Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsverordening provincie Groningen (Groningen)

Waar gaat deze regeling over?

Deze verordening stelt regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen, met als doel het waarborgen van veiligheid, gezondheid, milieubescherming en het behoud van cultureel erfgoed en natuur. Het reguleert onder andere waterkeringen, waterbeheer en geluidsoverlast.

Voor wie: Bestuursorganen van gemeenten en waterschappen in de provincie Groningen; Inwoners en bedrijven die activiteiten uitvoeren binnen de provincie Groningen, met name in gebieden die grenzen aan regionale wateren, aardbevingsgebieden en buitengebieden.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
360
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De toepassing van regels op het gehele grondgebied van de provincie Groningen, tenzij anders aangegeven.
  • De doelen van de omgevingsverordening, zoals veiligheid, gezondheid, milieubescherming en natuurbescherming.
  • Omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen en de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren.
  • Omgevingswaarden en instructieregels voor geluid veroorzaakt door activiteiten, inclusief windparken.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Bestuursorganen van gemeenten en waterschappen in de provincie Groningen.
  • Inwoners en bedrijven die activiteiten uitvoeren binnen de provincie Groningen, met name in gebieden die grenzen aan regionale wateren, aardbevingsgebieden en buitengebieden.

Wat zijn de kernpunten?

  • Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van instructieregels op verzoek van een gemeente of waterschap, indien de taak of bevoegdheid onevenredig wordt belemmerd.
  • De maatgevende hoogwaterstanden voor regionale waterkeringen worden iedere zes jaar vastgesteld door Gedeputeerde Staten.
  • Voor beschermd gebied A geldt een omgevingswaarde van 1:1000 voor de veiligheid van regionale waterkeringen; voor gebied B 1:300; en voor gebieden C en D 1:100.
  • De omgevingswaarde voor gecumuleerd geluid binnen de invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is maximaal 65 dB LCUM.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (360)
  1. Artikel 1.1 Werkingsgebieden algemeen
  2. Artikel 1.2 Begripsbepalingen
  3. Artikel 1.3 Ontheffing
  4. Artikel 2.1 Doelen van de omgevingsverordening
  5. Artikel 2.2 Veiligheid regionale waterkeringen
  6. Artikel 2.3 Aanwijzing en geometrische begrenzing
  7. Artikel 2.4 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  8. Artikel 2.5 Uitvoering omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  9. Artikel 2.6 Aanwijzing en begrenzing gebieden die grenzen aan regionale wateren
  10. Artikel 2.7
  11. Artikel 2.8
  12. Artikel 2.9 Oogmerk
  13. Artikel 2.10
  14. Artikel 2.11 Omgevingswaarde gecumuleerd geluid
  15. Artikel 2.12 Instructieregel gecumuleerd geluid
  16. Artikel 2.13 Aanwijzing en geometrische begrenzing windparken
  17. Artikel 2.14 Waarden geluid voor windparken
  18. Artikel 3.1 Toepassingsbereik
  19. Artikel 3.2 Toepassingsbereik
  20. Artikel 3.3 Oogmerken
  21. Artikel 3.4 Aanwijzing en geometrische begrenzing
  22. Artikel 3.5 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten
  23. Artikel 3.6 Instructieregel beeldbepalende of karakteristieke gebouwen
  24. Artikel 3.7 Instructieregel inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebie
  25. Artikel 3.8 Instructieregel
  26. Artikel 3.9 Maatwerkmethode
  27. Artikel 3.10 Toepassingsbereik
  28. Artikel 3.11 Oogmerken
  29. Artikel 3.12 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten
  30. Artikel 3.13 Instructieregel stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied
  31. Artikel 3.14 Instructieregel toegelaten voorzieningen
  32. Artikel 3.15 Instructieregel proefprojecten bijzondere woonvormen in het buitengebi
  33. Artikel 3.16 Instructieregel gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied
  34. Artikel 3.17 Instructieregel bouwactiviteiten vrijgekomen gebouwen in het buitengeb
  35. Artikel 3.18
  36. Artikel 3.19
  37. Artikel 3.20 Instructieregel beoordelingsregels ruimte voor ruimte regeling
  38. Artikel 3.21 Instructieregel ruimte voor ruimte regeling en relatie tot woonvisie
  39. Artikel 3.22 Instructieregel reclamemasten buitengebied
  40. Artikel 3.23
  41. Artikel 3.24
  42. Artikel 3.25
  43. Artikel 3.26 Toepassingsbereik
  44. Artikel 3.27 Oogmerken
  45. Artikel 3.28 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten
  46. Artikel 3.29 Instructieregel woningbouw 1
  47. Artikel 3.30 Instructieregel woningbouw 2
  48. Artikel 3.31 Aanwijzing en geometrische begrenzing gebied met potentiële bedrijvent
  49. Artikel 3.32 Instructieregel bedrijventerrein
  50. Artikel 3.33
  51. Artikel 3.34 Instructieregel factory outlet center
  52. Artikel 3.35 Instructieregel permanente bewoning van recreatieverblijven
  53. Artikel 3.36 Instructieregel nieuwe recreatiebungalowparken en uitbreiding bestaand
  54. Artikel 3.37 Instructieregel bedrijfsmatige exploitatie recreatiebungalowparken
  55. Artikel 3.38
  56. Artikel 3.39 Instructieregel gecumuleerde geluid
  57. Artikel 3.40 Instructieregel bepaling geluidbelasting door windturbines in de aange
  58. Artikel 3.41 Oogmerk
  59. Artikel 3.42 Toepassingsbereik
  60. Artikel 3.43 Aanwijzing en geometrische begrenzing
  61. Artikel 3.44 Immissiewaarde geur Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl
  62. Artikel 3.45 Instructieregel vergunningsplicht bij milieubelastende activiteiten di
  63. Artikel 3.46 Oogmerken
  64. Artikel 3.47 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten
  65. Artikel 3.48 Instructieregel concentratie van bebouwing binnen bouwperceel
  66. Artikel 3.49 Instructieregel nieuwe agrarische bouwpercelen
  67. Artikel 3.50 Instructieregel maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 2 hectare
  68. Artikel 3.51 Instructieregel maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 4 hectare
  69. Artikel 3.52 Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare
  70. Artikel 3.53 Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen door koppeling
  71. Artikel 3.54 Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare
  72. Artikel 3.55 Instructieregel afwijkende regeling gemeente Westerwolde
  73. Artikel 3.56
  74. Artikel 3.57 Instructieregel opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwpe
  75. Artikel 3.58
  76. Artikel 3.59 Instructieregel foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel
  77. Artikel 3.60 Instructieregel mestsilo's op de veldkavel
  78. Artikel 3.61 Instructieregel nieuwe glastuinbouwbedrijven niet toegestaan
  79. Artikel 3.62 Instructieregel uitbreiding bestaande glastuinbouwbedrijven
  80. Artikel 3.63 Instructieregel nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven
  81. Artikel 3.64
  82. Artikel 3.65
  83. Artikel 3.66 Aanwijzing en instructieregel afwijkende regeling perceel Veenhuizen 1
  84. Artikel 3.67 Overgangsrecht perceel Alteveersterweg 6 te Stadskanaal
  85. Artikel 3.68 Gereserveerd (ten behoeve van stalderen)
  86. Artikel 3.69 Instructieregel gestapeld houden van vee
  87. Artikel 3.70 Instructieregel tweede agrarische bedrijfswoningen
  88. Artikel 3.71 Oogmerken
  89. Artikel 3.72 Instructieregel stilte
  90. Artikel 3.73 Instructieregel duisternis
  91. Artikel 3.74 Instructieregel lichtuitstraling ligboxenstal
  92. Artikel 3.75 Aanwijzing en geometrische begrenzing stiltegebieden en aandachtsgebie
  93. Artikel 3.76 Instructieregel stiltegebieden
  94. Artikel 3.77 Instructieregel aandachtsgebieden stilte en duisternis
  95. Artikel 3.78 Instructieregel lichtplan aandachtsgebieden stilte en duisternis
  96. Artikel 3.79 Instructieregel cumulatieve geluidsbelasting aandachtsgebieden stilte
  97. Artikel 3.80 Toepassingsbereik
  98. Artikel 3.81 Oogmerken
  99. Artikel 3.82 Aanwijzing en begrenzing Nationaal Landschap Middag-Humsterland
  100. Artikel 3.83 Instructieregel Nationaal Landschap Middag-Humsterland
  101. Artikel 3.84 Aanwijzing en instructieregel Nationaal Park Drentscha Aa
  102. Artikel 3.85 Aanwijzing en instructieregel Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa
  103. Artikel 3.86 Aanwijzing en instructieregel grootschalig open landschap
  104. Artikel 3.87 Aanwijzing en instructieregel essen
  105. Artikel 3.88 Aanwijzing en instructieregel esgehuchten
  106. Artikel 3.89 Aanwijzing en instructieregel wierden
  107. Artikel 3.90 Aanwijzing en instructieregel zones rond wierden
  108. Artikel 3.91 Aanwijzing en instructieregel kanalen en wijken
  109. Artikel 3.92 Aanwijzing en instructieregel houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartie
  110. Artikel 3.93 Aanwijzing en instructieregel pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier
  111. Artikel 3.94 Aanwijzing en instructieregel besloten en kleinschalig open gebied Gor
  112. Artikel 3.95 Aanwijzing en instructieregel pingoruïnes Gorecht
  113. Artikel 3.96 Aanwijzing en instructieregel glaciale ruggen
  114. Artikel 3.97 Aanwijzing en instructieregel gebieden met reliëfinversie
  115. Artikel 3.98 Aanwijzing en instructieregel dekzandruggen
  116. Artikel 3.99 Aanwijzing en instructieregel oude dijken
  117. Artikel 3.100 Aanwijzing en instructieregel karakteristieke waterlopen
  118. Artikel 3.101 Aanwijzing en instructieregel karakteristieke laagten
  119. Artikel 3.102 Aanwijzing en instructieregel diepe plassen en meren
  120. Artikel 3.103 Aanwijzing en instructieregel groene linten
  121. Artikel 3.104 Aanwijzing en instructieregel Waddenzee
  122. Artikel 3.105 Instructieregel aanleg van bos en productiebos
  123. Artikel 3.106 Aanwijzing en instructieregel landschap met herkenbare opstrekkende ve
  124. Artikel 3.107 Aanwijzing en instructieregel landschap met herkenbare onregelmatige b
  125. Artikel 3.108 Aanwijzing en instructieregel karakteristieke slotenpatroon Appingedam
  126. Artikel 3.109 Toepassingsbereik
  127. Artikel 3.110 Oogmerken
  128. Artikel 3.111 Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden
  129. Artikel 3.112 Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden
  130. Artikel 3.113 Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsg
  131. Artikel 3.114 Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden
  132. Artikel 3.115 Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden
  133. Artikel 3.116 Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden
  134. Artikel 3.117 Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsg
  135. Artikel 3.118 Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden
  136. Artikel 3.119 Aanwijzing en begrenzing zoekgebied robuuste verbindingszone
  137. Artikel 3.120 Instructieregel zoekgebied robuuste verbindingszone
  138. Artikel 3.121 Aanwijzing en begrenzing bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwe
  139. Artikel 3.122 Instructieregel bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederl
  140. Artikel 3.123 Aanwijzing en begrenzing leefgebieden weidevogels
  141. Artikel 3.124 Instructieregel leefgebieden weidevogels
  142. Artikel 3.125 Aanwijzing en begrenzing leefgebieden akkervogels
  143. Artikel 3.126 Instructieregel leefgebieden akkervogels
  144. Artikel 3.127 Aanwijzing en begrenzing bosgronden van vóór 1850
  145. Artikel 3.128 Instructieregel natuurbegraven
  146. Artikel 3.129 Instructieregel asverstrooiing
  147. Artikel 3.130 Instructieregel omgevingsvergunning
  148. Artikel 3.131 Instructieregel bronverwijdering
  149. Artikel 3.132 Toepassingsbereik
  150. Artikel 3.133 Oogmerken
  151. Artikel 3.134 Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale va
  152. Artikel 3.135 Aanwijzing en geometrische begrenzing Basistoervaartnet
  153. Artikel 3.136 Instructieregel Basistoervaartnet
  154. Artikel 3.137 Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale we
  155. Artikel 3.138 Instructieregel oprichten werken
  156. Artikel 3.139 Instructieregel plaatsen voorwerpen
  157. Artikel 3.140 Instructieregel aanleggen openbare wegen en kunstwerken
  158. Artikel 3.141 Aanwijzing en geometrische begrenzing gereserveerd tracé spoorverbindi
  159. Artikel 3.142 Instructieregel gereserveerd tracé spoorverbinding
  160. Artikel 3.143 Aanwijzing en geometrische begrenzing zoekgebied spoorverbinding
  161. Artikel 3.144 Instructieregel zoekgebied spoorverbinding
  162. Artikel 3.145 Aanwijzing en geometrische begrenzing gereserveerd tracé wegverbinding
  163. Artikel 3.146 Instructieregel gereserveerd tracé wegverbinding
  164. Artikel 3.147 Aanwijzing transportroutes externe veiligheid
  165. Artikel 3.148 Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 1
  166. Artikel 3.149 Instructieregel Veiligheidszone 1
  167. Artikel 3.150 Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 2
  168. Artikel 3.151 Instructieregel Veiligheidszone 2
  169. Artikel 3.152 Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 3
  170. Artikel 3.153 Instructieregel Veiligheidszone 3
  171. Artikel 3.154 Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 4
  172. Artikel 3.155 Instructieregel Veiligheidszone 4
  173. Artikel 3.156 Toepassingsbereik
  174. Artikel 3.157 Oogmerken
  175. Artikel 3.158 Instructieregel radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en
  176. Artikel 3.159 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten
  177. Artikel 3.160 Aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden proefprojecten kleine w
  178. Artikel 3.161 Instructieregel oprichting van nieuwe windturbines
  179. Artikel 3.162
  180. Artikel 3.163 Aanwijzing en geometrische begrenzing concentratiegebieden grootschali
  181. Artikel 3.164 Instructieregel grootschalige windenergie
  182. Artikel 3.165 Aanwijzing en instructieregel zoekgebied windenergie Roodehaan
  183. Artikel 3.166 Aanwijzing en geometrische begrenzing testveld onderzoeksturbines
  184. Artikel 3.167 Instructieregel testveld onderzoeksturbines
  185. Artikel 3.168 Aanwijzing en geometrische begrenzing gebied tijdelijkheid windenergie
  186. Artikel 3.169 Instructieregel gebied tijdelijkheid windenergie
  187. Artikel 3.170 Aanwijzing en begrenzing testveld prototype offshore testturbines
  188. Artikel 3.171 Instructieregel testveld prototype offshore testturbines
  189. Artikel 3.172 Aanwijzing en geometrische begrenzing zoekgebied vervanging windturbin
  190. Artikel 3.173
  191. Artikel 3.174 Instructieregel vervanging van windturbines in een park- of lijnopstel
  192. Artikel 3.175 Instructieregel vervanging van windturbines binnen het zoekgebied verv
  193. Artikel 3.176 Oogmerken
  194. Artikel 3.177 Aanwijzing en geometrische begrenzing zonneparken
  195. Artikel 3.178 Instructieregel zonneladder
  196. Artikel 3.179 Instructieregel zonneparken - toegelaten gebieden
  197. Artikel 3.180 Instructieregel zonneparken - voorwaarden
  198. Artikel 3.181 Oogmerken
  199. Artikel 3.182 Instructieregel biomassavergistingsinstallaties en mestvergistingsinst
  200. Artikel 3.183 Toepassingsbereik
  201. Artikel 3.184 Oogmerken
  202. Artikel 3.185 Aanwijzing en geometrische begrenzing waterkeringszones van primaire w
  203. Artikel 3.186 Instructieregel waterkeringszones van primaire waterkeringen
  204. Artikel 3.187 Aanwijzing en geometrische begrenzing profiel van vrije ruimte van pri
  205. Artikel 3.188 Instructieregel profiel van vrije ruimte van primaire waterkeringen
  206. Artikel 3.189 Aanwijzing en geometrische begrenzing bebouwingszone van primaire wate
  207. Artikel 3.190 Instructieregel bebouwingszone van primaire waterkeringen
  208. Artikel 3.191 Aanwijzing en geometrische begrenzing beschermingszone van primaire wa
  209. Artikel 3.192 Instructieregel beschermingszone
  210. Artikel 3.193 Toepassingsbereik
  211. Artikel 3.194 Oogmerken
  212. Artikel 3.195 Aanwijzing en geometrische begrenzing bergingsgebieden
  213. Artikel 3.196 Instructieregel bergingsgebieden
  214. Artikel 3.197 Aanwijzing en geometrische begrenzing noodbergingsgebieden
  215. Artikel 3.198 Instructieregel noodbergingsgebieden
  216. Artikel 3.199 Aanwijzing en geometrische begrenzing zoekgebieden noodberging
  217. Artikel 3.200 Instructieregel zoekgebieden noodberging
  218. Artikel 4.1 Normadressaat
  219. Artikel 4.2 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  220. Artikel 4.3 Aanvragen langs elektronische weg
  221. Artikel 4.4 Algemene vereisten meldingen
  222. Artikel 4.5 Wijziging van gegevens
  223. Artikel 4.6 Activiteiten
  224. Artikel 4.7 Oogmerken
  225. Artikel 4.8 Inhoudelijke regels
  226. Artikel 4.9 Activiteiten
  227. Artikel 4.10 Oogmerken
  228. Artikel 4.11 Inhoudelijke regel
  229. Artikel 4.12 Verboden activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis
  230. Artikel 4.13 Specifieke zorgplicht
  231. Artikel 4.14 Activiteiten
  232. Artikel 4.15 Oogmerken
  233. Artikel 4.16 Vrijstelling vergunningplicht schadebestrijding soorten Habitatrichtli
  234. Artikel 4.17 Vrijstelling vergunningplicht andere soorten
  235. Artikel 4.18 Vrijstelling vergunningplicht voor bescherming weidevogels
  236. Artikel 4.19 Vrijstelling vergunningplicht bestrijding overlast andere soorten
  237. Artikel 4.20 Activiteiten
  238. Artikel 4.21 Oogmerken
  239. Artikel 4.22 Gegevens en bescheiden vellen houtopstanden
  240. Artikel 4.23 Eisen aan herbeplantingen
  241. Artikel 4.24 Eisen aan herbeplantingen op andere gronden
  242. Artikel 4.25 Activiteiten
  243. Artikel 4.26 Oogmerken
  244. Artikel 4.27 Algemene regel: overschrijding signaleringsparameters grondwater
  245. Artikel 4.28 Stoffen
  246. Artikel 4.29 Activiteiten
  247. Artikel 4.30 Oogmerken
  248. Artikel 4.31 Aanwijzing en geometrische begrenzing
  249. Artikel 4.32 Aanduiding grondwaterbeschermingszone en waterwingebied
  250. Artikel 4.33 Specifieke zorgplicht grondwaterbeschermingsgebied
  251. Artikel 4.34 Instructieregel grondwaterbeschermingsgebied
  252. Artikel 4.35 Aanwijzing milieubelastende activiteiten waterwingebieden
  253. Artikel 4.36 Uitzonderingen aanwijzing milieubelastende activiteiten waterwingebied
  254. Artikel 4.37 Verboden activiteiten in waterwingebieden
  255. Artikel 4.38 Aanwijzing milieubelastende activiteiten grondwaterbeschermingszones
  256. Artikel 4.39 Uitzonderingen aanwijzing milieubelastende activiteiten grondwaterbesc
  257. Artikel 4.40 Vergunningplichtige gevallen in grondwaterbeschermingszones
  258. Artikel 4.41 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwaterbeschermingszones
  259. Artikel 4.42 Aanwijzing milieubelastende activiteiten in gebieden met verbod op fys
  260. Artikel 4.43 Vergunningplichtige gevallen gebieden met verbod op fysische bodemaant
  261. Artikel 4.44 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebieden met verbod op fysische
  262. Artikel 4.45 Activiteiten
  263. Artikel 4.46 Oogmerken
  264. Artikel 4.47 Aanwijzing en geometrische begrenzing
  265. Artikel 4.48 Specifieke zorgplicht
  266. Artikel 4.49 Omgevingsvergunning
  267. Artikel 4.50 Beoordelingsregel
  268. Artikel 4.51 Aanvraagvereisten
  269. Artikel 4.52 Vergunningvoorschriften
  270. Artikel 4.53 Activiteiten
  271. Artikel 4.54 Oogmerken
  272. Artikel 4.55 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije gevallen ontgrondingsactiviteiten
  273. Artikel 4.56 Uitzondering aanwijzing omgevingsvergunningvrije gevallen
  274. Artikel 4.57 Toepassingsbereik
  275. Artikel 4.58 Oogmerken
  276. Artikel 4.59 Specifieke zorgplicht
  277. Artikel 4.60 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale vaarwegen
  278. Artikel 4.61 Aanwijzing omgevingsvergunningplichtige gevallen provinciale vaarwegen
  279. Artikel 4.62 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit prov
  280. Artikel 4.63 Verhaalplicht
  281. Artikel 4.64 Toepassingsbereik
  282. Artikel 4.65 Oogmerken
  283. Artikel 4.66 Specifieke zorgplicht
  284. Artikel 4.67 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen
  285. Artikel 4.68 Aanwijzing omgevingsvergunningplichtige gevallen provinciale wegen
  286. Artikel 4.69 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit prov
  287. Artikel 4.70 Aanwijzing meldingsplichtige gevallen
  288. Artikel 4.71 Beoordelingsregel toepassing beste beschikbare technieken
  289. Artikel 4.72 Beoordelingsregel afvalpreventie
  290. Artikel 4.73 Aanwijzing en geometrische begrenzing voor verzuring gevoelige gebiede
  291. Artikel 4.74 Gebieden gevoelig voor de effecten van ammoniak
  292. Artikel 4.75 Aanwijzing en geometrische begrenzing invloedsgebieden voor verzuring
  293. Artikel 4.76 Beoordelingsregel starten veehouderij in invloedsgebied voor verzuring
  294. Artikel 4.77 Beoordelingsregel veranderen veehouderij in invloedsgebied voor verzur
  295. Artikel 4.78
  296. Artikel 4.79
  297. Artikel 4.80
  298. Artikel 4.81 Oogmerken
  299. Artikel 4.82 Activiteiten
  300. Artikel 4.83 Aanwijzing en instructieregel functietoedeling
  301. Artikel 4.84 Instructieregel vergunningplicht
  302. Artikel 4.85 Instructieregel aanvraagvereisten
  303. Artikel 4.86 Aanvraagvereisten cumulatie omgevingsveiligheid windparken
  304. Artikel 5.1 Oogmerk
  305. Artikel 5.2 Toepassingsbereik
  306. Artikel 5.3 Normaddressaat
  307. Artikel 5.4 Activiteiten
  308. Artikel 5.5 Sloopverbod in aardbevingsgebied
  309. Artikel 5.6 Reikwijdte voorbeschermingsregels dempen en verondiepen
  310. Artikel 5.7 Diepe plassen en meren regels ter voorbescherming
  311. Artikel 5.8 Karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl regels ter voorbesch
  312. Artikel 5.9 Activiteiten
  313. Artikel 5.10 Oogmerken
  314. Artikel 5.11 Voorbeschermingsregel verbod starten en uitbreiden van intensieve veeh
  315. Artikel 5.12
  316. Artikel 5.13 Voorbeschermingsregel verbod bouw kerncentrales en kolencentrales
  317. Artikel 5.14
  318. Artikel 5.15 Voorbeschermingsregel verbod radioactief afval en ander gevaarlijk afv
  319. Artikel 5.16 Omgevingsvergunning
  320. Artikel 5.17 Bronverwijdering
  321. Artikel 6.1 Toedeling vaarwegbeheer
  322. Artikel 6.2 Aanwijzing bevoegde autoriteit
  323. Artikel 6.3 Delegatie bedieningstijden van bruggen en sluizen
  324. Artikel 6.4 Inhoud waterbeheerprogramma
  325. Artikel 6.5 Voorbereiding waterbeheerprogramma
  326. Artikel 6.6 Uitwerking waterbeheerprogramma
  327. Artikel 6.7 Legger
  328. Artikel 6.8 Peilbesluit
  329. Artikel 6.9 Inhoud peilbesluit
  330. Artikel 6.10 Instructieregel veiligheid regionale waterkeringen
  331. Artikel 6.11 Instructieregel omgevingswaarde regionale waterkeringen
  332. Artikel 6.12 Instructieregel veiligheid regionale wateren
  333. Artikel 6.13 Instructieregel verslag waterschappen
  334. Artikel 6.14 Instructieregel rangorde bij waterschaarste regionale wateren
  335. Artikel 6.15 Instructieregel schutbedrijf bij waterschaarste
  336. Artikel 6.16 Instructieregel grondwaterregister
  337. Artikel 6.17 Instructieregel gegevens wateronttrekkingsactiviteit
  338. Artikel 6.18 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
  339. Artikel 7.1 Faunabeheereenheid
  340. Artikel 7.2 Werkgebied en erkenningsvoorwaarden faunabeheereenheid
  341. Artikel 7.3 Vertegenwoordigde partijen
  342. Artikel 7.4 Voorzitter faunabeheereenheid
  343. Artikel 7.5 Doelstellingen faunabeheerplan
  344. Artikel 7.6 Reikwijdte faunabeheerplan
  345. Artikel 7.7 Geldigheidsduur faunabeheerplan
  346. Artikel 7.8 Inhoud faunabeheerplan
  347. Artikel 7.9 Belangen
  348. Artikel 7.10 Goedkeuring faunabeheerplan
  349. Artikel 7.11 Werkingsgebied wildbeheereenheden
  350. Artikel 7.12 Afbakening werkingsgebied wildbeheereenheden
  351. Artikel 7.13 Organisatie wildbeheereenheid
  352. Artikel 7.14 Samenwerking wildbeheereenheden
  353. Artikel 7.15 Lidmaatschap wildbeheereenheid
  354. Artikel 7.16 Opzegging lidmaatschap
  355. Artikel 7.17 Geschillenregeling opzegging lidmaatschap
  356. Artikel 7.18 Aanvraag om tegemoetkoming schade dieren
  357. Artikel 7.19 Taxatie van de schade
  358. Artikel 8.1 Inwerkingtreding
  359. Artikel 8.2 Citeertitel
  360. Artikel 8.3 Aanpassingstermijn omgevingsplan

/akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706194 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv20/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2024-11-22 2024-11-22 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706194/nld@2024-11-23 /join/id/proces/pv20/2023/3_1032_nieuweregeling /join/id/proces/pv20/2024/3_1036_mutatie 2024-11-23 2025-07-04 2024-11-23 2025-07-04 2024-11-23 2025-07-04 /akn/nl/act/pv20/2023/omgevingsverordening/nld@1036 /akn/nl/act/pv20/2023/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv20/2023/omgevingsverordening/nld@1036 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsverordening provincie Groningen

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1Werkingsgebieden algemeen

De regels in deze verordening zijn van toepassing op het hele grondgebied van de provincie Groningen, tenzij uitdrukkelijk in deze verordening een ander werkingsgebied is aangewezen of begrensd.

