Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Nijmegen (Nijmegen)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet regelt de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu binnen de gemeente Nijmegen door middel van regels voor gedrag en activiteiten op openbare plaatsen. Het stelt kaders voor vergunningen en ontheffingen die nodig zijn voor bepaalde handelingen.
Voor wie: Inwoners en bezoekers van de gemeente Nijmegen die zich op openbare plaatsen bevinden of daar activiteiten willen ontplooien; Personen of organisaties die een vergunning of ontheffing nodig hebben voor bepaalde handelingen in de openbare ruimte.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 394
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het voorkomen en bestrijden van ongeregeldheden en samenscholingen op openbare plaatsen.
- De bruikbaarheid, het uiterlijk aanzien en het veilig gebruik van openbare plaatsen.
- De voorwaarden voor het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
- De regels voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats en het aanleggen of veranderen van wegen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bezoekers van de gemeente Nijmegen die zich op openbare plaatsen bevinden of daar activiteiten willen ontplooien.
- Personen of organisaties die een vergunning of ontheffing nodig hebben voor bepaalde handelingen in de openbare ruimte.
Wat zijn de kernpunten?
- Een besluit op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt binnen acht weken genomen, met een mogelijke verlenging van nog eens acht weken.
- Aan vergunningen en ontheffingen kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, die nageleefd moeten worden.
- Vergunningen en ontheffingen zijn persoonlijk en kunnen worden ingetrokken of gewijzigd bij onjuiste gegevens, veranderde omstandigheden, niet-naleving van voorschriften, of als er geen gebruik van wordt gemaakt.
- Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming, of als de aanvraag minder dan drie weken voor de activiteit is ingediend.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (394)
- Artikel1:1 Definities
- Artikel1:2 Beslistermijn
- Artikel1:3 (Vervallen)
- Artikel1:4 Voorschriften en beperkingen
- Artikel1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
- Artikel1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel1:7 Termijnen
- Artikel1:8 Weigeringsgronden
- Artikel2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- Artikel2:2 (Vervallen)
- Artikel2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- Artikel2:4 (Vervallen)
- Artikel2:5 (Vervallen)
- Artikel2:6 Vervallen)
- Artikel2:7 (Vervallen)
- Artikel2:8 (Vervallen)
- Artikel2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
- Artikel2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
- Artikel2:12 Maken of veranderen van een uitweg
- Artikel2:13 (Vervallen)
- Artikel2:14 (Vervallen)
- Artikel2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
- Artikel2:15a Gevaarlijke voorwerpen
- Artikel2:16 Openen straatkolken en dergelijke
- Artikel2:17 Kelderingangen en dergelijke
- Artikel2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- Artikel2:19 Verbod vuur te stoken
- Artikel2:20 (Vervallen)
- Artikel2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- Artikel2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
- Artikel2:23 Veiligheid op het ijs
- Artikel2:24 Definities
- Artikel2:24a Evenementenvergunning
- Artikel2:24b Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of -marsen
- Artikel2:24c Ordeverstoring
- Artikel2:24d Beëindiging evenement
- Artikel2:24e Verwijderplicht
- Artikel2:25 Betaald voetbalwedstrijden
- Artikel2:25a Voetbalvergunning
- Artikel2:26 Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen
- Artikel2:27 Definities
- Artikel2:28 Sluitingstijd
- Artikel2:28a Venstertijd
- Artikel2:29 Toegang ambtenaren van politie
- Artikel2:29a Ordeverstoring
- Artikel2:30 Terrasvergunningen
- Artikel2:31 Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen
- Artikel2:32 Aanwezigheid van exploitant en beheerder
- Artikel2:33 Weigeringsgronden exploitatievergunning
- Artikel2:33a Intrekkingsgronden
- Artikel2:33b Vervallen vergunning
- Artikel2:34 Overgangsbepalingen
- Artikel2:34a Definities
- Artikel2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
- Artikel2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
- Artikel2:34d (Vervallen)
- Artikel2:34e (Vervallen)
- Artikel2:34f Verbod ‘happy hours’
- Artikel2:35 Definitie
- Artikel2:36 Kennisgeving exploitatie
- Artikel2:37 (Vervallen)
- Artikel2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
- Artikel2:38a Definities
- Artikel2:39 Exploitatie speelautomatenhal
- Artikel2:39a Bescheiden vergunningaanvraag
- Artikel2:39b Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en beperkingen
- Artikel2:39c Weigering vergunning
- Artikel2:39d Beëindiging vergunning
- Artikel2:39e Intrekking vergunning
- Artikel2:39f Voortzetting exploitatie na overlijden exploitant
- Artikel2:40 Kansspelautomaten
- Artikel2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
- Artikel2:42 Plakken en kladden
- Artikel2:43 (Vervallen)
- Artikel2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
- Artikel2:45 Bescherming groenvoorziening
- Artikel2:46 (Vervallen)
- Artikel2:46a Overlast skateboarden
- Artikel2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- Artikel2:47a Lachgas
- Artikel2:48 Verboden drankgebruik
- Artikel2:48a Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen
- Artikel2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- Artikel2:49a Verbod slapen op of aan een openbare plaats
- Artikel2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
- Artikel2:50a Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten
- Artikel2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
- Artikel2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijk
- Artikel2:53 Bespieden van personen
- Artikel2:54 (Vervallen)
- Artikel2:55 (Vervallen)
- Artikel2:56 (Vervallen)
- Artikel2:57 Loslopende honden
- Artikel2:58 Verontreiniging door honden
- Artikel2:59 Gevaarlijke honden
