Bouwverordening van de gemeente Dongen 2009 (Dongen)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de bouwactiviteiten in de gemeente Dongen, met specifieke aandacht voor de aanvraag van bouwvergunningen en de voorwaarden waaronder gebouwd mag worden. Het doel is om veilig en verantwoord bouwen te waarborgen, rekening houdend met bodemkwaliteit, bereikbaarheid en stedenbouwkundige aspecten.
Voor wie: Iedereen die een bouwvergunning aanvraagt in de gemeente Dongen; Eigenaren en ontwikkelaars van bouwwerken die bestemd zijn voor het verblijf van mensen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 138
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definitie van diverse begrippen die in de verordening worden gebruikt, zoals "bouwwerk" en "asbest".
- De vereisten voor bodemonderzoek bij de aanvraag van een bouwvergunning, inclusief specifieke normen voor asbest.
- Het verbod op bouwen op verontreinigde bodem en de voorwaarden waaronder hiervan kan worden afgeweken.
- Eisen voor de bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandweer en gehandicapten, en regels voor de ligging van de voorgevelrooilijn.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een bouwvergunning aanvraagt in de gemeente Dongen.
- Eigenaren en ontwikkelaars van bouwwerken die bestemd zijn voor het verblijf van mensen.
Wat zijn de kernpunten?
- Bij een bouwvergunningsaanvraag is een bodemonderzoek verplicht, waarbij bij verdenking van asbest ook onderzoek volgens NEN 5707 moet plaatsvinden.
- Bouwen op bodemverontreiniging die schadelijk of gevaarlijk is voor de gezondheid is verboden voor bouwwerken waar mensen voortdurend verblijven, tenzij voorwaarden aan de bouwvergunning worden verbonden.
- De toegang tot een bouwwerk voor mensen moet bereikbaar zijn via een weg die geschikt is voor hulpdiensten en verhuisauto's, met een breedte van ten minste 4,5 m en een verharding van ten minste 3,25 m.
- De voorgevel van een bouwwerk mag de voorgevelrooilijn niet overschrijden, tenzij het gaat om specifieke onderdelen zoals ondergrondse uitsteeksels of stoepen die de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (138)
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 1.2 Termijnen
- Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
- Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
- Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
- Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning
- Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
- Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek
- Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
- Artikel 2.1.7 Bouwregistratie
- Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
- Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
- Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
- Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
- Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
- Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
- Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
- Artikel 2.3.1 Welstandscriteria
- Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
- Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning
- Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
- Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
- Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
- Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
- Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
- Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
- Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
- Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
- Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
- Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
- Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
- Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
- Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
- Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
- Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
- Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
- Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
- Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
- Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
- Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
- Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
- Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
- Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
- Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
- Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
- Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
- Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
- Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
- Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
- Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
- Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
- Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
- Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
- Artikel 3.2 Welstandscriteria
- Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
- Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
- Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
- Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
- Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
- Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
- Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
- Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
- Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
- Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
- Artikel 4.11 Bouwafval
- Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
- Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
- Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
- Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
- Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
- Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
- Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
- Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties
- Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
- Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
- Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
- Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
- Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
- Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
- Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
- Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
- Artikel 5.4.1 Preventie
- Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen
- Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en
- Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
- Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
- Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
- Artikel 7.3.1 (vervallen)
- Artikel 7.3.2 Hinder
- Artikel 7.4.1 Preventie
- Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
- Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
- Artikel 8.1.1 Sloopvergunning
- Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
- Artikel 8.1.3 In behandeling nemen
- Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
- Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning
- Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning
- Artikel 8.2.1 Sloopmelding
- Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
- Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
- Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
- Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
- Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
- Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
- Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
- Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
- Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
- Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur
- Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
- Artikel 9.5 Termijn van advisering
- Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
- Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat
- Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
- Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
- Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
- Artikel 10.4 Overdragen mededeling
- Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
- Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
- Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw
- Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
- Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen
- Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
- Artikel 12.1 Strafbare feiten
- Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
- Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
- Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
- Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
- Artikel 12.6 Slotbepaling
- Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een
- Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit
Bouwverordening van de gemeente Dongen 20091 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;
Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet; bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste lid van de Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit; hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; straatpeil: a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
Artikel 1.2Termijnen
(vervallen)
Artikel 1.3Indeling van het gebied van de gemeente
Alternatief 1 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a het gebied binnen de bebouwde kom; b het gebied buiten de bebouwde kom.
