Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Waterschapsverordening Waterschap Limburg (Waterschap Limburg)

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet regelt de begrippen en definities die van toepassing zijn op de Waterschapsverordening van Waterschap Limburg en de bijbehorende beleidsregels. Het doel is om duidelijkheid te scheppen over de terminologie die gebruikt wordt in relatie tot waterbeheer en waterstaatswerken.

Voor wie: Iedereen die te maken heeft met de Waterschapsverordening Waterschap Limburg; Partijen die activiteiten uitvoeren die invloed hebben op oppervlaktewateren, waterkeringen of grondwater in het gebied van Waterschap Limburg.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
343
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Definities van termen gerelateerd aan oppervlaktewateren, zoals 'aanpassen van een oppervlaktewater', 'aanvoeren' en 'afvoeren'.
  • Definities van constructies en installaties, zoals 'afrastering', 'bodemenergiesysteem', 'brug' en 'duiker'.
  • Definities van activiteiten, zoals 'bodemsanering', 'bronbemaling', 'grondmechanisch onderzoek' en 'ontgraven'.
  • Definities van specifieke gebieden en objecten, zoals 'waterkering', 'hoge grond', 'meanderzone' en 'oppervlaktewater'.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die te maken heeft met de Waterschapsverordening Waterschap Limburg.
  • Partijen die activiteiten uitvoeren die invloed hebben op oppervlaktewateren, waterkeringen of grondwater in het gebied van Waterschap Limburg.

Wat zijn de kernpunten?