Artikel 1.2Begripsbepalingen

1.

Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

2.

De begripsbepalingen van de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing op deze verordening, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 1.3Ontheffing

1.

Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of een waterschap ontheffing verlenen van de instructieregels als de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.

2.

Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is voor de betrokken provinciale belangen.

3.

In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een bepaalde termijn.

Hoofdstuk 2

Doelen

Afdeling 2.1

Maatschappelijke doelen

Artikel 2.1Doelen van de omgevingsverordening

Deze verordening is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de wet, gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed; h. de natuurbescherming; i. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; j. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; k. het beheer van infrastructuur; l. het beheer van watersystemen; m. het beheer van natuurgebieden; en n. het gebruik van bouwwerken.

Afdeling 2.2

Omgevingswaarden

Paragraaf 2.2.1

Veiligheid regionale waterkeringen

Artikel 2.2Veiligheid regionale waterkeringen

De maatgevende hoogwaterstanden worden iedere zes jaar vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.3Aanwijzing en geometrische begrenzing

1.

De regionale waterkeringen zijn aangewezen en geometrisch begrensd in Bijlage 2.

2.

Beschermd gebied A is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

3.

Beschermd gebied B is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

4.

Beschermd gebied C is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

5.

Beschermd gebied D is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 2.4Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

1.

Voor beschermd gebied A dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:1000.

2.

Voor beschermd gebied B dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:300.

3.

Voor beschermd gebied C dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:100.

4.

Voor beschermd gebied D dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:100.

5.

Voor de veiligheid van de gebieden die door regionale waterkeringen worden beschermd geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstanden als bedoeld in Artikel 2.2, waarop de regionale waterkering moet zijn berekend.

6.

De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 2.5Uitvoering omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

1.

Op verzoek van het Waterschapsbestuur kunnen Gedeputeerde Staten instemmen met het op een later moment voldoen aan de in Artikel 2.4 bedoelde omgevingswaarden, als het verzoek voldoende gemotiveerd is en verband houdt met de doorlooptijden van maatregelen die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de omgevingswaarden.

2.

Het waterschap toetst of aan de omgevingswaarden als bedoeld in Artikel 2.4, eerste tot en met vierde lid wordt voldaan.

3.

Het waterschap rapporteert een keer per 6 jaar aan Gedeputeerde Staten over de uitkomsten van de toetsingen als bedoeld in het tweede lid. Het waterschap rapporteert in januari van het betreffende jaar, de eerste rapportage vindt plaats in 2023.

Paragraaf 2.2.2

Bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

Artikel 2.6Aanwijzing en begrenzing gebieden die grenzen aan regionale wateren

1.

Het gebied grasland is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Het gebied akkerbouw is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

3.

Het gebied hoogwaardige glas- en tuinbouw is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

4.

Het bebouwd gebied is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 2.7

Omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht 1.

Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor het gebied grasland een omgevingswaarde van 1:10.

2.

Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor het gebied akkerbouw een omgevingswaarde van 1:25.

3.

Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor het gebied gebied hoogwaardige glas- en tuinbouw een omgevingswaarde van 1:50.

4.

Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor het bebouwd gebied een omgevingswaarde van 1:100.

5.

Voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de bergings- en afvoercapaciteit.

6.

De omgevingswaarden zijn inspanningsverplichtingen.

Artikel 2.8

Instructieregel omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht 1.

Het waterschap toetst of aan de omgevingswaarden als bedoeld in Artikel 2.7, eerste tot en met vierde lid wordt voldaan.

2.

Het waterschap rapporteert één keer per 6 jaar aan Gedeputeerde Staten over de uitkomsten van de toetsingen als bedoeld in het eerste lid. Het waterschap rapporteert in januari van het betreffende jaar, de eerste rapportage vindt plaats in 2027.

Paragraaf 2.2.3

Geluid veroorzaakt door activiteiten

Artikel 2.9Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de leefomgeving.

Artikel 2.10

Aanwijzing en geometrische begrenzing invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl en omgevingswaarde gecumuleerde geluid 1.

De invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Binnen de invloedssfeer plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl geldt een omgevingswaarde voor het gecumuleerde geluid, uitgedrukt in dB LCUM.

Artikel 2.11Omgevingswaarde gecumuleerd geluid

1.

De omgevingswaarde ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen binnen de invloedssfeer plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is maximaal 65 dB LCUM, vastgesteld op de wijze genoemd in Artikel 2.12, lid 1 en 2.

2.

De omgevingswaarden als bedoeld in het eerste lid of Artikel 2.12, worden door Gedeputeerde Staten gemonitord binnen de kaders van de Milieumonitor van de Staat van Groningen.

Artikel 2.12Instructieregel gecumuleerd geluid

1.

Bij de bepaling van het gecumuleerde geluid als bedoeld in Artikel 2.11 wordt betrokken: a. het geluid van de bronsoorten spoorwegverkeer, wegverkeer, luchtvaart, industrie en windturbines, berekend volgens artikel 3.25 van de Omgevingsregeling; en b. het geluid afkomstig van de scheepvaart (LSL) berekend volgens L*SL : 0,975 LSL - 0,7.

2.

Bij de bepaling van het gecumuleerde geluid, als bedoeld in Artikel 2.11, voor geluidgevoelige gebouwen die volgens het omgevingsplan aan de exploitatie van een windpark zijn verbonden, wordt geluid van windturbines niet betrokken.

Artikel 2.13Aanwijzing en geometrische begrenzing windparken

1.

Windpark Eemshaven en Emmapolder is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Windpark Oostpolder is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

3.

Windpark Eemshaven West is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

4.

Windpark Eemshaven Zuidoost is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

5.

Windpark Dijkverbetering is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

6.

Windpark Oosterhorn is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

7.

Windpark Geefsweer is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

8.

Windpark Delfzijl Noord is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

9.

Windpark Delfzijl Zuid is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

10.

Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 2.14Waarden geluid voor windparken

1.

Op de werkingsgebieden als bedoeld in Artikel 2.13 zijn de grenswaarden ten aanzien van geluid, als bedoeld in artikel 5.74 eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing.

2.

De grenswaarden als bedoeld in het eerste lid worden door Gedeputeerde Staten gemonitord binnen de kaders van de Milieumonitor van de Staat van Groningen.

Hoofdstuk 3

Omgevingsplannen en omgevingsvergunningen

Afdeling 3.1

Algemeen

Artikel 3.1Toepassingsbereik

1.

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de motivering en inhoud van omgevingsplannen.

2.

De regels van hoofdstuk 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op: a. een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen; b. een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.

3.

De regels van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een omgevingsplan dat functies aan locaties toewijst waarbij wordt afgeweken van deze verordening ten behoeve van het vastleggen van bestaande bebouwing en bestaand gebruik.

Afdeling 3.2

Omgevingskwaliteit

Artikel 3.2Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplannen in het buitengebied en op omgevingsplannen in het aardbevingsgebied.

Artikel 3.3Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van cultuurhistorisch erfgoed, voor zover het gaat over de hoofdvorm van de karakteristieke en beeldbepalende gebouwen; en b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 3.4Aanwijzing en geometrische begrenzing

1.

Het aardbevingsgebied is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Het buitengebied is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

3.

Het stedelijk gebied is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.5Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

1.

Met het oog op de bescherming van de hoofdvorm van de karakteristieke gebouwen wordt als omgevingsplanactiviteit in ieder geval aangewezen het slopen van een karakteristiek gebouw in het buitengebied of in het aardbevingsgebied.

2.

Het eerste lid geldt niet voor slopen: a. ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel; b. van inpandige delen van een gebouw; c. ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek; d. die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; of e. van gebouwen die op grond van de Erfgoedwet als rijksmonument of als gemeentelijk monument in het omgevingsplan zijn aangewezen en op basis daarvan worden beschermd.

Artikel 3.6Instructieregel beeldbepalende of karakteristieke gebouwen

1.

Een omgevingsplan voor het aardbevingsgebied en een omgevingsplan voor het buitengebied stelt regels ter bescherming van de hoofdvorm van de karakteristieke- en beeldbepalende gebouwen.

2.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op karakteristieke gebouwen kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.5, met een omgevingsvergunning mogelijk maken als is onderzocht of zinvol hergebruik van het gebouw overeenkomstig de toegekende functie of een andere passende functie objectief gezien mogelijk is al dan niet na het treffen van bouwkundige- of bouwtechnische maatregelen aan het gebouw, waarbij de gebruiksfunctie wordt verbeterd of de gebreken in de constructieve veiligheid worden opgeheven.

Artikel 3.7Instructieregel inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en gevolgen voor de fysieke leefomgeving inzicht in: a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied; b. de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied; c. de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en in de wijdere omgeving; d. de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren; en e. de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden

Artikel 3.8Instructieregel

(erf-)inrichtingsplan 1.

De omvang, situering, inrichting en de landschappelijke inpassing van bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, in de omgeving worden vastgelegd in een (erf-)inrichtingsplan, als dat in dit hoofdstuk is voorgeschreven.

2.

Een (erf-)inrichtingsplan komt tot stand met toepassing van de maatwerkmethode met als doel met de initiatiefnemer via keukentafelgesprekken overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van een locatie.

3.

Een omgevingsplan stelt regels die bewerkstelligen dat: a. de bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het (erf-)inrichtingsplan worden gebouwd of aangelegd; en b. de aanleg en instandhouding van de in het (erf-)inrichtingsplan opgenomen (erf)beplanting publiekrechtelijk wordt geborgd.

4.

In het omgevingsplan kan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om het (erf-)inrichtingsplan te wijzigen voor zover het gaat om de (erf-)beplanting, als dit nodig is vanwege onvoorziene omstandigheden en de aanplant- en instandhoudingsverplichtingen niet worden gewijzigd.

Artikel 3.9Maatwerkmethode

1.

Indien in dit hoofdstuk toepassing van de maatwerkmethode, als bedoeld in Artikel 3.8, tweede lid, wordt voorgeschreven, wordt deze toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, tenzij wordt voorgeschreven dat de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

2.

Bij het toepassen van de maatwerkmethode als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met: a. de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur; b. de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande gebouwen; c. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen; d. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en e. het belang van beperking van de nachtelijke lichtuitstraling.

Afdeling 3.3

Verstedelijking van het buitengebied

Artikel 3.10Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplannen in het buitengebied.

Artikel 3.11Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

Artikel 3.12Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

Als omgevingsplanactiviteit wordt in ieder geval aangewezen het ontwikkelen van stedelijke voorzieningen in het buitengebied, voor zover het gaat over: a. niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren; b. voorzieningen voor de uitoefening van detailhandel, zaalsport en vrijetijdsbesteding, dienstverlening of horeca; c. instellingen voor onderwijs, zorg, cultuur of bestuur; of d. andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.13Instructieregel stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan niet voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op locaties die aansluiten op stedelijk gebied en waarvoor geen locatie beschikbaar is in het stedelijk gebied of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen.

