Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hardenberg 2019 (Hardenberg)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hardenberg 2019, stelt regels vast voor de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid binnen de gemeente Hardenberg. Het reguleert diverse activiteiten en gedragingen in de openbare ruimte.
Voor wie: Inwoners en bezoekers van de gemeente Hardenberg; Personen die vergunningen of ontheffingen aanvragen of hebben.
Termijnen:
- Een betoging op een openbare plaats moet ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk worden gemeld aan de burgemeester.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 226
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
- Gedrag in de openbare ruimte, zoals samenscholingen en ongeregeldheden.
- Het houden van betogingen op openbare plaatsen.
- Het gebruik en de inrichting van wegen en openbare plaatsen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners en bezoekers van de gemeente Hardenberg.
- Personen die vergunningen of ontheffingen aanvragen of hebben.
Wat zijn de kernpunten?
- Een besluit op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing moet binnen acht weken worden genomen, met een mogelijke verlenging van nog eens acht weken.
- Vergunningen en ontheffingen zijn persoonlijk, tenzij anders bepaald, en er kunnen voorschriften en beperkingen aan verbonden zijn.
- Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming.
- Het is verboden deel te nemen aan samenscholingen of ongeregeldheden te veroorzaken op een openbare plaats.
- Een betoging op een openbare plaats moet ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk worden gemeld aan de burgemeester.
- Het is verboden de weg anders te gebruiken dan waarvoor deze bedoeld is zonder vergunning, zoals voor terrassen.
- Het is verboden een uitweg naar de weg te maken of te veranderen zonder melding aan het college vier weken van tevoren, of als het college dit verbiedt.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (226)
- Artikel 1:1 Definities
- Artikel 1:2 Beslistermijn
- Artikel 1:3 [gereserveerd]
- Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
- Artikel1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel 1:7 Termijnen
- Artikel1:8 Weigeringsgronden
- Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- Artikel 2:2 [gereserveerd]
- Artikel2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- Artikel 2:4 [gereserveerd]
- Artikel 2:5 [gereserveerd]
- Artikel 2:6 [gereserveerd]
- Artikel 2:7 [gereserveerd]
- Artikel 2:8 [gereserveerd]
- Artikel 2:9 [gereserveerd]
- Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
- Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
- Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
- Artikel 2:14 Winkelwagentjes
- Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
- Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d
- Artikel 2:17 [gereserveerd]
- Artikel2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
- Artikel 2:20 [gereserveerd]
- Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- Artikel 2:22 [gereserveerd]
- Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
- Artikel 2:24 Definities
- Artikel 2:25 Evenementenvergunning
- Artikel 2:25a Voetbalwedstrijden
- Artikel 2:26 Ordeverstoring
- Artikel 2:27 Definities
- Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
- Artikel 2:29 Sluitingstijd
- Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
- Artikel 2:31 Verboden gedragingen
- Artikel 2:31a Kansspelen
- Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
- Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
- Artikel 2:34 [gereserveerd]
- Artikel 2:34a Begripsbepaling
- Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
- Artikel2 34c [gereserveerd]
- Artikel2:34d [gereserveerd]
- Artikel 2:34e [gereserveerd]
- Artikel 2:34f Verbod happy hours
- Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokalen
- Artikel 2:35 [gereserveerd]
- Artikel 2:36 [gereserveerd]
- Artikel 2:37 [gereserveerd]
- Artikel 2:38 [gereserveerd]
- Artikel 2:39 [gereserveerd]
- Artikel 2:40 Kansspelautomaten
- Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
- Artikel 2:42 Plakken en kladden
- Artikel 2:43 [gereserveerd]
- Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
- Artikel 2:44a Rooftassen
- Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d
- Artikel 2:46 [gereserveerd]
- Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- Artikel 2:47a Verbod verspreiden hinderlijke rookgassen
- Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
- Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
- Artikel2:50a [gereserveerd]
- Artikel 2:50b [gereserveerd]
- Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d
- Artikel 2:52 [gereserveerd]
- Artikel 2:53 [gereserveerd]
- Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
- Artikel 2:55 [gereserveerd]
- Artikel 2:56 [gereserveerd]
- Artikel 2:57 Loslopende honden
- Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
- Artikel 2:59 Gevaarlijke of hinderlijke honden
- Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
- Artikel 2:61 [gereserveerd]
- Artikel 2:62 Loslopend vee
- Artikel 2:63 [gereserveerd]
- Artikel 2:64 [gereserveerd]
- Artikel 2:65 Bedelarij
- Artikel 2:66 Begripsbepaling
- Artikel2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrech
- Artikel 2:69 [gereserveerd]
- Artikel 2:70 [gereserveerd]
- Artikel 2:71 [gereserveerd]
- Artikel 2:72 [gereserveerd]
- Artikel 2:73a Carbid
- Artikel 2:74 Drugshandel op straat
- Artikel2:74a Openlijk drugsgebruik
- Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
- Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
- Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
- Artikel 2:79 Woonoverlast
- Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
- Artikel3.1 Afbakening
- Artikel 3:2 Begripsbepaling
- Artikel 3:3 Vergunning
- Artikel3:4 Concentratie seksinrichtingen
- Artikel3:5 Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven
- Artikel3:6 Aanvraag
- Artikel3:7 Weigeringsgronden
- Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
- Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
- Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
- Artikel3:11 Verlenging vergunning
- Artikel3:12 Toegang seksinrichtingen
- Artikel3:13 Adverteren
- Artikel3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
- Artikel3:15 Bedrijfsplan
- Artikel3:16 [gereserveerd]
- Artikel3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedri
- Artikel3:18 Raamprostitutie
- Artikel3:19 Straatprostitutie
- Artikel3:20 [gereserveerd]
- Artikel3:21 Verbodsbepalingen klanten
- Artikel3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
- Artikel 4:1 Definities
- Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
- Artikel 4.4 [gereserveerd]
- Artikel 4:5 Onversterkte muziek
- Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht
- Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren
- Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
- Artikel 4:5e Geluidhinder door vrachtauto’s
- Artikel 4:5f Routering
- Artikel 4:6 Overige geluidhinder
- Artikel 4:7 [gereserveerd]
- Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
- Artikel4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putte
- Artikel 4:10 Begripsbepalingen
- Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
- Artikel 4:12 Aanvraag vergunning
- Artikel 4:12a Weigeringsgronden
- Artikel 4:12b Bijzondere vergunningvoorschriften
- Artikel 4:12c Herplant-/instandhoudingsplicht
- Artikel 4:13 [gereserveerd]
- Artikel 4:14 [gereserveerd]
- Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
- Artikel 4:16 [gereserveerd]
- Artikel 4:17 Begripsbepaling
- Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
- Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
- Artikel 5:1 Begripsbepalingen
- Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
- Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
- Artikel 5:4 Defecte voertuigen
- Artikel 5:5 Voertuigwrakken
- Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a
- Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
- Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
- Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
- Artikel 5:10 [gereserveerd]
- Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
- Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
- Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
- Artikel 5:14 Definities
- Artikel 5:15 Ventverbod
- Artikel 5:16 [gereserveerd]
- Artikel 5:17 Definitie
- Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
- Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
- Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
- Artikel 5:21 [gereserveerd]
- Artikel 5:22 Definitie
- Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
- Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
- Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
- Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats
- Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats
- Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
- Artikel 5:29 Reddingsmiddelen
- Artikel 5:30 Veiligheid op het water
- Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
- Artikel 5:31a Verbod gemotoriseerde vaartuigen op openbaar water
- Artikel 5:31b Definities
- Artikel 5:32 Crossterreinen
- Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
- Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vu
- Artikel 5:35 Begripsbepaling
- Artikel 5:36 Verboden plaatsen
- Artikel 5:37 Hinder of overlast
- Artikel 6:1 Sanctiebepaling
- Artikel 6:2 Toezichthouders
- Artikel 6:3 Binnentreden woningen
- Artikel 6:4 Intrekking oude verordening
- Artikel 6:5 Overgangsbepaling
- Artikel 6:6 Inwerkingtreding
- Artikel 6:7 Citeertitel
- Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel 1:8 Weigeringsgronden
- Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen va
- Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- Artikel 2:34c [gereserveerd]
- Artikel 2:34d [gereserveerd]
- Artikel 2:50a [gereserveerd]
- Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- Artikel 2:73 [gereserveerd]
- Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
- Artikel 3:1 Afbakening
- Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen
- Artikel 3:5 Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven
- Artikel 3:6 Aanvraag
- Artikel 3:7 Weigeringsgronden
- Artikel 3:11 Verlenging vergunning
- Artikel 3:12 Toegang seksinrichtingen
- Artikel 3:13 Adverteren
- Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
- Artikel 3:15 Bedrijfsplan
- Artikel 3:16 [gereserveerd]
- Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedri
- Artikel 3:18 Raamprostitutie
- Artikel 3:19 Straatprostitutie
- Artikel 3:20 [gereserveerd]
- Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten
- Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische go
- Artikel 4:4 [gereserveerd]
- Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putte
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hardenberg 2019De raad van de gemeente Hardenberg; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 31 oktober 2017; gelet op de artikelen 149, 151a, 151b, 151c, 151d en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, artikel 4 van de Alcoholwet, artikel 30c van de Wet op de kansspelen, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit mileubeheer;
Besluit:
Een nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hardenberg, met toelichting, vast te stellen, onder intrekking van de huidige APV.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1Definities
In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wprdt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan; winterbed: het gebied tussen de winterdijken, bestaande uit de zomerdijk en de uiterwaarden tot aan de winterdijk.
Artikel 1:2Beslistermijn
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3[gereserveerd]
Artikel 1:4Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel1:6Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1:7Termijnen
Artikel1:8Weigeringsgronden
Hoofdstuk 2 Openbare orde
Afdeling 1.Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1Samenscholing en ongeregeldheden
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging
Artikel 2:2[gereserveerd]
Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4[gereserveerd]
Artikel 2:5[gereserveerd]
Afdeling 3. [gereserveerd]
Artikel 2:6[gereserveerd]
Afdeling 4. [gereserveerd]
Artikel 2:7[gereserveerd]
Artikel 2:8[gereserveerd]
Artikel 2:9[gereserveerd]
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
Artikel 2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Artikel 2:12Maken, veranderen van een uitweg
Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Artikel 2:13Veroorzaken van gladheid
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:14Winkelwagentjes
Artikel 2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16Openen straatkolken e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17[gereserveerd]
Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel 2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20[gereserveerd]
Artikel 2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2:22[gereserveerd]
Artikel 2:23Veiligheid op het ijs
Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24Definities
Artikel 2:25Evenementenvergunning
Artikel 2:25aVoetbalwedstrijden
Artikel 2:26Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27Definities
Artikel 2:28Exploitatie openbare inrichting
De exploitatie van een openbare inrichting moet zodanig geschieden, dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.
Indien naar het oordeel van de burgemeester een openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in het eerste lid, is hij bevoegd de houder van het horecabedrijf aan te schrijven tot het treffen van door hem aan te duiden maatregelen ter bescherming van de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en van de openbare orde.
Degene tot wie de aanschrijving als bedoeld in het tweede lid is gericht, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht te handelen overeenkomstig die aanschrijving.
Artikel 2:29Sluitingstijd
Artikel 2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:31aKansspelen
Artikel 2:32Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34[gereserveerd]
Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2:34aBegripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34bRegulering paracommerciële rechtspersonen
Artikel234c [gereserveerd]
Artikel2:34d[gereserveerd]
Artikel 2:34e[gereserveerd]
Artikel 2:34fVerbod happy hours
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2:34gProeverijen in slijtlokalen
Afdeling 9. [gereserveerd]
Artikel 2:35[gereserveerd]
Artikel 2:36[gereserveerd]
Artikel 2:37[gereserveerd]
Artikel 2:38[gereserveerd]
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39[gereserveerd]
Artikel 2:40Kansspelautomaten
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.
Artikel 2:42Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Artikel 2:43[gereserveerd]
Artikel 2:44Vervoer inbrekerswerktuigen
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren of bij zich te hebben.
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen of vermommingsmiddelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen en/of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen.
Artikel 2:44aRooftassen
Artikel 2:45Betreden van plantsoenen e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46[gereserveerd]
Artikel 2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:47aVerbod verspreiden hinderlijke rookgassen
Artikel 2:48Verboden drankgebruik
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel2:50a[gereserveerd]
Artikel 2:50b[gereserveerd]
Artikel 2:51Neerzetten van fietsen e.d
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52[gereserveerd]
Artikel 2:53[gereserveerd]
Artikel 2:54Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
Artikel 2:55[gereserveerd]
Artikel 2:56[gereserveerd]
Artikel 2:57Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd; of op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58Verontreiniging door honden
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat, als de hond zich daar van uitwerpselen ontdoet, de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59Gevaarlijke of hinderlijke honden
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61[gereserveerd]
Artikel 2:62Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63[gereserveerd]
Artikel 2:64[gereserveerd]
Artikel 2:65Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69[gereserveerd]
Artikel 2:70[gereserveerd]
Afdeling 13. Carbid
Artikel 2:71[gereserveerd]
Artikel 2:72[gereserveerd]
Artikel 2;73 [gereserveerd]
Artikel 2:73aCarbid
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien: gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; en de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; en het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur; en wordt geschoten in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en de betreffende locatie is gelegen op een afstand van tenminste:
75 meter van woonbebouwing; en 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden; en 300 meter van een vogelbeschermingsgebied; en het schietterrein wordt afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; en ten minste voor 25 december van het betreffende jaar hiervan melding wordt gedaan aan de burgemeester; en de melding gedaan is door het daartoe opgestelde formulier volledig en naar waarheid in te vullen en tijdig in te dienen.
Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht.
Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel2:74aOpenlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzeggingen en woonoverlast
Artikel 2:75Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden); artikel 2:10 (voorwerpen op of aan de weg); artikel 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg); artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen); artikel 2:48 (verboden drankgebruik); artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen); artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten); artikel 2:73a (carbid); artikel 4:6 (geluidhinder); artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken).
Artikel 2:76Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: parkeerterreinen; winkelpassages; overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties vallen.
De burgemeester informeert de gemeenteraad wanneer er concrete plannen zijn voor het toepassen van cameratoezicht.
Artikel 2:78Gebiedsontzeggingen
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats te houden.
Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79Woonoverlast
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.
De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel3.1Afbakening
De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:2Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:3Vergunning
Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. [gereserveerd] Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Een vergunning kan ten hoogste voor één seksinrichting worden verleend.
De vergunning wordt voor een periode van vijf jaren verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
Artikel3:4Concentratie seksinrichtingen
De vergunning bedoeld in artikel 3:3 kan uitsluitend worden verleend voor de gebieden waarop van toepassing zijn de bestemmingsplannen Buitengebied en de daarop van toepassing zijnde wijzigingen/uitwerkingen en partiële herzieningen.
Artikel3:5Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven
1.Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.
2.Vergunning kan worden verleend voor maximaal één seksinrichting en voor maximaal één escortbedrijf.
Artikel3:6Aanvraag
1.Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
2.Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.
3.Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
4.Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel3:7Weigeringsgronden
Een vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hardenberg 2017; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. het maximum aantal vergunningen als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel 3:8Eisen met betrekking tot vergunning
De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; indien van toepassing, die van de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
Artikel 3:9Intrekkingsgronden
De vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of artikel 3:4.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 3:10Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel3:11Verlenging vergunning
Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 3.1Regels voor alle seksbedrijven
Artikel3:12Toegang seksinrichtingen
Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel3:13Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Paragraaf 3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees
Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees
Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel3:15Bedrijfsplan
Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten.
De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
Artikel3:16[gereserveerd]
Artikel3:17Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
Paragraaf 3.3Raam- en straatprostitutie
Artikel3:18Raamprostitutie
Het is een prostituee verboden: zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
Artikel3:19Straatprostitutie
Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Artikel3:20[gereserveerd]
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel3:21Verbodsbepalingen klanten
Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.
Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel3:22Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting
Artikel 4:1Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het maximum aantal aan te wijzen collectieve festiviteiten is 12 per kern.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het maximum aantal aan te wijzen collectieve festiviteiten is 12 per kern.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een collectieve festiviteit bekend.
Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 2.00 uur beëindigd.
Artikel 4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.
De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 2:00 uur beëindigd.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 4.4[gereserveerd]
Artikel 4:5Onversterkte muziek
Artikel 4:5bGeluidhinder in de openlucht
Artikel 4:5cGeluidhinder door dieren
Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.]
Artikel 4:5dGeluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
Artikel 4:5eGeluidhinder door vrachtauto’s
Artikel 4:5fRoutering
Artikel 4:6Overige geluidhinder
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Het college kan aan de ontheffing voorschriften verbinden ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
De in het vorige lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: het maximale geluidniveau; de situering van geluidbronnen; de frequentie en tijden van gebruik.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7[gereserveerd]
Artikel 4:8Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; kandelaberen: het noodzakelijk verwijderen van zwaar takhout in de kroon, voornamelijk bij conditioneel verzwakte exemplaren; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van veelal gelijksoortige houtopstand, waarin individuele bomen niet onderhouden worden en waarbij bomen onderling concurreren om leefruimte; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente als bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming.
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben (zoals voor een eerste keer knotten of kandelaberen).
Artikel 4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:12Aanvraag vergunning
De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
Artikel 4:12aWeigeringsgronden
De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand kan worden geweigerd op grond van: natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
Artikel 4:12bBijzondere vergunningvoorschriften
Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Artikel 4:12cHerplant-/instandhoudingsplicht
Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de betrokken grond, of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Het bevoegd gezag kan daarbij aanwijzingen geven en / of een termijn stellen.
Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13[gereserveerd]
Artikel 4:14[gereserveerd]
Artikel 4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 4:16[gereserveerd]
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op een erf, als bedoeld in artikel 1, lid 1 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht, door de rechthebbende op dat erf.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stads- of dorpsgezicht.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:19Aanwijzing kampeerplaatsen
Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen
Artikel 5:1Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) .
Artikel 5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3Te koop aanbieden van voertuigen
Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:4Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5Voertuigwrakken
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6Kampeermiddelen e.a
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:7Parkeren van reclamevoertuigen
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8Parkeren van grote voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter binnen de bebouwde kom op de weg te parkeren, met uitzondering van door het college aangewezen wegen of weggedeelten, waar dit parkeren naar zijn oordeel niet buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10[gereserveerd]
Artikel 5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:12Overlast van fiets of bromfiets
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Het college kan openbare (brom-)fietsstallingsgebieden aanwijzen waar het, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een fiets of bromfiets langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te laten staan.
Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5:13Inzameling van geld of goederen
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd of ten goede komt aan een met het algemeen (gemeenschaps-)belang overeenkomend doel.
Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
In afwijking van het in het eerste lid bepaalde geldt voor plaatselijke instellingen, verenigingen en stichtingen, die volgens hun statutaire doelstellingen en/of hun feitelijke werkzaamheden werkzaam of mede werkzaam zijn in de gemeente Hardenberg en die inzamelen voor een doel als bedoeld in het tweede lid en/of voor een doel, dat in overeenstemming is met een algemeen (gemeenschaps-) belang, een meldingsplicht.
De in lid 4 bedoelde melding dient ten minste vier weken voor de inzameling te worden gedaan via een door het college vastgesteld formulier.
Burgemeester en wethouders kunnen naar aanleiding van een melding als bedoeld in lid 5 binnen de in dat lid genoemde termijn de inzameling verbieden, als de inzameling gelijktijdig plaatsvindt met een inzameling van een andere instelling, vereniging of stichting.
Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3. Venten
Artikel 5:14Definities
In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.
Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel 5:15Ventverbod
Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt..
Het is verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag tussen 18.00 en 09.00 uur.
In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt het verbod om te venten op zondagen niet tussen 13.00 en 19.00 uur en op maandag tot en met zaterdag niet tussen 18.00 en 21.00 uur voor het venten met voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:16[gereserveerd]
Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5:17Definitie
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 5:19Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:20Afbakeningsbepalingen
Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21[gereserveerd]
Afdeling 5. Snuffelmarkten
Artikel 5:22Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar ter plaatse aanwezige, hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.
Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:23Organiseren van een snuffelmarkt
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens niet voor kleinschalige, niet-commerciële rommelmarkten of soortgelijke activiteiten, voor zover: ten minste vijf werkdagen voor de activiteiten plaatshebben, de plaats, datum, het aanvangs- en eindtijdstip van de activiteiten worden gemeld aan de burgemeester; wordt voldaan aan door de burgemeester vast te stellen nadere regels.
De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
Afdeling 6. Openbaar water
Artikel 5:24Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:25Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5:26Aanwijzingen ligplaats
Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Overijssel.
Artikel 5:27Verbod innemen ligplaats
Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.
Artikel 5:28Beschadigen van waterstaatswerken
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:29Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30Veiligheid op het water
Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:31Overlast aan vaartuigen
Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Artikel 5:31aVerbod gemotoriseerde vaartuigen op openbaar water
Het is verboden zich met gemotoriseerde vaartuigen te bevinden op door het college aangewezen openbaar water of gedeelten daarvan.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor hen die gebruik maken van gemotoriseerde vaartuigen: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer en onderhoud van de plas; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:31bDefinities
In deze afdeling wordt verstaan onder: motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 5:32Crossterreinen
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, voor recreatieve doeleinden te rijden of een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.