2 De aanvraag bouwvergunning
Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
Artikel 2.1.1Aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
Artikel 2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens
(vervallen)
Artikel 2.1.3Aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
Artikel 2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van
vergunningaanvragen (vervallen)
Artikel 2.1.5Bodemonderzoek
1Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); b de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. c Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
2De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.
3 Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
4 Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.
5 Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
aanvraag om bouwvergunning (vervallen)
Artikel 2.1.7Bouwregistratie
(vervallen)
Artikel 2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)
Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikel 2.2.1Ontvangst van de aanvraag
(vervallen)
Artikel 2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
(vervallen)
Artikel 2.2.3Bekendmaking van termijnen
(vervallen)
Artikel 2.2.4In behandeling nemen en fasering
bouwvergunningverlening (vervallen)
Artikel 2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel 2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende
bouwvergunning In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt aangegeven: a de naam van de aanvrager; b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk; c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt; d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht.
Paragraaf 3 Welstandstoetsing
Artikel 2.3.1Welstandscriteria
(vervallen)
Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
bodem
Artikel 2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde
bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en c 1 dat de grond raakt, of 2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel 2.4.2Voorwaarden bouwvergunning
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
bereikbaarheidseisen
Artikel 2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)
Artikel 2.5.2Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 1.Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer.
Artikel 2.5.3A Brandweeringang
1 Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang aangewezen.
2 Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor
gehandicapten 1. Tussen de toegang van enerzijds: a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
Artikel 2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is: a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
Artikel 2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de
voorgevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel 2.5.7Toegelaten overschrijding van de
voorgevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; b andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.
Artikel 2.5.8Ontheffing voor overschrijdingen van de
voorgevelrooilijn 1. Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor: a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.
4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;
2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.
Artikel 2.5.9Bouwen op de weg
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg van: a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken; b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken; c vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel 2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken 1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.
Artikel 2.5.11Ligging achtergevelrooilijn
Artikel 2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de
achtergevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.13Toegelaten overschrijding van de
achtergevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken; d onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken; e andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplichtige bouwwerken, te weten:
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
2 terrassen, bordessen en bordestreden; f antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningsplictige bouwwerken.
Artikel 2.5.14Ontheffing voor overschrijdingen van de
achtergevelrooilijn Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b binnen de bebouwde kom gelegen kassen; c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; f bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken; g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken; k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen
3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in: a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;
2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;
3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.
Artikel 2.5.16Erf bij overige gebouwen
Artikel 2.5.17Ruimte tussen bouwwerken
Artikel 2.5.18Erf- en terreinafscheidingen
Artikel 2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
en ondergrondse hoofdtransportleidingen 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.
Artikel 2.5.20Toegelaten hoogte in de
voorgevelrooilijn Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
Artikel 2.5.21Toegelaten hoogte in de
achtergevelrooilijn Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.
Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.
Artikel 2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
achtergevelrooilijn 1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.
Artikel 2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en
achtergevelrooilijnen Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: a 45 graden in de bebouwde kom; b 37 graden buiten de bebouwde kom.
Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van
bouwwerken Alternatief 1 1. De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen dan 15 meter.
Artikel 2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
grenzende terreinen 1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.
2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.
Artikel 2.5.26Wijze van meten van de hoogte van
bouwwerken 1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.
Artikel 2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
bouwhoogte Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel 2.5.28Ontheffing voor overschrijdingen van de
toegelaten bouwhoogte Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van: a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat; c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d agrarische bedrijfsgebouwen; e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, en indien:
1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;
2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken; g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; j draagconstructies voor een reclame; k vrijstaande schoorstenen; l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.29Ontheffing voor overschrijding van de
rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid 1. In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.
Artikel 2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en
losmogelijkheden bij of in gebouwen Alternatief 2 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen Vervallen (in verband met inwerkingtreding van “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”).
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 2.7.2Eis tot aansluiting aan het
elektriciteitsnet De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor bejaarden.
Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke
voorziening voor verwarming Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening: a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of b inidien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.1.