Artikel 3.14Instructieregel toegelaten voorzieningen

Een omgevingsplan voor het buitengebied kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor zover het gaat over: a. het clustergewijs plaatsen van antennes of sensoren tot een hoogte van maximaal 3 meter voor wetenschappelijk onderzoek; b. het winnen en opslaan van water, grondwater of delfstoffen; c. voorzieningen voor sport al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen op het gebied van cultuur, educatie, kinderopvang, verenigingsleven voor zover gesitueerd op, of aangrenzend aan een reeds bestaand sportcomplex; d. voorzieningen voor openbaar nut; e. gebouwen en bouwwerken voor terreinonderhoud en ondergeschikte ondersteunende functies op of aangrenzend aan een openbaar toegankelijk park of begraafplaats; f. het plaatsen van meetvoorzieningen, waaronder de oprichting van maximaal zes meetmasten voor certificering van offshore en onshore testturbines en wetenschappelijk onderzoek, op locaties binnen het testveld onderzoekturbines, of het testveld prototype offshore testturbines; g. het gebruik van gronden voor de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen; h. het plaatsen van voorzieningen voor onderzoek naar de opwekking van energie door middel van zweefvliegtuigen, binnen door Gedeputeerde Staten op voordracht van de gemeente in bijlage 2 aan te wijzen en geometrisch te begrenzen gebieden 'onderzoeksgebied opwekking energie door middel van zweefvliegtuigen'; i. kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op gronden met een andere hoofdfunctie voor maximaal 25 kampeermiddelen; of j. paardenbakken voor hobbymatig gebruik.

Artikel 3.15Instructieregel proefprojecten bijzondere woonvormen in het buitengebied

1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor de ontwikkeling van een proefproject bijzondere kleinschalige woonvorm, binnen een door Gedeputeerde Staten aangewezen locatie, mits: a. de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en b. het aantal te realiseren woningen in overeenstemming is met Artikel 3.30.

2.

De aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid, kan geen betrekking hebben op gronden binnen: a.

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebied als bedoeld in Artikel 3.111 ; b.

Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebied als bedoeld in Artikel 3.113 ; c.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden als bedoeld in Artikel 3.115 ; d.

Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebied als bedoeld in Artikel 3.117 ; e.

Zoekgebied robuuste verbindingszone als bedoeld in Artikel 3.119 ; f.

Bos- en natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in Artikel 3.121 .

Artikel 3.16Instructieregel gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor het hergebruik van vrijgekomen gebouwen, mits: a. de functie wonen slechts wordt toegekend aan het hoofdgebouw of een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw of beeldbepalend gebouw; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf; c. bedrijfsactiviteiten worden beperkt tot wat naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is; d. regels worden opgenomen voor de opslag van materialen en goederen op het erf; en e. regels worden opgenomen over de uitoefening van detailhandel.

2.

De regels, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, worden alleen vastgesteld als de omgevingsplanactiviteit past in een woonvisie als bedoeld in Artikel 3.30 of de gemeentelijke omgevingsvisie.

Artikel 3.17Instructieregel bouwactiviteiten vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor zover het gaat over: a. het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van vrijgekomen gebouwen met niet meer dan 20%; b. het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van vrijgekomen gebouwen met meer dan 20%; c. het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van nieuwe gebouwen anders dan vervangende nieuwbouw met niet meer dan 20%; of d. het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van nieuwe gebouwen anders dan vervangende nieuwbouw met meer dan 20%.

2.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid, slechts kan worden verleend als de ruimtelijk relevante kenmerken van de gebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld.

3.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in: a. het eerste lid, aanhef en onder b, slechts kan worden verleend met toepassing van de maatwerkmethode; en b. het eerste lid, aanhef en onder d, slechts kan worden verleend met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 3.18

Instructieregel ruimte voor ruimte regeling vervanging van een niet voor hergebruik geschikt te maken woning 1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor zover het gaat over het bouwen van een woning op een perceel waar al een woning aanwezig is.

2.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid, slechts kan worden verleend als: a. een woning de aanwezige woning vervangt omdat de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschikt is of redelijkerwijs niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort; b. de aanwezige woning wordt gesloopt alsmede de bijbehorende bouwwerken voor zover deze in visueel landschappelijk opzicht niet bij de nieuwe woning passen; c. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing, zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld; en d. over de ruimtelijke inpassing van de bebouwing advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 3.19

Instructieregel ruimte voor ruimte regeling bouw woning ter compensatie van afbraak van voor hergebruik niet geschikt te maken bebouwing Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor het bouwen van een woning voor zover het gaat over: a. één woning ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of niet beeldbepalende bebouwing; b. twee woningen ter compensatie van de afbraak van 2000 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of niet beeldbepalende bebouwing; of c. drie woningen ter compensatie van de afbraak van 3750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of niet beeldbepalende bebouwing.

Artikel 3.20Instructieregel beoordelingsregels ruimte voor ruimte regeling

1.

Een omgevingsplan als bedoeld in Artikel 3.19 stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in Artikel 3.12, slechts kan worden verleend voor zover: a. een te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van een woning op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie een woning mag worden gebouwd; b. de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert; en c. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing, zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld.

2.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid, slechts kan worden verleend als: a. een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast; b. een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en c. de nieuw te bouwen woning, als bedoeld onder b, niet wordt gebouwd binnen:

1.

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebied als bedoeld in Artikel 3.111 ;

2.

Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebied als bedoeld in Artikel 3.113 ;

3.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden als bedoeld in Artikel 3.115 ;

4.

Natuurnetwerk Nederland - beheeraanpassingsgebied als bedoeld in Artikel 3.117 ;

5.

Zoekgebied robuuste verbindingszone als bedoeld in Artikel 3.119 ; of 6.

Bos- en natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in Artikel 3.121 .

Artikel 3.21Instructieregel ruimte voor ruimte regeling en relatie tot woonvisie

De regels, als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, worden alleen vastgesteld als de omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in Artikel 3.12, past in een woonvisie als bedoeld in Artikel 3.30 of de gemeentelijke omgevingsvisie.

Artikel 3.22Instructieregel reclamemasten buitengebied

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor zover het gaat over de mogelijkheid tot het oprichten van een reclamemast met een hoogte van zes meter of minder.

Artikel 3.23

Instructieregel uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in buitengebied tot 20% Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor: a. uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; en b. uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover rekening wordt gehouden met:

1.de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
2.de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
3.een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;
4.het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en 5. het belang van het beperken van nachtelijke lichtuitstraling. c. uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen bij een bestaand woonwagenpark in het buitengebied alsmede de bijbehorende voorzieningen met niet meer dan 20% van het bestaande aantal woonwagenstandplaatsen, voor zover rekening wordt gehouden met:
1.de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
2.de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
3.het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en 4. het aspect nachtelijke uitstraling.

Artikel 3.24

Instructieregel uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in buitengebied met meer dan 20% 1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor: a. uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; of b. uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel voor zover:

1.redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar het bedrijf of de maatschappelijke voorziening is gevestigd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en 2. aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt. c. uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen bij een bestaand woonwagenpark in het buitengebied alsmede de bijbehorende voorzieningen met meer dan 20% van het bestaande aantal woonwagenstandplaatsen, voor zover in de plantoelichting wordt verantwoord dat:
1.redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar de bestaande woonwagenstandplaatsen zijn gesitueerd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en 2. aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat met toepassing van de maatwerkmethode is opgesteld onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en 3. rekening is gehouden met:

I. de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;

II. de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;

III. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de woonwagens;

IV. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en V. het aspect nachtelijke uitstraling.

2.

Een erfinrichtingsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b, sub 2 en onder c, is met toepassing van de maatwerkmethode opgesteld, met dien verstande dat als de omvang van het bouwperceel groter wordt dan 0,5 hectare, deze plaatsvindt onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 3.25

Instructieregel nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het buitengebied 1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor de bouw van maximaal drie nieuwe woningen met bijbehorende bouwwerken voor zover het gaat over: a. een aan deze woning of woningen ruimte biedende open plek binnen een bestaand bebouwingslint of bebouwingscluster; of b. de ruimtelijke afronding van een bestaand bebouwingslint of bebouwingscluster.

2.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid, slechts kan worden verleend als: a. een nieuwe woning leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster, waarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken gebied; en b. de woonbebouwing past in het landschap en het bebouwingsbeeld; en c. over de aanvaardbaarheid advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

3.

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit in overeenstemming is met Artikel 3.30.

Afdeling 3.4

Wonen, werken, recreëren

Paragraaf 3.4.1

Algemeen

Artikel 3.26Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplannen in het buitengebied of het stedelijk gebied.

Artikel 3.27Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

Artikel 3.28Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

Als omgevingsplanactiviteit wordt in ieder geval aangewezen: a. het bouwen van nieuwe woningen; b. de aanleg van een nieuw bedrijventerrein of uitbreiding van een bedrijventerrein; c. vestiging of uitbreiding van afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen; d. de vestiging van een factory outlet center; e. de vestiging of uitbreiding van recreatiebungalowparken; en f. de vestiging of uitbreiding van zelfstandige kampeerterreinen.

Paragraaf 3.4.2

Wonen

Artikel 3.29Instructieregel woningbouw 1

Onverminderd artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan een omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 mogelijk maken.

Artikel 3.30Instructieregel woningbouw 2

Een omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 slechts kan worden verleend als de omgevingsplanactiviteit naar aard, locatie en aantal in overeenstemming is met: a. een onder de vigeur van de Wet ruimtelijke ordening tot stand gekomen gemeentelijke woonvisie, die is afgestemd met de gemeenten binnen de regio waarvan de gemeente deel uitmaakt(e); b. de in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw; c. de tussen betrokken gemeenten en GS gemaakte nadere afspraken over woningbouw; of d. een onder de vigeur van de Omgevingswet tot stand gekomen omgevingsvisie of programma die is afgestemd met gedeputeerde Staten voor wat de ontwikkeling van woningbouwvoorraad betreft.

Paragraaf 3.4.3

Werken

Artikel 3.31Aanwijzing en geometrische begrenzing gebied met potentiële bedrijventerreinen

Het gebied met potentiële bedrijventerreinen is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.32Instructieregel bedrijventerrein

Onverminderd artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan een omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in Artikel 3.28, mogelijk maken voor zover het gaat over: a. nieuwe bedrijfsvestigingsmogelijkheden die passen in een - onder de vigeur van de Wet ruimtelijke ordening - vastgestelde regionale bedrijventerreinenvisie; b. nieuwe bedrijfsvestigingsmogelijkheden die passen in een in regionaal verband afgestemde omgevingsvisie van een gemeente die na 31 december 2009 is heringedeeld; c. nieuwe bedrijfsvestigingsmogelijkheden die passen in een in regionaal verband vastgestelde omgevingsvisie van een gemeenten die niet na 31 december 2009 is heringedeeld; d. een op dat bedrijventerrein gevestigd bestaand bedrijf, waarvoor op het bedrijventerrein geen direct aan het bedrijf aansluitende locatie beschikbaar is en deze niet door herstructurering, revitalisering of intensivering kan worden verkregen; of e. een nieuw bedrijventerrein op een locatie binnen het gebied met potentiële bedrijventerreinen.

Artikel 3.33

Instructieregel afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen 1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 mogelijk maken voor zover het gaat om de vestiging of uitbreiding van een bedrijf waar van derden afkomstige afvalstoffen worden bewerkt, verwerkt, op- of worden overgeslagen en stelt regels over de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen.

2.

Voor zover de regels als bedoeld in het eerste lid de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen niet uitsluiten, stelt het omgevingsplan in ieder geval regels over: a. de locatie waar de afvalstoffen kunnen worden opgeslagen; b. de maximale toegestane hoogte van de opslag van afvalstoffen; c. de in acht te nemen afstand tussen de opslag van afvalstoffen en naastgelegen percelen of objecten.

Artikel 3.34Instructieregel factory outlet center

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 mogelijk maken voor zover het gaat over vestiging van een factory outlet center voor zover deze gelegen is in het stedelijk gebied van de stad Groningen of daarop aansluit.

Paragraaf 3.4.4

Recreëren

Artikel 3.35Instructieregel permanente bewoning van recreatieverblijven

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in de mogelijkheid van gebruik als feitelijk hoofdverblijf van verblijfsruimten waaraan een recreatieve functie is toegedeeld.

Artikel 3.36Instructieregel nieuwe recreatiebungalowparken en uitbreiding bestaande recreatiebungalowparken

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark mogelijk maken met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark.

2.

Een omgevingsplan kan de vestiging van een nieuw recreatiebungalowpark in het buitengebied mogelijk maken of uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark mogelijk maken met een percentage groter dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark, als aan de omvang, situering en inrichting van het park een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt waarvoor de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

3.

Het omgevingsplan borgt de uitvoering van het in het tweede lid bedoelde erfinrichtingsplan overeenkomstig Artikel 3.8, derde en vierde lid.

Artikel 3.37Instructieregel bedrijfsmatige exploitatie recreatiebungalowparken

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een in het buitengebied gelegen bestaand recreatiebungalowpark of voorziet in uitbreiding of nieuwvestiging van een recreatiebungalowpark, stelt regels om de bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen te waarborgen.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen regels ter waarborging van de bedrijfsmatige exploitatie achterwege blijven voor zover het omgevingsplan betrekking heeft op bestaande recreatiewoningen waarop niet reeds een verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van toepassing is.

Artikel 3.38

Instructieregel nieuwe zelfstandige kampeerterreinen en uitbreiding bestaande zelfstandige kampeerterreinen 1.

Een omgevingsplan voor het buitengebied kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.28 mogelijk maken voor zover het gaat om uitbreiding van een bestaand zelfstandig kampeerterrein met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het kampeerterrein.

2.

Een omgevingsplan voor het buitengebied kan de vestiging van een nieuw zelfstandig kampeerterrein mogelijk maken of uitbreiding van een bestaand zelfstandig kampeerterrein mogelijk maken met een percentage groter dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het zelfstandig kampeerterrein, als aan de omvang, situering en inrichting van het park een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

3.

Het omgevingsplan stelt regels die bewerkstelligen dat: a. eventuele bebouwing en voorzieningen die geen bouwwerken zijn slechts overeenkomstig het erfinrichtingsplan kunnen worden gebouwd of aangelegd; en b. de aanleg en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting publiekrechtelijk wordt geborgd.

Paragraaf 3.4.5

Geluid

Artikel 3.39Instructieregel gecumuleerde geluid

Gelet op het beschermen van het milieu voorziet een omgevingsplan in het gebied aangeduid in artikel 2.10, eerste lid, in omgevingswaarden ten aanzien van geluid volgens artikel 2.10, tweede lid en artikel 2.11, eerste lid.

Artikel 3.40Instructieregel bepaling geluidbelasting door windturbines in de aangewezen windparken

1.

Bij de vaststelling van de normen volgens artikel 5.74 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan, dient te worden bepaald dat álle turbines binnen elk van de windparken, zoals deze afzonderlijk zijn aangewezen in Artikel 2.13 , gezamenlijk dienen te voldoen aan die normen.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan een hogere opgetelde geluidbelasting veroorzaakt door meerdere van de windparken als bedoeld in Artikel 2.13 , toelaatbaar zijn, mits het gecumuleerde geluid op het betreffende geluidgevoelig gebouw niet hoger wordt dan 65 dB LCUM.

3.

Als een bestaand windpark slechts deels wordt vervangen, dan dienen in afwijking van Artikel 2.11, de volgende turbines samen te voldoen aan de normen van artikel 5.74 van het Besluit kwaliteit leefomgeving: a. de nieuw te plaatsen turbine(s); b. alle turbines binnen dat park waarvan de vergunning c.q. melding van of na 1 januari 2011 is; en c. alle turbines binnen dat park waarvan de vergunning c.q. melding van voor 1 januari 2011 is, maar tot dezelfde inrichting behoren als de nieuwe inrichting.

Paragraaf 3.4.6

Geur

Artikel 3.41Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu voor wat betreft het oplossen van ernstige industriële geurhinder en het voorkomen van nieuwe industriële geurhinder op geurgevoelige gebouwen.

Artikel 3.42Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (potentieel) geurrelevante industriële milieubelastende activiteiten, niet zijnde de milieubelastende activiteiten als bedoeld in paragrafen 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, 3.6.5 en 3.6.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en communale rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Artikel 3.43Aanwijzing en geometrische begrenzing

Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.44Immissiewaarde geur Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl

1.

In het Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl mag de geurbelasting van een bedrijf als gevolg van een (wijziging van een) milieubelastende activiteit die een toename van de geuremissie met zich meebrengt en die is gestart na 19 april 2017, niet meer zijn dan 0,25 ouE/m3 als 98 percentiel op geurgevoelige gebouwen.

2.

In het Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl wordt een (wijziging van een) milieubelastende activiteit die een toename van de geuremissie met zich meebrengt en die is gestart na 19 april 2017, niet toegestaan als voor dit bedrijf al een geurimmissie bij geurgevoelige gebouwen van 0,25 ouE/m3 als 98 percentiel of meer is toegestaan.

3.

De algemeen gehanteerde onzekerheidsfactor 2 is verdisconteerd in de norm als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

Als met toepassing van BBT een lagere geurbelasting haalbaar is, worden deze technieken vastgelegd in de vergunning.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op geurgevoelige gebouwen op bedrijventerreinen en eigen bedrijfswoningen.

Artikel 3.45Instructieregel vergunningsplicht bij milieubelastende activiteiten die geurrelevant kunnen zijn

1.

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl voorziet in een verbod om zonder omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten te verrichten die geurrelevant kunnen zijn op geurgevoelige gebouwen in het geval dat er een omgevingswaarde industriële geur is vastgesteld in het omgevingsplan.

2.

Voor de bepaling van welke activiteiten geurrelevant kunnen zijn moet gebruik gemaakt worden van de methodiek als bedoeld in Bijlage 9.

3.

De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien met organisatorische en/of technische maatregelen met een ander oogmerk dan geur wordt voorkomen dat geur buiten de inrichting waarneembaar is.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op geurgevoelige gebouwen op bedrijventerreinen en eigen bedrijfswoningen.

Afdeling 3.5

Agrarische bedrijven

Artikel 3.46Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; en c. het beschermen van het milieu.

Artikel 3.47Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

Als omgevingsplanactiviteit wordt aangewezen het ontwikkelen van agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer.

Artikel 3.48Instructieregel concentratie van bebouwing binnen bouwperceel

1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.47 , uitsluitend mogelijk maken binnen een agrarisch bouwperceel.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bestaande solitair gesitueerde bedrijfsbebouwing en bestaande solitair gesitueerde voorzieningen voor de opslag van mest en veevoer; en b. erf- en terreinafscheidingen of schuilstallen voor het niet-bedrijfsmatig houden van vee tot een oppervlakte van maximaal 25 m².

Artikel 3.49Instructieregel nieuwe agrarische bouwpercelen

1.

Een omgevingsplan kan een nieuw agrarisch bouwperceel voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.47 mogelijk maken voor zover het gaat om een volwaardig agrarisch bedrijf dat verplaatst wordt: a. uit het Natuurnetwerk Nederland in de provincie; b. omdat de bestaande bedrijfsvoering aantoonbaar niet kan voldoen aan actuele wettelijke milieuhygiënische normen of omdat de bedrijfsvoering op de oorspronkelijke vestigingslocatie aantoonbaar ernstige overlast veroorzaakt, die niet op een andere manier kan worden tegengegaan; c. omdat een actuele stedelijke ontwikkeling, of aanleg van infrastructuur binnen de provincie Groningen, dan wel de externe veiligheidseisen in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor buisleidingen aan continuering van de bedrijfsvoering in de weg staat; of d. op basis van een door Gedeputeerde Staten vastgestelde specifieke taakstelling tot inplaatsing van agrarische bedrijven.

2.

Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt als voorwaarde dat is aangetoond dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceel gelegen in de nabijheid van de bij het te verplaatsen agrarisch bedrijf in gebruik zijnde gronden.

3.

Aan de omvang, situering, en vormgeving van het nieuwe agrarische bouwperceel, als bedoeld in het eerste lid, ligt een erfinrichtingsplan ten grondslag dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 3.50Instructieregel maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 2 hectare

Een nieuw agrarisch bouwperceel als bedoeld in Artikel 3.49 kan niet groter zijn dan 2 hectare.

Artikel 3.51Instructieregel maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 4 hectare

In afwijking van Artikel 3.50 kan een agrarisch bouwperceel als bedoeld in Artikel 3.49 een omvang hebben van maximaal 4 hectare, indien Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit.

Artikel 3.52Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare

1.

Een omgevingsplan voorziet niet in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan 2 hectare.

2.

Een omgevingsplan voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 1 en 2 hectare, als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode.

Artikel 3.53Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen door koppeling van een agrarisch bouwperceel

1.

In afwijking van Artikel 3.48, eerste lid en Artikel 3.52, eerste lid, kan een omgevingsplan voorzien in de uitbreiding van een agrarisch bedrijf door koppeling van een agrarisch bouwperceel op een locatie waar dat nog niet aanwezig is en die niet aaneengesloten is met een bestaand agrarisch bouwperceel, waarbinnen uitsluitend zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van één agrarisch bedrijf is toegestaan.

2.

Bij de vaststelling van een omgevingsplan wordt objectief aangetoond dat: a. een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel direct aangrenzend aan het bestaand agrarisch bouwperceel niet mogelijk is of een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel noodzakelijk is in verband met het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving; en b. geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceel in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden;

3.

Een omgevingsplan voorziet alleen in uitbreiding als bedoeld in het eerste lid, als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode.

4.

De som van de oppervlakte van de agrarische bouwpercelen ten behoeve van één zelfstandig agrarisch bedrijf mag in totaal niet groter zijn dan 2 hectare of, voor zover de bestaande oppervlakte groter is dan 2 hectare, in totaal niet groter zijn dan de bestaande oppervlakte.

Artikel 3.54Instructieregel uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare

1.

In afwijking van Artikel 3.52 , eerste lid, kan een omgevingsplan voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel met een omvang tussen de 2 en de 4 hectare, voor zover: a.

Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf die een bouwperceel met een omvang groter dan 2 hectare vergt; of b. aangetoond wordt dat vóór 20 maart 2013 als gevolg van toepassing van de maatwerkmethode met de provincie overeenstemming is bereikt over het erfinrichtingsplan, voor zover een periode van minder dan twee jaar is verstreken tussen de datum waarop met de provincie overeenstemming over de bedrijfsontwikkeling is bereikt en de datum van de aanvraag om planwijziging of een omgevingsvergunning.

2.

Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 2 en 4 hectare, als: a. daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; b. de bedrijfsvoering voldoet aan het Groninger Verdienmodel.

Artikel 3.55Instructieregel afwijkende regeling gemeente Westerwolde

1.

Artikel 3.49en Artikel

3.52 zijn niet van toepassing op een omgevingsplan van de gemeente Westerwolde dat voorziet in een nieuw agrarisch bouwperceel of uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel ten behoeve van respectievelijk de vestiging en uitbreiding van een melkrundveehouderijbedrijf, waarvoor vóór 20 maart 2013 een omgevingsvergunning is aangevraagd en de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

2.

Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat regels op grond waarvan: a. de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen gebouwen zijnde, slechts overeenkomstig het bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag om een omgevingsvergunning gevoegde erfinrichtingsplan worden gebouwd; b. de realisering en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd; en c. ter compensatie van een nieuw agrarisch bouwperceel, de agrarische functie van de percelen aan de J. Buiskoolweg 13, 17 en 19 in het omgevingsplan komt te vervallen en het gebruik en de inrichting van deze percelen overeenkomstig het bij de betrokken aanvraag om omgevingsvergunning gevoegde document 'Uitwerking erven' wordt geborgd.

3.

Het omgevingsplan borgt de uitvoering van het in het tweede lid bedoelde erfinrichtingsplan overeenkomstig Artikel 3.8, derde en vierde lid.

Artikel 3.56

Instructieregel gebruiken van op 50 meter afstand of minder van elkaar gelegen agrarisch bouwpercelen voor het oprichten of vergroten agrarische bedrijfsbebouwing 1.

Een omgevingsplan stelt regels die het verbieden om gronden die binnen een agrarisch bouwperceel dat op 50 meter of minder is gelegen van een ander agrarisch bouwperceel te gebruiken voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing, niet zijnde bestaande agrarische bedrijfsbebouwing, indien de bouwpercelen gelet op hun organisatorische, functionele of technische verbondenheid, tot hetzelfde bedrijf behoren en de gezamenlijke oppervlakte van de bouwpercelen meer bedraagt dan 1 hectare.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover bedoelde gronden aantoonbaar reeds vóór 20 november 2016 in eigendom waren bij één eigenaar en binnen één bedrijfsvoering mochten worden gebruikt, en vóór 20 november 2019 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing is ingediend.

3.

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan mogelijk maken dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend indien de gezamenlijke oppervlakte van beide bouwpercelen niet meer bedraagt dan maximaal 2 hectare, en: a. er sprake is van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf of een intensief veehouderijbedrijf, mits de uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij:

1.noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu; of 2. bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben en het aantal te houden dieren zoals is vergund niet toeneemt; b. de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; c. aan de omvang, situering en vormgeving van de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met:
1.de historisch gegroeide landschapsstructuur;
2.de afstand tot andere ruimtelijke elementen;
3.een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;
4.het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen, op de bouwpercelen worden gesloopt;
5.het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;
6.het aspect nachtelijke lichtuitstraling; d. in de vorm van een voorwaarde bij de omgevingsvergunning wordt geborgd dat:
1.de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en aangelegd;
2.erfbeplanting overeenkomstig het erfinrichtingsplan wordt aangelegd en in stand gehouden; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de toereikendheid van de infrastructurele ontsluiting en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.

Gedeputeerde Staten kunnen met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit afwijken van het bepaalde in het eerste en derde lid, indien de gezamenlijke oppervlakte van beide agrarische bouwpercelen meer bedraagt dan 2 hectare tot een maximale omvang van ten hoogste 4 hectare, mits: a. er sprake is van de uitoefening van een melkrundveehouderijbedrijf; b. voor zover er sprake is van een uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte de bedrijfsvoering voldoet aan het Groninger Verdienmodel; c. de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; d. aan de omvang, situering en vormgeving van de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met:

1.de historisch gegroeide landschapsstructuur;
2.de afstand tot andere ruimtelijke elementen;
3.een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;
4.het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen, op de bouwpercelen worden gesloopt;
5.het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;
6.het aspect nachtelijke lichtuitstraling; e. in de vorm van een voorwaarde bij de omgevingsvergunning wordt geborgd dat:
1.de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en aangelegd;
2.erfbeplanting overeenkomstig het erfinrichtingsplan wordt aangelegd en in stand gehouden; f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de toereikendheid van de infrastructurele ontsluiting en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden

Artikel 3.57Instructieregel opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwperceel

In afwijking van artikel 3.49, eerste lid, kan een omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 3.48 mogelijk maken voor het oprichten respectievelijk aanleggen van sleufsilo's, kuilvoerplaten, mestsilo's, foliemestbassins en mestzakken aansluitend op het agrarisch bouwperceel, mits in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat: a. objectief wordt aangetoond dat de opslag van veevoer en mest buiten het bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is; b. een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel of de bestaande bedrijfsbebouwing niet wordt overschreden; c. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; d. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en e. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel, wordt geborgd.

Artikel 3.58

Aanwijzing en begrenzing gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's Het gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.59Instructieregel foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel

In afwijking van Artikel 3.48, eerste lid kan een omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.47 mogelijk maken voor het aanleggen van foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel op een locatie die is gelegen binnen het gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's voor zover in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat: a. wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of b. de voorzieningen alleen mogelijk zijn voor zover:

1.deze noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken;
2.andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;
3.over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en 4. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel wordt geborgd.

Artikel 3.60Instructieregel mestsilo's op de veldkavel

1.

In afwijking van Artikel 3.48, eerste lid, kan een omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.47 mogelijk maken voor het oprichten van mestsilo's op de veldkavel op een locatie die is gelegen binnen het gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's, mits in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat: a. wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het agrarische bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of b. de mestsilo's noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële ontsluitingsroutes ontbreken.

2.

Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend als: a. de bouwhoogte van mestsilo's niet meer zal bedragen dan 2,5 meter; b. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; c. de maatwerkmethode wordt toegepast; en d. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel publiekrechtelijk wordt geborgd.

Artikel 3.61Instructieregel nieuwe glastuinbouwbedrijven niet toegestaan

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied stelt regels die vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven verbieden.

Artikel 3.62Instructieregel uitbreiding bestaande glastuinbouwbedrijven

1.

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied stelt regels die erin voorzien dat de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven maximaal 20% bedraagt van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing die aanwezig was op 17 juni 2009.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied regels bevatten die een uitbreiding toelaten met een percentage van maximaal 50% van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing die aanwezig was op 17 juni 2009, als hiervoor de maatwerkmethode wordt toegepast.

Artikel 3.63Instructieregel nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven

Een omgevingsplan dat aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen toelaat, stelt regels: a. die deze ondergeschikte activiteiten, anders dan het plaatsen van een kampeermiddel, buiten het agrarisch bouwperceel verbieden; b. die voorzien in behoud van de agrarische hoofdfunctie; c. die voorzien in de ondergeschiktheid van de gebouwen en bouwwerken voor de nieuwe ondergeschikte activiteit ten opzichte van de gebouwen en bouwwerken voor de hoofdactiviteit uitgedrukt in een maximale vloeroppervlakte; d. ter bescherming van de bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden; en e. die de uitoefening van detailhandel beperken in de vorm van een maximale vloeroppervlakte.

Artikel 3.64

Instructieregel nieuwvestiging en uitbreiding hoofd- of neventak intensieve veehouderij niet toegestaan Een omgevingsplan stelt regels die de nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij of uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij verbieden.

Artikel 3.65

Instructieregel uitbreiding ten behoeve van aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu of ten behoeve van dierenwelzijn In afwijking van Artikel 3.64 kan een omgevingsplan mogelijk maken dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij als in het omgevingsplan beoordelingsregels worden opgenomen die erin voorzien dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend indien het aantal te houden dieren zoals is vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt en de omgevingsvergunning: a. noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu; of b. bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben.

Artikel 3.66Aanwijzing en instructieregel afwijkende regeling perceel Veenhuizen 18A te Onstwedde

1.

Het gebied 'Afwijkende regeling perceel Veenhuizen 18a te Onstwedde' is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

In afwijking van Artikel 3.64 kan een omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal voorzien in de uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij in het gebied als bedoeld in het eerste lid, mits geborgd is dat: a. de toe te voegen stalvloeroppervlakte niet in gebruik kan worden genomen voordat het intensieve veehouderijbedrijf op het perceel Dorpsstraat 18 te Vriescheloo juridisch en feitelijk definitief is beëindigd; b. het aantal dieren dat vergund is op het perceel Veenhuizen 18A te Onstwedde niet met een groter aantal dieren toeneemt dan vergund was op het perceel Dorpsstraat 18 te Vriescheloo; c. de uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte op het perceel Veenhuizen 18A te Onstwedde bijdraagt aan verduurzaming van de stalruimtes én verbetering van het welzijn van de te houden dieren, waarbij de te houden dieren in ieder geval netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben; en d. vanuit beide bedrijfslocaties de stikstofeffecten op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied afnemen ten opzichte van de stikstofeffecten van de vergunde Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

Artikel 3.67Overgangsrecht perceel Alteveersterweg 6 te Stadskanaal

Als voor 1 januari 2019 een omgevingsplan is vastgesteld dat betrekking heeft op het perceel Alteveersterweg 6 en voorziet in een toename van stalvloeroppervlak ten behoeve van intensieve veehouderij en het vaststellingsbesluit is naar aanleiding van daartegen ingesteld beroep vernietigd, kan een omgevingsplan worden vastgesteld dat voorziet in een stalvloeroppervlakte voor de uitoefening van intensieve veehouderij tot een oppervlakte van maximaal 7500m2, mits geborgd wordt dat het aantal te houden dieren zoals vergund door de gemeente Stadskanaal op 10 juli 2017 niet toeneemt.

Artikel 3.68Gereserveerd (ten behoeve van stalderen)

Artikel 3.69Instructieregel gestapeld houden van vee

Een omgevingsplan stelt regels die erin voorzien dat binnen gebouwen voor een agrarisch bedrijf maximaal één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren.

Artikel 3.70Instructieregel tweede agrarische bedrijfswoningen

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied stelt regels die erin voorzien dat een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf alleen is toegelaten indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

Afdeling 3.6

Landschap

Paragraaf 3.6.1

Stilte en duisternis

Artikel 3.71Oogmerken

De regels van deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het beschermen van de gezondheid, het milieu en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 3.72Instructieregel stilte

In een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied wordt het belang van stilte in het buitengebied betrokken.

Artikel 3.73Instructieregel duisternis

In een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied wordt het belang van duisternis in het buitengebied betrokken.

Artikel 3.74Instructieregel lichtuitstraling ligboxenstal

1.

Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied laat geen nieuwe ligboxenstallen toe waarbinnen de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de stal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling met ten minste 90% reduceren.

Artikel 3.75Aanwijzing en geometrische begrenzing stiltegebieden en aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

1.

De aandachtsgebieden voor stilte en duisternis zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

De stiltegebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.76Instructieregel stiltegebieden

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in een omgevingsplan dat van toepassing is op stiltegebieden rekening gehouden met de in het gebied heersende stilte.

Artikel 3.77Instructieregel aandachtsgebieden stilte en duisternis

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in een omgevingsplan dat van toepassing is op aandachtsgebieden voor stilte en duisternis rekening gehouden met de stilte en duisternis.

Artikel 3.78Instructieregel lichtplan aandachtsgebieden stilte en duisternis

Een omgevingsplan dat van toepassing is op aandachtsgebieden voor stilte en duisternis voorziet erin om in geval van milieubelastende activiteiten met een - potentieel - significante lichtemissie een verplichting op te leggen tot het opstellen van een lichtplan.

Artikel 3.79Instructieregel cumulatieve geluidsbelasting aandachtsgebieden stilte en duisternis

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in een omgevingsplan dat van toepassing is op aandachtsgebieden voor stilte en duisternis rekening gehouden met cumulatie van geluidbelasting.

Paragraaf 3.6.2

Landschappen

Artikel 3.80Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op omgevingsplannen die betrekking hebben op de landschappen die in deze paragraaf zijn aangewezen.

Artikel 3.81Oogmerken

De regels van deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 3.82Aanwijzing en begrenzing Nationaal Landschap Middag-Humsterland

1.

Het Nationaal Landschap Middag-Humsterland is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

De karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar) zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

3.

De karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar) zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

4.

De karakteristieke wegen Nationaal landschap Middag-Humsterland zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.83Instructieregel Nationaal Landschap Middag-Humsterland

1.

Gelet op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen stelt een omgevingsplan over het Nationaal Landschap Middag-Humsterland regels met als strekking het verbieden van het verleggen en dempen van een sloot in karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar) en het wijzigen van het profiel daarvan.

2.

Gelet op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen stelt een omgevingsplan over het Nationaal Landschap Middag-Humsterland regels met als strekking het verbieden zonder omgevingsvergunning van het verleggen en dempen van een sloot in karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar) en het wijzigen van het profiel daarvan verbieden zonder omgevingsvergunning, met als beoordelingsregel dat een omgevingsvergunning alleen verleend wordt indien: a. het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot redelijkerwijs noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; b. bij het verleggen van een (deel van een) sloot een gelijkwaardige sloot wordt aangelegd of aangewezen; c. het verleggen van een (deel van een) sloot de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert; d. het dempen van een (deel van een) sloot gepaard gaat met het realiseren van een compenserende sloot, die de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert; e. het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot alleen plaatsvindt nadat de nieuwe sloot is gerealiseerd, dan wel het realiseren van de nieuwe sloot is geborgd in een uitvoeringsovereenkomst; en f. bij de Gebiedsraad Middag-Humsterland en het waterschap advies is ingewonnen.

3.

Bij het verleggen of dempen van een sloot, als bedoeld in het tweede lid, stelt een omgevingsplan over het Nationaal Landschap Middag-Humsterland regels met als strekking het verbieden van het dempen van verlegde, compenserende en nieuw aangewezen sloten in karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar).

4.

Gelet op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen stelt een omgevingsplan over het Nationaal Landschap Middag-Humsterland regels met als strekking het verbieden van het wijzigen van het beloop van een weg in Karakteristieke wegen Nationaal Landschap Middag- Humsterland.

Artikel 3.84Aanwijzing en instructieregel Nationaal Park Drentscha Aa

1.

Het Nationaal Park Drentsche Aa is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het Nationaal Park Drentsche Aa regels gericht op bescherming van de inrichting van de landgoederen.

Artikel 3.85Aanwijzing en instructieregel Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa

1.

Het Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa langs de snelweg A28 regels gericht op bescherming van het vrije uitzicht vanaf deze weg op het Nationaal Park Drentsche Aa.

Artikel 3.86Aanwijzing en instructieregel grootschalig open landschap

1.

Het grootschalig open landschap is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het grootschalig open landschap regels: a. gericht op bescherming van de landschappelijke openheid; en b. die nieuwe houtteelt en de aanleg van nieuw bos en boomgaarden verbieden.

Artikel 3.87Aanwijzing en instructieregel essen

1.

De essen zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over essen regels: a. gericht op de bescherming van het reliëf van essen voor zover de Erfgoedwet niet in bescherming voorziet; b. gericht op de bescherming van de landschappelijke openheid van essen; en c. die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden verbieden.

3.

Een omgevingsplan kan voorzien in de mogelijkheid dat de essen worden aangevuld als deze aanvulling de landschappelijke en cultuurhistorische waarde ervan versterken..

Artikel 3.88Aanwijzing en instructieregel esgehuchten

1.

De esgehuchten zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over esgehuchten regels: a. gericht op de bescherming van de landschappelijke openheid van esgehuchten; en b. die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden verbieden.

Artikel 3.89Aanwijzing en instructieregel wierden

1.

De wierden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over wierden regels gericht op de bescherming van het reliëf van de wierden voor zover de Erfgoedwet niet in bescherming voorziet.

3.

Een omgevingsplan kan voorzien in de mogelijkheid dat de wierden worden aangevuld om de landschappelijke en cultuurhistorische waarde ervan te versterken.

Artikel 3.90Aanwijzing en instructieregel zones rond wierden

1.

De zones rond wierden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over zones rond wierden regels: a. gericht op de bescherming van landschappelijke openheid binnen de zones rond wierden; en b. die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden binnen de zones rond wierden verbieden.

Artikel 3.91Aanwijzing en instructieregel kanalen en wijken

1.

De kanalen en wijken zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over kanalen en wijken regels gericht op de bescherming van de herkenbaarheid van de kanalen- en wijkenstructuur.

Artikel 3.92Aanwijzing en instructieregel houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier

1.

Het houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier regels: a. gericht op de bescherming van de herkenbare verkaveling en de houtsingels; en b. die het kappen of rooien van houtsingels anders dan ten behoeve van normaal onderhoud verbieden.

Artikel 3.93Aanwijzing en instructieregel pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier

1.

De pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over de pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier regels: a. gericht op bescherming van de pingoruïnes; en b. die het dempen, egaliseren en afschuiven van pingoruïnes verbieden.

Artikel 3.94Aanwijzing en instructieregel besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde

1.

Het besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde is aangewezen in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde regels: a. gericht op bescherming van de houtwallen, houtsingels en meidoornhagen; en b. die het kappen of rooien van de houtwallen, houtsingels en meidoornhagen anders dan ten behoeve van normaal onderhoud verbieden.

Artikel 3.95Aanwijzing en instructieregel pingoruïnes Gorecht

1.

De pingoruïnes Gorecht zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over de pingoruïnes Gorecht regels: a. gericht op de bescherming van de pingoruïnes; en b. die het dempen, egaliseren en afschuiven van pingoruïnes verbieden.

Artikel 3.96Aanwijzing en instructieregel glaciale ruggen

1.

De glaciale ruggen zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over glaciale ruggen regels: a. gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid van de glaciale ruggen; b. over houtteelt en aanleg van bos en boomgaarden; c. die diepploegen verbieden; d. die het afgraven, egaliseren en afschuiven van de glaciale ruggen zonder omgevingsvergunning verbieden; en e. die een beoordelingsregel voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder d, inhouden met de strekking dat een omgevingsvergunning alleen verleend wordt indien de uitvoering van de werkzaamheden niet leidt tot aantasting van de herkenbaarheid van de glaciale rug.

Artikel 3.97Aanwijzing en instructieregel gebieden met reliëfinversie

1.

Gebieden met reliëfinversie zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over gebieden met reliëfinversie regels: a. gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan; b. die het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de inversieruggen verbieden; en c. over houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

Artikel 3.98Aanwijzing en instructieregel dekzandruggen

1.

De dekzandruggen zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over dekzandruggen regels: a. gericht op de bescherming van het reliëf, al dan niet in combinatie met stuifzandreliëf, en de herkenbaarheid daarvan; b. die het diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dekzandruggen verbieden; en c. over houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

Artikel 3.99Aanwijzing en instructieregel oude dijken

1.

De oude dijken zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over oude dijken regels: a. die wijziging van het profiel van de oude dijken of delen of restanten daarvan verbieden; b. die het diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dijkgronden verbieden; c. die het gebruik van de oude dijken anders dan als grasland verbieden; d. die voorkomen dat het gebruik van de oude dijken als waterkering wordt belemmerd; en e. gericht op behoud van de landschapselementen die met de oude dijken samenhangen, waaronder coupures, schotbalkloodsjes en kolken.

3.

Het tweede lid, aanhef en onder a tot en met d, is niet van toepassing indien dit leidt tot onevenredige hinder voor het agrarisch gebruik van gronden.

4.

Een omgevingsplan kan de mogelijkheid bieden het profiel van de oude dijken of delen of restanten daarvan te wijzigen indien deze dient om de landschappelijke en cultuurhistorische waarden daarvan te versterken.

Artikel 3.100Aanwijzing en instructieregel karakteristieke waterlopen

1.

De karakteristieke waterlopen zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over karakteristieke waterlopen regels gericht op de bescherming van het beloop en het profiel van de karakteristieke waterlopen.

Artikel 3.101Aanwijzing en instructieregel karakteristieke laagten

1.

De karakteristieke laagten zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over karakteristieke laagten regels: a. gericht op de bescherming van de karakteristieke laagten die vanuit de natuurlijke oorsprong met een waterloop samenhangen of hebben samengehangen en gericht op de herkenbaarheid van de karakteristieke laagten; en b. die het diepploegen, ophogen, egaliseren en afschuiven van de karakteristieke laagten verbieden.

Artikel 3.102Aanwijzing en instructieregel diepe plassen en meren

1.

De diepe plassen en meren zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of natuurlijke waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over diepe plassen en meren regels: a. die het dempen en het geheel en gedeeltelijk verondiepen van de plassen en meren anders dan ten behoeve van het afwerken van diepe plassen en meren en van aanpassingen aan de oevers verbieden; en b. die voorkomen dat door wijziging van het gebruik van de diepe plassen en meren de ecologische waarden daarvan per saldo significant worden aangetast.

Artikel 3.103Aanwijzing en instructieregel groene linten

1.

De groene linten zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over groene linten regels: a. gericht op bescherming van de bestaande wegbeplanting waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; en b. die onnodige kap voorkomen en verplichten tot herplanting.

Artikel 3.104Aanwijzing en instructieregel Waddenzee

1.

De Waddenzee is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over de Waddenzee regels die exploratie- of exploitatieboringen naar aardgas verbieden.

Artikel 3.105Instructieregel aanleg van bos en productiebos

1.

Een omgevingsplan kan de aanleg van bos en productiebos mogelijk maken, indien: a. per saldo geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande natuur- en landschapswaarden; b. de aanleg van bos of productiebos past in een - op basis van landschap, bodem en water als leidend principe - vastgestelde gemeentelijke omgevingsvisie; en c. de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van landschapsarchitectuur.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan niet voorzien in de aanleg van bos of productiebos voor zover het omgevingsplan betrekking heeft op grootschalige open gebieden, essen, esgehuchten of zones rond wierden, als bedoeld in de artikelen 3.87, 3.88, 3.89 en 3.91 en aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.106Aanwijzing en instructieregel landschap met herkenbare opstrekkende verkaveling

1.

Het landschap met herkenbare en opstrekkende verkaveling is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het landschap met herkenbare en opstrekkende verkaveling regels gericht op bescherming van de herkenbare opstrekkende verkaveling.

Artikel 3.107Aanwijzing en instructieregel landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling

1.

Het landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling regels gericht op de bescherming van de herkenbaarheid van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling.

Artikel 3.108Aanwijzing en instructieregel karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

1.

Het karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

2.

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie bevat een omgevingsplan over het karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl regels: a. gericht op de bescherming van het beloop en het profiel van de karakteristieke sloten; en b. die het verleggen en dempen van de karakteristieke sloten verbieden.

Afdeling 3.7

Natuur

Artikel 3.109Toepassingsbereik

Deze afdeling is onder meer van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan over: a.

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden; b.

Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden; c.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden; d.

Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden; e.

Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland; f.

Zoekgebied robuuste verbindingszones; g.

Leefgebieden weidevogels; en h.

Leefgebieden akkervogels

Artikel 3.110Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. het beheer van natuurgebieden; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 3.111Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden

De Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.112Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden voorziet niet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging leidt tot een significante aantasting van het areaal van deze gronden, of tot een significante aantasting van de in Bijlage 3 beschreven wezenlijke en potentiële kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: a. de wijziging een groot openbaar belang dient en:

1.er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en 2. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of b. de ingreep kleinschalig van aard is en:
1.schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;
2.resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en 3. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

2.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan waarbij wordt voorzien in een wijziging van de functie of de regels als bedoeld in het eerste lid, worden betrokken: a. de aard en omvang van de effect beperkende- en compenserende maatregelen; b. de begrenzing van het compensatiegebied, en c. de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. gronden binnen Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; en b. activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, als landbouw de hoofdfunctie is.

Artikel 3.113Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden

De Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.114Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden voorziet niet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging leidt tot een significante aantasting van het areaal van deze gronden, of tot een significante aantasting van de in Bijlage 3 beschreven wezenlijke en potentiële kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: a. de wijziging een groot openbaar belang dient en:

1.er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en 2. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of b. de ingreep kleinschalig van aard is en:
1.schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;
2.resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en 3. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

2.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan waarbij wordt voorzien in een wijziging van de functie of de regels als bedoeld in het eerste lid, worden betrokken: a. de aard en omvang van de effectbeperkende- en compenserende maatregelen; b. de begrenzing van het compensatiegebied; en c. de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. gronden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; en b. activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, als landbouw de hoofdfunctie is.

Artikel 3.115Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden

De Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.116Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden voorziet niet in wijziging van de functie of wijziging van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging leidt tot een significante aantasting van het areaal van deze gronden, of tot een significante aantasting van de in Bijlage 3 beschreven wezenlijke kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: a. de wijziging een groot openbaar belang dient en:

1.er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en 2. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of b. de ingreep kleinschalig van aard is en:
1.schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;
2.resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en 3. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

2.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden Bij het vaststellen van een omgevingsplan waarbij wordt voorzien in een wijziging van de functie of de regels als bedoeld in het eerste lid, worden betrokken: a. de aard en omvang van de effectbeperkende- en compenserende maatregelen; b. de begrenzing van het compensatiegebied; en c. de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. gronden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; en b. activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, indien landbouw de hoofdfunctie is.

Artikel 3.117Aanwijzing en begrenzing Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden

De Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.118Instructieregel Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden voorziet niet in wijziging van de functie of wijziging van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging leidt tot een significante aantasting van het areaal van deze gronden, of tot een significante aantasting van de in Bijlage 3 beschreven wezenlijke kenmerken en waarden van deze gronden, tenzij: a. de wijziging een groot openbaar belang dient en:

1.er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en 2. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of b. de ingreep kleinschalig van aard is en:
1.schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;
2.resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en 3. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

2.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan waarbij wordt voorzien in een wijziging van de functie of de regels als bedoeld in het eerste lid, worden betrokken: a. de aard en omvang van de effectbeperkende- en compenserende maatregelen; b. de begrenzing van het compensatiegebie; en c. de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

3.

Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden Het eerste lid is niet van toepassing op: a. gronden die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel; en b. activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, indien landbouw de hoofdfunctie is.

Artikel 3.119Aanwijzing en begrenzing zoekgebied robuuste verbindingszone

Het zoekgebied robuuste verbindingszones is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.120Instructieregel zoekgebied robuuste verbindingszone

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het zoekgebied robuuste verbindingszones voorziet niet in wijziging van de functie of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging een significante beperking met zich meebrengt van de mogelijkheid om een hoogwaardige natuurlijk ingerichte ecologische zone van voldoende omvang tussen grotere natuurkernen te creëren en in stand te houden welke tot doel heeft dat soorten zich kunnen verplaatsen van het ene naar het andere natuurgebied.

Artikel 3.121Aanwijzing en begrenzing bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland

Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.122Instructieregel bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland, voorziet niet in wijziging van de functie of wijziging van de regels voor het gebruik van de grond, als door die wijziging significant afbreuk wordt gedaan aan het areaal van deze gronden of aan de actuele natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het bos- of natuurgebied, tenzij: a. er sprake is van een groot openbaar belang en:

1.er geen geschikte alternatieven zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van openbaar belang; en 2. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd; of b. de ingreep kleinschalig van aard is en:
1.schade zoveel mogelijk wordt voorkomen;
2.resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en 3. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

2.

Bij het vaststellen van een omgevingsplan waarbij wordt voorzien in een wijziging van de functie of de regels als bedoeld in het eerste lid, worden betrokken: a. de aard en omvang van de effect beperkende- en compenserende maatregelen; b. de begrenzing van het compensatiegebied, en c. de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

Artikel 3.123Aanwijzing en begrenzing leefgebieden weidevogels

Leefgebieden weidevogels zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.124Instructieregel leefgebieden weidevogels

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen leefgebieden weidevogels, stelt regels waarmee wordt voorkomen dat de actuele waarde van het gebied voor weidevogels ernstig wordt geschaad door aantasting van de landschappelijke openheid, door verstoring van vogels of door aantasting van het areaal, tenzij de schade niet voorkomen kan worden en deze elders wordt gecompenseerd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik.

Artikel 3.125Aanwijzing en begrenzing leefgebieden akkervogels

Leefgebieden akkervogels zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.126Instructieregel leefgebieden akkervogels

1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen leefgebieden akkervogels, stelt regels waarmee wordt voorkomen dat de actuele waarde van het gebied voor akkervogels ernstig wordt geschaad door aantasting van de landschappelijke openheid, door verstoring van vogels of door aantasting van het areaal, tenzij de schade niet voorkomen kan worden en deze elders wordt gecompenseerd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik.

Artikel 3.127Aanwijzing en begrenzing bosgronden van vóór 1850

De gebieden met bosgronden van vóór 1850 zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.128Instructieregel natuurbegraven

1.

Als omgevingsplanactiviteit wordt aangewezen het gebruik van gronden ten behoeve van natuurbegraven.