- Artikel2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- Artikel2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
- Artikel2:61 (Vervallen)
- Artikel2:62 Loslopend vee
- Artikel2:63 (Vervallen)
- Artikel2:64 (Vervallen)
- Artikel2:65 (Vervallen)
- Artikel2:66 Definitie
- Artikel2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- Artikel2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrech
- Artikel2:68a Handel in horecabedrijven
- Artikel2:69 (Vervallen)
- Artikel2:70 (Vervallen)
- Artikel2:71 (Vervallen)
- Artikel2:72 Vuurwerk verkooppunten
- Artikel2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk
- Artikel2:74 Drugshandel op straat
- Artikel2:74a Openlijk drugsgebruik
- Artikel2:74b Samenscholing
- Artikel2:75 Bestuurlijke ophouding
- Artikel2:76 (Vervallen)
- Artikel2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- Artikel2:78 Verblijfsontzeggingen
- Artikel2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- Artikel3:1 Afbakening
- Artikel3:2 Definities
- Artikel3:2a Nadere regels
- Artikel3:3 Vergunning
- Artikel3:4 Concentratie seksinrichtingen
- Artikel3:5 Maximum aantal vergunningen en werkruimtes
- Artikel3:6 Aanvraag
- Artikel3:7 Weigeringsgronden
- Artikel3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
- Artikel3:9 Intrekkingsgronden
- Artikel3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
- Artikel3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
- Artikel3:13 Adverteren
- Artikel3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
- Artikel3:15 Bedrijfsplan
- Artikel3:16 (Vervallen)
- Artikel3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedri
- Artikel3:18 Raamprostitutie
- Artikel3:19 Straatprostitutie
- Artikel3:20 Handhaving straatprostitutie
- Artikel3:21 Verbodsbepalingen klanten
- Artikel3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
- Artikel3:23 Sekswinkels
- Artikel3:24 Overgangsbepaling
- Artikel4:1 Definities
- Artikel4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- Artikel4:3 Melding incidentele festiviteiten
- Artikel4:4 (Vervallen)
- Artikel4:5 (Vervallen)
- Artikel4:6 Overige geluidhinder
- Artikel4:7 (Vervallen)
- Artikel4:8 Natuurlijke behoefte doen
- Artikel4:9 Verbod oplaten ballonnen
- Artikel4:10 Definities
- Artikel4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
- Artikel4:12 Bijzondere vergunningsvoorschriften
- Artikel4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
- Artikel4:14 (Vervallen)
- Artikel4:15 Reclame
- Artikel4:16 Aanschrijving
- Artikel4:17 Definitie
- Artikel4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- Artikel4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
- Artikel5:1 Ter gebruik aanbieden van voertuigen op of aan de weg
- Artikel5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
- Artikel5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
- Artikel5:4 Defecte voertuigen
- Artikel5:5 Voertuigwrakken
- Artikel5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
- Artikel5:7 Reclamevoertuigen
- Artikel5:8 Grote voertuigen
- Artikel5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
- Artikel5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
- Artikel5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- Artikel5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen
- Artikel5:13 (Vervallen)
- Artikel5:14 (Vervallen)
- Artikel5:15 (Vervallen)
- Artikel5:16 (Vervallen)
- Artikel5:17 Standplaatsen
- Artikel5:18 (Vervallen)
- Artikel5:19 (Vervallen)
- Artikel5:20 (Vervallen)
- Artikel5:21 (Vervallen)
- Artikel5:22 (Vervallen)
- Artikel5:23 (Vervallen)
- Artikel5:24 (Vervallen)
- Artikel 5:25 (Vervallen)
- Artikel 5:26 (Vervallen)
- Artikel5:27 (Vervallen)
- Artikel5:28 (Vervallen)
- Artikel5:29 (Vervallen)
- Artikel5:30 (Vervallen)
- Artikel5:31 (Vervallen)
- Artikel5:32 Crossterreinen
- Artikel5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
- Artikel5:34 Publiekelijk slachten
- Artikel5:35 Definitie
- Artikel5:36 Verboden plaatsen
- Artikel5:37 Hinder of overlast
- Artikel5:38 Detectorverbod en verbod op magneetvissen
- Artikel4.2.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel4.2.1.2 Inzameldienst
- Artikel4.2.2.1 Uitsluiting grof huisafval
- Artikel4.2.2.1a Overdragen of aanbieden restafval aan de inzameldienst
- Artikel4.2.2.2 De dagen en tijden voor het overdragen of het aanbieden
- Artikel4.2.2.3 De wijze en de plaats van het overdragen of het aanbieden
- Artikel4.2.2.4 Verpakking van huishoudelijk afval
- Artikel4.2.2.5 Ordelijke overdracht of aanbieding van huishoudelijk afval
- Artikel4.2.2.6 Aangewezen plaats
- Artikel4.2.2.7 Het overdragen of aanbieden in containers
- Artikel4.2.2.7a Het overdragen of aanbieden in wijkcontainers
- Artikel4.2.2.8 Verwijdering container
- Artikel4.2.2.9 Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling aanbieden van
- Artikel4.2.2.10 Aangewezen plaats achterlaten huishoudelijke afvalstoffen
- Artikel4.2.2.11 Incidenteel achterlaten huishoudelijke afvalstoffen
- Artikel4.2.2.12 Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen
- Artikel4.2.2.12a Achterlaten in daartoe bestemde bakken
- Artikel4.2.2.13 Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën huishoudelijk
- Artikel4.2.2.13a Groente-, fruit- en tuinafval
- Artikel4.2.2.14 Nadere regels bijzondere categorieën huishoudelijke afvalstoffen
- Artikel4.2.3.1 Verbod ontdoen grof huisafval
- Artikel4.2.3.2 Aanbieden en overdragen grof huisafval
- Artikel4.2.3.3 Omvang en inhoud grof huisafval
- Artikel4.2.3.4 Schakelbepaling
- Artikel4.2.4.1 Inzamelvergunning
- Artikel4.2.4.2 Aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning
- Artikel4.2.5.1 Aanwijzing andere categorieën afvalstoffen
- Artikel4.2.5.2 Inzameling andere categorieën afvalstoffen door derden
- Artikel4.2.6.1 Bekendmaking van besluiten burgemeester en wethouders
- Artikel 4.3.1 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging
- Artikel4.3.1a Achterlaten van straatafval
- Artikel4.3.2 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden
- Artikel4.3.3 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren
- Artikel4.3.4 Wegwerpen van reclamebiljetten en ander promotiemateriaal