Artikel 2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare
riolering Alternatief 2 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool.
Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.
Artikel 2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare
riolering Alternatief 2 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden; d leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de
buitenriolering op erven en terreinen 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
2.De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.
4.Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.
Artikel 2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
3 De melding Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)
Artikel 3.2Welstandscriteria
(vervallen) 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel 4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt; b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Artikel 4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige
bescheiden Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a de bouwvergunning; b andere vergunningen en ontheffingen; c het bouwveiligheidsplan; d een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel 4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
(vervallen)
Artikel 4.4Het uitzetten van de bouw
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
Artikel 4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
(onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 1. Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.
Artikel 4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
onderzoekingen Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.
Artikel 4.7Bemalen van bouwputten
Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel 4.8Veiligheid op het bouwterrein
Artikel 4.9Afscheiding van het bouwterrein
Artikel 4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
hinder 1. Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.
4.Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.
Artikel 4.11Bouwafval
Artikel 4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de
bouwwerkzaamheden 1. Van het gereedkomen a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil; b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde werkzaamhedenin kennis worden gesteld.
Artikel 4.13Melden van werken bij lage temperaturen
Artikel 4.14Verbod tot ingebruikneming
(vervallen) 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
Artikel 5.1.1Staat van onderhoud van open erven en
terreinen 1. Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.
Artikel 5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
Artikel 5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor
gehandicapten 1. Tussen de toegang van enerzijds: a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen
Artikel 5.2.1Voorschriften inzake
brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen)
Artikel 5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties
in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)
Artikel 5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in kantoorgebouwen (vervallen)
Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel 5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 5.3.2Eis tot aansluiting aan het
elektriciteitsnet De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Niet van toepassing is voorgaande eis op: a woningen voor bejaarden; b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; c woningen die niet worden verhuurd; d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
Artikel 5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare
riolering 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.
Artikel 5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare
riolering Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de
buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen
van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Reinheid.
Artikel 5.4.1Preventie
Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
6 Brandveilig gebruik Vervallen (in verband met inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”.
7 Overige gebruiksbepalingen
Paragraaf 1 Overbevolking
Artikel 7.1.1Overbevolking van woningen
Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
Artikel 7.1.2Overbevolking van woonwagens en
woonketen Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
Paragraaf 2 Staken van het gebruik
Artikel 7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a bouwvalligheid van het bouwwerk; b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel 7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel 7.2.3Staken van het gebruik van een
woonwagen Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
terreinen
Artikel 7.3.1(vervallen)
Artikel 7.3.2Hinder
Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor: a overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; b op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; c instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Reinheid
Artikel 7.4.1Preventie
Paragraaf 5 Watergebruik
Artikel 7.5.1Verboden gebruik van water
Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf 6 Installaties
Artikel 7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties
Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
8 Slopen
Paragraaf 1 Sloopvergunning
Artikel 8.1.1Sloopvergunning
Artikel 8.1.2Aanvraag sloopvergunning
Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is gewaarmerkt; e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt; f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd; g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk; h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing: i het sloopveiligheidsplan.
Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.
Artikel 8.1.3In behandeling nemen
Artikel 8.1.4Termijn van beslissing
Artikel 8.1.5Samenloop van slopen en bouwen
Artikel 8.1.6Weigeren sloopvergunning
Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend; e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.
Artikel 8.1.7Intrekking sloopvergunning
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
sloopvergunning
Artikel 8.2.1Sloopmelding
Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.
Artikel 8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van
sloopvergunning In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: a geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; b verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; c rem- frictiematerialen; d pakkingen uit verbrandingsmotoren; e pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.
Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel 8.3.1Veiligheid op sloopterrein
Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
Artikel 8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige
bescheiden Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.
Artikel 8.3.3Plichten van de houder van de
sloopvergunning De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.
De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.
De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.
De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
Artikel 8.3.4Plichten van degene die sloopt
1 Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.
2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.
Artikel 8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
asbest 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.
Artikel 8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van
tuinbouwkassen (vervallen)
Paragraaf 4 Vrij slopen
Artikel 8.4.1Sloopafval algemeen
9 Welstand Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie Alternatief 1 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Gemeenschappelijke regeling Welstandszorg Noord-Brabant die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.