  • De wet definieert 'diepe grondwateronttrekking' met specifieke dieptes afhankelijk van de locatie (bijvoorbeeld dieper dan 5 meter boven NAP binnen de Venloschol).
  • 'Hoge grond' wordt onderscheiden in 'hoge grond basis' en 'hoge grond robuust', met verschillende risicoprofielen voor de waterkerende functie.
  • 'Nieuw verhard oppervlak' omvat alle oppervlakken die door nieuwbouw of uitbreiding verhard worden, waardoor neerslag niet langer in de grond kan infiltreren.
  • 'Ontgronding' betreft ontgravingen dieper dan 2,5 meter of met een omvang van ten minste 10.000 m3.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (343)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 1.2 Begripsbepalingen
  3. Artikel 1.3 Gelijkschakeling
  4. Artikel 1.4 Aanwijzing gebieden
  5. Artikel 1.5 Normadressaat en hoofdelijke aansprakelijkheid
  6. Artikel 1.6 Doelcriteria
  7. Artikel 1.7 Algemene doelcriteria
  8. Artikel 1.8 Specifieke doelcriteria bij oppervlaktewateren
  9. Artikel 1.9 Specifieke doelcriteria bij waterkeringen
  10. Artikel 1.10 Specifieke doelcriteria bij grondwater
  11. Artikel 1.11 Toepassingscriteria
  12. Artikel 1.12 Zorgplicht
  13. Artikel 1.13 Algemene regels
  14. Artikel 1.14 Maatwerkvoorschriften
  15. Artikel 1.15 Keuzevrijheid melding of vergunningaanvraag bij meerdere gecombineerde
  16. Artikel 1.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
  17. Artikel 1.17 Verbod bij calamiteiten
  18. Artikel 1.18 Vrijstelling beheer door het waterschap
  19. Artikel 2.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit
  20. Artikel 2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit wate
  21. Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten
  22. Artikel 2.4 Toepassingsbereik
  23. Artikel 2.5 Specifieke zorgplicht oppervlaktewater onttrekken
  24. Artikel 2.6 Aanwijzing algemene regels
  25. Artikel 2.7 Algemene regels onttrekken
  26. Artikel 2.8 Algemene regels onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met w
  27. Artikel 2.9 Melding
  28. Artikel 2.10 Vergunningplicht
  29. Artikel 2.11 Toepassingsbereik
  30. Artikel 2.12 Specifieke zorgplicht duikers en overkluizingen
  31. Artikel 2.13 Vergunningplicht
  32. Artikel 2.14 Toepassingsbereik
  33. Artikel 2.15 Specifieke zorgplicht bruggen
  34. Artikel 2.16 Aanwijzing algemene regels
  35. Artikel 2.17 Algemene regels brug over een oppervlaktewater
  36. Artikel 2.18 Algemene regels varend onderhoud
  37. Artikel 2.19 Melding
  38. Artikel 2.20 Vergunningplicht
  39. Artikel 2.21 Toepassingsbereik
  40. Artikel 2.22 Specifieke zorgplicht bouwwerken
  41. Artikel 2.23 Vergunningplicht
  42. Artikel 2.24 Toepassingsbereik
  43. Artikel 2.25 Specifieke zorgplicht kabels en leidingen
  44. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  45. Artikel 2.27 Algemene regel kruisen oppervlaktewater
  46. Artikel 2.28 Algemene regel parallel aan oppervlaktewater
  47. Artikel 2.29 Algemene regel profiel van vrije ruimte
  48. Artikel 2.30 Algemene regel meanderzone
  49. Artikel 2.31 Gegevens en bescheiden
  50. Artikel 2.32 Melding
  51. Artikel 2.33 Toepassingsbereik
  52. Artikel 2.34 Specifieke zorgplicht recreatief medegebruik
  53. Artikel 2.35 Aanwijzing algemene regels
  54. Artikel 2.36 Algemene regel varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op d
  55. Artikel 2.37
  56. Artikel 2.38 Melding
  57. Artikel 2.39 Algemene regel varen met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek
  58. Artikel 2.40 Algemene regel aan- en afmeren met een gemotoriseerde boot op de Roer
  59. Artikel 2.41 Melding
  60. Artikel 2.42 Vergunningplicht
  61. Artikel 2.43 Absoluut verbod
  62. Artikel 2.44 Toepassingsbereik
  63. Artikel 2.45 Specifieke zorgplicht beplanting
  64. Artikel 2.46 Algemene regel beplanting aanbrengen in of nabij de kernzone
  65. Artikel 2.47 Algemene regel bomen of struiken aanbrengen
  66. Artikel 2.48 Vergunningplicht
  67. Artikel 2.49 Toepassingsbereik
  68. Artikel 2.50 Specifieke zorgplicht kleine bouwwerken
  69. Artikel 2.51 Melding
  70. Artikel 2.52 Toepassingsbereik
  71. Artikel 2.53 Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken en schuttingen
  72. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
  73. Artikel 2.55 Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen
  74. Artikel 2.56 Melding
  75. Artikel 2.57 Vergunningplicht
  76. Artikel 2.58 Toepassingsbereik
  77. Artikel 2.59 Specifieke zorgplicht lozen vanaf verhard oppervlak
  78. Artikel 2.60 Vergunningplicht
  79. Artikel 2.61 Toepassingsbereik
  80. Artikel 2.62 Specifieke zorgplicht projecten
  81. Artikel 2.63 Vergunningplicht
  82. Artikel 2.64 Toepassingsbereik
  83. Artikel 2.65 Specifieke zorgplicht evenementen
  84. Artikel 2.66 Melding
  85. Artikel 2.67 Toepassingsbereik
  86. Artikel 2.68 Specifieke zorgplicht werken of werkzaamheden in lijnvormig element
  87. Artikel 2.69 Algemene regel werken of werkzaamheden in lijnvormig element
  88. Artikel 2.70 Toepassingsbereik
  89. Artikel 2.71 Specifieke zorgplicht stuwen en andere peilregulerende werken
  90. Artikel 2.72 Aanwijzing algemene regels
  91. Artikel 2.73 Algemene regel stuwen en andere peilregulerende werken
  92. Artikel 2.74 Vergunningplicht
  93. Artikel 2.75 Toepassingsbereik
  94. Artikel 2.76 Specifieke zorgplicht woonboten
  95. Artikel 2.77 Algeheel verbod woonboten
  96. Artikel 2.78 Toepassingsbereik
  97. Artikel 2.79 Specifieke zorgplicht verleggen of aanpassen oppervlaktewater
  98. Artikel 2.80 Vergunningplicht
  99. Artikel 2.81 Toepassingsbereik
  100. Artikel 2.82 Specifieke zorgplicht tijdelijk afdammen
  101. Artikel 2.83 Vergunningplicht
  102. Artikel 2.84 Toepassingsbereik
  103. Artikel 2.85 Specifieke zorgplicht ophogen
  104. Artikel 2.86 Vergunningplicht
  105. Artikel 2.87 Toepassingsbereik
  106. Artikel 2.88 Oogmerken
  107. Artikel 2.89 Normadressaat
  108. Artikel 2.90 Specifieke zorgplicht
  109. Artikel 2.91 Maatwerkvoorschriften
  110. Artikel 2.92 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  111. Artikel 2.93 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  112. Artikel 2.94 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het wa
  113. Artikel 2.95 Informeren over een ongewoon voorval
  114. Artikel 2.96 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  115. Artikel 2.97 Toepassingsbereik
  116. Artikel 2.98 Specifieke zorgplicht
  117. Artikel 2.99 Aanwijzing algemene regels
  118. Artikel 2.100 Algemene regel lozingsvoorziening
  119. Artikel 2.101 Melding
  120. Artikel 2.102 Vergunningplicht
  121. Artikel 2.103 Lozen van grondwater bij saneringen
  122. Artikel 2.104 Lozen van grondwater bij ontwatering
  123. Artikel 2.105 Meet- en rekenbepalingen
  124. Artikel 2.106 Gegevens en bescheiden
  125. Artikel 2.107 Lozen van afvloeiend hemelwater
  126. Artikel 2.108 Gegevens en bescheiden
  127. Artikel 2.109 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  128. Artikel 2.110 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  129. Artikel 2.111 Meet- en rekenbepalingen
  130. Artikel 2.112 Gegevens en bescheiden
  131. Artikel 2.113 Koelwater
  132. Artikel 2.114 Gegevens en bescheiden
  133. Artikel 2.115 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen
  134. Artikel 2.116 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  135. Artikel 2.117 Werkinstructie bij bouwen en slopen
  136. Artikel 2.118 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
  137. Artikel 2.119 Meet- en rekenbepalingen
  138. Artikel 2.120 Gegevens en bescheiden
  139. Artikel 2.121 Inerte goederen
  140. Artikel 2.122 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  141. Artikel 2.123 Lozen bij overslaan van inerte goederen
  142. Artikel 2.124 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  143. Artikel 2.125 Meet- en rekenbepalingen
  144. Artikel 2.126 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  145. Artikel 2.127 Gegevens en bescheiden
  146. Artikel 2.128 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels
  147. Artikel 2.129 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  148. Artikel 2.130 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden
  149. Artikel 2.131 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
  150. Artikel 2.132 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder
  151. Artikel 2.133 Lozen van algen en bacteriën
  152. Artikel 2.134 Gegevens en bescheiden
  153. Artikel 2.135 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
  154. Artikel 2.136 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  155. Artikel 2.137 Gegevens en bescheiden
  156. Artikel 2.138 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
  157. Artikel 2.139 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  158. Artikel 2.140 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  159. Artikel 2.141 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
  160. Artikel 2.142 Lozen bij ontijzeren grondwater
  161. Artikel 2.143 Meet- en rekenbepalingen
  162. Artikel 2.144 Gegevens en bescheiden
  163. Artikel 2.145 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute
  164. Artikel 2.146 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving
  165. Artikel 2.147 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  166. Artikel 2.148 Gegevens en bescheiden
  167. Artikel 2.149 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
  168. Artikel 2.150 Gegevens en bescheiden
  169. Artikel 2.151 Lozen van spoelwater
  170. Artikel 2.152 Asverstrooiing
  171. Artikel 2.153 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  172. Artikel 2.154 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  173. Artikel 2.155 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  174. Artikel 2.156 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  175. Artikel 2.157 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  176. Artikel 3.1 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit
  177. Artikel 3.2 Toepassingsbereik
  178. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken of schuttingen
  179. Artikel 3.4 Aanwijzing algemene regels
  180. Artikel 3.5 Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen
  181. Artikel 3.6 Melding
  182. Artikel 3.7 Vergunningplicht
  183. Artikel 3.8 Toepassingsbereik
  184. Artikel 3.9 Specifieke zorgplicht ontgrondingen
  185. Artikel 3.10 Vergunningplicht
  186. Artikel 3.11 Toepassingsbereik
  187. Artikel 3.12 Specifieke zorgplicht doorgraving
  188. Artikel 3.13 Vergunningplicht
  189. Artikel 3.14 Toepassingsbereik
  190. Artikel 3.15 Specifieke zorgplicht ontgraving
  191. Artikel 3.16 Aanwijzing algemene regels
  192. Artikel 3.17 Melding
  193. Artikel 3.18 Vergunningplicht
  194. Artikel 3.19 Toepassingsbereik
  195. Artikel 3.20 Specifieke zorgplicht hogedrukleiding
  196. Artikel 3.21 Vergunningplicht
  197. Artikel 3.22 Toepassingsbereik
  198. Artikel 3.23 Specifieke zorgplicht kleine bouwwerken
  199. Artikel 3.24 Aanwijzing algemene regels
  200. Artikel 3.25 Algemene regel kleine bouwwerken
  201. Artikel 3.26 Melding
  202. Artikel 3.27 Vergunningplicht
  203. Artikel 3.28 Toepassingsbereik
  204. Artikel 3.29 Specifieke zorgplicht aanleggen, instandhouden of uitbreiden bouwwerke
  205. Artikel 3.30 Vergunningplicht
  206. Artikel 3.31 Toepassingsbereik
  207. Artikel 3.32 Specifieke zorgplicht straatmeubilair
  208. Artikel 3.33 Aanwijzing algemene regels
  209. Artikel 3.34 Algemene regel straatmeubilair
  210. Artikel 3.35 Melding
  211. Artikel 3.36 Vergunningplicht
  212. Artikel 3.37 Toepassingsbereik
  213. Artikel 3.38 Specifieke zorgplicht aanleggen of uitbreiden kelder
  214. Artikel 3.39 Vergunningplicht
  215. Artikel 3.40 Toepassingsbereik
  216. Artikel 3.41 Specifieke zorgplicht verwijderen bouwwerk
  217. Artikel 3.42 Aanwijzing algemene regels
  218. Artikel 3.43 Algemene regel verwijderen bouwwerk
  219. Artikel 3.44 Melding
  220. Artikel 3.45 Vergunningplicht
  221. Artikel 3.46 Toepassingsbereik
  222. Artikel 3.47 Specifieke zorgplicht grondmechanisch onderzoek
  223. Artikel 3.48 Aanwijzing algemene regels
  224. Artikel 3.49 Algemene regel grondmechanisch onderzoek
  225. Artikel 3.50 Melding
  226. Artikel 3.51 Vergunningplicht
  227. Artikel 3.52 Toepassingsbereik
  228. Artikel 3.53 Specifieke zorgplicht bodemenergiesysteem
  229. Artikel 3.54 Vergunningplicht
  230. Artikel 3.55 Toepassingsbereik
  231. Artikel 3.56 Specifieke zorgplicht verharding
  232. Artikel 3.57 Aanwijzing algemene regels
  233. Artikel 3.58 Algemene regel aanleg verharding
  234. Artikel 3.59 Algemene regel verwijderen verharding
  235. Artikel 3.60 Melding
  236. Artikel 3.61 Vergunningplicht
  237. Artikel 3.62 Toepassingsbereik
  238. Artikel 3.63 Specifieke zorgplicht aanleggen van wegen
  239. Artikel 3.64 Vergunningplicht
  240. Artikel 3.65 Toepassingsbereik
  241. Artikel 3.66 Specifieke zorgplicht ophogen
  242. Artikel 3.67 Aanwijzing algemene regels
  243. Artikel 3.68 Algemene regel ophogen
  244. Artikel 3.69 Melding
  245. Artikel 3.70 Vergunningplicht
  246. Artikel 3.71 Toepassingsbereik
  247. Artikel 3.72 Vergunningplicht
  248. Artikel 3.73 Toepassingsbereik
  249. Artikel 3.74 Specifieke zorgplicht leidingen
  250. Artikel 3.75 Vergunningplicht
  251. Artikel 3.76 Toepassingsbereik
  252. Artikel 3.77 Specifieke zorgplicht kabels
  253. Artikel 3.78 Aanwijzing algemene regels
  254. Artikel 3.79 Algemene regel kabels
  255. Artikel 3.80 Melding
  256. Artikel 3.81 Vergunningplicht
  257. Artikel 3.82 Toepassingsbereik
  258. Artikel 3.83 Specifieke zorgplicht recreatief medegebruik
  259. Artikel 3.84 Aanwijzing algemene regels
  260. Artikel 3.85 Verbod recreatief medegebruik
  261. Artikel 3.86 Vergunningplicht
  262. Artikel 3.87 Toepassingsbereik
  263. Artikel 3.88 Specifieke zorgplicht evenementen
  264. Artikel 3.89 Aanwijzing algemene regels
  265. Artikel 3.90 Algemene regel evenementen
  266. Artikel 3.91 Melding
  267. Artikel 3.92 Vergunningplicht
  268. Artikel 3.93 Toepassingsbereik
  269. Artikel 3.94 Aanwijzing algemene regels
  270. Artikel 3.95 Algemene regel aanbrengen tuinbeplanting
  271. Artikel 3.96 Algemene regel verwijderen tuinbeplanting
  272. Artikel 3.97 Algemene regel aanbrengen bomen of tuinbeplanting
  273. Artikel 3.98 Algemene regel aanbrengen struweel
  274. Artikel 3.99 Algemene regel verwijderen bomen of struweel
  275. Artikel 3.100 Melding
  276. Artikel 3.101 Vergunningplicht
  277. Artikel 3.102 Toepassingsbereik
  278. Artikel 3.103 Vergunningplicht
  279. Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  280. Artikel 4.2 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten
  281. Artikel 4.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten
  282. Artikel 4.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
  283. Artikel 4.5 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water
  284. Artikel 4.6 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
  285. Artikel 4.7 Toepassingsbereik
  286. Artikel 4.8 Specifieke zorgplicht onttrekkingen tot maximaal 10 m³ per uur
  287. Artikel 4.9 Vergunningplicht
  288. Artikel 4.10 Toepassingsbereik
  289. Artikel 4.11 Specifieke zorgplicht bronbemaling en bodemsanering
  290. Artikel 4.12 Aanwijzing algemene regels
  291. Artikel 4.13 Algemene regels onttrekken grondwater ten behoeve van een bronbemaling
  292. Artikel 4.14 Algemene regels meetplicht
  293. Artikel 4.15 Melding
  294. Artikel 4.16 Vergunningplicht
  295. Artikel 4.17 Toepassingsbereik
  296. Artikel 4.18 Specifieke zorgplicht grondwatersanering
  297. Artikel 4.19 Aanwijzing algemene regels
  298. Artikel 4.20 Algemene regels onttrekken grondwater ten behoeve van grondwatersaneri
  299. Artikel 4.21 Algemene regels meetplicht
  300. Artikel 4.22 Melding
  301. Artikel 4.23 Vergunningplicht
  302. Artikel 4.24 Toepassingsbereik
  303. Artikel 4.25 Specifieke zorgplicht landbouwkundige onttrekkingen open teelt
  304. Artikel 4.26 Aanwijzing algemene regels zonder meldplicht
  305. Artikel 4.27 Aanwijzing algemene regels met meldplicht
  306. Artikel 4.28 Algemene regels beregening van open teelten zonder meldplicht
  307. Artikel 4.29 Algemene regels voorschriften onttrekken ten behoeve van beregening in
  308. Artikel 4.30 Algemene regels beregening van open teelten met meldplicht
  309. Artikel 4.31 Voorschriften onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met wat
  310. Artikel 4.32 Melding
  311. Artikel 4.33 Algeheel verbod
  312. Artikel 4.34 Toepassingsbereik
  313. Artikel 4.35 Specifieke zorgplicht landbouwkundige onttrekingen bedekte teelt
  314. Artikel 4.36 Aanwijzing algemene regels zonder meldplicht
  315. Artikel 4.37 Aanwijzing algemene regels met meldplicht
  316. Artikel 4.38 Algemene regels beregening van bedekte teelten zonder meldplicht
  317. Artikel 4.39 Algemene regels beregening van bedekte teelten met meldplicht
  318. Artikel 4.40 Melding
  319. Artikel 4.41 Vergunningplicht
  320. Artikel 4.42 Toepassingsbereik
  321. Artikel 4.43 Specifieke zorgplicht industriële doeleinden
  322. Artikel 4.44 Vergunningplicht
  323. Artikel 4.45 Toepassingsbereik
  324. Artikel 4.46 Specifieke zorgplicht overige doeleinden
  325. Artikel 4.47 Aanwijzing algemene regels
  326. Artikel 4.48 Algemene regels overige doeleinden
  327. Artikel 4.49 Algemene regels sportveldberegening
  328. Artikel 4.50 Melding
  329. Artikel 4.51 Vergunningplicht
  330. Artikel 4.52 Toepassingsbereik
  331. Artikel 4.53 Specifieke zorgplicht draineren van gronden
  332. Artikel 4.54 Aanwijzing algemene regels
  333. Artikel 4.55 Algemene regels verplichting peilgestuurde drainage
  334. Artikel 4.56 Algemene regels draineren
  335. Artikel 4.57 Algemene regels lozingsvoorziening
  336. Artikel 4.58 Melding
  337. Artikel 4.59 Vergunningplicht
  338. Artikel 4.60 Algeheel verbod
  339. Artikel 5.1 Bestaande situaties en vergunningen
  340. Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften
  341. Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
  342. Artikel 5.4 Inwerkingtreding
  343. Artikel 5.5 Citeertitel

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703011 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0665/2023/Regeling361457d2541a494d9b2761494c28eb68 /join/id/stop/work_019 2025-12-10 2025-12-10 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703011/nld@2025-12-18 /join/id/proces/ws0665/2023/procedure4f745156d5044d288ea38c80c0bd0ebc /join/id/proces/ws0665/2024/procedure3e59b800f11144ab81b9f706cdfcc604 /join/id/proces/ws0665/2024/procedureda2ccb8893d44848a8684c5676b6c3fa /join/id/proces/ws0665/2024/procedure35ff200ab4e8443a8a88f88003f860fb /join/id/proces/ws0665/2024/procedure706eb86ec4d34c1885db328e0633a3f9 /join/id/proces/ws0665/2024/procedure06b4d136c2e14300a87b5b9183687ab4 /join/id/proces/ws0665/2024/procedure960626c67fec4be68f399f8888bffaa6 /join/id/proces/ws0665/2024/procedure79f8540f0e344f3a9ba54a2b647f791f /join/id/proces/ws0665/2024/procedure487af4936eb34258bc5606d91f450520 /join/id/proces/ws0665/2024/procedure24c84b9214b14773aa3e7b13c3add16d /join/id/proces/ws0665/2025/procedure62cadac73e25447b95ed3ca6298c72cc /join/id/proces/ws0665/2025/procedure1e010f05d58e495f926f96cb14668c8c /join/id/proces/ws0665/2025/procedure0c374f5e98d34d3daef180592d0291b6 /join/id/proces/ws0665/2025/procedure055931a061ea48ee9d1c51de682755a0 /join/id/proces/ws0665/2025/proceduredf95911a424f4a19b63301946002810c /join/id/proces/ws0665/2025/procedure3fe944d5185f4e8f88659d363ce936b5 /join/id/proces/ws0665/2025/procedurec78b9236c3e2432a800b11137ca53662 /join/id/proces/ws0665/2025/procedure0014544db847425689b957dc728990a6 2025-12-18 2025-12-20 2025-12-18 2025-12-20 2025-12-18 2025-12-20 /akn/nl/act/ws0665/2023/Regeling361457d2541a494d9b2761494c28eb68/nld@2025-12-09;08440340 /akn/nl/act/ws0665/2023/Regeling361457d2541a494d9b2761494c28eb68 /akn/nl/act/ws0665/2023/Regeling361457d2541a494d9b2761494c28eb68/nld@2025-12-09;08440340 /join/id/stop/work_019 18 Waterschapsverordening Waterschap Limburg

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Begripsbepalingen en normadressaat

Paragraaf 1.1.1

Begripsbepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening en de daaraan verbonden beleidsregels.

Aanpassen van een oppervlaktewater: het wijzigen van het profiel van een primair en secundair oppervlaktewater ten opzichte van het profiel zoals opgenomen in de legger van het waterschap;

Aanvoeren: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg naar een oppervlaktewater halen of laten stromen van water uit een ander oppervlaktewater;

Afrastering: afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen gaas, prikkeldraad of staaldraad, in het algemeen aangelegd met het oog op het keren van vee;

Afvoeren: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater;

Bedekte teelten: bedrijfsmatige teelten in een glastuinbouwbedrijf of bedrijfsmatige teelt in tunnels;

Beplanting: tuinbeplanting, bomen en struweel;

Bestuur: het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg;

Bijbehorende voorzieningen bij kabels en leidingen bij waterkeringen: voorzieningen die noodzakelijk zijn vanuit waterkeringtechnische overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabel of leidingnet;

Bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken;

Bodemsanering: het verwijderen of ontgraven van verontreinigde grond;

Boom: een houtachtig, overblijvend gewas;

Bronbemaling: het uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp;

Brug: een doorgang voor voetgangers, dieren en voertuigen over bijvoorbeeld (spoor)wegen en watergangen;

Buisdrainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig beïnvloeden van de grondwaterstand;

Diepe grondwateronttrekking: grondwateronttrekking a. dieper dan 5 meter boven NAP binnen het gebied van de Venloschol, b. dieper dan 20 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk I, c. dieper dan 30 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II, d. dieper dan 80 meter beneden maaiveld binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III, e. binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk IV;

Doorgraving: het volledig doorkruisen van hoge grond waardoor de binnen- en buitendijkse zijde met elkaar in verbinding komen te staan;

Duiker: een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen met het oog op het realiseren van een toegang tot een perceel of het kruisen van het oppervlaktewater met een openbare weg, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken;

Eindhoogte beplanting: maximaal haalbare hoogte van volwassen beplanting en bomen;

Evenement bij een oppervlaktewater: een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de kernzone van een primair en secundair oppervlaktewater;

Evenement bij een waterkering: een evenement, inclusief opbouwen en opruimen, dat plaatsvindt binnen de zoneringen van de waterkering;

Fietsen: rijden met een fiets, elektrische fiets of speed-pedelec;

Gemotoriseerde vormen van recreatief medegebruik: rijden met een (cross)motor, bromfiets, auto of een ander gemotoriseerd voertuig en varen met een gemotoriseerd vaartuig;

Gesloten verharding: opgebouwd uit een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer op te delen is;

Glastuinbouwbedrijf: inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het in een kas telen van gewassen;

Grondmechanisch onderzoek: alle soorten onderzoek waarbij sonderingen of boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven;

Grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

Grondwatersanering: het onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting om de kwaliteit van grond of grondwater te verbeteren;

Hekwerk: afscheiding met vrij doorzicht, bestaande uit in de grond geplaatste palen met daartussen een frame van spijlen of gaas, in zijn algemeenheid aangelegd als perceels- of erfafscheiding;

Hoge grond basis: hoge grond die voldoet aan de basisvereisten voor hoge grond. Dit betekent een hoogte die minimaal overeenkomt met de ontwerpdijkhoogte op basis van waterstanden voor het jaar 2075 en een breedte conform afslagprofiel. Door geringe overhoogte daarboven en/of door het grondgebruik, is er een risico op aantasting van de waterkerende functie;

Hoge grond robuust: hoge grond die voldoet aan de basisvereisten voor hoge grond (zie hoge grond basis) en die daarbovenop ook bij een doorkijk naar 2125 over een groter aaneengesloten traject robuust blijkt en weinig gevoelig is voor veranderende (technische of hydraulische) randvoorwaarden. Het risico op aantasting van de waterkerende functie is klein;

Hoge grond: een hoger gelegen gebied dat functioneert als een natuurlijke dijk en dat onderdeel uitmaakt van een waterkering traject en als zodanig in de legger en de werkingsgebieden behorende bij deze Waterschapsverordening is opgenomen;

Hogedrukleiding: leiding deel uitmakend van een leidingsysteem waarin de maximale bedrijfsdruk groter is dan of gelijk aan 1 MPa (10 bar);

Industriële toepassing van grondwater: het oppompen van grondwater ten behoeve van aanwending in het productproces of bedrijfsvoering;

Infiltreren van water: geforceerd in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;

Kabel: alle kabels waaronder elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabels, inclusief bijbehorende voorzieningen;

Klein bouwwerk: bouwwerk zonder woon- of bedrijfsfunctie, niet dieper gefundeerd dan 50 cm in de grond en eenvoudig verplaatsbaar of verwijderbaar;

Kleine (druk)leidingen: leiding deel uitmakend van een leidingsysteem waarin de maximale bedrijfsdruk kleiner is dan 1 MPa (10 bar);

Kruin van de waterkering: het hoogst gelegen deel van de waterkering;

Kwel: water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt;

Landbouwperceel: perceel dat wordt gebruikt voor de bedrijfsmatige teelt van gewassen;

Lijnvormige elementen: landschapselementen die in beginsel evenwijdig aan de hoogtelijnen in het terrein aanwezig zijn ter voorkoming van erosie en zijn opgenomen in de legger;

Lozen: het door middel van een werk brengen van water, niet zijnde hemelwater, in een oppervlaktewater;

Lozingsvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewater te laten stromen;