2.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als: a. het natuurbegraven niet plaatsvindt op gronden binnen bosgronden van vóór 1850, als bedoeld in Artikel 3.127 ; b. aan de natuurbegraafplaats de functie natuur wordt toegekend, met natuurbegraven als ondergeschikte nevenfunctie; c. de vestiging of uitbreiding van de natuurbegraafplaats aantoonbaar gepaard gaat met een netto winst voor de natuurlijke- en landschappelijke waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang; d. aan het plan een inrichtings- en beheerplan ten grondslag ligt dat tot stand is gekomen onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van ecologie en landschapsarchitectuur; en e. de uitvoering van het inrichtings- en beheerplan publiekrechtelijk wordt geborgd.

3.

In een omgevingsplan als bedoeld in het tweede lid wordt rekening gehouden met: a. de gevolgen voor de recreatieve waarde van het betreffende gebied; b. de gevolgen van de voorziene duur van de grafrust voor toekomstige ontwikkelingen; en c. de wijze waarop wordt voorzien in parkeerbehoefte van bezoekers.

Artikel 3.129Instructieregel asverstrooiing

Een omgevingsplan biedt niet de mogelijkheid voor gebruik van gronden ten behoeve van het verstrooien van crematie-as binnen: a.

Natuurnetwerk Nederland, bestaande uit:

1.

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden 2.

Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden 3.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden 4.

Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden b. bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in Artikel 3.121 ; of c. grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in Artikel 4.33.

Afdeling 3.8

Grondwaterverontreiniging

Artikel 3.130Instructieregel omgevingsvergunning

Een omgevingsplan bevat: a. het verbod om zonder omgevingsvergunning een sanering van grondwater te verrichten wanneer een signaleringsparameter als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het grondwater wordt overschreden; b. indieningsvereisten voor de omgevingsvergunning voor de grondwatersanering; c. de termijn en indieningsvereisten voor het indienen van het evaluatieverslag met daarin de eventuele noodzakelijke nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater (nazorgplan); d. een verplichting dat de nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater uitgevoerd en in stand worden gehouden;

Artikel 3.131Instructieregel bronverwijdering

Bij de uitvoering van de milieubelastende activiteiten graven en saneren als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving voorziet een omgevingsplan in een bepaling dat wanneer een signaleringsparameter als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het grondwater wordt overschreden, de vaste bodem boven de interventiewaarde kosteneffectief wordt verwijderd of de verdere verspreiding van de grondwaterverontreiniging wordt beheerst.

Afdeling 3.9

Infrastructuur

Paragraaf 3.9.1

Algemeen

Artikel 3.132Toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in een omgevingsplan dat betrekking heeft op de gebieden die in deze afdeling zijn aangewezen.

2.

De regels ter verwezenlijking van deze afdeling zijn niet van toepassing op activiteiten verricht door of vanwege de provincie of het Rijk in het kader van het beheer, de bediening of de verbetering van de infrastructuur.

Artikel 3.133Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beheer van infrastructuur; d. het evenwichtig toedelen van functies aan locaties; e. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; en f. het beschermen van het milieu.

Paragraaf 3.9.2

Provinciale vaarwegen

Artikel 3.134Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale vaarwegen

De vaarwegen in beheer bij de provincie zijn als beperkingengebied provinciale vaarwegen aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Paragraaf 3.9.3

Basistoervaartnet

Artikel 3.135Aanwijzing en geometrische begrenzing Basistoervaartnet

Het Basistoervaartnet is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.136Instructieregel Basistoervaartnet

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het Basistoervaartnet laat geen activiteiten toe die niet voldoen aan de doorvaartmaten zoals deze zijn opgenomen in de meest actuele versie van de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland.

Paragraaf 3.9.4

Provinciale wegen

Artikel 3.137Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale wegen

De wegen in beheer bij de provincie zijn als beperkingengebied provinciale wegen aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.138Instructieregel oprichten werken

Een omgevingsplan voorziet niet in het oprichten van werken die de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden.

Artikel 3.139Instructieregel plaatsen voorwerpen

Een omgevingsplan voorziet niet in het plaatsen van voorwerpen die de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden.

Artikel 3.140Instructieregel aanleggen openbare wegen en kunstwerken

Een omgevingsplan voorziet niet in het aanleggen van nieuwe openbare wegen of nieuwe kunstwerken buiten de bebouwde kom, wanneer deze de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden.

Paragraaf 3.9.5

Tracé spoorverbinding

Artikel 3.141Aanwijzing en geometrische begrenzing gereserveerd tracé spoorverbinding

Het gereserveerd tracé spoorverbinding is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.142Instructieregel gereserveerd tracé spoorverbinding

Een omgevingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van het oprichten van bouwwerken, of het gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om spoorwegen aan te leggen binnen het gereserveerd tracé spoorverbinding.

Artikel 3.143Aanwijzing en geometrische begrenzing zoekgebied spoorverbinding

Het zoekgebied spoorverbinding is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.144Instructieregel zoekgebied spoorverbinding

Een omgevingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van het oprichten van bouwwerken, of gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om spoorwegen aan te leggen binnen zoekgebied spoorverbinding.

Paragraaf 3.9.6

Tracé wegverbinding

Artikel 3.145Aanwijzing en geometrische begrenzing gereserveerd tracé wegverbinding

Het gereserveerd tracé wegverbinding is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.146Instructieregel gereserveerd tracé wegverbinding

Een omgevingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van het oprichten van bouwwerken, of het gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om wegen aan te leggen binnen het gereserveerd tracé wegverbinding.

Paragraaf 3.9.7

Transportroutes externe veiligheid

Artikel 3.147Aanwijzing transportroutes externe veiligheid

Transportroutes externe veiligheid zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.148Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 1

Veiligheidszone 1 is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.149Instructieregel Veiligheidszone 1

1.

Bij het opstellen van een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutes moet het plaatsgebonden risico in acht worden genomen.

2.

Een omgevingsplan voorziet niet in de oprichting van bestaande, zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties of beperkt kwetsbare gebouwen en locaties binnen Veiligheidszone 1.

3.

Indien een college niet voldoet aan het vierde lid, wordt in de toelichting van het omgevingsplan opgenomen waarom hieraan niet kan worden voldaan.

Artikel 3.150Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 2

Veiligheidszone 2 is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.151Instructieregel Veiligheidszone 2

1.

Bij vaststelling van een omgevingsplan dat betrekking heeft op Veiligheidszone 2 wordt: a. aandacht besteed aan het veiligheidsniveau in de zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en de beperkt kwetsbare gebouwen; en b. rekening gehouden met het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Aan het eerste lid wordt voldaan door in te gaan op de volgende aspecten: a. de inventarisatie van de, bestaande en de mogelijke, zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen; b. de kans op overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit; c. de optimalisering van de vluchtmogelijkheden, waarbij het zowel de ontvluchtingsmogelijkheden in het bouwwerk en ook de vluchtmogelijkheden buiten het bouwwerk van de risicobron af betreft; en d. de overwegingen omtrent het opnemen dan wel niet opnemen van bouwkundige planvoorschriften voor het plan of delen van het plan tegen de effecten van een plasbrand en/of een gasexplosie.

3.

Als door het omgevingsplan het aantal personen in Veiligheidszone 2 toeneemt met 50 personen of meer, wordt ook ingegaan op de volgende aspecten: a. het advies van de Veiligheidsregio als bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij het vaststellen van het omgevingsplan betrokken; b. de afweging voor de activiteit binnen, en niet buiten, de Veiligheidszone; c. de afweging van de mogelijkheden voor het beperken van de toename van het aantal personen; d. de afweging van de mogelijkheden, aan zowel de kant van de risicobron als aan de kant van de risico-ontvanger, om het veiligheidsniveau te verhogen; e. de afweging van aanvullende repressieve mogelijkheden om het veiligheidsniveau te verhogen; f. als op een aspect, als bedoeld onder a tot en met e, of als bedoeld onder b tot en d van het tweede lid, wordt ingegaan op rekenresultaten van een groepsrisicoberekening dan dient de berekening te zijn uitgevoerd met de referentiewaarden uit de tabellen 1 en 2 in Bijlage 4.

Artikel 3.152Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 3

Veiligheidszone 3 is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.153Instructieregel Veiligheidszone 3

Een omgevingsplan voorziet binnen Veiligheidszone 3 niet in de oprichting van zeer kwetsbare gebouwen of in het gebruik van bestaande gebouwen als een zeer kwetsbaar gebouw.

Artikel 3.154Aanwijzing en geometrische begrenzing Veiligheidszone 4

Veiligheidszone 4 is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.155Instructieregel Veiligheidszone 4

1.

Bij vaststelling van een omgevingsplan dat betrekking heeft op Veiligheidszone 4 wordt: a. aandacht besteed aan het veiligheidsniveau op de kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties en b. rekening gehouden met het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.

Aan het eerste lid wordt voldaan door met betrekking tot Veiligheidszone 4 in te gaan op de volgende aspecten: a. de inventarisatie van de bestaande en de mogelijke, kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties; b. de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit; c. de optimalisering van de vluchtmogelijkheden, waarbij het zowel de ontvluchtingsmogelijkheden van de locatie en ook de vluchtmogelijkheden van de risicobron af betreft.

3.

Als het omgevingsplan betrekking heeft op een kwetsbare locatie in Veiligheidszone 4, wordt ook ingegaan op de volgende aspecten: a. het advies van de Veiligheidsregio als bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij het vaststellen van het omgevingsplan betrokken; b. de afweging voor de locatie binnen, en niet buiten, de Veiligheidszone; c. de afweging van de mogelijkheden voor het beperken van de toename van het aantal personen; d. de afweging van de mogelijkheden, aan zowel de kant van de risicobron als aan de kant van de risico-ontvanger, om het veiligheidsniveau te verhogen; e. de afweging van aanvullende repressieve mogelijkheden om het veiligheidsniveau te verhogen; f. als op een aspect, als bedoeld onder a tot en met e, of als bedoeld onder b en c van het tweede lid, wordt ingegaan op rekenresultaten van een groepsrisicoberekening dan dient de berekening te zijn uitgevoerd met de referentiewaarden uit de tabellen 1 en 2 in Bijlage 4.

Afdeling 3.10

Energie

Paragraaf 3.10.1

Algemeen

Artikel 3.156Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplannen.

Artikel 3.157Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Paragraaf 3.10.2

Fossiele of gevaarlijke energie

Artikel 3.158Instructieregel radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales

1.

Als omgevingsplanactiviteit wordt aangewezen: a. het gebruik van de bodem met inbegrip van de ondergrond of de diepe ondergrond ten behoeve van het opslaan of bergen van radioactief afval of het storten van gevaarlijk afval; b. de mogelijkheid middel- en hoogradioactief afval bovengronds op te slaan; c. de bouw van een kerncentrale; en d. de bouw van een nieuwe kolencentrale.

2.

Het omgevingsplan verbiedt een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 3.10.3

Windenergie

Artikel 3.159Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

Als omgevingsplanactiviteit wordt aangewezen: a. het oprichten van een windturbine; of b. het vervangen van een windturbine.

Artikel 3.160Aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden proefprojecten kleine windturbines

De gebieden proefprojecten kleine windturbines zijn aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Artikel 3.161Instructieregel oprichting van nieuwe windturbines

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.159 , onder a, mogelijk maken, voor zover het gaat over nieuwe windturbines met een ashoogte van niet meer dan 15 meter: a. binnen het stedelijk gebied; of b. binnen de buiten het stedelijk gebied gelegen bouwpercelen.

Artikel 3.162

Instructieregel kleine windturbines buiten het stedelijk gebied en buiten bouwpercelen in het buitengebied 1.

Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.159 mogelijk maken voor het oprichten en gedurende een termijn van maximaal 30 jaar in stand houden van: a. maximaal 3 windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel; en b. maximaal één park- of lijnopstelling van windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter en wieken die niet langer zijn dan twee derde van de ashoogte ten behoeve van een lokaal initiatief gericht op duurzaamheid en zelfvoorziening.

2.

Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning die inhouden dat een omgevingsvergunning kan worden verleend als de windturbine wordt opgericht: a. binnen de gebieden proefprojecten kleine windturbines; en b. de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

3.

In een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt - in aanvulling op het tweede lid - als beoordelingsregel voor het verlenen van een omgevingsvergunning opgenomen dat aangetoond dient te worden het op grond van bijzondere feiten en omstandigheden niet mogelijk is om de windturbines binnen het agrarisch bouwperceel te plaatsen.

4.

Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend voor zover de betreffende gronden zijn gelegen binnen: a.

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden als bedoeld in artikel 3.112; b.

Natuurnetwerk Nederland - natuur aanpassingsgebieden als bedoeld in artikel 3.114; c.

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden als bedoeld in artikel 3.116; d.

Natuurnetwerk Nederland - beheer aanpassingsgebieden als bedoeld in artikel 3.118; e.

Zoekgebied robuuste verbindingszone als bedoeld in artikel 3.120; f.

Bos- en natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 3.122.

Artikel 3.163Aanwijzing en geometrische begrenzing concentratiegebieden grootschalige windenergie

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.