Artikel 9.2Samenstelling van de welstandscommissie
Alternatief 4 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Artikel 9.3Benoeming en zittingsduur
3.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.
Artikel 9.4Jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten.
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 9.5Termijn van advisering
Artikel 9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
toelichting De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.
Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.
In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.
Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college van burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht is toegekend.
Artikel 9.7Afdoening bij mandaat
Alternatief 2 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
3.Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
Artikel 9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
Artikel 9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
standplaatsen 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: a op het voornemen inspraak is verleend; b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.
10 Overige administratieve bepalingen Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.
Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)
Artikel 10.3Overdragen vergunningen
Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 van deze verordening, dan wel de gebruiksvergunning of de gebruiksmelding als bedoeld in de artikelen 2.11.1 en 2.12.1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.
Artikel 10.4Overdragen mededeling
(vervallen)
Artikel 10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)
Artikel 10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en
andere voorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
11 Handhaving
Artikel 11.1Stilleggen van de bouw
(vervallen)
Artikel 11.2Overtreding van het verbod tot
ingebruikneming (vervallen)
Artikel 11.3Stilleggen van het slopen
(vervallen)
Artikel 11.4Onderzoek naar een gebrek
(vervallen) 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1Strafbare feiten
(vervallen)
Artikel 12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek
Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.
Artikel 12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
Artikel 12.4Overgangsbepaling (aanvragen om)
gebruiksvergunning (vervallen)
Artikel 12.5Overgangsbepaling sloopmelding
(vervallen)
Artikel 12.6Slotbepaling
Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen) Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Vervallen (in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”).
Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Vervallen (in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”).
Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties Vervallen (in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”).
Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen Vervallen (in verband met de inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik bouwwerken”).
Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen vervallen Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979); b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979); c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen’; d NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig); e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig); f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’ (Engelstalig); g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden’ (Engelstalig).
Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest vervallen Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie Welstandszorg Noord-Brabant Reglement op de gemeentelijke welstandsadviseringCommissie met 2 leden ingaande 1 januari 2008 Inhoud Begripsbepalingen Onafhankelijkheid Samenstelling en benoeming van de commissie 3.1 Samenstelling 3.2 Benoeming en zittingsduur Taakomschrijving 4.1 Taken van de commissie 4.1.1 Wettelijke taken 4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken 4.2 Taakomschrijving commissieleden 4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie 4.2.2 Verdere taken van de rayonarchitect 4.2.3 Taken extern architectlid 4.2.4 Taken externe deskundigen 4.2.5 Taken secretaris Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht Werkwijze van de commissie 6.1 Vooroverleg 6.2 Openbare vergadering van de commissie 6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda 6.2.2 Toelichting opdrachtgever/ontwerper – spreekrecht 6.3 Het advies Afwijking van het advies / second opinion Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota Excessenregeling Tarieven advisering Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering 1. Begripsbepalingen het college : het college van burgemeester en wethouders de commissie : de gemeentelijke welstandscommissie de secretaris : de door het college aangewezen ambtenaar, die de commissie bijstaat WzNB : Welstandszorg Noord-Brabant reglement : het Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering 2. Onafhankelijkheid De gemeenteraad wijst WzNB aan als welstandscommissie, die aan het college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.
De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.
De rayonarchitect zit de commissie voor.
De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw, architectuurhistorie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur, etc. Voor zover hier kosten aan zijn verbonden, zullen deze alleen worden vergoed, nadat tevoren toestemming is verleend door de gemeente.
Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld, nemen de in lid 3 genoemde deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht.
De commissie kan slechts adviezen uitbrengen als beide leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn.
3.2 Benoeming en zittingsduur De gemeenteraad mandateert WzNB om de leden van de commissie te benoemen en ontslaan.
WzNB legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden en hun plaatsvervangers. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de gemeente en WzNB.
De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar.
Bij afwezigheid van het extern architectlid en/of de rayonarchitect treden plaatsvervangers op in de commissievergadering.
De rayonarchitect, het extern architectlid en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.