- Artikel4.3.7 Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffen
- Artikel6:1 Sanctiebepaling
- Artikel6:2 Toezichthouders
- Artikel6:3 Binnentreden woningen
- Artikel6:4 Intrekking oude verordening
- Artikel6:5 Overgangsbepaling
- Artikel6:6 Inwerkingtreding
- Artikel6:7 Citeertitel
- Artikel 2:3 ‘Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen’: Dit artikel is een uit
- Artikel 1:1 Definities
- Artikel 1:2 Beslistermijn
- Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
- Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel 1:7 Termijnen
- Artikel 1:8 Weigeringsgronden
- Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
- Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
- Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen va
- Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
- Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
- Artikel 2:15a Gevaarlijke voorwerpen
- Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
- Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke
- Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- Artikel 2:19
- Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
- Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
- Artikel 2:24 Definities
- Artikel 2:24a Evenementenvergunning
- Artikel 2:24b Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of marsen
- Artikel 2:24c Ordeverstoring
- Artikel 2:24d Beëindiging evenement
- Artikel 2:24e Verwijderplicht
- Artikel 2:25 Betaald voetbalwedstrijden en artikel 2:25a Voetbalvergunning
- Artikel 2:25b Verbod voetbalwedstrijd
- Artikel 2:25c Orde in verband met voetbalwedstrijden
- Artikel 2:25d Verwijderingsplicht voetbalsupporters
- Artikel 2:25e Stadionomgevingsverbod
- Artikel 2:26 Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen
- Artikel 2:27 Definities
- Artikel 2:28 Sluitingstijd
- Artikel 2:28a Venstertijd
- Artikel 2:29 Toegang ambtenaren van politie
- Artikel 2:29a Ordeverstoring
- Artikel 2:30 Terrasvergunningen
- Artikel 2:31 Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen
- Artikel 2:32 Aanwezigheid van exploitant en beheerder
- Artikel 2:33 Weigeringsgronden exploitatievergunning
- Artikel 2:33a Intrekkingsgronden
- Artikel 2:33b Vervallen vergunning en artikel 2:34 Overgangsbepalingen
- Artikel 2:34a Definities
- Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
- Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
- Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’
- Artikel 2:35 Definitie
- Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
- Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
- Artikel 2:38a Definities
- Artikel 2:39 Exploitatie speelautomatenhal
- Artikel 2:39c Weigering vergunning
- Artikel 2:40 Kansspelautomaten
- Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
- Artikel 2:42 Plakken en kladden
- Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
- Artikel 2:45 Bescherming groenvoorziening
- Artikel 2:46a Overlast skateboarden
- Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- Artikel 2:47a Lachgas
- Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
- Artikel 2:48a Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen
- Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- Artikel 2:49a Verbod slapen op of aan de weg
- Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
- Artikel 2:50a Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten
- Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
- Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijk
- Artikel 2:53 Bespieden van personen
- Artikel 2:57 Loslopende honden
- Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
- Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
- Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
- Artikel 2:62 Loslopend vee
- Artikel 2:66 Definitie
- Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrech
- Artikel 68a Handel in horecabedrijven
- Artikel 2:72 Vuurwerk verkooppunten
- Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk
- Artikel 2:74 Drugshandel op straat
- Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
- Artikel 2:74b Samenscholing
- Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
- Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- Artikel 2:78 Verblijfsontzeggingen
- Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- Artikel 3:1 Afbakening
- Artikel 3:2 Definities
- Artikel 3:2a Nadere Regels
- Artikel 3:3 Vergunning
- Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen
- Artikel 3:5 Maximum aantal vergunningen en werkruimtes
- Artikel 3:6 Aanvraag
- Artikel 3:7 Weigeringsgronden
- Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
- Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
- Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
- Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
- Artikel 3:13 Adverteren
- Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
- Artikel 3:15 Bedrijfsplan
- Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedri
- Artikel 3:18 Raamprostitutie
- Artikel 3:19 Straatprostitutie
- Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie
- Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten
- Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
- Artikel 3:24 Overgangsbepaling
- Artikel 4:1 Definities
- Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
- Artikel 4:6 Overige geluidhinder
- Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
- Artikel 4:9 Verbod oplaten van ballonnen
- Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
- Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
- Artikel 4:16 Aanschrijving
- Artikel 4:17 Definitie
- Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
- Artikel 5:1 Ter gebruik aanbieden van voertuigen op of aan de weg
- Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
- Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
- Artikel 5:4 Defecte voertuigen
- Artikel 5:5 Voertuigwrakken
- Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
- Artikel 5:7 Reclamevoertuigen
- Artikel 5:8 Grote voertuigen
- Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
- Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
- Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen
- Artikel 5:17 Standplaatsen
- Artikel 5:32 Crossterreinen
- Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
- Artikel 5:34 Publiekelijk slachten
- Artikel 5:35 Definitie
- Artikel 5:36 Verboden plaatsen
- Artikel 5:37 Hinder of overlast
- Artikel 5:38 Detectorverbod en verbod op magneetvissen
- Artikel 6:1 Sanctiebepaling
- Artikel 6:2 Toezichthouders
- Artikel 6:3 Binnentreden woningen
- Artikel 6:4 Intrekking oude verordening
- Artikel 6:5 Overgangsbepaling
- Artikel 6:6 Inwerkingtreding
- Artikel 6:7 Citeertitel
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente NijmegenDe raad van de gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van 8 juni 2022;
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 april 2022;
Gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit vast te stellen de volgende verordening:
Algemene plaatselijke verordening gemeente Nijmegen Hoofdstuk1.Algemene bepalingen
Artikel1:1Definities
In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening: bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel1:2Beslistermijn
1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissingen op aanvragen voor vergunningen als bedoeld in artikel 3:3.
4.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11.
Artikel1:3(Vervallen)
Artikel1:4Voorschriften en beperkingen
1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e.de houder dit verzoekt.
Artikel1:7Termijnen
1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel1:8Weigeringsgronden
1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.de openbare orde; b.de openbare veiligheid; c.de volksgezondheid; d.de bescherming van het milieu.
2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend of afwijkt van de in of krachtens deze verordening gestelde indieningstermijnen en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk2Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden
1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, dan wel te vechten.
2.Degene die op een openbare plaats: a.aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b.aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel2:2(Vervallen)
Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.De kennisgeving bevat: a.naam en adres van degene die de betoging houdt en het e-mailadres en telefoonnummer van de contactpersoon; b.het doel van de betoging; c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e.voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel2:4(Vervallen)
Artikel2:5(Vervallen)
Artikel2:6Vervallen)
Artikel2:7(Vervallen)
Artikel2:8(Vervallen)
Artikel2:9Vertoningen op openbare plaatsen
1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel2:10Voorwerpen op of aan een openbare plaats
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Het verbod is niet van toepassing op: a. bouwobjecten, voor zover deze niet zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen opleveren mits wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of stoffen; b. objecten bij evenementen als bedoeld in artikel 2:24a lid 5, mits deze objecten gezamenlijk een maximale oppervlakte van 50 m2 hebben. Deze uitzondering geldt niet voor podia, tribunes en/of tenten waar meer dan 50 personen aanwezig kunnen zijn. c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. terrassen als bedoeld in artikel 2:30; g. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en uitstallingen als bedoeld hierna onder h; h. uitstallingen, mits gelegen in door het college aangewezen gebieden en indien voldaan is aan de door het college gestelde regels ten aanzien van uitstallingen; i. spandoeken mits aangebracht op de door het college aangewezen locaties en voldaan is aan de door het college vastgestelde regels omtrent spandoeken; j. informatiekramen voor zover er niet commerciële informatie wordt verschaft aan het publiek mits wordt voldaan aan de door het college gestelde regels omtrent informatiekramen; k. voorwerpen of stoffen van beperkte omvang die tijdelijk boven de weg aangebracht worden als seizoensdecoratie; l. Voorwerpen of stoffen die een commercieel en/of informatief doel dienen indien voldaan is aan de door het college gestelde nadere regels. m. het aanbrengen van green of reversed graffiti tijdens een evenement of ten behoeve van een maatschappelijk niet-commercieel doel, mits de uiting een niet-commercieel karakter heeft (bv als bewegwijzering) en binnen twee werkdagen na afloop van de activiteit verwijderd is. n. situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland.
5.Het is verboden objecten te plaatsen die louter bedoeld zijn om reclame te maken en bestaan uit sandwichborden en driehoeksborden.
6.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
7.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.
8.De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
9.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod geldt ook voor alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Omgevingsverordening Gelderland de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur.
5.Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel2:12Maken of veranderen van een uitweg
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a.een uitweg te maken naar de weg; b.van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c.verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a.de bruikbaarheid van de weg; b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d.de bescherming van de groenvoorziening; e.als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Gelderland.
4.Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel2:13(Vervallen)
Artikel2:14(Vervallen)
Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel2:15aGevaarlijke voorwerpen
Artikel2:16Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel2:17Kelderingangen en dergelijke
Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel2:19Verbod vuur te stoken
Artikel2:20(Vervallen)
Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn
1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel2:23Veiligheid op het ijs
1.Het is verboden: a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.
Afdeling 3. Evenementen
Artikel2:24Definities
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.bioscoop- en theatervoorstellingen; b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen indien dit onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van de inrichting, gedurende minimaal 40 weken per jaar plaatsvindt en wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels; e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g.voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:25a tot en met 2:25f van deze verordening.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.een herdenkingsplechtigheid; b.een braderie; c.een optocht op een openbare plaats, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats, behoudens straatmuziek; e.een straatfeest of buurtbarbecue;
Artikel2:24aEvenementenvergunning
1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend niet eerder dan 16 weken en uiterlijk 8 weken vóór de datum van het evenement. De burgemeester kan voor bijzondere en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor vermelde termijn afwijken.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a.verkeersveiligheid; b.woon- en leefklimaat; c.ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit naar het oordeel van de burgemeester een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.
5.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement dat voldoet aan de door het college te stellen nadere regels.
6.De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat of het milieu in gevaar komt.
7.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
8.Vergunningen voor vergunningplichtige evenementen die gelijktijdig plaatsvinden met de Vierdaagsefeesten worden, gelet op de belangen genoemd in het derde lid, geweigerd met uitzondering van de vergunningen voor de Vierdaagsefeesten en de Vierdaagsemarsen en voor evenementen die: a.een historische relatie hebben met de Vierdaagsefeesten en/of -marsen; b.op eigen terrein plaatsvinden, dan wel reeds vergund terras, maar niet in de openbare ruimte; c.langs de route van de marsen ligt of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, zodat er een relatie bestaat tussen de activiteiten en de Vierdaagsemarsen; d.plaatsvinden op dezelfde tijdstippen als de Vierdaagsemarsen; e.geen zelfstandige bezoekersstroom genereert; f.een klein evenement zijn; g.hun aanvraag jaarlijks vóór 1 maart hebben ingediend, en h.niet conflicteren met de belangen van de Vierdaagsefeesten en/of -marsen.
9.Op de aanvraag om een vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel2:24bAanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsefeesten en/of -marsen
1.Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsefeesten wordt ingediend uiterlijk op 1 februari van het jaar waarin de Vierdaagsefeesten plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de Vierdaagsemarsen wordt ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar waarin de Vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid, afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde data.
Artikel2:24cOrdeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel2:24dBeëindiging evenement
1.De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het bevel geven een evenement te beëindigen.
2.Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht: a.dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester hiertoe een bevel geeft; b.ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt; c.ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde toegang hebben tot het evenement.
3.Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het evenement toe te laten.
4.Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid of in het derde lid, gegeven is.
Artikel2:24eVerwijderplicht
Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als bedoeld in artikel 2:24d is gegeven, is eenieder die zich op de plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen richting.
Artikel2:25Betaald voetbalwedstrijden
1.Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder organisator verstaan: a.de betaaldvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie NEC als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; b.de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Nijmegen, waarbij ten minste één betaalvoetbalorganisatie is betrokken; c.degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.
2.Voor de toepassing van de artikelen 2:25tot en met 2:25e wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige lid.
Artikel2:25aVoetbalvergunning
1.Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.
2.Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd. De burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.
3.De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van: a.de openbare orde; b.de openbare veiligheid; c.de volksgezondheid; d.de bescherming van het milieu; e.de verkeersveiligheid.
4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2:25bVerbod voetbalwedstrijd 1.De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd verbieden: a.uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde; b.indien de krachtens artikel 2:25a derde lid, opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; c.indien geen of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.
2.Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.
2:25cOrde in verband met voetbalwedstrijden 1.Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te verstoren.
2.Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.
2:25dVerwijderingsplicht voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
2:25eStadionomgevingsverbod 1.De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het bevel te geven zich niet te bevinden in de omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip van een voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de voetbalwedstrijd.
2.Het bevel bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan 24 maanden.
Artikel2:26Verbod samplen, flyeren, collecteren en venten tijdens evenementen
1.Het is verboden tijdens door de burgemeester aangewezen evenementen op de daarbij aangewezen tijden en openbare plaatsen: a.gedrukte of geschreven stukken alsmede samples, monsters en anderen goederen die vallen onder het begrip commerciële handelsreclame onder het publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken; b.een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook wordt gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is bestemd; c.het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis, met uitzondering van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.
2.Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde activiteit plaatsvindt door, namens of met toestemming van de organisator van het evenement.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel2:27Definities
Artikel2:28Sluitingstijd
Artikel2:28aVenstertijd
Artikel2:29Toegang ambtenaren van politie
De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die inrichting: a.gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel b.gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel2:29aOrdeverstoring
Artikel2:30Terrasvergunningen
Artikel2:31Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen
Artikel2:32Aanwezigheid van exploitant en beheerder
Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 2:31, zesde lid op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is.
Artikel2:33Weigeringsgronden exploitatievergunning
Artikel2:33aIntrekkingsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a.indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; b.indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; c.indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d.indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering daarvan of tot het oordeel dat er in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag.
Artikel2:33bVervallen vergunning
Artikel2:34Overgangsbepalingen
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel2:34aDefinities
In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen
Artikel2:34cBeperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Artikel2:34d(Vervallen)
Artikel2:34e(Vervallen)
Artikel2:34fVerbod ‘happy hours’
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel2:35Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel2:36Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel2:37(Vervallen)
Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel2:38aDefinities
In deze afdeling wordt verstaan onder: a.Wet: de Wet op de kansspelen; b.kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; c.speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet; d.exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert; e.beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; f.kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; g.hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; h.laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
Artikel2:39Exploitatie speelautomatenhal
Artikel2:39aBescheiden vergunningaanvraag
De exploitant dient bij de vergunningaanvraag de volgende gegevens en bescheiden over te leggen: a.een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld; b.een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; c.een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; d.een verklaring omtrent het gedrag: e.van de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en); f.van de beheerder; g.een verklaring dat hij beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste lid van de Wet.
Artikel2:39bPersoonlijk karakter vergunning; voorschriften en beperkingen
Artikel2:39cWeigering vergunning
Artikel2:39dBeëindiging vergunning
Artikel2:39eIntrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan de burgemeester de vergunning intrekken: a.indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39c, onder e; b.indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken.
Artikel2:39fVoortzetting exploitatie na overlijden exploitant
Artikel2:40Kansspelautomaten
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal
1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel2:42Plakken en kladden
1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen b.met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel2:43(Vervallen)
Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen
1.Het is verboden: a.op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben; b.op een openbare plaats vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen; c.op een openbare plaats in de nabijheid van winkels een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken, te vervoeren of bij zich te hebben.
2.Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak of anderszins te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel2:45Bescherming groenvoorziening
Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen en/of paddenstoelen te plukken.
Artikel2:46(Vervallen)
Artikel2:46aOverlast skateboarden
1.Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen.
2.Het is verboden te skateboarden op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.
3.De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van: a.het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van verkeersdeelnemers en de verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg; b.de voorkoming of opheffing van hinder of overlast; c.de voorkoming van schade.
Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1.Het is verboden op een openbare plaats: a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel2:47aLachgas
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lachgas te koop aan te bieden, te verkopen, te verstrekken of af te leveren, indien dit kennelijk bedoeld is om als genotsmiddel gebruikt te worden.
Artikel2:48Verboden drankgebruik
1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.Het verbod is niet van toepassing op: a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b.een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel2:48aGevaarlijk drinkgerei en verpakkingen
1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet of in artikel 2:31; b.de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan een door de burgemeester aangewezen gebied, verboden dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst het gebied, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze aanwijzing.
Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen
1.Het is verboden zonder redelijk doel: a.zich in een portiek of poort op te houden; b.in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel2:49aVerbod slapen op of aan een openbare plaats
1.Het is verboden een openbare plaats op een voor anderen hinderlijke wijze als slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig, woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen.
2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is.
3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld, verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.
4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op de Openluchtrecreatie van toepassing is.
Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel2:50aSluiting van voor publiek toegankelijke ruimten
1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de ruimte die het betreft.
2.Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn.
3.Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden.
4.Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering van: a.de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners van de bij de ruimte behorende woning; b.logeergasten; c.hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt vereist.
Artikel2:51Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan: a.tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. b.indien dit schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig ervan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. c.in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel2:53Bespieden van personen
1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel2:54(Vervallen)
Artikel2:55(Vervallen)
Artikel2:56(Vervallen)
Artikel2:57Loslopende honden
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b.binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c.buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel2:58Verontreiniging door honden
1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2.Degene die zich met een hond op of aan de openbare plaats bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel2:59Gevaarlijke honden
1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, edoch het een goed zittende korf is die niet knelt, schuift of tegen de neus duwt, die geen harde of snijdende randen heeft, waarin de hond goed kan ademen, hijgen, drinken en ten behoeve van training een beloning kan aannemen.
Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid en/of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a.op een vanaf een openbare plaats zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b.het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c.het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel2:60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.aanwezig te hebben; b.aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c.aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.
2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel2:61(Vervallen)
Artikel2:62Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van een openbare plaats is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die openbare plaats niet kan bereiken.
Artikel2:63(Vervallen)
Artikel2:64(Vervallen)
Artikel2:65(Vervallen)
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel2:66Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b.de datum van verkoop of overdracht van het goed; c.een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e.de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b.de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c.aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d.een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel2:68aHandel in horecabedrijven
Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel2:69(Vervallen)
Artikel2:70(Vervallen)
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Artikel2:71(Vervallen)
Artikel2:72Vuurwerk verkooppunten
1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde afstandscriterium.
2.Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer indienden, geldt het verbod van lid 1 niet.
Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk
1.Het is verboden om consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen. Onder consumentenvuurwerk wordt in dit artikel verstaan, categorie F2 en F3 zoals bedoeld in het Vuurwerkbesluit.
2.Het is verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11. Drugsoverlast
Artikel2:74Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel2:74bSamenscholing
1.Het is verboden op of aan een openbare plaats, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet.
2.Eenieder die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de aangewezen richting te verwijderen.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel2:75Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:3, 2:10, 2:11, 2:15, 2:15a, 2:16, 2:25c, 2:25d, 2:25e, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en 4:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Nijmegen groepsgewijs niet naleven.
Artikel2:76(Vervallen)
Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen
1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2.De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a.parkeerterreinen; b.overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.
3.Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten.
