Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 (Overijssel)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet regelt hoe de provincie Overijssel subsidies verstrekt, welke soorten subsidies er zijn en welke regels gelden voor het aanvragen en ontvangen ervan. Het doel is om duidelijkheid te scheppen over de voorwaarden en procedures voor provinciale subsidies.
Voor wie: Gedeputeerde Staten van Overijssel, als verstrekker van subsidies; Aanvragers van subsidies bij de provincie Overijssel.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 374
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Definities van belangrijke termen zoals cofinanciering, prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie.
- De toepasselijkheid van het besluit op verschillende soorten subsidies.
- De vormen waarin subsidies kunnen worden verstrekt (prestatiesubsidie of stimuleringssubsidie).
- Regels voor subsidieplafonds, de behandeling van aanvragen en de stapeling van subsidies.
Voor wie geldt deze regeling?
- Gedeputeerde Staten van Overijssel, als verstrekker van subsidies.
- Aanvragers van subsidies bij de provincie Overijssel.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidies worden meestal verstrekt als prestatiesubsidie, waarbij de ontvanger wordt gestuurd op prestaties.
- Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst als er een subsidieplafond is vastgesteld.
- Stapeling van subsidies voor één activiteit is mogelijk, maar de totale provinciale bijdrage mag een bepaald maximum niet overschrijden, tenzij de activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen of er sprake is van cofinanciering uit Europese structuurfondsen.
- Alleen kosten die aantoonbaar rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de prestatie en niet via andere wegen kunnen worden teruggevorderd (zoals BTW), zijn subsidiabel.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (374)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 1.2 Toepassingsbereik
- Artikel 1.3 Subsidievormen
- Artikel 1.4 Subsidieplafond en wijze van behandelen van aanvragen
- Artikel 1.5 Stapeling
- Artikel 7.37
- Artikel 1.6 Subsidiabele kosten
- Artikel 1.7 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.8 Hoogte stimuleringssubsidie
- Artikel 1.9 Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
- Artikel 1.10 Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
- Artikel 1.11 Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
- Artikel 1.12 Prestatiesubsidie
- Artikel 1.13 Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.14 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.15 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.16 Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
- Artikel 4:35
- Artikel 4:36
- Artikel 1.17 Voorschotverlening
- Artikel 1.18 Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.19 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.20 Accountantsverklaring
- Artikel 1.21 Lagere vaststelling
- Artikel 4:46
- Artikel 1.22 Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.23 Toepasselijkheid andere bepalingen
- Artikel 1.24 Egalisatiereserve
- Artikel 1.25 Uitbreiding accountantscontrole
- Artikel 1.26 Voorschotverlening
- Artikel 1.27 Toepasselijkheid
- Artikel 1.28 Uitvraag
- Artikel 1.29 Kennisgeving
- Artikel 1.30 Programma van eisen
- Artikel 1.31 Beoordelingsprocedure
- Artikel 2.6 Criterium
- Artikel 2.7 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.8 Voorschotverlening
- Artikel 2.9 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 2.10 Criterium
- Artikel 2.11 Stimuleringssubsidie
- Artikel 2.12 Grondslag subsidie
- Artikel 3.1 Criteria
- Artikel 3.2 Indieningtermijn aanvraag
- Artikel 3.3 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening
- Artikel 3.4 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.5 Beslistermijn
- Artikel 3.6 Verlening van voorschot
- Artikel 3.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Artikel 3.8 Rapportage
- Artikel 3.9 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 3.10 Terugvordering
- Artikel 3.11 Vervreemding
- Artikel 3.12 tot en met 3.15
- Artikel 3.22 Toepasselijkheid
- Artikel 3.23 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 3.24
- Artikel 3.25 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 3.26 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.27 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 3.28 Criteria
- Artikel 3.29 Grondslagen voor de subsidie
- Artikel 3.30 Vaststelling subsidie
- Artikel 3.31 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.32 Criteria
- Artikel 3.33 Grondslag subsidie
- Artikel 3.40 Criteria
- Artikel 3.41 Grondslag subsidie
- Artikel 3.42 Criteria
- Artikel 3.43 Grondslag subsidie
- Artikel 3.48 Criteria
- Artikel 3.49 Grondslag subsidie
- Artikel 3.50 Anticumulatiebepaling
- Artikel 3.51 De minimisbepaling
- Artikel 3.52 Criteria
- Artikel 3.53
- Artikel 3.54 Voorschotverlening
- Artikel 3.55 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 3.56 Accountantsverklaring
- Artikel 3.57 Lagere vaststelling
- Artikel 3.58 Begripsbepalingen
- Artikel 3.59 Criteria
- Artikel 3.60 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.61 Indieningtermijn aanvraag
- Artikel 3.62 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.63 Subsidieplafond
- Artikel 3.64 Subsidiabele kosten
- Artikel 3.65 Wijze van behandeling van de aanvraag
- Artikel 3.66 Adviescommissie
- Artikel 3.67 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Artikel 3.68 Criteria
- Artikel 3.69 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.70 Criteria
- Artikel 3.71 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.72 Verbod vervreemding
- Artikel 3.73 Stimuleren milieukwaliteit
- Artikel 3.74 Criteria
- Artikel 3.75 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.76 Indieningstermijn
- Artikel 3.77 Stukken bij de aanvraag
- Artikel 3.78 Subsidieplafond
- Artikel 3.79 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 3.80 Criteria
- Artikel 3.81 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.82 Criteria
- Artikel 3.83 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.84 Criteria
- Artikel 3.85 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.86 Vaststelling subsidie
- Artikel 3.87 Indieningstermijn aanvraag vaststelling subsidie
- Artikel 3.88 Criteria
- Artikel 3.89 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 3.90 Indieningstermijn
- Artikel 3.91 Subsidieplafond
- Artikel 3.92 Begripsbepalingen
- Artikel 3.93 Criteria
- Artikel 3.94 Subsidievorm
- Artikel 3.95 Grondslag subsidie
- Artikel 3.96 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 3.97 Aanvullende/andere stukken bij aanvraag
- Artikel 3.98 Subsidieplafond
- Artikel 3.99 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.1 Criteria
- Artikel 4.2 Grondslag
- Artikel 5.1 Criteria
- Artikel 5.2 Grondslag subsidie
- Artikel 5.3 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.4 Begripsbepalingen
- Artikel 5.5 Reserve ISV
- Artikel 5.6 Grondslag subsidie en subsidieplafond
- Artikel 5.7 Begripsbepaling
- Artikel 5.8 Criteria
- Artikel 5.9 Grondslag subsidie
- Artikel 5.10 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.11 Aanvullende stukken
- Artikel 5.12 Adviescommissie
- Artikel 5.13 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 5.14 Criteria
- Artikel 5.15 Grondslag subsidie
- Artikel 5.16 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.17 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.18 Beslistermijn
- Artikel 5.19 Accountantsverklaring
- Artikel 5.20 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 5.21 Criteria
- Artikel 5.22 Subsidievorm
- Artikel 5.23 Grondslag subsidie
- Artikel 5.24 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.25 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 5.25a Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.26 Begripsbepaling
- Artikel 5.27 Criterium
- Artikel 5.28 Grondslag subsidie
- Artikel 5.29 Subsidieverlening en voorschotverlening
- Artikel 5.30 Vaststelling subsidie
- Artikel 6.1 Criteria
- Artikel 6.2 Grondslag subsidie
- Artikel 6.3 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.4 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 6.5 Subsidieplafond
- Artikel 6.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 6.7 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 6.8 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 6.15 Begripsbepalingen
- Artikel 6.16 Criteria
- Artikel 6.17 Grondslag subsidie
- Artikel 6.18 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.2 Niet-subsidiabele kosten
- Artikel 7.3 Indieningstermijn
- Artikel 7.4 Beslistermijn verlening prestatiesubsidies
- Artikel 7.4a Subsidieverstrekking
- Artikel 7.5 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.6 Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
- Artikel 7.7 Indieningstermijn per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
- Artikel 7.8 Begripsbepaling
- Artikel 7.9 Doelstelling van de subsidie
- Artikel 7.10 Criteria
- Artikel 7.11 Subsidiabele kosten
- Artikel 7.12 Adviescommissie
- Artikel 7.13 Doelstelling van de subsidie
- Artikel 7.14 Criteria
- Artikel 7.14a Publieksbereik
- Artikel 7.15 Adviescommissie
- Artikel 7.16 Begripsbepaling
- Artikel 7.17 Doelstelling van de subsidie
- Artikel 7.18 Criteria
- Artikel 7.19 Grondslag subsidie
- Artikel 7.20 Begripsbepalingen
- Artikel 7.20a indieningstermijn
- Artikel 7.21 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.22 Criteria
- Artikel 7.23 Grondslag subsidie
- Artikel 7.28 Begripsbepalingen
- Artikel 7.29 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.29a Indieningstermijn
- Artikel 7.30 Criteria
- Artikel 7.31 Grondslag subsidie
- Artikel 7.32 Begripsbepalingen
- Artikel 7.33 Criteria
- Artikel 7.34 Indieningstermijn
- Artikel 7.35 Grondslag subsidie
- Artikel 7.35a Begripsbepalingen
- Artikel 7.35b Grondslag
- Artikel 7.35c Vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 7.35d Publiciteit
- Artikel 7.39 Begripsbepalingen
- Artikel 7.40 Subsidievorm
- Artikel 7.41 Criteria
- Artikel 7.42 Grondslag subsidie
- Artikel 7.43 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.44 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.45 Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
- Artikel 7.46 Begripsbepaling
- Artikel 7.47 Doelstelling van de subsidie
- Artikel 7.48 Criteria voor subsidiëring
- Artikel 7.49 Grondslag subsidie
- Artikel 7.50 Begripsbepalingen
- Artikel 7.51 Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing
- Artikel 7.52 Criteria
- Artikel 7.53 Grondslag subsidie
- Artikel 7.54 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.55 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.56 Verzekeringen en administratie
- Artikel 7.57 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 7.58 Verslag van de prestaties
- Artikel 7.59 Verslag van de kosten
- Artikel 7.60 Reserveringen en vermogensvorming
- Artikel 7.61 Lagere vaststelling
- Artikel 7.62 Overgangsregeling
- Artikel 8.1 Definities
- Artikel 8.2 Criteria
- Artikel 8.3 POP-subsidie Algemeen
- Artikel 8.3a LEADER-aanpak
- Artikel 8.4 Staatssteun
- Artikel 8.5 Bijzondere bepalinq over aanvraqen van qemeenten en waterschappen
- Artikel 8.5a Wijzigen van de subsidieverlening
- Artikel 8.6 Bijzondere bepaling over de aanvraag tot vaststelling
- Artikel 8.6a Meerjarige subsidies
- Artikel 8.7 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.8 Criteria
- Artikel 8.9 Grondslag
- Artikel 8.10 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.10a Accountantsverklaring bij vaststelling
- Artikel 8.11 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.12 criteria
- Artikel 8.13 Grondslag
- Artikel 8.14 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.15 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.16 Nadere criteria
- Artikel 8.17 Grondslag
- Artikel 8.18 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.19 Criteria
- Artikel 8.20 Grondslag
- Artikel 8.21 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.21a Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 8.22 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.23 Nadere criteria
- Artikel 8.24 Grondslag
- Artikel 8.25 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.26 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 8.27 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.28 Criteria
- Artikel 8.29 Grondslag
- Artikel 8.30 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.31 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 8.32 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.33 Criteria
- Artikel 8.34 Grondslag
- Artikel 8.35 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.35a Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 8.36 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.37 Criteria
- Artikel 8.38 Grondslag
- Artikel 8.39 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.40 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.41 Criteria
- Artikel 8.42 Grondslag
- Artikel 8.43 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.44 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 8.44a Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 8.44b Vervreemding
- Artikel 8.44c Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.44d Criteria
- Artikel 8.44e Grondslag
- Artikel 8.45 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.46 Criteria
- Artikel 8.47 Grondslag
- Artikel 8.48 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.49 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.50 Criteria
- Artikel 8.51 Grondslag
- Artikel 8.52 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.53 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 8.54 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.55 Criteria
- Artikel 8.56 Grondslag
- Artikel 8.57 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.58 Voorschotverlening
- Artikel 8.59 Subsidievaststelling
- Artikel 8.60 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 8.61 Beslistermijn subsidievaststelling
- Artikel 8.62 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.63 Criteria
- Artikel 8.64 Grondslag
- Artikel 8.65 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.66 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.67 Criteria
- Artikel 8.68 Grondslag
- Artikel 8.69 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.70 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.71 Criteria
- Artikel 8.72 Grondslag
- Artikel 8.73 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.78 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.79 Criteria
- Artikel 8.80 Grondslag
- Artikel 8.81 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.82 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 8.83 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Artikel 8.84 Voorschot
- Artikel 8.84a Overgangsbepaling
- Artikel 8.85 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.86 Criteria
- Artikel 8.87 Grondslag
- Artikel 8.88 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.89 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.90 Criteria
- Artikel 8.91 Grondslag
- Artikel 8.92 Voorschotverlening
- Artikel 8.93 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.94 Criteria
- Artikel 8.95 Grondslag
- Artikel 8.96 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 8.97 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 8.98 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.99 Criteria
- Artikel 8.100 Grondslag
- Artikel 8.101 Indieningstermijn
- Artikel 8.102 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.103 Criteria
- Artikel 8.104 Grondslag
- Artikel 8.105 Indieningstermijn
- Artikel 8.106 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.107 Criteria
- Artikel 8.108 Grondslag
- Artikel 8.109 Indieningstermijn
- Artikel 8.110 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.110a Criteria
- Artikel 8.110b Grondslag
- Artikel 8.110c Indieningstermijn
- Artikel 8.111 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.112 Criteria
- Artikel 8.113 Grondslag
- Artikel 8.115 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.116 Criteria
- Artikel 8.117 Grondslag
- Artikel 8.118 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.119 Criteria
- Artikel 8.120 Grondslag
- Artikel 8.123 Begripsbepaling
- Artikel 8.124 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 8.125 Criteria
- Artikel 8.126 Grondslag
- Artikel 8.127 Indieningstermijn
- Artikel 8.128 Monumentencommissie
- Artikel 8.129 Verwijzing
- Artikel 8.129a Criteria
- Artikel 8.129b Grondslag subsidie
- Artikel 8.130 Criteria
- Artikel 8.131 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 9.1 Onvoorziene omstandigheden
- Artikel 9.2 Overgangsrecht
- Artikel 9.3 Citeertitel
Hoofdstuk 1, Algemeen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen en waartegenover geen rechtstreekse baat staat voor de provincie. e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt; f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten; h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten; i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten.
Artikel 1.2Toepassingsbereik
1[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening. De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie.
De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer. ] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies.
Artikel 1.3Subsidievormen
2 [Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.
Artikel 1.4Subsidieplafond en wijze van behandelen van aanvragen
3 [Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.] Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
Artikel 1.5Stapeling
Artikel 7.37
bepaalt de maximale bijdrage voor kulturhusen op 50%. De reden daarvoor is dat we het belangrijk vinden dat ook de gemeente en andere derden bijdragen. Als de gestapelde bijdrage groter zou zijn dan 50% wordt dit beleidsuitgangspunt doorkruist. Daarnaast geldt een maximale bijdrage van € 100.000,--. Dat maximum heeft te maken met het beschikbare budget voor kulturhusen vanuit het programma Cultuur en maatschappelijke ontwikkeling. Dat bedraagt in 2006 circa € 500.000,--. Als er een aanvraag komt van een gemeente waarin de bouw meer dan € 1.000.000,-- één miljoen euro kost zou je het hele budget in één keer kwijt kunnen zijn. Om ervoor te zorgen dat er uit dat budget meerdere kulturhusen kunnen worden ondersteund, is er een absoluut maximum opgenomen. Dit maximum laat echter onverlet dat uit andere budgetten wordt gestapeld boven het genoemde bedrag van € 100.000,--. Stapeling is dus mogelijk. Kortom, er kan een totale provinciale bijdrage worden verleend die hoger is dan € 100.000,-- zolang die niet groter is dan 50%. Eén van de budgetten waaruit kan worden gestapeld is het reconstructiebudget (mits het kulturhus past in het Uitvoeringsprogramma reconstructie). In de betreffende paragraaf is bepaald dat het maximum uit die regeling eveneens € 100.000,-- is. Daarmee komt de totale gestapelde bijdrage op maximaal 50% tot maximaal € 200.000,--.] 3. Het tweede lid is niet van toepassing als de activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen. In dat geval is stapeling van de provinciale bijdrage boven een gesteld maximum mogelijk voorzover een extra prestatie wordt geleverd om ook aan andere beleidsdoelen bij te dragen. 6[Toelichting: Waar het tweede lid betrekking heeft op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt, gaat het derde lid over stapeling uit regelingen met onderscheiden beleidsdoelstellingen. Stel dat een waterschap een werk wil uitvoeren dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging (40% subsidiabel op grond van artikel 6.10) en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert (50% subsidiabel op grond van artikel 4.8., mits het past in de gebiedsuitwerking van het reconstructieplan).
Om te bepalen of stapeling in dit geval mogelijk is en tot welk percentage zullen Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de aanvraag kijken naar de extra inspanning die moet worden geleverd gelet op de aanvullende doelstelling. Stel dat het project van het waterschap is begroot op € 1.000.000,--. Zou het waterschap zich alleen richten op waterberging dan zou het project kunnen worden uitgevoerd voor € 800.000,--. Dan kan 40% van € 800.000,-- uit de waterparagraaf worden gesubsidieerd. Stapeling uit het natuurbudget is mogelijk maar niet meer dan 50% van € 200.000,--. De totale bijdrage is derhalve € 420.000,--. Bij een theatervoorstelling waarin diverse minderheden meedoen en die (dus) zou kunnen worden gesubsidieerd vanuit cultuur en/of vanuit minderheden betekent de betrokkenheid van allochtonen in de meeste gevallen geen extra inspanning of kosten.
In dat geval moet worden gekozen voor één van de regelingen en is stapeling geen optie.] 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij cofinanciering uit de Europese structuurfondsen. 7[Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%.] 5. Voorzover de voorschriften die gelden ten aanzien van de deelbijdragen van elkaar verschillen bepalen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening welke voorschriften van toepassing zijn. 8[Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd – hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden – dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften.”]
Artikel 1.6Subsidiabele kosten
Artikel 1.7Subsidieverplichtingen
11 [Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie
12[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7.. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ]
Artikel 1.8Hoogte stimuleringssubsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
Artikel 1.9Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 1.10Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd; b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken.
Artikel 1.11Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Paragraaf 3. Prestatiesubsidie
Artikel 1.12Prestatiesubsidie
13[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt. Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen.
Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde. Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren. Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb). ] Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren.
Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies 14 [Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.]
Artikel 1.13Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 1.14Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier.
Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb.]
Artikel 1.15Subsidieverplichtingen
17 [Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.] Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
Artikel 1.16Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
18[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen.
Artikel 4:35
Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden
Artikel 4:36
Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.
Artikel 1.17Voorschotverlening
19 [Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
Artikel 1.18Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
Artikel 1.19Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
20 [Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.] 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan.
Artikel 1.20Accountantsverklaring
Artikel 1.21Lagere vaststelling
24[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst' maakt op een activiteit.
Artikel 4:46
Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking'). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger. Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd' voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: ] lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of
Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Artikel 1.22Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen
Artikel 1.23Toepasselijkheid andere bepalingen
Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: • 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); • 4:68 (definitie boekjaar); • 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten • 4:72 (egalisatiereserve); • 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); • 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); • 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt.
De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt.] 2. De artikelen 1.16, 1.19 lid 3 en 1.22 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. 26[Toelichting: Omdat in afdeling 4.2.8 Awb niets wordt geregeld ten aanzien van de beslistermijnen op aanvragen om subsidieverlening en -vaststelling, wordt aangesloten bij de bepalingen in dit besluit voor ‘niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies’.]
Artikel 1.24Egalisatiereserve
27[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt. Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen. Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten.
Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten. In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo'n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen. ] 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb.
Artikel 1.25Uitbreiding accountantscontrole
28 [Toelichting: Zie toelichting op artikel 1.20., vierde lid.] Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.
Artikel 1.26Voorschotverlening
Subparagraaf 3.3. Vergelijkingsprocedure 29[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor. Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid. ]
Artikel 1.27Toepasselijkheid
Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald.
Artikel 1.28Uitvraag
Artikel 1.29Kennisgeving
30[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie. Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen. Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten. De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen. ] Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag.
Artikel 1.30Programma van eisen
Het programma van eisen bevat in elk geval: a. een beschrijving van de provinciale doelstellingen; b. een beschrijving van de te leveren prestaties; c. de eisen waaraan de aanvrager moet voldoen; 31[Toelichting: Met het opnemen van selectiecriteria kan op voorhand het aantal instellingen en organisaties worden beperkt, die mogelijk zullen reageren op de uitvraag. Gedacht kan worden aan objectieve criteria als bijvoorbeeld ervaring in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van de organsisatie, technische en professionele vaardigheden. Een andere mogelijkheid is het opstellen van een lijst van gekwalificeerde organisaties en instellingen voor bijvoorbeeld een specifiek onderdeel van provinciaal beleid. Gedeputeerde Staten kunnen vervolgens uit deze lijst specifieke organisaties en instellingen selecteren en uitnodigen te reageren op een bepaalde uitvraag.] d. de criteria waaraan de te leveren prestaties moeten voldoen; e. de termijn voor het indienen van aanvragen, die in ieder geval zes weken bedraagt; f. het subsidieplafond; g. het aantal te subsidiëren partijen; h. de looptijd van de prestatiesubsidie; i. de wijze van subsidieverstrekking.
Artikel 1.31Beoordelingsprocedure
32 [Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen op basis van de in het programma van eisen opgenomen eisen en criteria als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel c en d, in een prioriteitsvolgorde.
Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden
Paragraaf 1. Integrale veiligheid
[ingetrokken]
Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid
33[Toelichting: Het specifieke veiligheidsaspect ligt in het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Omdat de provincie hierin geen wettelijke taak heeft, moet zij in samenspraak met politie, justitie, openbaar ministerie en gemeenten op zoek naar haar bijdrage aan dit thema. De provincie Overijssel ziet dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie overheden om zorg te dragen voor een adequate samenhangende sociale infrastructuur, waarbinnen de doelstellingen, geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid, gerealiseerd kunnen worden.]
Artikel 2.6Criterium
34[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van veiligheidsbeleid en in het bijzonder van het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid 2004 - 2007 van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring. Concreet betekent dit dat projecten worden gevonden op het snijvlak van het preventief jeugdbeleid (gemeente) met de jeugdzorg (provincie) en het strafrecht (politie /justitie). Hierbij streven wij naar een verdeling van de middelen tussen projecten die zich richten op: 1. het voorkomen van jeugdcriminaliteit en 2. projecten die zich richten op de aanpak van jeugdcriminaliteit] Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder; b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid.
Artikel 2.7Indieningstermijn aanvraag
35[Toelichting: Een aanvraag om subsidie is niet afhankelijk van een indieningstermijn.] In afwijking van artikel 1.13. kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 2.8Voorschotverlening
36[Toelichting: Het te verlenen voorschot bedraagt 80% van het verleende subsidiebedrag.] In afwijking van artikel 1.17. verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.
Artikel 2.9Verplichting subsidieontvanger
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland)
37[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking. Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen.]
Artikel 2.10Criterium
Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager dient voor te komen in het Werkplan samenwerking Overijssel-Kurzeme (Letland) 2006; b. het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Artikel 2.11Stimuleringssubsidie
In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie.
Artikel 2.12Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme
Paragraaf 1. Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+
38[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit.In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan: 1in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's; 2in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid;3in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren.
Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+ De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+. Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma's: a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio's Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek; b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente; c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek.
LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan.
De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma's, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen. Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio's. Deze regio's kampen in vergelijking met andere regio's in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties.
Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De Doelstelling 2- en LEADER+-programma's bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma's zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen. Regelgeving van de Europese Unie De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving.
Hieronder vallen o.a.: 1het Europees Verdrag; 2meerdere Europese verordeningen; 3de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+; 4De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen.| Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger: Verordening (EG) nrs: 11260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161); 21783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213); 31159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen (Pb L 130); 1448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193); 2438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63); 3448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64);
Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139). Staatssteun Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: "Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd." (Höfner-arrest).
Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing.
Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis'-regeling. (Vo (EG) nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen.
Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst. Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Aanvraagformulier Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.
Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht. ]
Artikel 3.1Criteria
Artikel 3.2Indieningtermijn aanvraag
Artikel 3.3Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd; b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden; c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep; d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies.
Artikel 3.4Wijze van behandeling van de aanvragen
Artikel 3.5Beslistermijn
In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijke groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
Artikel 3.6Verlening van voorschot
Artikel 3.7Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 3.8Rapportage
Artikel 3.9Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven.
Artikel 3.10Terugvordering
Indien de bijdrage(n) uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(en) worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen.
Artikel 3.11Vervreemding
Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in.
Artikel 3.12tot en met 3.15
[vervallen]
Paragraaf 2. In actie voor werkgelegenheid
Subparagraaf 2.1. Bedrijfsverplaatsingen [vervallen per 1 januari 2008] Subparagraaf 2.2. Algemeen
Artikel 3.22Toepasselijkheid
Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.14.
Artikel 3.23Subsidiabele activiteiten
39[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren. Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’ en plaatsvinden in Overijssel.
Artikel 3.24
Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie.
Subparagraaf 2.3. Ruimte voor bedrijvigheid 40[Toelichting: Een korte toelichting op de in deze subparagrafen gebruikte begrippen: Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkings-mogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte. Belemmeringen zijn bijvoorbeeld administratieve lasten voor ondernemers.
Een bedrijventerrein is een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door één of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca. Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (a) hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (b) hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (c) hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (d) op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen.
Een herstructureringsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, zijnde alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die niet onder regulier onderhoud vallen, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden en gericht is op de verbetering van het vestigingsklimaat op het bedrijventerrein. Herstructurering is een koepelbegrip voor vier typen van maatregelen die genomen kunnen worden om de veroudering van bedrijventerreinen tegen te gaan: 1beperkte herstructurering: grote opknapbeurt van veelal de openbare ruimte bij fysieke veroudering; 2revitalisering: forse integrale verbetering van het terrein waarbij de huidige economische functiesbehouden blijven; 3herprofilering: herstructurering waarbij de economische functie van het terrein een andere wordt; 4transformatie: herstructurering waarbij de economische functie verdwijnt en hier bijvoorbeeld woningbouw voor in de plaats komt.
In dit geval wordt het terrein onttrokken aan de voorraad bedrijventerreinen. Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur en verpachting van grond en de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen. Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven. Bij zorgvuldig ruimtegebruik wordt de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik kan plaatsvinden in vier dimensies: a. intensivering van ruimtegebruik/verdichten; b. functiemenging; c. verticaal bouwen, de hoogte of de diepte in; d. tijd.
Zorgvuldig ruimtegebruik is eng verweven met onderwerpen als herstructurering, duurzaamheid, parkmanagement, criminaliteitsbestrijding en architectuur.]
Artikel 3.25Subsidiabele activiteiten
Artikel 3.26Grondslag voor de subsidie
Subparagraaf 2.4. Herstructurering van bedrijventerreinen
Artikel 3.27Subsidiabele activiteiten
Binnen het thema Herstructurering van bedrijventerreinen kan subsidie worden gevraagd voor: a. het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bestaande bedrijventerreinen; b. het oplossen van knelpunten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen; c. de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.
Artikel 3.28Criteria
Artikel 3.29Grondslagen voor de subsidie
41[Toelichting: De provincie wil maximaal € 1.000.000,-- bijdragen aan de 'grotere' herstructureringsprojecten, zoals revitalisering en herprofilering. Dit kunnen bijvoorbeeld projecten zijn die van de minister van Economische Zaken een subsidie hebben ontvangen op grond van het Besluit subsidies topprojecten herstructurering bedrijventerreinen (Staatsblad 200, 629). Bij revitalisering en herprofilering gaat het ook om verwerving en herontwikkeling van kavels. Onder beperkte herstructurering verstaan wij een grote opkanpbeurt van met name de openbare ruimte van een bedrijventerrein.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.
Artikel 3.30Vaststelling subsidie
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, geen besluit tot subsidieverlening vooraf.
Artikel 3.31Aanvullende stukken bij de aanvraag
42[Toelichting: Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.] 1. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, bij de aanvraag tevens een offerte voor het oplossen van het ontstane knelpunt.
Subparagraaf 2.5. Economische innovatie
Artikel 3.32Criteria
Artikel 3.33Grondslag subsidie
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, sub a, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.
Subparagraaf 2.6. Innovatie in bedrijf [vervallen] Subparagraaf 2.7. Gebiedsontwikkeling Kennispark Twente 45[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel. In actie voor werkgelegenheid, Breedband Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen. Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven. Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor: 1beeld- en geluidstoepassingen van een goede kwaliteit; 2het uitwisselen van omvangrijke gegevensbestanden; 3waarvan de verbinding continu beschikbaar is; 4ten minste een capaciteit van 10 Mbps ondersteunt en 5toekomstvast is in die zin dat hogere capaciteiten later tegen relatief geringe kosten realiseerbaar zijn.
Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur. Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken: 1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten. Daarmee is een open ‘backbone' glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; de provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad; 2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet; 3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats.
Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties: A. Vraagbundeling De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld.
De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland. B. Elektronische dienstverlening De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid'. Accenten in de samenwerking worden gelegd bij: 1het raadplegen van tot dusver minimaal ontsloten publieke informatie bijvoorbeeld beeldarchieven; 2het bevorderen van één-loketinitiatieven zodat dienstverlening naar burgers en bedrijven voor het grootste gedeelte elektronisch wordt; 3het gebruikmaken van internet als het gaat om burgerraadplegingen, interactieve beleidsvorming en politieke communicatie met burgers en organisaties.
C. Stimuleren breedbanddiensten Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten. In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: 1de dienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk; 2de dienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven; 3de dienst wordt na opstartfase zelfstandig geëxploiteerd en is dan toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners; 4de dienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciaal Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie' 2003-2007;5bij de ontwikkeling en productie van de dienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.]
Artikel 3.40Criteria
Artikel 3.41Grondslag subsidie
Voor activiteiten en projecten als bedoeld in artikel 3.40 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--.
Subparagraaf 2.8. ICT-diensten- en breedbandeconomie 46[Toelichting: Het Actieprogramma Breedband Overijssel wordt op dezelfde leest voortgezet, maar nog meer toegespitst op innovatie van (ICT-)diensten. De nadruk komt aan de ene kant te liggen op opschaling van nu ontwikkelde breedbanddiensten vanuit de pilot-fase naar meer organisaties. Aan de andere kant gaat het om stimulering van de creatieve industrie door het innovatief opdrachtgeverschap van maatschappelijke organisaties te bevorderen. De samenwerking met Rijk, provincie Gelderland en NRW wordt versterkt.]
Artikel 3.42Criteria
Artikel 3.43Grondslag subsidie
Voor activiteiten en projecten als bedoeld in artikel 3.42 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--.
Subparagraaf 2.9. Clustergerelateerde activiteiten [vervallen] Subparagraaf 2.10. Bedrijfsgerichte trajecten [vervallen] Subparagraaf 2.11. Pieken in de Delta Oost-Nederland
Artikel 3.48Criteria
47[Toelichting: Het uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland is verkrijgbaar bij: Ministerie van Economische Zaken, Regiokantoor Oost Postbus 324 6800 AH Arnhem Telefoon 026 352 58 88.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan activiteiten en projecten die bijdragen aan de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), die een bijdrage leveren aan de uitvoering van projecten uit de Twentse Innovatieroute en de Innovatieagenda Oost-Nederland.
Artikel 3.49Grondslag subsidie
De subsidie als bedoeld in artikel 3.48 bedraagt maximaal 50% van de kosten.
Artikel 3.50Anticumulatiebepaling
[vervallen]
Artikel 3.51De minimisbepaling
[vervallen] Subparagraaf 2.12. Kennisintensieve Maakindustrie (KIMI)
Artikel 3.52Criteria
Artikel 3.53
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.52 bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 50.000,--.
Artikel 3.54Voorschotverlening
[vervallen]
Artikel 3.55Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
[vervallen]
Artikel 3.56Accountantsverklaring
[vervallen]
Artikel 3.57Lagere vaststelling
[vervallen] Subparagraaf 2.13 Nano4vitality 48[Toelichting: Het programma Nano4Vitality richt zich op het versterken van industrieel onderzoek en product-ontwikkeling op het snijvlak van nanotechnologie, voeding en gezondheid in Oot-Nederland. Samengewerkt wordt met bedrijven en de universiteiten van Nijmegen, Wageningenen twente. Overijssel is uitvoerder van de tenderregeling namens Gelderland. ook het Ministerie van Economische Zaken draagt financieel bij aan het programma.]
Artikel 3.58Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
Artikel 3.59Criteria
Artikel 3.60Grondslag voor de subsidie
50% van de totale subsidiabele kosten voor industrieel onderzoek;
25% van de totale subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling.
Artikel 3.61Indieningtermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag voor 1 november of 1 mei ingediend. Een subsidieaanvraag kan niet worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart.
Artikel 3.62Aanvullende stukken bij de aanvraag
Artikel 3.63Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen twee maal per jaar een subsidieplafond vast.
Artikel 3.64Subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking:
Artikel 3.65Wijze van behandeling van de aanvraag
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.59 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Beoordelings- en rankingscriteria voor in te dienen projecten zijn:
Artikel 3.66Adviescommissie
Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie, dat binnen zes weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 3.67Verplichtingen van de subsidieontvanger
Subparagraaf 2.14. Arbeidsmarkt en onderwijs 49[Toelichting: Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen arbeidsmarkt en tijdgebonden. De projectaanvragers dienen ook in de aanvraag aandacht te besteden aan de overdaagbaarheid van het project. ]
Artikel 3.68Criteria
Artikel 3.69Grondslag voor de subsidie
50[Toelichting: De volgende kosten worden als niet subsidiabel aangemerkt: a. interne kosten; b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit; c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetse en sanctiekosten; e. afschrijvingskosten; f. winstoplagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen; g. de aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting. ] De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 25.000,--.
Subparagraaf 2.15. Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme
Artikel 3.70Criteria
51[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe. Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen.
Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.
Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. De bedrijfsvoering binnen de toeristisch-recreatieve sector wordt complexer, er is steeds meer kennis nodig en innoveren wordt steeds belangrijker, zeker ook met het oog op de groeiende concurrentie binnen de sector. Ook blijven de eisen van consumenten omtrent kwaliteit en onderscheidend vermogen toenemen, waardoor dit onderwerp doorlopend aandacht behoeft. Belevingsaspecten spelen ook steeds meer een rol. Daarom stimuleren wij activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers vergroten.
Voorwaarde hierbij is wel dat dit gestructureerd gebeurt. De maatregel is vooral bedoeld om initiatieven gericht op samenwerking bij de ontwikkeling van het innovatief vermogen van ondernemers te ondersteunen. Voorbeelden hiervan zijn: het opzetten van samenwerkingsverbanden en - arrangementen, initiatieven voor het "bij elkaar in de keuken kijken en van elkaar leren", het verbeteren van ondernemerschap en ketenvorming. ] 1. Binnen het thema Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel; te weten: activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel; ii activiteiten die bijdragen aan de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen; activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel; te weten: activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema’s, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht; ii activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; iii activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren.
Artikel 3.71Grondslag voor de subsidie
Artikel 3.72Verbod vervreemding
Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling
Artikel 3.73Stimuleren milieukwaliteit
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.
Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling 52[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]
Artikel 3.74Criteria
53[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen - meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap - of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit'. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.
Artikel 3.75Grondslag voor de subsidie
54[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.
Artikel 3.76Indieningstermijn
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.
Artikel 3.77Stukken bij de aanvraag
55[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn; e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt; g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.
Artikel 3.78Subsidieplafond
56[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond. Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.] Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.
Artikel 3.79Wijze van behandeling van de aanvragen
57[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project. Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.] 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.
Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren
Artikel 3.80Criteria
Artikel 3.81Grondslag voor de subsidie
59[Toelichting: Hierna volgt een samenvatting van de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. ‘Voorkomen is verdienen' was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen van milieuschadelijke emissies. De uitvoering werd vooral opgepakt vanuit de milieu-invalshoek. De komende periode richten wij ons nog steeds op hetzelfde uitgangspunt, met dat verschil dat wij de uitvoering vanuit een breder perspectief gaan inzetten. Wij stellen ons ten doel te streven naar een duurzame ontwikkeling van de Overijsselse industrie. Hieronder verstaan wij een gelijktijdige versterking van de industriële structuur en een afname van de milieudruk in Overijssel.
Hiermee geven wij invulling aan onze ambitie om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie (Bestuursakkoord 1999-2003). Deze beleidsnotitie is de nadere uitwerking van het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor de beleidsvoornemens gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijsselse midden- en kleinbedrijf. Vanuit het streven naar zoveel mogelijk synergie tussen milieu- en economiethema's binnen het provinciale beleid gaan wij ons in de komende periode richten op die sectoren die de speerpuntsectoren van de Overijsselse Innovatiestrategie zijn.
Het gaat dan om de volgende sectoren: kunststofverwerkende industrie, metaalproducten industrie, machine- en apparatenbouw, voedingsmiddelenindustrie, grafische en media-industrie, transportmiddelenindustrie ((vracht)auto's, schepen, treinen en fietsen). Binnen deze branches koppelen wij daar waar mogelijk onze aanpak aan bestaande initiatieven en houden wij in ieder geval rekening met afspraken uit het doelgroepenbeleid Industrie. Kansrijke ontwikkelingen zijn momenteel te ontdekken op de volgende terreinen: milieugerichte productontwikkeling, productgerichte milieuzorg en integraal ketenbeheer.] 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.800,--. 60[Toelichting: Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten ter stimulering van de uitvoering van het huishoudelijke afvalstoffenbeleid. De hoogte van het maximumbedrag heeft te maken met de omvang van de subsidiepot.] 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 18.000,--. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.
Subparagraaf 3.3. Bio-energie
Artikel 3.82Criteria
61[Toelichting: De haalbaarheidsstudies leveren een bijdrage aan de ambitie voor het realiseren van 120 megawatt uit bio-energie in 2010, zoals opgenomen in het Actieprogramma bio-energie Overijssel 2005 2008. Onder bio-energie installaties worden verstaan installaties voor het opwekken van energie door middel van mestvergisting, houtverbranding, vergassing, pyrolyse of andere conversie technieken. De haalbaarheidsstudie dient gekoppeld te zijn aan een locatie en een initiatiefnemer. Onder een haalbaarheidsstudie wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de oprichting van een bio-energie-installatie. De studie wordt binnen een half jaar na subsidietoekenning afgerond.
Bij de studie worden de volgende aspecten van de te realiseren installatie onderzocht: 1techniek (welke soorten techniek, mogelijkheden voor warmteafzet; impact op milieu/natuur); 2financiering (bedrijfseconomisch, fiscaal, subsidies); 3organisatie (o.a. inpasbaarheid in bedrijfsvoering); 4logistiek (o.a. afzet eindmateriaal, inzet regionale biomassa); 5ruimtelijk (inpasbaarheid in ruimtelijke plannen); 6juridisch (o.a. rechtsvorm). De resultaten van de haalbaarheidsstudie bestaan uit: 1een bedrijfsplan dat kan dienen voor het verkrijgen van financiering en voor vooroverleg met gemeente/provincie in verband met vergunning Wet milieubeheer en bouwvergunning; 2een factsheet met (geanonimiseerde informatie over de installatie, zoals: ¿ hoeveelheid biomassa; ¿ elektrisch en thermisch vermogen; ¿ electriciteitsopbrengst; ¿ afmetingen installatie; ¿ bruto-investering; ¿ terugverdientijd.
Onder een haalbaarheidsstudie voor een inzamelingsstructuur voor regionale biomassa wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de realisatie van een inzamelingsstructuur en afzet van regionale vrijgekomen biomassa. Het gaat om de financiële en organisatorisch/logistieke haalbaarheid van een inzamelstructuur met een onafhankelijke analyse van potentiële marktpartijen. Het resultaat van de studie is een afsprakenpakket tussen inzamelaars van biomassa en verwerkers. De studie wordt binnen een jaar na subsidietoekenning afgerond.] 1. Subsidie kan worden gevraagd voor de externe kosten van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor de realisatie van: bio-energie-installaties; inzamelingsstructuren voor regionale biomassa.
Artikel 3.83Grondslag voor de subsidie
Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig
Artikel 3.84Criteria
Artikel 3.85Grondslag voor de subsidie
65[Toelichting: Deze provinciale subsidie dekt, tezamen met de subsidie van de subsidieregeling bedoeld in arti-kel 3.72, tweede lid, grotendeels of zelfs (vrijwel) volledig de kosten van het roetfilter en de inbouw daarvan. Indien door martkontwikkelingen de prijs structureel daalt, zal ook het subsidiebedrag worden aangepast.] 1. De subsidie bedraagt € 200,-- per ingebouwd roetfilter.
Artikel 3.86Vaststelling subsidie
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.74 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.
Artikel 3.87Indieningstermijn aanvraag vaststelling subsidie
In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij SenterNovem in Zwolle van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 met gebruikmaking van een bij die organisatie verkrijgbaar formulier.
Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel
Artikel 3.88Criteria
66[Toelichting: In het artikel zijn de activiteiten omschreven waarvoor subsidie kan worden verleend. Het betreft een deel van de activiteiten die zijn opgenomen in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007; voor een ander deel van de activiteiten uit het Uitvoeringsplan zullen Gedeputeerde Staten opdrachten kunnen verstrekken. NB: de aanvulling op het programma ‘Leren voor duurzame ontwikkeling' voor scholen en onderwijsinstellingen behoeft geen wijziging van het UBS, maar wijziging van het Provinciaal Ambitiestatement.] 1. Subsidie kan worden verleend voor de volgende activiteiten die zijn benoemd in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007: het uitvoeren van een proefproject voor levering en distributie van alternatieve (niet-fossiele) brandstoffen in het verkeer; het uitvoeren van een regionaal consulentschap voor het stimuleren en ondersteunen van opdrachtgevers en initiatiefnemers van duurzaam bouwen; het uitvoeren van een voorbeeldproject in het kader van beheer en/of herstructurering van een bedrijventerrein dat bij uitstek een voorbeeldfunctie ter versterking van de duurzaamheid kan vervullen; het uitvoeren van een project minimilieuzorg in het midden- en kleinbedrijf; het ontwikkelen en uitvoeren van een themagericht voorlichtings- en educatieprogramma met gelijktijdige ontwikkeling van bij het thema passende activiteiten, indien dit in samenwerking op provinciale schaal wordt uitgevoerd door centra die als hoofddoelstelling hebben de Overijsselse bevolking te informeren over natuur, milieu en/of duurzaamheid.