Mantelbuis: een korte drukloze buis ter bescherming van kabels of mediumvoerende leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting;

Meanderzone: gronden waarbinnen primaire oppervlaktewateren door natuurlijke verplaatsing hun bedding kunnen verleggen en die als zodanig zijn opgenomen in de legger en het werkingsgebied Meanderzone zoals opgenomen in deze Waterschapsverordening;

Nieuw verhard oppervlak: alle oppervlakken die door nieuwbouw of uitbreiding verhard worden, waardoor de neerslag ter plaatse niet langer in de voorheen onverharde grond kan infiltreren;

Ontgraven: het uitnemen van grond als gevolg waarvan een verlaging van het oorspronkelijke maaiveld ontstaat;

Ontgronding: het uitvoeren van ontgravingen dieper dan 2,5 meter ten opzichte van het bestaande maaiveld of met een omvang van ten minste 10.000 m3;

Onttrekken: het door middel van een werk halen van water uit grondwater en aan een oppervlaktewater;

Onttrekkingsvoorziening: een constructie om water uit grondwater en aan een oppervlaktewater te onttrekken;

Onverharde weg: weg aangelegd zonder wegcunet;

Open verhardingen: het wegdek bestaat uit losse elementen;

Ophoging: kunstmatige verhoging van het maaiveld;

Oppervlaktewater:

Oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet, zijnde een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna;

Overhoogte het gedeelte van een waterkering of hoge grond, dat hoger is dan de ontwerpdijkhoogte;

Overige wateren: wateren die niet in de legger en de werkingsgebieden behorende bij deze Waterschapsverordening zijn aangeduid als primair of secundair;

OWL-stuw en ander peilregulerend werk: een vaste of beweegbare constructie in een overig water en in beheer en onderhoud bij de gebruiker, die dient om de waterstand bovenstrooms van de constructie te regelen;

Parcours: een structureel aanwezige route, inclusief bijbehorende elementen, dit omvat tevens het hebben en het wijzigen van een parcours;

Peilgestuurde drainage: buisdrainage, gecombineerd met een peilregulerend werk;

Perceel met meest kritische gewas: het perceel dat binnen het beïnvloedingsgebied van een stuw het diepste grondwaterpeil vraagt;

Ploegen: het met een landbouwwerktuig omkeren van grond tot een diepte van maximaal 50 cm;

Pot- en containervelden: bedrijfsmatige teelten die los staan van de ondergrond en niet wortelen in de bodem;

Profiel van een oppervlaktewater: breedte en diepte van het oppervlaktewater als aangegeven op de legger;

Profiel van vrije ruimte: de ruimte als opgenomen in het werkingsgebied Profiel van vrije ruimte behorende bij deze Waterschapsverordening ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen;

Recreatief medegebruik bij oppervlaktewater: het medegebruiken van oppervlaktewateren en bijbehorende zoneringen voor niet-gemotoriseerde recreatieve doeleinden;

Recreatief medegebruik bij waterkering: het medegebruiken van zoneringen van de waterkering voor niet-gemotoriseerde recreatieve doeleinden;

Schutting: afscheiding zonder vrij doorzicht, in zijn algemeenheid aangelegd als perceels- of erfafscheiding;

Straatmeubilair: bouwwerken die zijn bedoeld voor de inrichting van de openbare straat en aansluiten bij de publieke functie van de straat;

Struik: een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden, al dan niet in de vorm van een haag;

Struweel: bosplantsoen, aaneengesloten struikgewas;

Subirrigatie: het inlaten van water, oppervlaktewater of grondwater, al of niet geforceerd in een (buis)drainagesysteem ten behoeve van het beïnvloeden van het grondwaterpeil;

Talud van de waterkering: het onder een helling gelegen vlak, gelegen tussen de kruin van de waterkering en de teen van de waterkering;

Teelt op stellingen: bedrijfsmatige bedekte teelt, los van de ondergrond, waarbij gebruikt wordt gemaakt van goten of bakken op stellages;

Tuinbeplanting: planten, bloemen, struiken, hagen en bomen met een maximale eindhoogte van 5 meter;

Tunnel: (min of meer) halfronde constructies, permanent overtrokken met al dan niet lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, bestemd voor het voortrekken van gewassen of het opkweken van plantmateriaal en ter beschermeling van gewassen tegen neerslag;

Verharding: een open of gesloten verharding, niet zijnde een weg, waarvoor geen diepere ontgraving nodig is dan 30 cm;

Verleggen van een oppervlaktewater: het wijzigen van de ligging van een primair en secundair oppervlaktewater ten opzichte van de ligging zoals opgenomen in de legger van het waterschap;

Weg: een voor het verkeer geschikt gemaakte strook grond;

Werken en werkzaamheden: alle door menselijk toedoen te verrichten handelingen;

Woekerende soorten: soorten die zich snel kunnen uitbreiden, of door spontane uitzaai of door rizomen en uitlopers, waarbij andere begroeiing, met inbegrip van de grasmat, wordt verdreven of verstikt;

Woonboot: een boot die zodanig is ingericht dat men erop kan wonen en waarvan de primaire functie ook wonen is.

Artikel 1.2Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze waterschapsverordening.

2.

Bijlage II bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze waterschapsverordening .

Artikel 1.3Gelijkschakeling

In deze waterschapsverordening en de daaraan verbonden beleidsregels wordt onder aanleggen en aanbrengen ook verstaan hebben, wijzigen en verwijderen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.4Aanwijzing gebieden

1.

De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater is opgenomen in het geometrische informatieobject beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater in bijlage I bij deze verordening.

2.

De geometrische begrenzingen van de onderdelen van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening: a. kernzone van primair water; b. kernzone van secundair water; c. profiel van vrije ruimte bij primair water; d. gebied met oppervlaktewateren in kwantitatief waterbeheer bij Waterschap Limburg; en e. oppervlaktewater in kwalitatief waterbeheer bij Waterschap Limburg.

3.

De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering is opgenomen in het geometrische informatieobject beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in bijlage I bij deze verordening.

4.

De geometrische begrenzingen van de onderdelen van het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage I bij deze verordening: a. kernzone van een waterkering; b. beschermingszone bij een waterkering; c. buitenbeschermingszone bij een waterkering; d. profiel van vrije ruimte bij een waterkering; e. hoge grond basis; en f. hoge grond robuust.

Paragraaf 1.1.2

Normadressaat en hoofdelijke aansprakelijkheid

Artikel 1.5Normadressaat en hoofdelijke aansprakelijkheid

1.

Aan deze waterschapsverordening wordt voldaan door de eigenaar of gebruiker van gronden of de initiatiefnemer of de gebruiker van een handeling of een werk waarop deze waterschapsverordening van toepassing is.

2.

De normadressaten zijn elk hoofdelijk aansprakelijk voor de naleving van de verplichtingen gesteld bij of krachtens deze waterschapsverordening.

Afdeling 1.2

Vaststellen van doelcriteria voor de bescherming van het watersysteem en bijbehorende beschermingszones.

Paragraaf 1.2.1

Doelcriteria

Artikel 1.6Doelcriteria

Het algemeen bestuur stelt doelcriteria vast ter verdere uitwerking door het dagelijks bestuur, aan de hand waarvan kan worden bepaald of een activiteit is toegestaan in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone en in het profiel van vrije ruimte. Deze doelcriteria hebben betrekking op: a. activiteiten in, bij, langs, op, over, onder of boven een oppervlaktewater; b. activiteiten op, in of bij waterkeringen; en c. het onttrekken van grondwater, het in de bodem brengen van water en het terug in de bodem brengen van onttrokken grondwater.

Artikel 1.7Algemene doelcriteria

Voor alle activiteiten genoemd in artikel 1.6 geldt dat: a. de waterstaatswerken in stand worden gehouden conform de legger; b. de mogelijkheid tot vervulling van maatschappelijke functies in stand moet blijven; c. de veiligheid gewaarborgd moet blijven; d. schade aan waterstaatswerken moet worden voorkomen; en e. de taakuitoefening van het waterschap niet wordt belemmerd.

Artikel 1.8Specifieke doelcriteria bij oppervlaktewateren

Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op oppervlaktewateren gelden voorts de volgende doelcriteria: a. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van een oppervlaktewater, zoals vastgelegd in de legger, waardoor het watersysteem niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor het is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling; b. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van het watersysteem; c. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud door of namens het waterschap en de bereikbaarheid van het watersysteem; en d. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het watersysteem in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbehorende beschermingszones, als ook in het door het dagelijks bestuur voor oppervlaktewateren aan te wijzen profiel van vrije ruimte.

Artikel 1.9Specifieke doelcriteria bij waterkeringen

Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op waterkeringen gelden voorts de volgende doelcriteria: a. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimensionering van de waterkering, zoals vastgelegd in de legger, waardoor de waterkering niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor die is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor geldende normstelling, waardoor de veiligheid niet kan worden gewaarborgd; b. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van de waterkering, onder normale omstandigheden en onder piekbelasting; c. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kunnen uitvoeren van onderhoud door of namens het waterschap en de bereikbaarheid van de waterkering; en d. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterkering in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbehorende beschermingszones, als ook in het door het dagelijks bestuur voor waterkeringen aan te wijzen profiel van vrije ruimte.

Artikel 1.10Specifieke doelcriteria bij grondwater

Voor het onttrekken van grondwater, het in de bodem brengen van water en het terug in de bodem brengen van onttrokken grondwater gelden voorts de volgende doelcriteria: a. het onttrekken van grondwater mag geen negatief effect hebben op het reguliere grondwaterpeil, waardoor schade kan ontstaan aan natuur, waterstaatswerken en eigendommen van derden; b. het onttrekken van grondwater mag geen negatief effect hebben op de ondergrondse scheiding tussen grondwater voerende pakketten; c. de kwaliteit van grondwater mag niet verslechteren door het in de bodem brengen of terug brengen van water; en d. het onttrekken van grondwater mag niet leiden tot het verspreiden van een grondwaterverontreiniging.

Artikel 1.11Toepassingscriteria

Het dagelijks bestuur is bevoegd om ter uitvoering van de waterschapsverordening, voor de doelcriteria genoemd in de artikelen 1.7, 1.8, 1.9 en 1.10 nadere toepassingscriteria vast te stellen. Hierbij kan het dagelijks bestuur rekening houden met plaatselijke omstandigheden. Het dagelijks bestuur geeft aan deze bevoegdheid invulling in deze waterschapsverordening met toepassing van artikel 1.13 en in de beleidsregels.

Afdeling 1.3

Handelingen in het watersysteem

Paragraaf 1.3.1

Zorgplicht, algemene regels, vergunningplicht

Artikel 1.12Zorgplicht

1.

Het is toegestaan om handelingen in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone, in een meanderzone en in een inundatiegebied, als ook in het door het dagelijks bestuur aan te wijzen profiel van vrije ruimte te verrichten of te laten verrichten, mits voldaan wordt aan de in dit hoofdstuk opgenomen zorgplichtbepalingen.

2.

Degene die de in het eerste lid toegestane handelingen verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die handeling nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan, voorkomt die effecten voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.

3.

Onder het voorkomen van nadelige effecten voor het watersysteem als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan het voorkomen van: a. (grond)waterschaarste, (grond)wateroverlast, overstromingen of inundaties; b. aantasting van de bestaande staat van een waterkering; c. belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewater; d. belemmering van de inspectie- of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem, daaronder mede begrepen handelingen die de ontvangstplicht van specie en maaisel, krachtens artikel 10.3 van de Omgevingswet, belemmeren; e. verslechtering van de chemische en ecologische waterkwaliteit; f. negatieve effecten van wegzijging of kwel op de chemische en ecologische waterkwaliteit en waterkwantiteit; g. verzakkingen van de bodem of uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen of grondboringen; h. belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem; en i. verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

4.

Indien toch de nadelige effecten als bedoeld in het tweede lid optreden, is degene die de handelingen met deze effecten verricht, verplicht al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

5.

Degene die handelingen met nadelige effecten verricht als bedoeld in het vierde lid, meldt die effecten zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur, als ook de maatregelen die hij van plan is te treffen of reeds heeft getroffen. Door of namens het dagelijks bestuur kunnen aanwijzingen worden gegeven voor de te treffen maatregelen, die stipt moeten worden opgevolgd.

Artikel 1.13Algemene regels

Het dagelijks bestuur is bevoegd om de regels over activiteiten in de hoofdstukken 2 tot en met 4 en de geometrische begrenzingen in bijlage 2 te wijzigen.

Artikel 1.14Maatwerkvoorschriften

Indien het dagelijks bestuur dat nodig oordeelt, kunnen in aanvulling op of in afwijking van artikel 1.12 en de hoofdstukken 2 tot en met 4, in een specifieke situatie maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Artikel 1.15Keuzevrijheid melding of vergunningaanvraag bij meerdere gecombineerde handelingen

1.

Wanneer sprake is van meerdere handelingen die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan heeft de initiatiefnemer de keuze om voor alle handelingen gezamenlijk één vergunning aan te vragen, dan wel voor de verschillende (deel)handelingen apart vergunning aan te vragen of een melding te doen.

2.

Het doen van een gecombineerde vergunningaanvraag is niet toegestaan indien dit in de waterschapsverordening of de beleidsregels voor die handeling uitdrukkelijk is uitgesloten.

Artikel 1.16Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

1.

Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

2.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

3.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

4.

In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krwoppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

Paragraaf 1.3.2

Verboden

Artikel 1.17Verbod bij calamiteiten

1.

In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende vergunningen verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewater; b. water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewater; of c. grondwater te onttrekken uit of water terug te brengen in de bodem.

2.

Zodra het dagelijks bestuur het verbod niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.

Paragraaf 1.3.3

Vrijstelling

Artikel 1.18Vrijstelling beheer door het waterschap

De vergunningplicht en meldplicht op grond van hoofdstuk 2 tot en met 4 zijn niet van toepassing op handelingen die worden uitgevoerd door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van het aan het waterschap opgedragen beheer.

Hoofdstuk 2

Activiteiten bij oppervlaktewateren

Afdeling 2.1

Activiteiten bij oppervlaktewateren

Paragraaf 2.1.1

Algemeen

Artikel 2.1Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:

1.een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
2.een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
3.een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en 4. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van debuis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 2.2Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 2.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

Artikel 2.3Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

Paragraaf 2.1.2

Onttrekken uit een oppervlaktewater

Artikel 2.4Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water uit een oppervlaktewater met een onttrekkingsvoorziening.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen, behouden, wijzigen en verwijderen van een onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.5Specifieke zorgplicht oppervlaktewater onttrekken

1.

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de instroomvoorziening het onderhoud en de doorstroming van het oppervlaktewater niet belemmert; b. de onttrekking niet leidt tot beschadiging van de bodem, oevers of taluds; c. het bij het onttrekken meenemen van levende organismen zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. degene die het water onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk informeert over eventuele veroorzaakte schade en over de getroffen en nog te treffen maatregelen.

2.

Aan het eerste lid, onder c, wordt in ieder geval voldaan als tijdens het onttrekken een zuigkorf om de zuigmond wordt aangebracht, waarbij de zuigmond van de aanzuigslang is voorzien van gaten met een diameter van maximaal 3 mm en de diameter van de zuigkorf minimaal 3 maal de diameter van de aanzuigslang is.

Artikel 2.6Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van meer dan 10 en maximaal 100 m3 water per uur uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer, wordt voldaan aan de artikelen 2.7 en 2.8.

Artikel 2.7Algemene regels onttrekken

1.

De onttrekkingsvoorziening wordt zo gemarkeerd dat de ligging duidelijk zichtbaar is.

2.

De onttrekkingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer vervult.

3.

Ter beperking van het meenemen van levende organismen tijdens het onttrekken wordt een zuigkorf met een diameter van minimaal 3 maal de diameter van de aanzuigslang en met gaten met een diameter van maximaal 3 mm om de zuigmond aangebracht.

Artikel 2.8Algemene regels onttrekken ten behoeve van beregening in relatie met waterconservering

1.

Het is alleen toegestaan water te onttrekken voor het beregenen van percelen, als het in het te beregenen perceel aanwezig systeem van drainage is ingesteld in overeenstemming met paragraaf 4.2.1.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstig toepassing als de ontwatering van het te beregenen perceel (mede) wordt bepaald door een aangebrachte stuw en of ander peilregulerend werk als bedoeld in paragraaf 2.1.15.

Artikel 2.9Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.6, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.

2.

Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.10Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning meer dan 100 m3 water per uur te onttrekken uit een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

2.

Het is verboden zonder vergunning water te onttrekken uit een ander oppervlaktewater dan een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

Paragraaf 2.1.3

Duikers en overkluizingen in een oppervlaktewater

Artikel 2.11Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een duiker of overkluizing in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.12Specifieke zorgplicht duikers en overkluizingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de duiker of overkluizing de doorstroming van het oppervlaktewater niet stremt of belemmert; b. de duiker of overkluizing doelmatig functioneert en in goede staat van onderhoud verkeert; en c. de duiker of overkluizing zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken.

Artikel 2.13Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een duiker of overkluizing aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in een primair water en secundair water.

Paragraaf 2.1.4

Bruggen in of over een oppervlaktewater

Artikel 2.14Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een brug in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.15Specifieke zorgplicht bruggen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. bij het aanleggen van een brug wordt voorkomen dat verondiepingen of vernauwingen van het oppervlaktewater ontstaan waardoor de doorstroming kan worden belemmerd; b. de aanwezigheid van een brug (incl. brugleuningen) geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud; c. de brug, inclusief het profiel onder de brug en twee meter weerszijden van de brug, in een goede staat van onderhoud wordt gehouden; en d. de doorstroming in het oppervlaktewater door de brug niet wordt verstoord. Daartoe dient drijvend vuil en dergelijke regelmatig te worden verwijderd.

Artikel 2.16Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een brug over primair water, waarbij geen palen of pijlers in het oppervlaktewater worden aangebracht, of over secundair water, wordt voldaan aan de artikelen 2.17 en 2.18.

Artikel 2.17Algemene regels brug over een oppervlaktewater

1.

Per kadastraal perceel mag maximaal één brug aanwezig zijn.

2.

De op- en afrit van de brug dient 1:10 te zijn, waarbij het maaiveld deugdelijk aangevuld dient te worden.

3.

De afstand tussen een brug en een ander kunstwerk bedraagt ten minste 10 meter.

4.

De brug wordt verwijderd als deze niet meer de functie vervult waarvoor de brug is aangelegd.

Artikel 2.18Algemene regels varend onderhoud

1.

De afstand tussen een brug en een ander kunstwerk bedraagt ten minste 10 meter.

2.

De doorvaarhoogte is minimaal de afstand tussen de onderkant van de brug en het hoogwaterpeil (peil bij maatgevende afvoer).

3.

Voor de oppervlaktewateren Niers, Helenavaart en Oude Helenavaart geldt een minimale doorvaarhoogte van 1,0 meter.

4.

Voor de oppervlaktewateren Afwateringskanaal, Neerbeek, Haelensebeek, Tungelroysebeek, Leukerbeek en Uffeltsebeek geldt een minimale doorvaarhoogte van 0,50 meter.

5.

De brug wordt verwijderd indien deze niet meer de functie vervult waarvoor de brug is aangelegd.

Artikel 2.19Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.16, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Ten minste tien dagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.20Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een brug over primair water aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen, waarbij palen of pijlers in het oppervlaktewater worden aangebracht.

Paragraaf 2.1.5

Bouwwerken langs een oppervlaktewater

Artikel 2.21Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een bouwwerk in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het aanleggen, hebben of wijzigen van een klein bouwwerk als bedoeld in artikel 2.49; en b. het plaatsen of verwijderen van een hekwerk of schutting als bedoeld in artikel 2.52.

Artikel 2.22Specifieke zorgplicht bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. het plaatsen en behouden van een bouwwerk niet leidt tot beschadiging van het talud, de bodem en de oever van het oppervlaktewater; en b. het bouwwerk zo geplaatst wordt dat het geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud.

Artikel 2.23Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in de kernzone.

2.

Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in het profiel van vrije ruimte.

3.

Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in een Meanderzone.

4.

Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk aan te leggen in een inundatiegebied.

Paragraaf 2.1.6

Kabels en leidingen in, onder of langs een oppervlaktewater

Artikel 2.24Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, wijzigen of verwijderen van een kabel of leiding in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.25Specifieke zorgplicht kabels en leidingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de kabel of leiding zodanig wordt aangebracht en onderhouden dat de wateraf- en doorvoerfunctie van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd; b. het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet onevenredig wordt belemmerd; c. na afloop van de werkzaamheden het werk in nette staat wordt achtergelaten; d. een initiatiefnemer voorkomt dat een kabel of leiding door afkalving van de oever van een watergang in de watergang terecht komt; en e. het verwijderen van een kabel of leiding niet leidt tot beschadiging van het oppervlaktewater of de bijbehorende onderhoudsstrook.

Artikel 2.26Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het leggen van een kabel of leiding in de kernzone van een primair of secundair water, wordt voldaan aan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

2.

Ook bij het leggen van een kabel of leiding in het profiel van vrije ruimte bij primair water, wordt voldaan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

3.

Ook bij het leggen van een kabel of leiding in een meanderzone, wordt voldaan aan de artikelen 2.27 tot en met 2.30.

Artikel 2.27Algemene regel kruisen oppervlaktewater

1.

Als de kabel of leiding onder de bodem van het oppervlaktewater wordt gelegd, wordt de bovenzijde van de kabel of leiding op minimaal 1,00 meter onder de bodemhoogte van het oppervlaktewater, de taluds, de onderhoudsstrook en het maaiveld gelegd, zoals deze in de legger is opgenomen.

2.

Als de kabel of leiding onder een duiker wordt gelegd, wordt de bovenzijde van de kabel of leiding op minimaal 1,00 meter onder de onderzijde van de in de legger opgenomen bodemhoogte gelegd.

3.

De kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

4.

Als de kabel of leiding over een duiker wordt gelegd, wordt bij verwijdering van de duiker de ligging van de kabel of leiding aangepast.

5.

Als de kabel of leiding het oppervlaktewater via een brug kruist, wordt: a. de kabel of leiding verwerkt in het brugdek; of b. de kabel of leiding aan de brug gehangen op een hoogte die hoger is dan de hoogwaterlijn.

6.

Het bestuur wordt minimaal vijf werkdagen van tevoren geïnformeerd over datum en tijdstip van aanvang van de werkzaamheden.

7.

Indien de kabel of leiding definitief buiten gebruik is gesteld, dient het bestuur hiervan binnen 10 werkdagen te worden geïnformeerd.

Artikel 2.28Algemene regel parallel aan oppervlaktewater

Als een kabel of leiding parallel aan een oppervlaktewater wordt aangelegd, zijn de volgende voorschriften van toepassing: a. de kabel of leiding wordt op de grens van het oppervlaktewater aangelegd; b. de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en c. de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.29Algemene regel profiel van vrije ruimte

Als een kabel of leiding wordt aangelegd in het profiel van vrije ruimte, zijn de volgende voorschriften van toepassing: a. de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en b. de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.30Algemene regel meanderzone

Als een kabel of leiding wordt aangelegd in een meanderzone, zijn de volgende voorschriften van toepassing: a. de kabel of leiding wordt op een diepte van minimaal 1,00 meter onder maaiveld gelegd; en b. de kabel of leiding die buiten gebruik is gesteld wordt in overleg met het waterschap verwijderd.

Artikel 2.31Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vijf werkdagen voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 2.26, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over datum en tijdstip van aanvang van de werkzaamheden.

2.

Ten minste tien werkdagen voordat een kabel of leiding definitief buiten gebruik is gesteld, worden gegevens en bescheiden hierover verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 2.32Melding

1.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in artikel 2.26 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.7

Recreatief medegebruik in of nabij een oppervlaktewater

Artikel 2.33Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater voor recreatieve doeleinden.

Artikel 2.34Specifieke zorgplicht recreatief medegebruik

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. er geen schade wordt toegebracht aan het oppervlaktewater of de bijbehorende zones; b. er geen afval wordt achtergelaten; c. aanwezig vee op de aangrenzende percelen niet wordt verontrust; en d. de privacy van bewoners van huizen op de aangrenzende percelen wordt gerespecteerd.

Artikel 2.35Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het varen met een kano, kajak of stand-up paddle board in het gebied kanovaart Roer, wordt voldaan aan artikel 2.36.

2.

Bij het varen met een kano, kajak of stand-up paddle board in het gebied kanovaart overig, wordt voldaan aan artikel 2.37.

3.

Bij het recreëren met behulp van een gemotoriseerd vaartuig op de watergangen anders dan de trajecten I tot en met V van de Roer en Hambeek, wordt voldaan aan de artikelen 2.39 en 2.40.

Artikel 2.36Algemene regel varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op de Roer

1.

Kanovaart vindt alleen plaats in de periode van 1 juni tot 1 oktober.

2.

Er wordt vertrokken tussen 10.00 en 12.00 uur en tussen 14.00 en 16.00 uur.

3.

Er vertrekken maximaal 20 boten per vertrekmoment.

4.

In- en uitstappen vindt alleen plaats op de volgende locaties: a. de trailerhelling benedenstrooms van de brug in Vlodrop; b. de rustplaats nabij de kerk in St. Odiliënberg; en c. de trailerhelling bovenstrooms van de brug van de Andersonweg te Roermond.

5.

De in de Roer aanwezige grindbanken worden niet betreden.

6.

Degene die de activiteit verricht heeft een exemplaar van de melding bij zich en kan deze op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar tonen.

Artikel 2.37

Algemene regel varen met een kano, kajak of stand-up paddle board op een ander oppervlaktewater dan de Roer 1.

Aanwezige vangmiddelen voor het bestrijden van muskus- of beverratten worden niet beschadigd, los gemaakt of open gemaakt.

2.

Tijdens het recreatief medegebruiken van een oppervlaktewater worden aanwezige stuwen, vistrappen, gemalen of in- of uitstroomopeningen niet betreden.

3.

Meegebrachte huisdieren zijn te allen tijde aangelijnd.

Artikel 2.38Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.35, eerste lid, te verrichten zonder dit ten minste twee werkdagen voor het begin ervan te melden.

2.

Wijzigingen van de gemelde gegevens worden voorafgaand aan de kanotocht doorgegeven aan het waterschap.

Artikel 2.39Algemene regel varen met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek

Voor het varen met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek te Roermond gelden de volgende voorschriften: a. er wordt alleen gevaren door gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan de aangegeven trajecten varen op de Roer en Hambeek; b. varen vindt alleen plaats op traject I en op het traject waaraan het perceel van de melder direct grenst; c. er wordt alleen gevaren in het laagwaterseizoen van 15 maart tot en met 14 oktober, tussen zonsopgang en zonsondergang; d. per perceel wordt met maximaal één gemelde gemotoriseerde boot gevaren; e. de maximale vaarsnelheid op de trajecten II, III, IV en V bedraagt 5 kilometer per uur; f. afhankelijk van het traject heeft de boot de volgende afmetingen:

1.traject II: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 1,75 meter hoog;
2.traject III: 9 meter lang, 3 meter breed, 1 meter diepgang en 3,5 meter hoog; en 3. traject IV en traject V: 6 meter lang, 2 meter breed, 0,5 meter diepgang, 1,75 meter hoog; en g. de bestuurder van de boot heeft een exemplaar van de melding bij zich en kan deze op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar tonen.

Artikel 2.40Algemene regel aan- en afmeren met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek

Voor het aanmeren of afmeren met een gemotoriseerde boot op de Roer en Hambeek gelden de volgende voorschriften: a. aan- en afmeren vindt alleen plaats door gebruikers van percelen die rechtstreeks grenzen aan de aangegeven trajecten varen op de Roer en Hambeek; b. aanmeren en afmeren vindt plaats bij het eigen perceel, met uitzondering van traject I; c. de boot wordt met de lange zijde deugdelijk en zo strak mogelijk tegen de aanmeervoorziening aangemeerd; d. boten worden niet geplaatst of gestald op de oevers, taluds of aanlegwallen van de trajecten II, III, IV en V; e. tijdens het hoogwaterseizoen van 15 oktober tot en met 14 maart is de boot verwijderd uit het water op de trajecten II, III, IV en V; en f. per perceel wordt met maximaal één gemelde gemotoriseerde boot aangemeerd.

Artikel 2.41Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.35, derde lid, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.42Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning in de kernzone van een primair of secundair water een parcours aan te leggen of in te richten voor recreatieve doeleinden.

Artikel 2.43Absoluut verbod

1.

Het is verboden in watergangen anders dan de trajecten I tot en met V van de Roer en Hambeek te recreëren met (behulp van) een gemotoriseerd voertuig of vaartuig.

2.

Het is verboden met een kano, kajak of stand-up paddle board te varen op een traject dat niet is opgenomen op de kaarten kanovaren.

Paragraaf 2.1.8

Beplanting langs een oppervlaktewater

Artikel 2.44Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, hebben, verplaatsen en verwijderen van beplanting in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.45Specifieke zorgplicht beplanting

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. bomen en struiken zodanig worden geplant dat oeververdedigingen (beschoeiingen) en taluds van oppervlaktewateren niet beschadigen als gevolg van wortelgroei; b. bomen en struiken zodanig worden onderhouden dat deze niet tot schade aan het oppervlaktewater en bijbehorende zones kunnen leiden; c. de kernzone niet wordt versmald of beschadigd als gevolg van uitgroeiende wortels, stammen en takken van bomen en struiken; d. het oppervlaktewater en de bijbehorende zones na afloop van de werkzaamheden in nette staat achtergelaten worden; en e. na het aanbrengen, verplaatsen en verwijderen van bomen en struiken de onderhoudsstrook en het oppervlaktewater in de oorspronkelijke toestand worden teruggebracht.

Artikel 2.46Algemene regel beplanting aanbrengen in of nabij de kernzone

1.

Bij het aanbrengen van een boom of struik binnen primair of secundair water of een zone van 2 meter eromheen, wordt voldaan aan artikel 2.47.

2.

Ook bij het aanbrengen van een boom of struik in het profiel van vrije ruimte, een meanderzone of een inundatiegebied, wordt voldaan aan artikel 2.47.

Artikel 2.47Algemene regel bomen of struiken aanbrengen

1.

Als een boom of struik wordt aangebracht binnen de primair water of een zone van 2 meter eromheen, wordt deze binnen de kernzone tot 4 meter boven het maaiveld takvrij gehouden.

2.

Bomen of struiken in een meandergebied vormen geen belemmering voor het natuurlijke meanderproces of voor het voeren van doelmatig onderhoud aan het in de meanderzone gelegen oppervlaktewater.

3.

Bomen en struiken vormen geen belemmering voor het functioneren van het Inundatiegebied.

Artikel 2.48Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning bomen of struiken aan te brengen, te verplaatsen of te verwijderen in de kernzone van een primair of secundair water.

Paragraaf 2.1.9

Kleine bouwwerken langs een oppervlaktewater

Artikel 2.49Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben of wijzigen van een bouwwerk zonder woon- of verblijfsfunctie dat niet dieper dan 50 cm in de grond is gefundeerd in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.50Specifieke zorgplicht kleine bouwwerken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. het plaatsen van een klein bouwwerk niet leidt tot beschadiging van het oppervlaktewater en de bijbehorende zones; b. het bouwwerk zodanig geplaatst wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uitvoeren van onderhoud; c. de aanwezigheid van een bouwwerk binnen een profiel van vrije ruimte niet leidt tot beperking van noodzakelijke aanpassingen aan het oppervlaktewater; d. de aanwezigheid van een klein bouwwerk binnen een meanderzone geen belemmering voor het meanderproces binnen de meanderzone vormt; en e. de aanwezigheid van een klein bouwwerk binnen een inundatiegebied geen afbreuk doet aan de functie van het inundatiegebied.

Artikel 2.51Melding

1.

Het is verboden een bouwwerk aan te leggen in de kernzone, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.10

Afrasteringen, hekwerken en schuttingen langs een oppervlaktewater

Artikel 2.52Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen of verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.53Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken en schuttingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de aanwezigheid van de afrastering, het hekwerk of de schutting geen belemmering vormt voor het voeren van onderhoud aan het oppervlaktewater; b. de aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of een schutting binnen een meanderzone niet leidt tot een belemmering voor het meanderproces binnen de meanderzone; en c. de aanwezigheid van een afrastering, hekwerk of een schutting binnen een inundatiegebied geen afbreuk doet aan de functie van het inundatiegebied.

Artikel 2.54Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting in het profiel van vrije ruimte, wordt voldaan aan artikel 2.55.

2.

Ook bij het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting binnen de kernzone van het oppervlaktewater of een buffer van 0,5 meter eromheen, wordt voldaan aan artikel 2.55.

Artikel 2.55Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen

1.

Een hekwerk of schutting wordt op ten minste 0,5 meter uit de grens van de kernzone geplaatst.

2.

Een hekwerk of schutting heeft een maximale hoogte van 2,00 meter.

Artikel 2.56Melding

1.

Het is verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 2.54, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.57Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een afrastering, hekwerk of schutting te plaatsen in de kernzone.

Paragraaf 2.1.11

Lozen van hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak in een oppervlaktewater

Artikel 2.58Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het binnen het beheergebied van het waterschap versneld afvoeren en lozen van hemelwater in een oppervlaktewater vanaf verhard oppervlak.

Artikel 2.59Specifieke zorgplicht lozen vanaf verhard oppervlak

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat een lozing van hemelwater vanaf verhard oppervlak op de bodem via afstroming naar een oppervlaktewater geen wateroverlast veroorzaakt.

Artikel 2.60Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak te lozen in een oppervlaktewater.

Paragraaf 2.1.12

Realisering projecten bij een oppervlaktewater

Artikel 2.61Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van projecten die binnen het beheergebied van het waterschap kunnen leiden tot waterstaatkundige gevolgen buiten het projectgebied.

Artikel 2.62Specifieke zorgplicht projecten

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat een project geen negatieve waterstaatkundige gevolgen veroorzaakt buiten het projectgebied.

Artikel 2.63Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning maatregelen te treffen binnen een aaneengesloten gebied van ten minste 10 hectare, als deze maatregelen een waterstaatkundig effect kunnen hebben buiten dat projectgebied.

Paragraaf 2.1.13

Evenement in of bij een oppervlaktewater

Artikel 2.64Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van een evenement in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.65Specifieke zorgplicht evenementen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. er geen schade wordt toegebracht aan het oppervlaktewater of de bijbehorende zones; b. eventueel ontstane schade aan het oppervlaktewater of een bijbehorende zone onmiddellijk wordt hersteld; c. er geen afval wordt achtergelaten; d. aanwezig vee op de aangrenzende percelen niet wordt verontrust; en e. de privacy van bewoners van huizen op de aangrenzende percelen wordt gerespecteerd.

Artikel 2.66Melding

1.

Het is verboden een evenement te houden in de kernzone van een primair of secundair water, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 2.1.14

Uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen een lijnvormig element

Artikel 2.67Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van werken of werkzaamheden in een lijnvormig element.

Artikel 2.68Specifieke zorgplicht werken of werkzaamheden in lijnvormig element

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat door een werk of werkzaamheid het functioneren van het lijnvormige element niet negatief wordt beïnvloed.

Artikel 2.69Algemene regel werken of werkzaamheden in lijnvormig element

De uitvoering van werken en werkzaamheden binnen een lijnvormig element leidt niet tot beschadiging van de graszoden.

Paragraaf 2.1.15

Stuwen en andere peilregulerende werken in een oppervlaktewater

Artikel 2.70Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben of wijzigen van een stuw of ander peilregulerend werk in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

Artikel 2.71Specifieke zorgplicht stuwen en andere peilregulerende werken

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de stuw en ander peilregulerend werk in een goede staat van onderhoud wordt gehouden; en b. bediening van de stuw en ander peilregulerend werk zodanig plaatsvindt dat andere gebruikers van het oppervlaktewater hiervan geen schade ondervinden.

Artikel 2.72Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen, hebben of wijzigen van een OWL-stuw of ander peilregulerend werk in een overig water, wordt voldaan aan artikel 2.73.

Artikel 2.73Algemene regel stuwen en andere peilregulerende werken

1.

Een stuw of ander peilregulerend werk wordt ten minste ingesteld op de peilen zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Gewas Grondwaterniveau t.o.v. maaiveld Gemiddeld hoog Gemiddeld laag Grasland -0,30 m -0,60 m Bouwland of akkerland -0,50 m -0,80 m Diep wortelende gewassen -0,80 m -1,00 m Tuinbouw -0,50 m -0,80 m 2.

Maatgevend voor de instelling van de stuwpeilen is de drooglegging ten opzichte van het 10% laagste maaiveld van het perceel met het meest kritieke gewas binnen het beïnvloedingsgebied van de stuw of van het peilregulerende werk.

3.

Het bestuur kan afkondigen wanneer de hoge of lage stand wordt ingesteld.

4.

De neerwaartse aanpassing van het stuwpeil geschiedt met maximaal 20 cm per etmaal.

5.

Van deze voorschriften kan, onder meer ingeval van acute dreiging van inundatie, van verzadiging van de bovengrond of bij verwachting van veel neerslag worden afgeweken. Het bestuur kan daarbij instructies geven die opgevolgd dienen te worden.

Artikel 2.74Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een stuw of peilregulerend werk aan te leggen, te hebben of te wijzigen in een primair of secundair water.

Paragraaf 2.1.16

Woonboten in een oppervlaktewater

Artikel 2.75Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of hebben van een woonboot in een oppervlaktewater.

Artikel 2.76Specifieke zorgplicht woonboten

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. geen schade wordt toegebracht aan de oever en het talud van het oppervlaktewater; en b. het doelmatig voeren van onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.77Algeheel verbod woonboten

Het is verboden om een woonboot te leggen of te hebben in een primair water.

Paragraaf 2.1.17

Verleggen of aanpassen van een oppervlaktewater

Artikel 2.78Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verleggen of aanpassen van een primair of secundair oppervlaktewater en op het aanleggen van een oppervlaktewater dat in verbinding wordt gebracht met een primair of secundair oppervlaktewater.

Artikel 2.79Specifieke zorgplicht verleggen of aanpassen oppervlaktewater

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. schade wordt hersteld die binnen twee jaar na realisering van de verlegging of aanpassing ontstaat aan de oever en het talud van het oppervlaktewater; en b. het doelmatig voeren van onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.80Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een primair of secundair oppervlaktewater te verleggen of aan te passen of een oppervlaktewater aan te leggen dat in verbinding wordt gebracht met een primair of secundair oppervlaktewater.

Paragraaf 2.1.18

Tijdelijk afdammen van een primair en secundair oppervlaktewater

Artikel 2.81Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk afdammen van een primair of secundair oppervlaktewater.

Artikel 2.82Specifieke zorgplicht tijdelijk afdammen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat schade wordt hersteld die binnen twee jaar na de tijdelijke afdamming ontstaat aan de oever en het talud van het oppervlaktewater.

Artikel 2.83Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning tijdelijk primair of secundair oppervlaktewater af te dammen.

Paragraaf 2.1.19

Ophogen in inundatiegebied

Artikel 2.84Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, instandhouden en wijzigen van een ophoging in een inundatiegebied.

Artikel 2.85Specifieke zorgplicht ophogen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12 houdt in ieder geval in dat de ophoging zo aangelegd, gewijzigd en behouden wordt dat deze, zo nodig inclusief te realiseren en te behouden compensatie, niet leidt tot een beperking van het functioneren van het inundatiegebied.

Artikel 2.86Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een ophoging aan te brengen in een inundatiegebied.

Afdeling 2.2

Lozen in oppervlaktewater

Paragraaf 2.2.1

Algemeen

Artikel 2.87Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.

Artikel 2.88Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en c. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 2.89Normadressaat

Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 2.90Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.88, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 2.91Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.90 en 2.95 tot en met 2.152.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.95 tot en met 2.152.

Artikel 2.92Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 2.93Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.92, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap

Artikel 2.94Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap

1.

Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 2.95Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlakte- waterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Artikel 2.96Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Paragraaf 2.2.2

Lozen in oppervlaktewater

Artikel 2.97Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water in een oppervlaktewater met een lozingsvoorziening.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen, behouden, wijzigen en verwijderen van een lozingsvoorziening in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewater.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf verhard oppervlak in het beheergebied.

Artikel 2.98Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de lozing niet leidt tot beschadiging van oevers, taluds en bodem; b. het onderhoud (maaien oevers, taluds, bodem en onderhoudsstrook) niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van een lozingsvoorziening; c. na het verwijderen van de (tijdelijke) lozingsvoorziening de watergang in oorspronkelijke toestand wordt hersteld; d. degene die water loost op de bodem ervoor zorgt dat afstroming naar een oppervlaktewater wordt vermeden; en e. degene die het water loost het bestuur zo spoedig mogelijk informeert over eventuele veroorzaakte schade en over de getroffen en nog te treffen maatregelen.

Artikel 2.99Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het lozen van maximaal 100 m3 water per uur in een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer, wordt voldaan aan artikel 2.100.

2.

Ook bij het of lozen van maximaal 20 m3 water per uur in oppervlaktewater met een lage basisafvoer of overig water, wordt voldaan aan artikel 2.100.

Artikel 2.100Algemene regel lozingsvoorziening

De lozingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer vervult.

Artikel 2.101Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 2.99, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Ten minste tien werkdagen voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 2.102Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning meer dan 100 m3 water per uur te lozen in een oppervlaktewater met een hoge basisafvoer.

2.

Het is verboden zonder vergunning meer dan 20 m3 water per uur te lozen in een oppervlaktewater met een lage basisafvoer.

3.

Het is verboden zonder vergunning meer dan 20 m3 water per uur te lozen in een overig water.

4.

Het is verboden zonder vergunning water te lozen in bronlopen.

Paragraaf 2.2.3

Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 2.103Lozen van grondwater bij saneringen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK´s 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 3.

Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK´s 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4.1 μg/l Lood 5,3 μg/l Zink 12 μg/l Chroom 2,4 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hierbovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l

Artikel 2.104Lozen van grondwater bij ontwatering

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

2.

Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

Artikel 2.105Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.106Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.103 en 2.104, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Paragraaf 2.2.4

Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 2.107Lozen van afvloeiend hemelwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.108Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.5

Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.109Lozen van huishoudelijk afvalwater

1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een opper- vlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwater- riool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.

40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.

100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.

600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan50 inwonerequivalenten; d.

1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan100 inwonerequivalenten; en e.

3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

2.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijkafvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwarenkunnen worden aangelegd.

3.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

4.

In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.110Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.

Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Emissiegrenswaarden in mg/l Representatiefetmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.

Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Emissiegrenswaarden in mg/l Representatiefetmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

5.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.111Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.112Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.109, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Paragraaf 2.2.6

Lozen van koelwater

Artikel 2.113Koelwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

3.

De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

4.

De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.114Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.113, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.7

Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Artikel 2.115Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

Artikel 2.116Werkinstructie bij reinigen en conserveren

1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

2.

In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.

3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 2.117Werkinstructie bij bouwen en slopen

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 2.118Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 2.119Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 2.120Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.115 , 2.116 en 2.117, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.115; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.116.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Paragraaf 2.2.8

Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 2.121Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.

A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedings- middelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.

Artikel 2.122Lozen bij opslaan van inerte goederen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.123Lozen bij overslaan van inerte goederen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

3.

Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.

Paragraaf 2.2.9

Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen

Artikel 2.124Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen

1.

In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l

Artikel 2.125Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.126Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

2.

Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

3.

Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 2.127Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.124 en 2.126, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

Paragraaf 2.2.10

Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 2.128Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 2.129Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Paragraaf 2.2.11

Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewater

Artikel 2.130Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.131Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 2.132Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.130 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.133Lozen van algen en bacteriën

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.134Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.130, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.131; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Paragraaf 2.2.12

Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 2.135Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

2.

Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Paragraaf 2.2.13

Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 2.136Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdings- technieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

Artikel 2.137Gegevens en bescheiden

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.136, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat.

Paragraaf 2.2.14

Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 2.138Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

1.

In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofgebruik 60 mg/l Chemisch zuurstofgebruik 300 mg/l 3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.139Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

1.

In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwater- riool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.140Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen

1.

In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l

Artikel 2.141Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam 2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l Ijzer 2 mg/l 3.

De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 2.142Lozen bij ontijzeren grondwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuivering- technisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.143Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.144Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.138 tot en met 2.142, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.15

Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Artikel 2.145Uitzondering voorgeschreven lozingsroute

Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Paragraaf 2.2.16

Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 2.146Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.147Lozen bereiden van voedingsmiddelen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

2.

Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

Artikel 2.148Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.147, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.17

Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 2.149Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.150Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.149, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.18

Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 2.151Lozen van spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

Paragraaf 2.2.19

Asverstrooing

Artikel 2.152Asverstrooiing

Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.

Paragraaf 2.2.20

Andere lozingen

Artikel 2.153Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

2.

Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2.2 tot en met 2.2.19; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

Artikel 2.154Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

2.

Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 2.2.21

Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriftenomgevingsvergunning lozingsactiviteit

Artikel 2.155Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene Beoordelings-Methodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

Artikel 2.156Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.157Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3

Activiteiten bij waterkeringen

Afdeling 3.1

Activiteiten bij waterkeringen

Paragraaf 3.1.1

Algemeen

Artikel 3.1Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit metbetrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist,worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal wordengemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting vande activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel ofde leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachteduur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgendeinformatie:

1.een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleidingwegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
2.een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
3.een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en 4. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van eengrondmechanisch onderzoek; e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening vande kade of waterkering.

Paragraaf 3.1.2

Afrasteringen, hekwerken en schuttingen

Artikel 3.2Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.3Specifieke zorgplicht afrasteringen, hekwerken of schuttingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat: a. de waterkering voldoende bereikbaar moet zijn om de waterkering te kunnen inspecteren; b. de waterkering voldoende bereikbaar moet zijn om de waterkering te kunnen onderhouden; en c. in geval van (dreigende) calamiteuze situaties, (nood)voorzieningen en –maatregelen kunnen worden getroffen.

Artikel 3.4Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen van een afrastering, hekwerk of schutting in de beschermingszone bij een waterkering, wordt voldaan aan artikel 3.5.

Artikel 3.5Algemene regel afrasteringen, hekwerken en schuttingen

1.

Een afrastering, hekwerk of schutting wordt op ten minste de grens van de kernzone van de waterkering geplaatst.

2.

Het verwijderen van een ondergrondse fundering voor een afrastering, hekwerk en schutting mag nooit leiden tot het optreden van kwelwater.

3.

Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een afrastering, hekwerk of schutting worden direct zodanig gevuld dat een blijvende waterdichte afdichting tot stand wordt gebracht.

4.

Aan het derde lid wordt in ieder geval voldaan als ontstane gaten worden gevuld met zwelklei of bentoniet.

5.

De afrastering, het hekwerk of de schutting is in zijn geheel verwijderbaar of eenvoudig demontabel.

Artikel 3.6Melding

1.

Het is verboden een hekwerk of schutting te plaatsen in de beschermingszone van de waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.7Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een afrastering, hekwerk of schutting te plaatsen in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 3.1.3

Ontgronding

Artikel 3.8Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op ontgrondingen die leiden tot een blijvende ontgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.9Specifieke zorgplicht ontgrondingen

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de ontgronding op de (stabiliteit van de) waterkering en daarmee op het functioneren van de waterkering worden voorkomen.

Artikel 3.10Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de kernzone van de waterkering.

2.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de beschermingszone van de waterkering.

3.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in het profiel van vrije ruimte van de waterkering.

4.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de buitenbeschermingszone van de waterkering.

5.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de hoge grond basis.

6.

Het is verboden zonder vergunning te ontgronden in de hoge grond robuust.

Paragraaf 3.1.4

Doorgraving

Artikel 3.11Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tot stand brengen van een doorgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.12Specifieke zorgplicht doorgraving

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de doorgraving op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen.

Artikel 3.13Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de kernzone van de waterkering.

2.

Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de hoge grond basis.

3.

Het is verboden zonder vergunning een doorgraving tot stand te brengen in de hoge grond robuust

Paragraaf 3.1.5

Ontgraving

Artikel 3.14Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een ontgraving in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.15Specifieke zorgplicht ontgraving

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.12, houdt in ieder geval in dat negatieve effecten van de ontgraving op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering worden voorkomen.

Artikel 3.16Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het uitvoeren van een ontgraving in hoge grond basis, wordt voldaan aan artikel 3.17 als dieper dan 0.5 meter en niet dieper dan 2,5 meter wordt ontgraven.

2.

Ook bij het uitvoeren van een ontgraving in de beschermingszone van de waterkering wordt voldaan aan artikel 3.17 als dieper is dan 0,5 meter en niet dieper dan 2,5 meter wordt ontgraven.

Artikel 3.17Melding

1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.16, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Zo spoedig mogelijk voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.18Vergunningplicht

1.

Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in de kernzone van de waterkering.

2.

Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in de beschermingszone als er 0,5 meter of dieper wordt ontgraven.

3.

Het is verboden zonder vergunning te ontgraven in hoge grond basis als er 0,5 meter of dieper wordt ontgraven.

Paragraaf 3.1.6

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.