de projectresultaten en ontwikkelde methodieken zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium; het project is additioneel aan gemeentelijke activiteiten en projecten; het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; het project is voldoende innovatief voor Zeeland; het project heeft voldoende perspectief; het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder d, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000 of minder bedraagt.
Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.
Artikel17A.5
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.
Artikel17A.6
De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Human Capital Agenda’.
Artikel17A.7
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.
Artikel17A.8
Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; de mate van innovativiteit van het project voor Zeeland; het perspectief van het project; de kwaliteit van het projectplan.
Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.
Artikel17A.9
Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 voor advies over artikel 17A.4, eerste lid, onder g, en artikel 17A.8, voor aan de Deskundigencommissie.
Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.
Artikel17A.10
Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17A.5, eerste lid.
Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
Artikel17A.11
Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.
Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.
Hoofdstuk18Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van de verbetering van de toegankelijkheid van bestaande halteplaatsen in Zeeland Vervallen Hoofdstuk19Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak
Artikel19.1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
bedrijfspand: een gebouw waarin één of meerdere bedrijven kantoor houden dan wel dat bestemd is om daarin een bedrijf uit te oefenen, in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting en waaronder tevens begrepen een bijgebouw gelegen op hetzelfde perceel; bijgebouw: gesloten bouwwerk zoals een garage, schuur, tuinhuis of een gedeeltelijk open bouwwerk zoals een overkapping of veranda; dak: samenstelling van houten of stalen balken, regels en bebording of betonnen plaat, die sterk genoeg is om de dakbedekking van een gebouw te dragen en de wind-, regen- en sneeuwbelasting op te vangen. De dakconstructie dient zodanig te zijn dat deze beloopbaar is voor onderhoud en inspectie; eigenaar: eigenaar van een woning of pand, dan wel opstaller, erfpachter of vruchtgebruiker ervan; gecertificeerd bedrijf: een bedrijf gecertificeerd met het ‘Groenkeur keurmerk’, verschaft door Stichting Groenkeur, of een bedrijf dat een persoon in dienst heeft met het persoonsgebonden certificaat ‘Dak- & Gevel Basismedewerker’ dan wel het persoonsgebonden certificaat ‘Dak & Gevel Gevorderde’; groen dak: een plat of hellend dak van een woning, pand of bijgebouw dat is opgebouwd uit minimaal een wortelwerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag, beplant met droogteresistente soorten zoals sedum; standaard groen dak: groen dak beplant met hoofdzakelijk sedum en mossen, en met een waterbergingscapaciteit van minimaal 15 liter per m2; biodivers groen dak: groen dak beplant met hoofdzakelijk sedum en kruiden en minimaal 30% bloemen en kruiden, en met een waterbergingscapaciteit van minimaal 50 liter per m2; daktuin: groen dak beplant met maximaal 50% sedum en mossen en minimaal 50% bomen/struiken en siergrassen, en met een waterbergingscapaciteit van minimaal 70 liter per m2; particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, waaronder tevens begrepen een bijgebouw gelegen op hetzelfde perceel en niet zijnde een appartementencomplex;
VvE: een bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vereniging van eigenaars van de appartementsrechten van de woningen die tot een appartementencomplex behoren.
Artikel19.2
Subsidie kan worden verleend voor het aanleggen van een standaard groen dak, een biodivers groen dak of een daktuin op een particuliere woning, een bedrijfspand of een appartementencomplex gelegen in de provincie Zeeland.
Artikel19.3
Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de particuliere woning of het bedrijfspand dan wel aan de VvE van het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd.
In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.
In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.
Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, is voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak niet van toepassing.
Artikel19.4
Om voor subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak in aanmerking te komen, gelden de volgende vereisten: subsidie wordt slechts eenmaal per adres of per appartementencomplex verstrekt; alleen bestaande woningen, bedrijfspanden en appartementencomplexen komen in aanmerking voor subsidie; de woning, het bedrijfspand of het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd, is gelegen binnen de bebouwde kom; de oppervlakte van het groene dak is minimaal 10 m²; de hellingshoek van het groene dak is maximaal 35°; het groene dak wordt aangelegd door een gecertificeerd bedrijf; voor dezelfde activiteit is niet reeds subsidie verstrekt op grond van deze dan wel andere subsidieregelingen; aanvrager beschikt over eventueel benodigde vergunningen voor het uitvoeren van de activiteit; ontwerp, aanleg en onderhoud van het groene dak worden deugdelijk, in overeenstemming met de bouwregelgeving en zorgvuldig uitgevoerd.
Artikel19.5De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van:
€ 25 per m² aan te leggen standaard groen dak; € 35 per m² aan te leggen biodivers groen dak; € 75 per m² aan te leggen daktuin.
De subsidie bedraagt niet meer dan € 5.000 per aanvraag.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de kosten van advisering ten behoeve van het aanleggen van een groen dak; de kosten voor het onderhouden van een groen dak; de kosten voor de sloop en afvoer van een bestaand dak; de kosten voor eventueel benodigde vergunningen.
Artikel19.6
De aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘subsidie groene daken’.
In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak de mede door de aanvrager ondertekende offerte van een gecertificeerd bedrijf dat het groene dak gaat aanleggen waar in ieder geval het volgende in is opgenomen: de waterbergingscapaciteit van het groene dak; de lagen van het aan te leggen groene dak; de oppervlakte van het groene dak; de hellingshoek van het groene dak; de toegepaste plantensoorten en de omvang van het percentage waarin ze worden toegepast.
Artikel19.7
Een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.
Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst.
Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag.
Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.
Artikel19.8Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6 heeft de subsidieontvanger de verplichting om:
het project binnen zes maanden na verlening van de subsidie te realiseren; het groene dak minimaal 5 jaar na verlening van de subsidie in stand te houden en deugdelijk te onderhouden.
Hoofdstuk20Bijzondere bepalingen voor het verstrekken van cofinanciering voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027
Artikel20.1Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb EU L 187/1 van 26 juni 2014;
Beheerautoriteit: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als beheerautoriteit als bedoeld in artikel 71 van verordening 2021/1060 voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj);
EFRO programma Zuid-Nederland 2021-2027: gezamenlijk programma als bedoeld in artikel 22 van verordening 2021/1060 van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, goedgekeurd door de Europese Commissie op 29 juni 2022, voor activiteiten die in Zuid-Nederland financiering kunnen ontvangen uit het EFRO;
Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van provincie Zeeland;
REES 2021: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021;
RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027: Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie voor programma’s Europese fondsen vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg op 21 april 2020;
Subsidieregeling OPZuid: Subsidieregeling OPZuid 2021-2027.
Artikel20.2Doelgroep
Subsidie kan worden aangevraagd door de penvoerder die namens een samenwerkingsverband subsidie heeft aangevraagd op grond van de Subsidieregeling OPZuid.
Artikel20.3Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op: het bevorderen van innovatie met maatschappelijke en economische impact in Zuid-Nederland; het bevorderen van de demonstratie, vermarkting en opschaling van kansrijke innovatieve oplossingen die de energietransitie bevorderen, in samenwerking met het mkb en maatschappelijke middenveld in Zuid-Nederland.
Artikel20.4Subsidievereisten
Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: voor het project wordt subsidie verleend op grond van artikel 3.2 van de Subsidieregeling OPZuid; de subsidie wordt aangevraagd als cofinanciering op de subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid; het project komt ten goede aan de provincie Zeeland.
Het project komt ten goede aan de provincie Zeeland als bedoeld in het eerste lid, onder c, als: meer dan de helft van de subsidiabele kosten wordt gemaakt door deelnemers aan het project die zijn gevestigd in de provincie Zeeland; en de resultaten van het project overwegend zijn gericht op de provincie Zeeland.
In het projectplan, bedoeld in artikel 3.4, onder a, van de Subsidieregeling OPZuid, wordt opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan het eerste lid, onder c.
Artikel20.5Subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 1.3.1, eerste lid, en in afwijking van artikel 1.3.3, is artikel 1.3 van de REES 2021 van toepassing.
In afwijking van artikel 1.3.2 wordt, als de aanvrager gebruik maakt van de kostensoort personeelskosten, de berekeningswijze, genoemd in de artikelen 1.3 tot en met 1.3b van de REES 2021 gehanteerd.
Artikel20.6Vereisten indiening subsidieaanvraag
Op verzoek van aanvrager wordt de aanvraag om subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk.
Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.
Artikel20.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen per tenderperiode als bedoeld in artikel 20.6, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.
Artikel20.8Subsidiehoogte
De subsidie bedraagt 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 857.143.
Als de aanvrager minder dan 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt, onverminderd het eerste lid, slechts maximaal het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.
Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun: maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of en geen van de vrijstellingen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.
Artikel20.9Verdeelcriteria
Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Beheerautoriteit op grond van artikel 3.8 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.
Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Beheerautoriteit, is artikel 3.8 van de Subsidieregeling OPZuid van toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.
Artikel20.10Beslissing op de subsidieaanvraag
De beslistermijn van artikel 4.2.4 van de REES 2021 is van toepassing.
Artikel20.11Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van toepassing.
De artikelen 1.6.3 en 1.6.6, derde lid, zijn niet van toepassing.
Artikel20.12Vaststelling
Onverminderd artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.
Op verzoek van de subsidieontvanger wordt de aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.
De beslistermijn van artikel 4.2.17 van de REES 2021 is van toepassing.
Artikel20.13Betaling en bevoorschotting
Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.
Gedeputeerde staten betalen het voorschot in een keer.
Hoofdstuk21Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen Vervallen