Artikel2:78Verblijfsontzeggingen
De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde of zedelijkheid aan een persoon het bevel te geven zich anders dan in een openbaar middel van vervoer niet te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit bevel geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.
Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.geluid- of geurhinder; b.hinder van dieren; c.hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d.intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Hoofdstuk3Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel3:1Afbakening
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel3:2Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; bedrijfsplan: als bedoeld in artikel 3:15 van deze APV; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de prostituee, het personeel dat in de inrichting werkzaam is, toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a, andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; Onder een seksbedrijf worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een escortbedrijf of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht; straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; vergunning: als bedoeld in artikel 3:8 van deze APV. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.
Artikel3:2aNadere regels
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de inrichting en bedrijfsvoering van seksbedrijven.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel3:3Vergunning
1.Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
2.Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.
3.Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
4.Indien sprake is van een seksinrichting, dan wordt de vergunning voor één seksinrichting verleend.
5.De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van vijf jaar tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.
6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel3:4Concentratie seksinrichtingen
1.Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksbedrijf geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
2.Vergunningen voor het exploiteren van raamprostitutiebedrijven worden enkel verleend voor zover deze zijn gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even nummers).
Artikel3:5Maximum aantal vergunningen en werkruimtes
Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksbedrijven waarvoor vergunning kan worden verleend en aan het totaal aantal werkruimtes in een raamprostitutiebedrijf waarvoor vergunning kan worden verleend.
Artikel3:6Aanvraag
1.Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
2.Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.de persoonsgegevens van de exploitant; b.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c.of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e.het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f.het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; g.een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; h.voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; i.een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; j.bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; k.voor zover van toepassing, de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; l.voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de brandpreventieve voorzieningen; m.indien het een prostitutiebedrijf betreft, een bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3:15 van deze APV.
3.Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
4.Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel3:7Weigeringsgronden
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning geweigerd als: a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b.de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g.er een maximum als bedoeld in artikel 3.2.3 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is; h.de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4; i.er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen; j.de vergunning is aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf dat niet is gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even nummers); k.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; l.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van €500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. m.de aanvrager niet voldoet aan de ex 3.1.3 gestelde nadere regels.
2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder k, wordt gelijkgesteld: a.een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder k en l, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder k en l, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
5.Een vergunning kan worden geweigerd: a.voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.als niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; c.als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d.als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e.als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f.als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; g.als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel3:8Eisen met betrekking tot vergunning
De vergunning vermeldt in ieder geval: a.de naam van de exploitant; b.voor zover van toepassing, die van de beheerder; c.voor welke activiteit de vergunning is verleend; d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e.het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; f.voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; g.de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; h.voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; i.het nummer van de vergunning.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend.
Artikel3:9Intrekkingsgronden
De vergunning wordt ingetrokken als: a.de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b.de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c.is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e.zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met f en onder i tot en met l; f.de vergunninghouder dat verzoekt; g.de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a.is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b.in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c.een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d.is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e.is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g.de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h.er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i.gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel3:10Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, binnen een week schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan.
2.Het bevoegd bestuursorgaan wijzigt de verleende vergunning als het een wijziging op grond van artikel 3:8, eerste lid, onder b of onder e betreft en het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf3.1Regels voor alle seksbedrijven
Artikel3:12Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
1.Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers en/of prostituees toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 08.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
2.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
3.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel3:13Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a.geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; b.vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en c.als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Paragraaf3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees
Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees
Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a.nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b.in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
2.Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
Artikel3:15Bedrijfsplan
Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.op het gebied van hygiëne; b.ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; c.ter bescherming van de gezondheid van de klanten; d.ter voorkoming van strafbare feiten.
De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a.de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; b.inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; c.in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; d.in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; e.de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; f.de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; g.de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; h.de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; i.de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; j.aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; k.de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; l.de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; m.de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; n.de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; o.de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
3.De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld schriftelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring door het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
4.De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
5.In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Artikel3:16(Vervallen)
Artikel3:17Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
1.De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
2.De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: a.de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; b.er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; de verhuuradministratie; met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; de werkroosters van de beheerders; c.de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; d.medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; e.onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting; f.onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; g.gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
Paragraaf3.3Raam- en straatprostitutie
Artikel3:18Raamprostitutie
1.Het is een prostituee verboden: a.zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan een openbare plaats bevinden beschikbaar te stellen; en b.passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een prostituee die werkzaam is in een onder een raamprostitutiebedrijf vallende seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel3:19Straatprostitutie
1.Het is verboden op of aan een openbare plaats of op, aan of in een andere vanaf de openbare plaats zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan een openbare plaats ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op of aan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen en gebieden, indien de bij dat besluit vastgestelde voorschriften in acht worden genomen; deze voorschriften betreffen in ieder geval de tijden waarop het verbod in het eerste lid vermeld niet van toepassing is, de leeftijd van de prostituee en de locatie waar het afwerken dient te geschieden.
3.Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden op de in lid 2 bedoelde plaatsen en gebieden dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze gebieden zijn bestemd.
Artikel3:20Handhaving straatprostitutie
1.Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
2.Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op, aan of in een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen plaats of gebied bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel3:21Verbodsbepalingen klanten
1.Het is een klant verboden gebruik te maken van de diensten van een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor, bij of na bemiddeling door een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
2.Het is verboden op of aan de openbare plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.