De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.
4.1.1 Wettelijke taken Toetsing van regulier vergunningplichtige bouwwerkenDe welstandscommissie adviseert het college over de welstandsaspecten van reguliere aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet.
Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerkenDe gemeente handelt de licht-vergunningplichtige adviesaanvragen, als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet, zelf af. Ingeval een dergelijke aanvraag niet voldoet aan de betreffende welstandscriteria, zal de aanvraag, met verwijzing naar de gemeentelijke bouwverordening, alsnog door de commissie worden behandeld.
Jaarverslag commissieDe commissie legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste één maal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.
4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken De gemeente kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van de gemeente en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen.
De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van: a) excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn; b) de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV).
Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld: desgewenst zal de commissie tijd inruimen voor een vast inloopspreekuur. Belanghebbenden kunnen daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve van de voorbereiding van bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden door de secretaris gemaakt. Overigens wordt het spreekuur gestructureerd naar analogie van het bepaalde in artikel 6.2; - de herziening van de welstandsnota; - het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen op zienswijzen, bezwaarschriften etc. De in dit derde lid genoemde taken worden als maatwerk beschouwd en zullen afzonderlijk in rekening worden gebracht.
4.2 Taakomschrijving commissieleden 4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. De rayonarchitect ziet erop toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.
Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op als gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven.
Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de rayonarchitect een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.
De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle aanwezigen een korte en heldere samenvatting.
Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de rayonarchitect namens de commissie naar buiten.
De rayonarchitect houdt met het medelid van zijn commissie een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad.
4.2.2Verdere taken van de rayonarchitect Hij onderhoudt de contacten met het gemeentebestuur en de relevante gemeentelijke diensten.
Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel 5 genoemde bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor behandeling in de commissie aan.
De rayonarchitect legt de conclusie over een bouwplan vast in een schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een motivering.
De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur indien dat in de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte afspraken vast.
4.2.3 Taken extern architectlid Het extern architectlid geeft op basis van zijn deskundigheid een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen.
Wanneer hij een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, wordt hij voor de betreffende vergadering vervangen.
Het extern architectlid overlegt tijdens de vergadering met aanvragers, architecten en andere ontwerpers en hoort eventuele belanghebbenden.
Hij tekent de in 6.3 bedoelde adviezen voor akkoord.
4.2.4 Taken externe deskundigen De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen.
4.2.5 Taken secretaris De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de commissie van de benodigde bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is/zijn: a. de gemeentelijke welstandsnota; b. de bestemmingsplanbepalingen; c. de beeldkwaliteitsplannen; d. luchtfoto’s (indien mogelijk); e. het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling; f. informatie over eerdere behandeling(en) van het plan; g. vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld.
De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de rayonarchitect, de agenda voor de vergadering vast.
Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de agenda van de vergaderingen van de commissie.
De secretaris heeft geen stemrecht.
De ambtenaar BWT controleert of plannen (inclusief de plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningsvereisten als genoemd in het “Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning”.
Onder ‘Gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria’ zijn hier als vereiste bescheiden aangegeven: - tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de belendende bebouwing; - detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; - foto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; - opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie). Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling zijn: - bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en doorsnedes; - een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de belendingen en de inrichting van het bouwterrein; - een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat.
De gegevens en bescheiden worden via de digitale database tevoren aan de rayonarchitect aangeleverd.
Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen.
Het vooroverleg vindt bij uitzondering in beslotenheid plaats.
6.2Openbare vergadering van de commissie 6.2.1Locatie, jaarrooster en agenda De commissie vergadert wekelijks op een vaste locatie, een vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast te stellen rooster.
De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het jaarrooster.
Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college, geschikte wijze.
De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college, geschikte wijze.
De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het advies.
6.2.2Toelichting opdrachtgever / ontwerper – spreekrecht De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie) in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld, dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.
6.3 Het advies De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid (welstandsnota).
De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt vermeden.
Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten.
Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben:
Voldoet:De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk.
Voldoet mits (voldoet niet tenzij):De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen.
Voldoet niet:De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat indien het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt