Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem (Arnhem)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem, regelt de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid binnen de gemeente Arnhem. Het stelt regels vast voor gedrag in de openbare ruimte en voor diverse activiteiten en inrichtingen.
Voor wie: Alle personen die zich bevinden in de openbare ruimte van de gemeente Arnhem; Exploitanten van openbare inrichtingen, zoals horeca, en eigenaren van voor het publiek openstaande gebouwen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 270
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De openbare orde en veiligheid op de weg, inclusief betogingen en het verspreiden van gedrukte stukken.
- Toezicht op openbare inrichtingen, zoals horeca, en voor het publiek openstaande gebouwen.
- Maatregelen tegen overlast, baldadigheid, heling van goederen en het gebruik van vuurwerk.
- Bescherming van het milieu, natuurschoon en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Voor wie geldt deze regeling?
- Alle personen die zich bevinden in de openbare ruimte van de gemeente Arnhem.
- Exploitanten van openbare inrichtingen, zoals horeca, en eigenaren van voor het publiek openstaande gebouwen.
Wat zijn de kernpunten?
- Samenscholing en ongeregeldheden zijn verboden (Artikel 2.1.1.1).
- Voor betogingen op openbare plaatsen is een kennisgeving vereist (Artikel 2.1.2.1).
- Het is verboden om voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg te plaatsen die gevaar of hinder veroorzaken (Artikel 2.1.5.1).
- Openbare inrichtingen, zoals horeca, zijn vergunningplichtig en moeten voldoen aan specifieke eisen (Artikel 2.3.1.2).
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (270)
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 1.2 Beslistermijn
- Artikel 1.3 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
- Artikel 1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel 1.6 Termijnen
- Artikel 1.7 Weigeringsgronden
- Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden
- Artikel 2.1.2.1 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- Artikel 2.1.2.2 Afwijking termijn
- Artikel 2.1.2.3 Te verstrekken gegevens
- Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeld
- Artikel 2.1.4.1 Dienstverlening
- Artikel 2.1.4.2 Straatartiest e.d
- Artikel 2.1.4.3 Verkoop plaatsbewijzen
- Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
- Artikel 2.1.5.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen va
- Artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg
- Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid
- Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes
- Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp
- Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d
- Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen, koekoeken e.d
- Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurgebieden
- Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
- Artikel 2.1.6.7a Gevaarlijke voorwerpen
- Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen
- Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- Artikel 2.1.6.10 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verlichting
- Artikel 2.1.6.11 Objecten onder hoogspanningslijn
- Artikel 2.1.6.12 Veiligheid op het ijs
- Artikel 2.1.6.13 Opsporen van munitie, wapens of munten met een metaaldetector
- Artikel 2.2.1 Betaald-voetbalwedstrijden
- Artikel 2.2.2 Ordeverstoring
- Artikel 2.2.3 Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald-voetbalwedstr
- Artikel 2.2.4 Omgevingsverbod
- Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 2.3.1.2 Vergunningplicht
- Artikel 2.3.1.3 Vrijstelling e.a
- Artikel 2.3.1.4 Aanvraag vergunning
- Artikel 2.3.1.5 Beslistermijn
- Artikel 2.3.1.6 Weigeringsgronden
- Artikel 2.3.1.7 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 2.3.1.8a Melding nieuwe beheerder
- Artikel 2.3.1.9 Intrekkingsgronden
- Artikel 2.3.1.10 Vervallen van de vergunning
- Artikel 2.3.1.11 Aanwezigheid beheerder
- Artikel 2.3.1.12 Inrichtingseisen
- Artikel 2.3.1.13 Terrassen
- Artikel 2.3.1.14 Geslotenverklaring
- Artikel 2.3.1.15 Sluitingsuur openbare inrichtingen en terrassen
- Artikel 2.3.1.16 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
- Artikel 2.3.1.17 Handel binnen openbare inrichtingen
- Artikel 2.3.1.18 Ordeverstoring
- Artikel 2.3.1.19 Toegang ambtenaren van politie
- Artikel 2.3.1.20 Bevoegd bestuursorgaan
- Artikel 2.3.1a 1 Begripsbepaling
- Artikel 2.3.2.1 Definitie
- Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie
- Artikel 2.3.2.3 Verschaffing gegevens nachtregister
- Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden
- Artikel 2.3.3.2 Kansspelen
- Artikel 2.3.3.3 Speelautomaten in horeca-inrichting
- Artikel 2.3.4.1 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
- Artikel 2.3.5.1 Begripsbepalingen
- Artikel 2.3.5.2 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige ac
- Artikel 2.3.5.3 Vergunning uitoefening bedrijf
- Artikel 2.3.5.4 Vergunningaanvraag
- Artikel 2.3.5.5 Intrekking en wijziging van een vergunning
- Artikel 2.3.5.6 Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand
- Artikel 2.3.5.7 Geboden en verboden exploitant
- Artikel 2.3.5.8 Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
- Artikel 2.3.5.9 Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen
- Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal
- Artikel 2.4.1a Gebiedsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied
- Artikel 2.4.2 Overlast door drugshandel op straat
- Artikel 2.4.3 Gebiedsontzegging
- Artikel 2.4.4 Overlast door openlijk drugsgebruik
- Artikel 2.4.5 Plakken en kladden
- Artikel 2.4.6 Vervoer plakgereedschap e.d
- Artikel 2.4.7 Vervoer inbrekerwerktuigen
- Artikel 2.4.7a Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen
- Artikel 2.4.8 Betreden van plantsoenen e.d
- Artikel 2.4.9 Rijden over bermen e.d
- Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen
- Artikel 2.4.10a Verplichte route
- Artikel 2.4.11 Verboden drankgebruik
- Artikel 2.4.11a Hinderlijk gebruik van drugs (vervallen)
- Artikel 2.4.12a Verboden gedrag bij of in gebouwen
- Artikel 2.4.12b Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- Artikel 2.4.13 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
- Artikel 2.4.14 Neerzetten van fietsen of bromfietsen
- Artikel 2.4.15 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijk
- Artikel 2.4.16 Bespieden van personen
- Artikel 2.4.17 Bedelarij
- Artikel 2.4.18 Nodeloos alarmeren (vervallen)
- Artikel 2.4.19 Alarminstallaties (vervallen)
- Artikel 2.4.20 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
- Artikel 2.4.21 Verontreiniging door honden
- Artikel 2.4.22 Gevaarlijke en blaffende honden
- Artikel 2.4.23 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
- Artikel 2.4.24 Loslopend vee
- Artikel 2.4.25 Bedelarij
- Artikel 2.5.1 Definitie
- Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrech
- Artikel 2.5.4 Heling op straat
- Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 2.6.2 Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
- Artikel 2.6.3 Carbid schieten
- Artikel 2.7.1 Bestuurlijke ophouding
- Artikel 2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden
- Artikel 2.9.1 Cameratoezicht
- Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan
- Artikel 3.1.3 Nadere regels
- Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen
- Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder
- Artikel 3.2.3 Sluitingsuur
- Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
- Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
- Artikel 3.2.6 Straatprostitutie
- Artikel 3.2.6a Bevel tot verwijdering
- Artikel 3.2.7 Sekswinkels
- Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
- Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn
- Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden
- Artikel 3.3.3 Intrekkingsgronden
- Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie
- Artikel 3.4.2 Wijziging beheer
- Artikel 3.5.1 Bijzondere overgangsbepaling voor bestaande exploitanten
- Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 4.1.1a Horecaconcentratiegebied
- Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- Artikel 4.1.3 Incidentele festiviteiten
- Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten
- Artikel 4.1.5 Geluidhinder
- Artikel 4.1.6 Routering
- Artikel 4.2.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 4.2.1.2 Doelstelling
- Artikel 4.2.2.1 Aanwijzing inzameldienst
- Artikel 4.2.2.2 Regulering van andere inzamelaars
- Artikel 4.2.2.3 Aanwijzing van inzamelplaats
- Artikel 4.2.2.4 Algemene verboden
- Artikel 4.2.2.5 Afvalscheiding
- Artikel 4.2.2.6 Gescheiden aanbieding
- Artikel 4.2.2.7 Tijdstip van aanbieding
- Artikel 4.2.2.8 Wijze en plaats van aanbieding
- Artikel 4.2.3.1 Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
- Artikel 4.2.3.2 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
- Artikel 4.2.3.3 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
- Artikel 4.2.4.1 Dumpingsverbod
- Artikel 4.2.4.2 Zwerfafval in de openbare ruimte
- Artikel 4.2.4.3 Zwerfafval rondom inrichtingen
- Artikel 4.2.4.4 Afval en verontreiniging op de weg
- Artikel 4.2.4.5 Geen opslag van afval in de open lucht
- Artikel 4.2.4.6 Ontdoen van autowrakken
- Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 4.3.2 Rioolaansluiting
- Artikel 4.3.3 Hemelwaterafvoer
- Artikel 4.3.4 Lozing van afvalwater uit beer- zinkputten, rioolwater, grondwater of
- Artikel 4.3.5 Aanvraag vergunning
- Artikel 4.3.6 Vergunningvoorschriften
- Artikel 4.4.1 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging (vervallen)
- Artikel 4.4.2 Achterlaten van straatafval (vervallen)
- Artikel 4.4.3 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffe
- Artikel 4.4.4 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden (ve
- Artikel 4.4.5 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren
- Artikel 4.4.6 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal (vervallen)
- Artikel 4.4.7 Verbod opslag van afvalstoffen (vervallen)
- Artikel 4.4.8 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden (vervallen)
- Artikel 4.4.9 Straatvegen
- Artikel 4.4.10 Natuurlijke behoefte doen
- Artikel 4.4.11 Verbod op het doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffe
- Artikel 4.4.12 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putte
- Artikel 4.5.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 4.5.2 Lijst met waardevolle bomen
- Artikel 4.5.3 Kapverbod
- Artikel 4.5.4 Aanvraag
- Artikel 4.5.5 Criteria
- Artikel 4.5.6 Beperking geldigheidsduur
- Artikel 4.5.7 Schadevergoeding
- Artikel 4.5.8 Bijzondere voorschriften
- Artikel 4.5.9 Afstand van de erfgrenslijn
- Artikel 4.5.10 Herplant-/instandhoudingsplicht
- Artikel 4.5.11 Bestrijding van boomziekten en ziekteverspreiders
- Artikel 4.6.1 Bescherming groenvoorzieningen
- Artikel 4.6.2 Beschermde planten; hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; ve
- Artikel 4.6.3 Wedstrijden, wandel-, fiets-, trim- en ruitertochten
- Artikel 4.6.4 Beperkte openstelling
- Artikel 4.6.5 Lichthinder
- Artikel 4.7.1 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ing
- Artikel 4.7.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen
- Artikel 4.7.2 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d
- Artikel 4.7.3 Aanschrijving
- Artikel 4.8.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 4.8.2 Verbodsbepaling
- Artikel 4.8.3 Melding
- Artikel 4.8.4 Uitzonderingen
- Artikel 4.8.5 Verhouding met andere artikelen uit deze verordening
- Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
- Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen
- Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen
- Artikel 5.1.4 Wrakken
- Artikel 5.1.5 Caravans e.d
- Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen
- Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen
- Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
- Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
- Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets
- Artikel 5.2.1 Collecteren
- Artikel 5.2.2 Venten
- Artikel 5.2.3 Standplaatsen: uitstallingen op de weg
- Artikel 5.2.4 Aanvraag vergunning
- Artikel 5.3.1 Definities
- Artikel 5.3.2 Gebruik van openbaar water
- Artikel 5.3.3 Nadere regels
- Artikel 5.3.4 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
- Artikel 5.3.5 Reddingsmiddelen
- Artikel 5.3.6 Veiligheid op het water
- Artikel 5.3.7 Overlast aan vaartuigen
- Artikel 5.3a 1 Definities
- Artikel 5.4.1 Crossterreinen
- Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden
- Artikel 5.5.1 Verbod vuur te stoken
- Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving
- Artikel 5.6.2 Verboden plaatsen
- Artikel 5.6.3 Hinder of overlast
- Artikel 5.7.1 Definities
- Artikel 5.7.2 Vergunningsplicht
- Artikel 5.7.3 Evenementenvergunning
- Artikel 5.7.4 Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden (gebruiksovereenkomst)
- Artikel 5.7.5 Ordeverstoring
- Artikel 5.7.6 Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement
- Artikel 5.8.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 5.8.2 Kampeerverbod
- Artikel 5.8.3 Vergunningplicht
- Artikel 5.8.4 Vergunningvoorschriften
- Artikel 5.8.5 Aanvraagformulier
- Artikel 5.8.6 Kamperen buiten kampeerterreinen
- Artikel 5.8.7 Verbodsbepaling
- Artikel 5.9.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 5.9.2 Kamergewijze verhuur
- Artikel 5.9.3 Meldingsplicht bij kamergewijze verhuur
- Artikel 5.9.4 Gegevensverstrekking
- Artikel 5.9.5 Overgangsbepaling
- Artikel 6.1 Strafbepaling
- Artikel 6.1a Boetebepaling bestuurlijke boete
- Artikel 6.2 Toezichthouders
- Artikel 6.3 Binnentreden woningen
- Artikel 6.4 Inwerkingtreding
- Artikel 6.5 Overgangsbepaling
- Artikel 6.6 Citeertitel
- Artikel 2.3.1.15a Melding afwijking sluitingsuur
- Artikel 2.4.12 a Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
- Artikel 4.2.4.2a Ongeadresseerd drukwerk
- Artikel 2.3.1 Definitie
- ARTIKEL 4.5.1 Begripsomschrijvingen
- ARTIKEL 4.5.2 Lijst met waardevolle bomen
- ARTIKEL 4.5.3 Kapverbod
- ARTIKEL 4.5.4 Aanvraag
- Artikel 7.3 Mor luidt als volgt
- ARTIKEL 4.5.5 Criteria
- ARTIKEL 4.5.6 Beperking geldigheidsduur
- ARTIKEL 4.5.8 Bijzondere voorschriften
- ARTIKEL 4.5.10 Herplant-/instandhoudingsplicht
- ARTIKEL 4.5.11 Bestrijding van boomziekten en ziekteverspreiders
- Artikel 149 Gemeentewet biedt mogelijkheden tot het stellen van regels ter bescher
Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 1.2Beslistermijn
Artikel 1.3Voorschriften en beperkingen
Artikel 1.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel 1.5Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1.6Termijnen
Artikel 1.7Weigeringsgronden
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE
Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg
Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2.1.1.1Samenscholing en ongeregeldheden
Paragraaf 2 Betogingen
Artikel 2.1.2.1Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Artikel 2.1.2.2Afwijking termijn
Artikel 2.1.2.3Te verstrekken gegevens
Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2.1.3.1Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2.1.4.1Dienstverlening
Artikel 2.1.4.2Straatartiest e.d
Artikel 2.1.4.3Verkoop plaatsbewijzen
Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg
Artikel 2.1.5.1Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Artikel 2.1.5.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 2.1.5.3Maken en veranderen van een uitweg
Paragraaf 6 Veiligheid op de weg
Artikel 2.1.6.1Veroorzaken van gladheid
Artikel 2.1.6.2Winkelwagentjes
Artikel 2.1.6.3Hinderlijke beplanting of voorwerp
Artikel 2.1.6.4Openen straatkolken e.d
Artikel 2.1.6.5Kelderingangen, koekoeken e.d
Artikel 2.1.6.6Rookverbod in bossen en natuurgebieden
Artikel 2.1.6.7Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
Artikel 2.1.6.7aGevaarlijke voorwerpen
Artikel 2.1.6.8Vallende voorwerpen
Artikel 2.1.6.9Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2.1.6.10Verwijdering e.d. voorzieningen voor verlichting
Artikel 2.1.6.11Objecten onder hoogspanningslijn
Artikel 2.1.6.12Veiligheid op het ijs
Artikel 2.1.6.13Opsporen van munitie, wapens of munten met een metaaldetector
Afdeling 2 Betaald-voetbalwedstrijden
Artikel 2.2.1Betaald-voetbalwedstrijden
Artikel 2.2.2Ordeverstoring
Artikel 2.2.3Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald-voetbalwedstrijd
Artikel 2.2.4Omgevingsverbod
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen en voor het publiek openstaande gebouwen
Paragraaf 1 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.3.1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 2.3.1.2Vergunningplicht
Artikel 2.3.1.3Vrijstelling e.a
Artikel 2.3.1.4Aanvraag vergunning
Artikel 2.3.1.5Beslistermijn
Artikel 2.3.1.6Weigeringsgronden
Artikel 2.3.1.7Voorschriften en beperkingen
Artikel 2.3.1.8 De vergunning
Artikel 2.3.1.8aMelding nieuwe beheerder
Artikel 2.3.1.9Intrekkingsgronden
Artikel 2.3.1.10Vervallen van de vergunning
Artikel 2.3.1.11Aanwezigheid beheerder
Artikel 2.3.1.12Inrichtingseisen
Artikel 2.3.1.13Terrassen
Artikel 2.3.1.14Geslotenverklaring
Artikel 2.3.1.15Sluitingsuur openbare inrichtingen en terrassen
artikel 2.3.1.15a Melding afwijking sluitingsuur
Artikel 2.3.1.16Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
Artikel 2.3.1.17Handel binnen openbare inrichtingen
Artikel 2.3.1.18Ordeverstoring
Artikel 2.3.1.19Toegang ambtenaren van politie
Artikel 2.3.1.20Bevoegd bestuursorgaan
Paragraaf 1A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2.3.1a1 Begripsbepaling
Artikel 2.3.1a2 Verbod tot het verstrekken van sterke drank in inrichtingen van een bepaalde aard
Artikel 2.3.1a3 Ontheffing
Artikel 2.3.1a4 Tijdelijke verboden tot het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse
Artikel 2.3.1a5 Aanwijzing
Artikel 2.3.1a6 Regulering paracommerciële rechtspersoon
Artikel 2.3.1a7 Inperking prijsacties
Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.3.2.1Definitie
Artikel 2.3.2.2Kennisgeving exploitatie
Artikel 2.3.2.3Verschaffing gegevens nachtregister
Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.1Speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.2Kansspelen
Artikel 2.3.3.3Speelautomaten in horeca-inrichting
Paragraaf 4 Toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen
Artikel 2.3.4.1Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
Paragraaf 5 Tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat
Artikel 2.3.5.1Begripsbepalingen
Artikel 2.3.5.2Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
Artikel 2.3.5.3Vergunning uitoefening bedrijf
Artikel 2.3.5.4Vergunningaanvraag
Artikel 2.3.5.5Intrekking en wijziging van een vergunning
Artikel 2.3.5.6Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand
Artikel 2.3.5.7Geboden en verboden exploitant
Artikel 2.3.5.8Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
Artikel 2.3.5.9Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.4.1Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel 2.4.1aGebiedsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied
Artikel 2.4.2Overlast door drugshandel op straat
Artikel 2.4.3Gebiedsontzegging
Artikel 2.4.4Overlast door openlijk drugsgebruik
Artikel 2.4.5Plakken en kladden
Artikel 2.4.6Vervoer plakgereedschap e.d
Artikel 2.4.7Vervoer inbrekerwerktuigen
Artikel 2.4.7aVerbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen
Artikel 2.4.8Betreden van plantsoenen e.d
Artikel 2.4.9Rijden over bermen e.d
Artikel 2.4.10Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen
Artikel 2.4.10aVerplichte route
Artikel 2.4.11Verboden drankgebruik
Artikel 2.4.11aHinderlijk gebruik van drugs (vervallen)
Artikel 2.4.12aVerboden gedrag bij of in gebouwen
Artikel 2.4.12bWoonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Artikel 2.4.13Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2.4.14Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Artikel 2.4.15Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Artikel 2.4.16Bespieden van personen
Artikel 2.4.17Bedelarij
Artikel 2.4.18Nodeloos alarmeren (vervallen)
Artikel 2.4.19Alarminstallaties (vervallen)
Artikel 2.4.20Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
Artikel 2.4.21Verontreiniging door honden
Artikel 2.4.22Gevaarlijke en blaffende honden
Artikel 2.4.23Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2.4.24Loslopend vee
Artikel 2.4.25Bedelarij
Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.5.1Definitie
Artikel 2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel 2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 2.5.4Heling op straat
Afdeling 6 Vuurwerk
Artikel 2.6.1Begripsomschrijvingen
Artikel 2.6.2Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Artikel 2.6.3Carbid schieten
Afdeling 7 Bestuurlijke ophouding
Artikel 2.7.1Bestuurlijke ophouding
Afdeling 8 Preventief fouilleren
Artikel 2.8.1Veiligheidsrisicogebieden
Afdeling 9 Cameratoezicht
Artikel 2.9.1Cameratoezicht
HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel 3.1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 3.1.2Bevoegd bestuursorgaan
Artikel 3.1.3Nadere regels
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Artikel 3.2.1Seksinrichtingen
Artikel 3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3.2.3Sluitingsuur
Artikel 3.2.4Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
Artikel 3.2.5Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel 3.2.6Straatprostitutie
Artikel 3.2.6aBevel tot verwijdering
Artikel 3.2.7Sekswinkels
Artikel 3.2.8Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden en intrekkingsgronden
Artikel 3.3.1Beslissingstermijn
Artikel 3.3.2Weigeringsgronden
Artikel 3.3.3Intrekkingsgronden
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3.4.1Beëindiging exploitatie
Artikel 3.4.2Wijziging beheer
Afdeling 5 Overgangsbepaling
Artikel 3.5.1Bijzondere overgangsbepaling voor bestaande exploitanten
HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1 Geluidhinder
Artikel 4.1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 4.1.1aHorecaconcentratiegebied
Artikel 4.1.2Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4.1.3Incidentele festiviteiten
Artikel 4.1.4Verboden incidentele festiviteiten
Artikel 4.1.5Geluidhinder
Artikel 4.1.6Routering
Afdeling 2 Afvalstoffen
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 4.2.1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 4.2.1.2Doelstelling
Paragraaf 2 Huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 4.2.2.1Aanwijzing inzameldienst
Artikel 4.2.2.2Regulering van andere inzamelaars
Artikel 4.2.2.3Aanwijzing van inzamelplaats
Artikel 4.2.2.4Algemene verboden
Artikel 4.2.2.5Afvalscheiding
Artikel 4.2.2.6Gescheiden aanbieding
Artikel 4.2.2.7Tijdstip van aanbieding
Artikel 4.2.2.8Wijze en plaats van aanbieding
Paragraaf 3 Bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.2.3.1Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
Artikel 4.2.3.2Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.2.3.3Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Paragraaf 4 Zwerfafval en overige
Artikel 4.2.4.1Dumpingsverbod
Artikel 4.2.4.2Zwerfafval in de openbare ruimte
Artikel 4.2.4.3Zwerfafval rondom inrichtingen
Artikel 4.2.4.4Afval en verontreiniging op de weg
Artikel 4.2.4.5Geen opslag van afval in de open lucht
Artikel 4.2.4.6Ontdoen van autowrakken
Afdeling 3 Bepalingen over de riolering
Artikel 4.3.1Begripsomschrijvingen
Artikel 4.3.2Rioolaansluiting
Artikel 4.3.3Hemelwaterafvoer
Artikel 4.3.4Lozing van afvalwater uit beer- zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten
Artikel 4.3.5Aanvraag vergunning
Artikel 4.3.6Vergunningvoorschriften
Afdeling 4 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4.4.1Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging (vervallen)
Artikel 4.4.2Achterlaten van straatafval (vervallen)
Artikel 4.4.3Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen (vervallen)
Artikel 4.4.4Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden (vervallen)
Artikel 4.4.5Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren (vervallen)
Artikel 4.4.6Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal (vervallen)
Artikel 4.4.7Verbod opslag van afvalstoffen (vervallen)
Artikel 4.4.8Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden (vervallen)
Artikel 4.4.9Straatvegen
Artikel 4.4.10Natuurlijke behoefte doen
Artikel 4.4.11Verbod op het doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffen (vervallen)
Artikel 4.4.12Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
Afdeling 5 Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.5.1Begripsomschrijvingen
Artikel 4.5.2Lijst met waardevolle bomen
Artikel 4.5.3Kapverbod
Artikel 4.5.4Aanvraag
Artikel 4.5.5Criteria
Artikel 4.5.6Beperking geldigheidsduur
Artikel 4.5.7Schadevergoeding
Artikel 4.5.8Bijzondere voorschriften
Artikel 4.5.9Afstand van de erfgrenslijn
Artikel 4.5.10Herplant-/instandhoudingsplicht
Artikel 4.5.11Bestrijding van boomziekten en ziekteverspreiders
Afdeling 6 Bescherming van flora en fauna
Artikel 4.6.1Bescherming groenvoorzieningen
Artikel 4.6.2Beschermde planten; hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; verzamelen van zaden en vruchten
Artikel 4.6.3Wedstrijden, wandel-, fiets-, trim- en ruitertochten
Artikel 4.6.4Beperkte openstelling
Artikel 4.6.5Lichthinder
Afdeling 7 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.7.1Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d
Artikel 4.7.1aStankoverlast door gebruik van meststoffen
Artikel 4.7.2Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d
Artikel 4.7.3Aanschrijving
Afdeling 8 Schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen
Artikel 4.8.1Begripsomschrijvingen
Artikel 4.8.2Verbodsbepaling
Artikel 4.8.3Melding
Artikel 4.8.4Uitzonderingen
Artikel 4.8.5Verhouding met andere artikelen uit deze verordening
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
Afdeling 1 Parkeerexcessen
Artikel 5.1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 5.1.2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
Artikel 5.1.2aTe koop aanbieden van voertuigen
Artikel 5.1.3Defecte voertuigen
Artikel 5.1.4Wrakken
Artikel 5.1.5Caravans e.d
Artikel 5.1.6Parkeren van reclamevoertuigen
Artikel 5.1.7Parkeren van grote voertuigen
Artikel 5.1.8Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
Artikel 5.1.9Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
Artikel 5.1.10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Artikel 5.1.11Overlast van fiets of bromfiets
Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten
Artikel 5.2.1Collecteren
Artikel 5.2.2Venten
Artikel 5.2.3Standplaatsen: uitstallingen op de weg
Artikel 5.2.4Aanvraag vergunning
Afdeling 3 Openbaar water
Artikel 5.3.1Definities
Artikel 5.3.2Gebruik van openbaar water
Artikel 5.3.3Nadere regels
Artikel 5.3.4Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
Artikel 5.3.5Reddingsmiddelen
Artikel 5.3.6Veiligheid op het water
Artikel 5.3.7Overlast aan vaartuigen
Afdeling 3A Woonschepen
Artikel 5.3a1 Definities
Artikel 5.3a2 Aanwijzing ligplaatsen
Artikel 5.3a3 Verboden ligplaatsen
Artikel 5.3a4 Ligplaatsvergunning
Artikel 5.3a5 Overdragen ligplaatsvergunning
Artikel 5.3a6 Intrekking ligplaatsvergunning
Artikel 5.3a7 Aanwijzingen
Artikel 5.3a8 Aansluiting aan drinkwaterleiding
Artikel 5.3a9 Overgangsrecht
Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.4.1Crossterreinen
Artikel 5.4.2Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling 5 Verbod vuur te stoken
Artikel 5.5.1Verbod vuur te stoken
Afdeling 6 Verstrooiing van as
Artikel 5.6.1Begripsomschrijving
Artikel 5.6.2Verboden plaatsen
Artikel 5.6.3Hinder of overlast
Afdeling 7 Evenementen
Artikel 5.7.1Definities
Artikel 5.7.2Vergunningsplicht
Artikel 5.7.3Evenementenvergunning
Artikel 5.7.4Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden (gebruiksovereenkomst)
Artikel 5.7.5Ordeverstoring
Artikel 5.7.6Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement
Afdeling 8 Openluchtrecreatie
Artikel 5.8.1Begripsomschrijvingen
Artikel 5.8.2Kampeerverbod
Artikel 5.8.3Vergunningplicht
Artikel 5.8.4Vergunningvoorschriften
Artikel 5.8.5Aanvraagformulier
Artikel 5.8.6Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 5.8.7Verbodsbepaling
Afdeling 9 Meldingsplicht kamergewijze verhuur
Artikel 5.9.1Begripsomschrijvingen
Artikel 5.9.2Kamergewijze verhuur
Artikel 5.9.3Meldingsplicht bij kamergewijze verhuur
Artikel 5.9.4Gegevensverstrekking
Artikel 5.9.5Overgangsbepaling
HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 6.1Strafbepaling
Artikel 6.1aBoetebepaling bestuurlijke boete
Artikel 6.2Toezichthouders
Artikel 6.3Binnentreden woningen
Artikel 6.4Inwerkingtreding
Artikel 6.5Overgangsbepaling
Artikel 6.6Citeertitel
Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
A.Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
B.Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
C.Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
D.College: het college van burgemeester en wethouders.
E.Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
F.Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
G.Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
H.Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
I.Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
J.Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.
K.Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.
L.Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen en treinen en trams.
M.Weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot een voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
Artikel 1.2Beslistermijn
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 en artikel 3.2.1, eerste lid.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.2 eerste lid onder a, 2.1.5.3, 2.4.19, 4.5.3, tweede lid en 4.7.2.
Artikel 1.3Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1.5Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
Artikel 1.6Termijnen
Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1.7Weigeringsgronden
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2 Openbare orde
Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg
Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2.1.1.1Samenscholing en ongeregeldheden
Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleidinggevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie stil te staan, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Paragraaf 2 Betogingen
Artikel 2.1.2.1Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging of een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.3, eerste lid hierover is bepaald.
Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.
Artikel 2.1.2.2Afwijking termijn
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.1, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2.1.2.3Te verstrekken gegevens
De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2.1.3.1Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
Het verbod geldt niet voor het huisaanhuis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2.1.4.1Dienstverlening
Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te bieden.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid.
Artikel 2.1.4.2Straatartiest e.d
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.
De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 2.1.4.3Verkoop plaatsbewijzen
Het is aan een ander dan degene, die met de officiële verkoop is belast, verboden op of aan de weg plaatsbewijzen voor een openbare vermakelijkheid of wedstrijd ten verkoop in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of te verkopen.
Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg
Artikel 2.1.5.1Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien dit leidt tot overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op het op de weg plaatsen of aanbrengen van door het college aangewezen objecten mits het voornemen hiertoe aan het college is gemeld en deze melding uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan het gebruik is gedaan.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Het college kan nadere regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste en tweede lid.
In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2, van een terras als bedoeld in artikel 2.3.1.13 of een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.
Artikel 2.1.5.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening of de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is.
Artikel 2.1.5.3Maken en veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Een vergunning kan geweigerd worden in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
Een vergunning moet worden geweigerd indien als gevolg van de aanleg van de uitweg voor wat betreft het gebruik van de aan de uitweg grenzende gronden strijdigheid met het geldende bestemmingsplan optreedt.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is.
Paragraaf 6 Veiligheid op de weg
Artikel 2.1.6.1Veroorzaken van gladheid
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
Artikel 2.1.6.2Winkelwagentjes
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.
Artikel 2.1.6.3Hinderlijke beplanting of voorwerp
Vervallen (Rb 09-11-2009)
Artikel 2.1.6.4Openen straatkolken e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.1.6.5Kelderingangen, koekoeken e.d
Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2.1.6.6Rookverbod in bossen en natuurgebieden
Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het in het eerste lid gstelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2.1.6.7Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Vervallen (Rb 09-11-2009)
Artikel 2.1.6.7aGevaarlijke voorwerpen
Artikel 2.1.6.8Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2.1.6.9Voorzieningen voor verkeer en verlichting
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbare verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.
Artikel 2.1.6.10Verwijdering e.d. voorzieningen voor verlichting
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een voorziening ten behoeve van de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2.1.6.11Objecten onder hoogspanningslijn
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2.1.6.12Veiligheid op het ijs
Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht of het Provinciaal Waterreglement Gelderland van toepassing is.
Artikel 2.1.6.13Opsporen van munitie, wapens of munten met een metaaldetector
Het is verboden op of aan de weg een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van wapens en munitie of munten en dergelijke, te gebruiken.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 2 Betaald-voetbalwedstrijden
Artikel 2.2.1Betaald-voetbalwedstrijden
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan: de betaald-voetbalorganisatie Vitesse, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald-voetbalorganisatie Vitesse als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig buiten de gemeente Arnhem, waarbij ten minste één betaald-voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een A-interland; degene die buiten de gevallen, genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaald-voetbalorganisatie is betrokken.
Het is de organisator als bedoeld in het eerste lid verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder vergunning van de burgemeester.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; he voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid.
De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid; indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd.
Het is verboden een voetbal wedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het vierde lid, is uitgevaardigd.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2.2.2Ordeverstoring
Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.1 de orde te verstoren.
Artikel 2.2.3Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald-voetbalwedstrijd
Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.1 onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.1 messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
Een ieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.1 alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
Artikel 2.2.4Omgevingsverbod
De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion “Gelredome” van drie uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot drie uur na afloop van voetbalwedstrijden van de in artikel 2.2.1 bedoelde organisator.
De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoeld verbod, indien de persoon de openbare orde in of in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de in artikel 2.2.1 genoemde organisator in dit stadion is gespeeld.
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf 1 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.3.1.1Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, lunchroom, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, afhaalcentrum, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen worden bereid of verstrekt dan wel drugs - niet zijnde middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet - voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de inrichting waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar de mogelijkheid bestaat vanuit de openbare inrichting verstrekte eet- en drinkwaren te nuttigen.
Onder exploitant wordt in deze paragraaf verstaan: de natuurlijke- of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt geëxploiteerd.
Onder beheerder wordt in deze paragraaf verstaan: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een openbare inrichting.
Onder afhaalcentrum wordt in deze paragraaf verstaan: een openbare inrichting zonder terras waar uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse gerede eetwaren worden bereid en verstrekt.
Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de exploitant, de beheerder, personeel, de gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2.3.1.2Vergunningplicht
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.3.1.3Vrijstelling e.a
De burgemeester kan: besluiten dat een of meer in het besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente zijn vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht; nadere voorwaarden stellen aan de onder a genoemde vrijstelling; voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen grenzen stellen aan de in de vergunning te vermelden openingstijden; voor een bepaald gebied en/of een of meer soorten openbare inrichtingen vrijstelling verlenen van de op grond van deze paragraaf voorgeschreven sluitingstijden; door middel van aan een vergunning te verbinden voorschriften nadere eisen stellen aan de exploitatie van een bepaalde soort openbare inrichting.
De exploitatie van een openbare inrichting welke is vrijgesteld van de in artikel 2.3.1.2 omschreven vergunningplicht, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel 2.3.1.4Aanvraag vergunning
De burgemeester stelt voor het indienen van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 een formulier vast.
Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 worden overgelegd: een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de openbare inrichting; een kopie van een identiteitsbewijs van de exploitant en van elke beheerder.
Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.
Artikel 2.3.1.5Beslistermijn
De burgemeester beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager wordt voor afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van het besluit tot verdaging.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houdt de burgemeester de beslissing op de aanvraag aan indien met betrekking tot het oprichten van de openbare inrichting of het verbouwen van een gebouw tot openbare inrichting een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of voor het gebruik van de gronden is vereist en over deze vergunning nog niet is beslist.
De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 2.3.1.6Weigeringsgronden
De burgemeester weigert de vergunning, als: de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of de Huisvestingswet; naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; er sprake is van een dusdanige hoge concentratie openbare inrichtingen in een bepaald gebied dat er naar zijn oordeel sprake is van een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat dan wel van een onaanvaardbaar risico van mogelijke verstoringen van de openbare orde; de openbare inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van andersoortige openbare inrichtingen of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen tot verstoringen van de openbare orde aanleiding kan geven; de openbare inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, gesteld in artikel 2.3.1.12; de exploitant of beheerder onder curatele staat, uit het ouderlijke gezag of voogdij ontzet is dan wel de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft bereikt; de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijke gedrag van leidinggevenden; redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag voor de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn; of de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat.
Artikel 2.3.1.7Voorschriften en beperkingen
De burgemeester kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de openings- en sluitingstijden van de openbare inrichting; de verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of van buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting; de wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd; afvalpreventie en afvalverwijdering.
De burgemeester kan te allen tijde de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen of nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning verbinden.
Het is verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
Artikel 2.3.1.8 De vergunning De burgemeester vermeldt in een vergunning: de exploitant; tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; het adres van de openbare inrichting; de voorschrift De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de beheerders.
De vergunning en het daarbij horende aanhangsel, of afschriften daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.
De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.
Artikel 2.3.1.8aMelding nieuwe beheerder
Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens: een persoon als beheerder te laten bijschrijven; een persoon als beheerder te laten uitschrijven.
Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden.
Artikel 2.3.1.9Intrekkingsgronden
De burgemeester trekt de vergunning in, indien: blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave en de vergunning bij een volledige en juiste opgave niet zou zijn verleend; door de wijze van exploitatie de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in het Alcoholbesluit gestelde eisen ten aanzien van het zedelijke gedrag van leidinggevenden.
De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien: naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; het bij artikel 2.3.1.11 gesteld verbod wordt overtreden; niet meer wordt voldaan aan de inrichtingseisen, gesteld in artikel 2.3.1.12; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde; een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2.3.1.8a, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2.3.1.8a, tweede lid.
Artikel 2.3.1.10Vervallen van de vergunning
De vergunning vervalt, indien: sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; de op de vergunning vermelde beheerder deze hoedanigheid heeft verloren; een vergunning, strekkende tot vervanging van de eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2.3.1.11Aanwezigheid beheerder
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.
Artikel 2.3.1.12Inrichtingseisen
De openbare inrichting moet voldoen aan de inrichtingseisen, zoals deze bij of krachtens het Alcoholbesluit en het Bouwbesluit worden gesteld.
Het in het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing op openbare inrichtingen voor de exploitatie waarvan tevens een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en op openbare inrichtingen die als afhaalcentrum worden aangemerkt.
In bijzondere gevallen kan de burgemeester voor wat betreft openbare inrichtingen die niet vergunningplichtig zijn op grond van de Alcoholwet vrijstelling verlenen van een of meerdere inrichtingseisen zoals bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.3.1.13Terrassen
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen en exploiteren van een bij een openbare inrichting behorend terras.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: het terras wordt geplaatst op het voor de voetgangers bestemde gedeelte van de weg; indien het terras op een weg wordt geplaatst die mede bestemd is voor voertuigen, dient een minimale doorgang van 1,5 meter voor voetgangers te worden vrijgehouden; op wegen of weggedeelten enkel bestemd voor voetgangers dient te allen tijde een vrije en onbelemmerde doorgang van minimaal 3,5 meter aanwezig te zijn ten behoeve van hulpdiensten; het terras mag slechts voor en aansluitend aan het pand van de betreffende openbare inrichting worden geplaatst en enkel gedurende de openingstijden daarvan; het terras mag maximaal twee meter breed zijn; het terras is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid, in de Steenstraat noordzijde of in de winkelcentra Kronenburg en Presikhaaf; de openbare inrichting waar het terras bij wordt geplaatst is geen afhaalcentrum.
De burgemeester weigert de in het eerste lid bedoelde vergunning als de vergunning ex artikel 2.3.1.2 is geweigerd.
De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren, als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatige beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik – hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving – niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; zich ten aanzien van het beoogde gebruik een van de in artikel 2.3.1.6, aanhef en onder a, b, c of d genoemde weigeringsgronden voordoet.
De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning intrekken, als: de vergunning als bedoeld in 2.3.1.2 wordt ingetrokken; naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de openbare inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten - waaronder herinrichting van het openbaar gebied - opgetreden na het verlenen van de vergunning intrekking of wijziging noodzakelijk is; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet, voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is.
Artikel 2.3.1.14Geslotenverklaring
De burgemeester kan bij een handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.7, vierde lid, de openbare inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren.
De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of de toegangen van de openbare inrichting is aangebracht.
Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven en is het verboden deze inrichting als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.
Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet.
Artikel 2.3.1.15Sluitingsuur openbare inrichtingen en terrassen
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven buiten de in het eerste lid genoemde sluitingstijden.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden.
Het is verboden om een bij de openbare inrichting behorend terras voor bezoekers tussen 00.00 uur en 06.00 uur geopend te hebben en daar bezoekers plaats te laten nemen of te laten verblijven.
In afwijking van het eerste lid zijn de openingstijden voor een openbare inrichting in het horecaconcentratiegebied vrij.
In afwijking van het vierde lid is het verboden om in de binnenstad op maandag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur een bij een openbare richting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben en daar bezoekers plaats te laten nemen of te laten verblijven.
Een in het horecaconcentratiegebied gelegen openbare inrichting die na 03.00 uur geopend blijft voor bezoekers, is verplicht vanaf 00.00 uur tot het moment van sluiting een portier toezicht te laten houden ter bewaking van de veiligheid, tenzij: het een openbare inrichting betreft waarin ten hoogste vijftig personen tegelijk aanwezg zullen zijn; of het een openbare inrichting is niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
In gevallen waarin hij dit noodzakelijk oordeelt met het oog op de veiligheid, kan de burgemeester in de vergunning bepalen dat deze portierplicht ook geldt voor een openbare inrichting waarin ten hoogste vijftig personen aanwezig zullen zijn.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het op grond van het eerste lid geldende sluitingsuur voor een in de binnenstad gelegen openbare inrichting, die een inrichting is als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, mits aannemelijk is dat de openbare inrichting ook na verlening van de ontheffing kan voldoen aan de eisen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt met betrekking tot geluid. Een ontheffing wordt geweigerd, indien in de directe omgeving reeds meerdere ontheffingen zijn verleend en verlening van een verdere ontheffing naar het oordeel van de burgemeester zou leiden tot een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat of een onaanvaard risico van mogelijke verstoringen van de openbare orde.
In een ontheffing als bedoeld in het achtste lid wordt in ieder geval bepaald dat: de openbare inrichting, indien zij na 03.00 uur geopend blijft voor bezoekers, verplicht is vanaf 00.00 uur tot het moment van sluiting een portier toezicht te laten houden ter bewaking van de veiligheid, tenzij in de openbare inrichting ten hoogste vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; de ontheffing wordt verleend voor de duur van een jaar, en dat zij kan worden ingetrokken of geweigerd voor een volgend jaar op grond van belangen die zijn gelegen op het gebied van de openbare orde, de veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat; de ontheffing niet geldt voor een bij de openbare inrichting behorend terras.
In de ontheffing als bedoeld in het achtste lid kunnen te allen tijde aanvullende voorschriften of beperkingen worden gesteld in het belang van de openbare orde, de veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat. Deze voorwaarden zijn afhankelijk van de soort openbare inrichting, de omgeving waarin deze gelegen is en de mate van overlast die bewoners van de openbare inrichting ondervinden.
De burgemeester kan voor een afzonderlijke openbare inrichting of voor een daartoe behorend terras andere sluitingsuren vaststellen.
Onder horecaconcentratiegebied wordt in dit artikel verstaan: het gebied dat begrensd wordt door- en met inbegrip van de Varkensstraat, Grote Oord, Jansstraat, Jansplaats, Jansplein, Janslangstraat, Jansstraat, Willemsplein (van huisnummer 1 tot en met 10), Korenstraat, Molenstraat en Hoogstraat (inclusief Korte Hoogstraat).
Onder binnenstad wordt in dit artikel verstaan: het gebied - met uitzondering van het horecaconcentratiegebied - dat begrensd wordt door- en met inbegrip van Rijnkade, Roermondsplein, Nieuwe Plein, Willemsplein, Jansbinnensingel, Velperbuitensingel, Eusebiusbuitensingel en Ooststraat, alsmede de Steenstraat (tot het spoor), de Spijkerlaan en de Spijkerstraat (vanaf de Spijkerlaan).
Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.3.1.15aMelding afwijking sluitingsuur
Onder cultureel uitgaanscentrum wordt in dit artikel verstaan een openbare inrichting geëxploiteerd door een instelling waarvan de kernactiviteiten in de culturele sfeer zijn gelegen en die de beschikking heeft over een concert-, dans- en/of theaterzaal.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een openbare inrichting toegestaan éénmaal per kwartaal zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: het voornemen tot de langere openstelling moet tenminste één week van tevoren schriftelijk aan de burgemeester worden gemeld; voor de openbare inrichting dient een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoolwet te zijn verleend; de openbare inrichting is niet gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 2.3.1.15, zesde lid.
De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het tweede lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.1.15, eerste lid, is het de exploitant van een cultureel uitgaanscentrum toegestaan zijn openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben buiten de reguliere sluitingstijden en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de langere openstelling wordt tenminste drie weken van tevoren schriftelijk gemeld bij de burgemeester; bij de melding wordt duidelijk omschreven welke activiteit het betreft; e onder b genoemde activiteit is een activiteit in de culturele sfeer en sector waar het cultureel uitgaanscentrum zich op richt.
De burgemeester kan besluiten de langere openstelling als bedoeld in het vierde lid te verbieden in het belang van de openbare orde en veiligheid of de aantasting van het woon- en leefklimaat.
Van een besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 2.3.1.16Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet.
Artikel 2.3.1.17Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid,van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige anere wijze overdraagt.
Artikel 2.3.1.18Ordeverstoring
Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zicht te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn krachtens artikel 2.3.1.15 of op grond van een besluit krachtens 2.3.1.16; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die heen gebruik maken van het terras.
Artikel 2.3.1.19Toegang ambtenaren van politie
De exploitant en beheerder van een openbare inrichting zijn verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerde toegang hebben tot de inrichting: gedurende de tijd dat de openbare inrichting voor bezoekers geopend is, dan wel; gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 2.3.1.20Bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college met betrekking tot uitoefening van de in deze paragraaf toegekende bevoegdheden op als bevoegd bestuursorgaan.
Paragraaf 1a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2.3.1a1 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak- alcoholhoudende drank; dat wat wordt verstaan in de Alcoholwet.
Onder binnenstad wordt verstaan het gebied dat begrensd wordt door de Rijnkade, Roermondsplein, Nieuwe Plein, Willemsplein, Jansbinnensingel, Velperbuitensingel, Eusebiusbuitensingel en Ooststraat, alsmede de Steenstraat (tot het spoor), de Spijkerlaan en de Spijkerstraat (vanaf de Spijkerlaan), met inbegrip van het horecaconcentratiegebied, zoals omschreven in artikel 2.3.1.15, zesde lid.
Artikel 2.3.1a2 Verbod tot het verstrekken van sterke drank in inrichtingen van een bepaalde aard
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in inrichting van de volgende aard: waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten e.d. worden verkocht voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse; welke deel uitmaakt van een gebouw waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven; welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen; welke deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar middel van vervoer; die gelegen is op of nabij een kampeer- of caravanterrein; die in gebruik is als foyer van een bioscoop of een schouwburg.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
Artikel 2.3.1a3 Ontheffing
De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van een op grond van artikel 2.3.1a.2 geldend verbod om in een inrichting sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
Artikel 2.3.1a4 Tijdelijke verboden tot het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in een in de binnenstad gelegen inrichting bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse.
Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de binnenstad bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken.
Artikel 2.3.1a5 Aanwijzing
Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1.a.4, eerste of tweede lid, kan worden gegeven in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.1a.4, derde lid, wordt eerst gegeven indien het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid dringend tot het geven van een dergelijke aanwijzing vordert.
Artikel 2.3.1a6 Regulering paracommerciële rechtspersonen
Paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd het bepaalde in het artikel 2.3.1.15 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één (1) uur voor de aanvang, tijdens en tot uiterlijk één (1) uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.
Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid geldende verbod.
Artikel 2.3.1a7 Inperking prijsacties
Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.
Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.3.2.1Definitie
In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2.3.2.2Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.3.2.3Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.1Speelgelegenheden
Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2.3.3.2Kansspelen
Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats buitenshuis gelegenheid te geven tot of deel te nemen aan enig spel om geld of geldwaarde.
Artikel 2.3.3.3Speelautomaten in horeca-inrichting
Dit artikel verstaat onder:
Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen;
Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;
Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Paragraaf 4 Toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen
Artikel 2.3.4.1Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in een bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Paragraaf 5 Tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat
Artikel 2.3.5.1Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de exploitant, alsmede de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. d. bedrijfspand: het pand waarin het bedrijf gevestigd is.
Artikel 2.3.5.2Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten
Artikel 2.3.5.3Vergunning uitoefening bedrijf
Artikel 2.3.5.4Vergunningaanvraag
Artikel 2.3.5.5Intrekking en wijziging van een vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze paragraaf niet worden nageleefd; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; j. indien sprake is van strijd met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
Artikel 2.3.5.6Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand
Artikel 2.3.5.7Geboden en verboden exploitant
Artikel 2.3.5.8Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen
In afwijking van het eerste lid van artikel 2.3.5.3 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2.3.5.2 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties niet: a. In gevallen waarin nog géén vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: In de eerste drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit; b. In gevallen waarin binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: Tot het besluit tot weigering van een door hem binnen de termijn van drie maanden aangevraagde vergunning.
Artikel 2.3.5.9Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.3 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 4 Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade
Artikel 2.4.1Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.
Artikel 2.4.1aGebiedsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, aan degene die in het horecaconcentratiegebied op de weg of in een voor het publiek toegankelijk lokaal geweld pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een tijdvak van twee maanden, gedurende de tijdstippen in het verbod genoemd, te bevinden in het horecaconcentratiegebied.
Tot het opleggen van een verbod als bedoeld in het eerste lid gaat de burgemeester eerst over, indien hij de betrokkene uiterlijk zes maanden daarvoor vanwege een eerdere geweldsdaad als bedoeld in het eerste lid heeft gewaarschuwd, dan wel een verbod als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd.
In gevallen waarin de burgemeester aan een persoon in een tijdsbestek van twee jaar voor de derde keer een verbod oplegt als bedoeld in het eerste lid, wordt dit verbod opgelegd voor een tijdvak van vier maanden.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid gegeven verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Onder horecaconcentratiegebied wordt verstaan het gebied zoals omschreven in artikel 2.3.1.15, zesde lid.
Artikel 2.4.2Overlast door drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2.4.3Gebiedsontzegging
De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde aan een persoon die op een openbare plaats handelingen verricht die de openbare orde verstoren of die strafbare feiten pleegt, het bevel te geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
De burgemeester is bevoegd aan een persoon aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die opnieuw op een openbare plaats handelingen verricht die de openbare orde verstoren of die strafbare feiten pleegt, in het belang van de openbare orde het bevel te geven zich gedurende ten hoogste drie maanden niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2.4.4Overlast door openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
In afwijking van het tweede lid, is het verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw die zich bevinden binnen een afstand van 200 meter van scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs middelen als bedoeld in het artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten.
Artikel 2.4.5Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2.4.6Vervoer plakgereedschap en dergelijke
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.5.
Artikel 2.4.7Vervoer inbrekerswerktuigen
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren of bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen of vermommingsmiddelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen.
Artikel 2.4.7aVerbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2.4.8Betreden van plantsoenen e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, plantsoenen of groenstroken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.9Rijden over bermen e.d
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Artikel 2.4.10Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen
Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.4.10aVerplichte route
Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.11Verboden drankgebruik
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2.4.11aHinderlijk gebruik van drugs
Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022
Artikel 2.4.12a Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden zonder redelijk doel: zich in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2.4.12b Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2.4.13Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte , dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2.4.14Neerzetten van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op een opbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dat in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2.4.15Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke
Het is verboden zich op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2.4.16Bespieden van personen
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindent, te bespieden.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindendt te bespieden.
Artikel 2.4.17Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2.4.18Nodeloos alarmeren
Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022.
Artikel 2.4.19Alarminstallaties
Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022.
Artikel 2.4.20Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op de weg zonder dat die hond is aangelijnd; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
De in het eerste lid onder a en b genoemde verboden gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
Artikel 2.4.21Verontreiniging door honden
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft - met uitzondering van de houder of eigenaar van een hond die zich vanwege een handicap laat begeleiden door een geleidehond of sociale hulphond - is verplicht een hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de directe verwijdering van de uitwerpselen van de hond.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar of aan een opsporingsambtenaar.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2.4.22Gevaarlijke en blaffende honden
Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijngebod- en muilkorfgebod opleggen voor zover de hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en; zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4.20, eerste lid, onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier niet door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort.
Artikel 2.4.23Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Bij het houden en aanwezig hebben van dieren op plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is de eigenaar of houder van deze dieren verplicht zodanige maatregelen te treffen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of dat geen schade optreedt aan de openbare gezondheid.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; aanwezig- te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het gestelde verbod.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2.4.24Loslopend vee
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2.4.25Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.5.1Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. de burgemeester op een eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2.5.4Heling op straat
Het is verboden zich op of aan de weg of op een andere openbare plaats op te houden met het kennelijke doel een goed dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 6 Vuurwerk
Artikel 2.6.1Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: vuurwerk: consumentenvuurwerk zoals bedoeld in het Vuurwerkbesluit; carbid schieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2.6.2Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Het is verboden verboden om consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen.
Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.6.3Carbid schieten
Het is verboden om carbid te schieten.
Het college kan onder voorwaarden zoals opgenomen in het derde lid van dit artikel ontheffing verlenen voor het in het eerste lid gestelde verbod op 31 december tussen 10.00 uur en 16.00 uur, buiten de bebouwde kom en voor zover het niet leidt tot overlast voor milieu, mens en dier.
Carbidschieten is alleen toegestaan voor zover: het carbid schieten gebeurt door een persoon van 18 jaar of ouder, die niet verkeert onder invloed van alcohol of drugs; teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbid schieten wordt gehouden door ten minste één persoon van tenminste 18 jaar oud, die niet verkeert onder invloed van alcohol of drugs; gebruik wordt gemaakt van (melk)bussen of andere cilindervormige voorwerpen met een maximum inhoud van 50 liter; de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; er gebruik wordt gemaakt van een zacht voorwerp (bijvoorbeeld een kunststof of een leren bal) als afdichting van de bus; het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; de plek waar het carbid schieten plaatsvindt, gelegen is op een afstand van tenminste 100 meter van gebouwen van derden; geschoten wordt in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin zich dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; het vrij schootsveld tenminste 75 meter bedraagt en daarin geen verharde openbare wegen of paden liggen; het terrein van waaraf wordt geschoten met touwen, linten of anderszins zodanig is afgezet dat toeschouwers niet in de nabijheid van de schietopstelling en het schootsveld kunnen komen; op het schietterrein voldoende blusmiddelen aanwezig zijn in de vorm van droog zand; het publiek zich op een minimale afstand van 25 meter van de schietopstelling bevindt.
Afdeling 7 Bestuurlijke ophouding
Artikel 2.7.1Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de navolgende artikelen groepsgewijs niet naleven:
Afdeling 8 Preventief fouilleren
Artikel 2.8.1Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Afdeling 9 Cameratoezicht
Artikel 2.9.1Cameratoezicht
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen voor zover het parkeerterreinen en stadions betreft.
Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel 3.1.1Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3.1.2Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3.1.3Nadere regels
Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Artikel 3.2.1Seksinrichtingen
Artikel 3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3.2.3Sluitingsuur
Artikel 3.2.4Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
Artikel 3.2.5Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel 3.2.6Straatprostitutie
Artikel 3.2.6aBevel tot verwijdering
Artikel 3.2.7Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.