3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend en op of aan de op grond van artikel 3:19, tweede lid, aangewezen plaatsen en gebieden.
Artikel3:22Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel3:23Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel3:24Overgangsbepaling
1.In aanvulling op artikel 3:7 van de APV Nijmegen kan een vergunning eveneens worden geweigerd als in de periode van vijf jaren voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, een vergunning van de aanvrager voor de uitoefening van een bedrijf dat op grond van artikel 3:2 van de APV Nijmegen wordt aangemerkt als seksbedrijf door het gemeentebestuur is ingetrokken.
2.(Vervallen) 3.(Vervallen) 4.Artikel 3:14, aanhef en onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf: a.aan welk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een vergunning voor de uitoefening van dat bedrijf verleend was die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, of b.dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet.
5.Artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing ten aanzien van een aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf dat onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening: a.beschikte over een geldige vergunning voor de uitoefening van dat bedrijf, of b.rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet.
Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Artikel4:1Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.Geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gebieden in de gemeente 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
Artikel4:3Melding incidentele festiviteiten
1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.
4.De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6.Voor de in het eerste lid en twee lid genoemde incidentele festiviteiten stelt het college de normen en voorschriften vast in een nadere regel.
Artikel4:4(Vervallen)
Artikel4:5(Vervallen)
Artikel4:6Overige geluidhinder
1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel4:7(Vervallen)
Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel4:9Verbod oplaten ballonnen
1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft.
3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel4:10Definities
1.In deze afdeling wordt verstaan onder: a.houtopstand: hakhout, een houtwal, bos, bosplantsoen of één of meer bomen; b.hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld opnieuw op de stronk uitlopen; c.bos en bosplantsoen: houtopstand, bestaande uit hoofdzakelijk bomen al dan niet met een stamdiameter > 95 cm, soms in combinatie met een onderbegroeiing van struiken en kruiden met een oppervlakte van minimaal 150m2; d.bijzondere bomen: monumentale of waardevolle bomen, herdenkingsbomen of bomen van een bijzondere soort; e.dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand.
2.In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: kappen, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
3.Voor het bepalen van de stamomtrek geldt: a.de stamomtrek van de stam 1.30 m. boven het maaiveld; b.bij meerstammigheid de diameter van de dikste stam.
Artikel4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1.Het college stelt een lijst met bijzondere bomen vast.
Het college stelt een kaart vast waarop gebieden zijn aangewezen.
3.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen.
4.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a.de natuurwaarde van de houtopstand; b.de landschappelijke waarde van de houtopstand; c.de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e.de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f.de vitaliteit van de houtopstand; of g.de monumentale waarde van de houtopstand.
5.Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de in het vierde lid genoemde belangen.
6.Het verbod is niet van toepassing op: a.dode bomen; b.bomen die een stamomtrek hebben van minder dan 95 centimeter, c.bomen die geen eigendom zijn van de gemeente en niet zijn gelegen binnen de op de kaart aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits de stamomtrek van de boom kleiner is dan 160 centimeter; d.bomen die eigendom zijn van de gemeente, en niet vallen binnen de op de kaart aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits de boom niet staat op de lijst van bijzondere bomen, zoals bedoeld in lid 1; e.wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; f.fruitbomen die deel uitmaken van een bedrijfsmatige exploitatie en windschermen om boomgaarden; g.naaldbomen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in bijzonder bestemde terreinen; h.kweekgoed; i.houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; j.houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:
Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
Artikel4:12Bijzondere vergunningsvoorschriften
1.Het college kan aan de vergunning een herplantplicht verbinden.
2.Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het college aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat een financiële compensatie moet worden betaald in het belang van de instandhouding van het bomenbestand.
3.Het college kan aan de vergunning het voorschrift verbinden dat niet eerder wordt geveld dan nadat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, is verleend en er zes weken na bekendmaking van de omgevingsvergunning zijn verstreken en er gedurende die periode geen voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter is aangevraagd ter schorsing van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Indien er gedurende deze periode van zes weken wel een verzoek om voorlopige voorziening is aangevraagd dan mag pas van de vergunning worden gebruik gemaakt nadat op het verzoek negatief is beslist dan wel bij toewijzing van het verzoek, de schorsing is beëindigd.
Artikel4:12A Herplant- en instandhoudingplicht
1.Wanneer houtopstand zonder vereiste vergunning als bedoeld in artikel 4:11 is geveld, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen tot herplant.
2.Artikel 4:12 tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel4:12B Schadevergoeding
Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6.3 juncto artikel 3.29 van de Wet Natuurbescherming.
Artikel4:12C Bestrijding iepziekte
1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of vermeerdering van iepenspintkevers, kan het college de rechthebbende aanschrijven om: a.de iepen te vellen indien deze in de grond staan; b.de iepen zo nodig te ontschorsen en de schors te vernietigen; c.de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, te hebben. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
1.Het is verboden op een van de weg zichtbare plaats aanwezig te hebben: a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; c.kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 en vaartuigen, of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Milieuverordening.
Artikel4:14(Vervallen)
Artikel4:15Reclame
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf een openbare plaats zichtbaar is.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: a.opschriften, aankondigingen en afbeeldingen gericht op het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, dan wel deel uitmakend van een etalageopstelling; b.opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door het college; c.opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: