Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 (Waterschap Aa en Maas)

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet regelt de voorwaarden voor wateractiviteiten en het beheer van waterstaatswerken binnen het gebied van waterschap Aa en Maas, met als doel overstromingen, wateroverlast en waterschaarste te voorkomen en de waterkwaliteit te beschermen.

Voor wie: Iedereen die een wateractiviteit verricht of van plan is te verrichten; Eigenaren van gronden waarop wateractiviteiten worden verricht, en in sommige gevallen ook beperkt zakelijk gerechtigden of gebruikers.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
348
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De beoordeling en verlening van omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten.
  • De mogelijkheid tot wijziging of intrekking van verleende omgevingsvergunningen.
  • De begrenzing van beperkingengebieden rondom waterstaatswerken.
  • Algemene beheerverplichtingen en een specifieke zorgplicht voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die een wateractiviteit verricht of van plan is te verrichten.
  • Eigenaren van gronden waarop wateractiviteiten worden verricht, en in sommige gevallen ook beperkt zakelijk gerechtigden of gebruikers.

Wat zijn de kernpunten?

  • Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het voorkomen van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, en het beschermen van de waterkwaliteit.
  • Het verlenen van een omgevingsvergunning mag niet leiden tot het niet voldoen aan omgevingswaarden of het niet bereiken van doelstellingen voor waterkwaliteit, zoals een goed ecologisch potentieel.
  • De geometrische begrenzingen van beperkingengebieden rondom waterstaatswerken zijn vastgelegd in bijlage III van deze verordening.
  • Degene die een activiteit verricht die nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, moet alle redelijke maatregelen nemen om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (348)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 1.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
  3. Artikel 1.3 Wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning
  4. Artikel 1.4 Begrenzing waterstaatswerken
  5. Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn
  6. Artikel 1.6 Begrenzing beperkingengebied buiten beheergebied
  7. Artikel 1.7 Normadressaat
  8. Artikel 1.8 Specie en maaiselberging
  9. Artikel 1.9 Bediening ondersteunende kunstwerken
  10. Artikel 1.10 Specifieke zorgplicht
  11. Artikel 1.11 Maatwerkvoorschriften over de specifieke zorgplicht
  12. Artikel 1.12 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting
  13. Artikel 1.13 Uitzondering waterschapstaken
  14. Artikel 1.14 Uitzondering beheeractiviteiten
  15. Artikel 1.15 Aanwijzing bijzondere omstandigheden
  16. Artikel 1.16 Algeheel verbod bij calamiteiten
  17. Artikel 2.1 Toepassingsbereik
  18. Artikel 2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  19. Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit
  20. Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit wate
  21. Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten
  22. Artikel 2.6 Toepassingsbereik
  23. Artikel 2.7 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  24. Artikel 2.8 Aanwijzing algemene regels
  25. Artikel 2.9 Waterafvoer
  26. Artikel 2.10 Staat en herstel
  27. Artikel 2.11 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  28. Artikel 2.12 Toepassingsbereik
  29. Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  30. Artikel 2.14 Aanwijzing algemene regels
  31. Artikel 2.15 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds bij verwijdering
  32. Artikel 2.16 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en oevers bij aanleg of behoud
  33. Artikel 2.17 Meldingsplicht
  34. Artikel 2.18 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  35. Artikel 2.19 Toepassingsbereik
  36. Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  37. Artikel 2.21 Aanwijzing algemene regels
  38. Artikel 2.22 Bescherming van het watersysteem
  39. Artikel 2.23 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  40. Artikel 2.24 Toepassingsbereik
  41. Artikel 2.25 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  42. Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  43. Artikel 2.27 Meldingsplicht
  44. Artikel 2.28 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds
  45. Artikel 2.29 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  46. Artikel 2.30 Toepassingsbereik
  47. Artikel 2.31 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  48. Artikel 2.32 Aanwijzing algemene regels
  49. Artikel 2.33 Water over de stuw
  50. Artikel 2.34 Toepassingsbereik
  51. Artikel 2.35 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  52. Artikel 2.36 Aanwijzing algemene regels
  53. Artikel 2.37 Meldingsplicht
  54. Artikel 2.38 Onderhoud en bescherming oppervlaktewaterlichaam
  55. Artikel 2.39 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  56. Artikel 2.40 Toepassingsbereik
  57. Artikel 2.41 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  58. Artikel 2.42 Aanwijzing algemene regels
  59. Artikel 2.43 Herstel na uitvoering werkzaamheden
  60. Artikel 2.44 Draagkracht
  61. Artikel 2.45 Waterafvoer
  62. Artikel 2.46 Gestuurde persing of boring
  63. Artikel 2.47 Overlengte
  64. Artikel 2.48 Toepassingsbereik
  65. Artikel 2.49 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  66. Artikel 2.50 De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam
  67. Artikel 2.51 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  68. Artikel 2.52 Toepassingsbereik
  69. Artikel 2.53 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  70. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
  71. Artikel 2.55 Profiel van het oppervlaktewaterlichaam
  72. Artikel 2.56 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  73. Artikel 2.57 Toepassingsbereik
  74. Artikel 2.58 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  75. Artikel 2.59 Aanwijzing algemene regels
  76. Artikel 2.60 Aan- en afvoer van water en onderhoud
  77. Artikel 2.61 Toepassingsbereik
  78. Artikel 2.62 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  79. Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels
  80. Artikel 2.64 Geen beschadiging watergang en talud
  81. Artikel 2.65 Toepassingsbereik
  82. Artikel 2.66 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  83. Artikel 2.67 Aanwijzing algemene regels
  84. Artikel 2.68 Constructie van de afrastering
  85. Artikel 2.69 Onderhoud oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  86. Artikel 2.70 Herstel na verwijdering
  87. Artikel 2.71 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  88. Artikel 2.72 Toepassingsbereik
  89. Artikel 2.73 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  90. Artikel 2.74 Aanwijzing algemene regels
  91. Artikel 2.75 Onderhoud
  92. Artikel 2.76 Schadelijke begroeiing en afval
  93. Artikel 2.77 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  94. Artikel 2.78 Toepassingsbereik
  95. Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  96. Artikel 2.80 Aanwijzing algemene regels
  97. Artikel 2.81 Plaatsing van het bord
  98. Artikel 2.82 Schadelijke begroeiing en afval
  99. Artikel 2.83 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte
  100. Artikel 2.84 Toepassingsbereik
  101. Artikel 2.85 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  102. Artikel 2.86 Aanwijzing algemene regels
  103. Artikel 2.87 Bescherming talud
  104. Artikel 2.88 Onderhoud
  105. Artikel 2.89 Toepassingsbereik
  106. Artikel 2.90 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  107. Artikel 2.91 Aanwijzing algemene regels
  108. Artikel 2.92 Natte profiel van de watergang
  109. Artikel 2.93 Toepassingsbereik
  110. Artikel 2.94 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  111. Artikel 2.95 Aanwijzing algemene regels
  112. Artikel 2.96 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  113. Artikel 2.97 Herstel na verwijdering
  114. Artikel 2.98
  115. Artikel 2.99 Toepassingsbereik
  116. Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  117. Artikel 2.101 Aanwijzing algemene regels
  118. Artikel 2.102 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  119. Artikel 2.103 Toepassingsbereik
  120. Artikel 2.104 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  121. Artikel 2.105 Toepassingsbereik
  122. Artikel 2.106 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  123. Artikel 2.107 Aanwijzing algemene regels
  124. Artikel 2.108 Meldingsplicht
  125. Artikel 2.109 Bescherming oppervlaktewaterlichaam
  126. Artikel 2.110 Verwijdering
  127. Artikel 2.111 Maatwerkvoorschriften
  128. Artikel 2.112 Toepassingsbereik
  129. Artikel 2.113 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  130. Artikel 2.114 Aanwijzing algemene regels
  131. Artikel 2.115 Meldingsplicht
  132. Artikel 2.116 Herstel na uitvoering
  133. Artikel 2.117 Bescherming watersysteem
  134. Artikel 2.118 Maatwerkvoorschriften
  135. Artikel 2.119 Toepassingsbereik
  136. Artikel 2.120 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  137. Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels
  138. Artikel 2.122 Verwijdering van het werk
  139. Artikel 2.123 Toepassingsbereik
  140. Artikel 2.124 Oogmerken
  141. Artikel 2.125 Normadressaat
  142. Artikel 2.126 Specifieke zorgplicht
  143. Artikel 2.127 Maatwerkvoorschriften
  144. Artikel 2.128 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  145. Artikel 2.129 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  146. Artikel 2.130 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het wa
  147. Artikel 2.131 Informeren over een ongewoon voorval
  148. Artikel 2.132 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  149. Artikel 2.133 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  150. Artikel 2.134 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  151. Artikel 2.135 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
  152. Artikel 2.136 Toepassingsbereik
  153. Artikel 2.137 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  154. Artikel 2.138 Aanwijzing algemene regels
  155. Artikel 2.139 Meldingsplicht
  156. Artikel 2.140 Capaciteit en overlast
  157. Artikel 2.141 De bergingsvoorziening
  158. Artikel 2.142 Maatwerkvoorschriften
  159. Artikel 2.143 Lozen van grondwater bij saneringen
  160. Artikel 2.144 Lozen van grondwater bij ontwatering
  161. Artikel 2.145 Meet- en rekenbepalingen
  162. Artikel 2.146 Gegevens en bescheiden
  163. Artikel 2.147 Lozen van afvloeiend hemelwater
  164. Artikel 2.148 Gegevens en bescheiden
  165. Artikel 2.149 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  166. Artikel 2.150 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  167. Artikel 2.151 Meet- en rekenbepalingen
  168. Artikel 2.152 Gegevens en bescheiden
  169. Artikel 2.153 Koelwater
  170. Artikel 2.154 Gegevens en bescheiden
  171. Artikel 2.155 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen
  172. Artikel 2.156 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  173. Artikel 2.157 Werkinstructie bij bouwen en slopen
  174. Artikel 2.158 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
  175. Artikel 2.159 Meet- en rekenbepalingen
  176. Artikel 2.160 Gegevens en bescheiden
  177. Artikel 2.161 Inerte goederen
  178. Artikel 2.162 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  179. Artikel 2.163 Lozen bij overslaan van inerte goederen
  180. Artikel 2.164 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  181. Artikel 2.165 Meet- en rekenbepalingen
  182. Artikel 2.166 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  183. Artikel 2.167 Gegevens en bescheiden
  184. Artikel 2.168 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels
  185. Artikel 2.169 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  186. Artikel 2.170 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden
  187. Artikel 2.171 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
  188. Artikel 2.172 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder
  189. Artikel 2.173 Lozen van algen en bacteriën
  190. Artikel 2.174 Gegevens en bescheiden
  191. Artikel 2.175 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
  192. Artikel 2.176 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  193. Artikel 2.177 Gegevens en bescheiden
  194. Artikel 2.178 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
  195. Artikel 2.179 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  196. Artikel 2.180 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  197. Artikel 2.181 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
  198. Artikel 2.182 Lozen bij ontijzeren grondwater
  199. Artikel 2.183 Meet- en rekenbepalingen
  200. Artikel 2.184 Gegevens en bescheiden
  201. Artikel 2.185 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute
  202. Artikel 2.186 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving
  203. Artikel 2.187 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  204. Artikel 2.188 Gegevens en bescheiden
  205. Artikel 2.189 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
  206. Artikel 2.190 Gegevens en bescheiden
  207. Artikel 2.191 Lozen van spoelwater
  208. Artikel 2.192 Asverstrooiing
  209. Artikel 2.193 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  210. Artikel 2.194 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  211. Artikel 3.1 Toepassingsbereik
  212. Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  213. Artikel 3.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit wate
  214. Artikel 3.4
  215. Artikel 3.5 Toepassingsbereik
  216. Artikel 3.6 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  217. Artikel 3.7 Aanwijzing algemene regels
  218. Artikel 3.8 Meldingsplicht
  219. Artikel 3.9 Afdichten van paalgaten
  220. Artikel 3.10 Periode van uitvoering
  221. Artikel 3.11 Toepassingsbereik
  222. Artikel 3.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  223. Artikel 3.13 Aanwijzing algemene regels
  224. Artikel 3.14 Graafwerkzaamheden
  225. Artikel 3.15 Toepassingsbereik
  226. Artikel 3.16 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  227. Artikel 3.17 Aanwijzing algemene regels
  228. Artikel 3.18 Meldingsplicht
  229. Artikel 3.19 Plaatsing van het bouwwerk
  230. Artikel 3.20 Verwijdering van het bouwwerk
  231. Artikel 3.21 Toepassingsbereik
  232. Artikel 3.22 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  233. Artikel 3.23 Aanwijzing algemene regels
  234. Artikel 3.24 Verwijdering van schapen of geiten
  235. Artikel 3.25 Verwijdering van de dieren
  236. Artikel 3.26 Toepassingsbereik
  237. Artikel 3.27 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  238. Artikel 3.28 Aanwijzing algemene regels
  239. Artikel 3.29 Meldingsplicht
  240. Artikel 3.30 Constructie
  241. Artikel 3.31 Onderhoud
  242. Artikel 3.32 Afdichten paalgaten
  243. Artikel 3.33 Toepassingsbereik
  244. Artikel 3.34 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  245. Artikel 3.35 Aanwijzing algemene regels
  246. Artikel 3.36 Onderhoud aan de waterkering
  247. Artikel 3.37 Het planten van nieuwe bomen of struiken
  248. Artikel 3.38 Toepassingsbereik
  249. Artikel 3.39 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  250. Artikel 3.40 Aanwijzing algemene regels
  251. Artikel 3.41 Meldingsplicht
  252. Artikel 3.42 Snoeien
  253. Artikel 3.43 Geen schade
  254. Artikel 3.44 Uitfrezen
  255. Artikel 3.45 Kleigrond inbrengen
  256. Artikel 3.46 Bedekken wortelgaten
  257. Artikel 3.47 Seizoen voor werkzaamheden
  258. Artikel 3.48 Toepassingsbereik
  259. Artikel 3.49 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  260. Artikel 3.50 Aanwijzing algemene regels
  261. Artikel 3.51 Toegestane werkzaamheden
  262. Artikel 3.52 Aanvullen bij verwijdering
  263. Artikel 3.53 Toepassingsbereik
  264. Artikel 3.54 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  265. Artikel 3.55 Aanwijzing algemene regels
  266. Artikel 3.56 Meldingsplicht
  267. Artikel 3.57 Bescherming omgeving kabel en leiding
  268. Artikel 3.58 Maatwerkvoorschriften
  269. Artikel 3.59 Toepassingsbereik
  270. Artikel 3.60 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  271. Artikel 3.61 Toepassingsbereik
  272. Artikel 3.62 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  273. Artikel 3.63 Aanwijzing algemene regels
  274. Artikel 3.64 Meldingsplicht
  275. Artikel 3.65 Herstel waterdichtheid
  276. Artikel 3.66 Geen werkzaamheden bij verhoogde waterspanning
  277. Artikel 3.67 Maatwerkvoorschriften
  278. Artikel 3.68 Toepassingsbereik
  279. Artikel 3.69 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  280. Artikel 3.70 Aanwijzing algemene regels
  281. Artikel 3.71 Meldingsplicht
  282. Artikel 3.72 Herstel na werkzaamheden
  283. Artikel 3.73 Onderhoud
  284. Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  285. Artikel 4.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  286. Artikel 5.1 Toepassingsbereik
  287. Artikel 5.2 Vergunningplichtige gevallen
  288. Artikel 5.3 Informatieplicht beëindiging vergunningplichtige onttrekkingen en infi
  289. Artikel 5.4 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten
  290. Artikel 5.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten
  291. Artikel 5.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
  292. Artikel 5.7 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water
  293. Artikel 5.8 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
  294. Artikel 5.9 Toepassingsbereik
  295. Artikel 5.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  296. Artikel 5.11 Aanwijzing algemene regels
  297. Artikel 5.12 Onderhoud
  298. Artikel 5.13 Bescherming oppervlaktewaterlichaam
  299. Artikel 5.14 Toepassingsbereik
  300. Artikel 5.15 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  301. Artikel 5.16 Aanwijzing algemene regels
  302. Artikel 5.17 Meldingsplicht
  303. Artikel 5.18 Meldingsplicht booractiviteit
  304. Artikel 5.19 Informatieplicht boring en afdichting
  305. Artikel 5.20 Bescherming grondwater
  306. Artikel 5.21 Hoeveelheid van de onttrekking
  307. Artikel 5.22 Afdichten put
  308. Artikel 5.23 Toepassingsbereik
  309. Artikel 5.24 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  310. Artikel 5.25 Aanwijzing algemene regels
  311. Artikel 5.26 Meldingsplicht
  312. Artikel 5.27 Meldingsplicht booractiviteit
  313. Artikel 5.28 Informatieplicht boring en afdichting
  314. Artikel 5.29 Bescherming grondwater
  315. Artikel 5.30 Hoeveelheid van de onttrekking
  316. Artikel 5.31 Afdichten put
  317. Artikel 5.32 Toepassingsbereik
  318. Artikel 5.33 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  319. Artikel 5.34 Aanwijzing algemene regels
  320. Artikel 5.35 Meldingsplicht booractiviteit
  321. Artikel 5.36 Informatieplicht boring en afdichting
  322. Artikel 5.37 Hoeveelheid van de onttrekking
  323. Artikel 5.38 Afdichten put
  324. Artikel 5.39 Toepassingsbereik
  325. Artikel 5.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  326. Artikel 5.41 Aanwijzing algemene regels
  327. Artikel 5.42 Bescherming grondwater
  328. Artikel 5.43 Hoeveelheid van de onttrekking
  329. Artikel 5.44 Afdichten put
  330. Artikel 5.45 Toepassingsbereik
  331. Artikel 5.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  332. Artikel 5.47 Aanwijzing algemene regels
  333. Artikel 5.48 Bescherming grondwater
  334. Artikel 5.49 Hoeveelheid van de onttrekking
  335. Artikel 5.50 Afdichten put
  336. Artikel 5.51 Toepassingsbereik
  337. Artikel 5.52 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  338. Artikel 5.53 Aanwijzing algemene regels
  339. Artikel 5.54 Hoeveelheid van de onttrekking
  340. Artikel 5.55 Afdichten put
  341. Artikel 6.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen
  342. Artikel 6.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften
  343. Artikel 6.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
  344. Artikel 6.4 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordeni
  345. Artikel 6.5 Overgangsrecht duikers en bruggen
  346. Artikel 6.6 Overgangsrecht bouwwerken
  347. Artikel 6.7 Overgangsrecht overige obstakels
  348. Artikel 6.8 Citeertitel

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703373 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0654/2023/Regelinge25ca3fab82c444e9002517a82edb2bd /join/id/stop/work_019 2026-06-10 2026-06-10 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR703373/nld@2026-06-11 /join/id/proces/ws0654/2023/procedure8801c2a7266b45668c2ca2ff02f021d4 /join/id/proces/ws0654/2024/procedure0cbbab511ecb4851a56d63231bdc97b4 /join/id/proces/ws0654/2024/procedure7518ea4338684fbdad129c12f93ddb23 /join/id/proces/ws0654/2025/procedure686cf5a7ba0d4d32a5e79b145b8d80e7 2026-06-11 2026-06-11 /akn/nl/act/ws0654/2023/Regelinge25ca3fab82c444e9002517a82edb2bd/nld@2026-06-09;08352142 /akn/nl/act/ws0654/2023/Regelinge25ca3fab82c444e9002517a82edb2bd /akn/nl/act/ws0654/2023/Regelinge25ca3fab82c444e9002517a82edb2bd/nld@2026-06-09;08352142 /join/id/stop/work_019 4 Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Begripsbepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2 tot en met 6 van deze waterschapsverordening.

2.

Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 1.2 en de hoofdstukken 2 tot en met 6 van deze waterschapsverordening.

Afdeling 1.2

Algemene bepalingen omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten

Artikel 1.2Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

1.

Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

2.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

3.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

4.

Het bestuur kan in afwijking van het derde lid een omgevingsvergunning verlenen als: a. de aanvraag betrekking heeft op:

1.nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2.wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

5.

Het verlenen van de omgevingsvergunning leidt er ook niet toe dat: a. de doelstelling van het ombuigen van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en b. de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

6.

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit wordt rekening gehouden met de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen die gelden na het uitvoeren van een vergunningplichtige grondwateronttrekking voor een grondwatersanering, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid.

7.

Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.

Artikel 1.3Wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning

1.

Het waterschap kan een door haar verleende omgevingsvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken: a. op verzoek van de vergunninghouder, voor zover de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordening zich hiertegen niet verzetten; b. indien zich omstandigheden of feiten voordoen waardoor de handeling(en) of activiteit(en) waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, niet langer toelaatbaar moet worden geacht met het oog op de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordening; c. indien een voor Nederland verbindend verdrag, besluit van een volkenrechtelijke organisatie of een wettelijk voorschrift daartoe verplicht.

2.in gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt niet tot intrekking overgegaan, voor zover kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Afdeling 1.3

Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 1.4Begrenzing waterstaatswerken

1.

De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage III bij deze verordening: a. beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam; b. beperkingengebied met betrekking tot een waterkering; c. a-water; d. b-water; e. primaire waterkering; f. regionale waterkering; g. compartimenteringskering; h. overige waterkering; i. beschermingszone bij een a-water; j. beschermingszone beperkt; k. beschermingszone A bij een waterkering; l. beschermingszone B bij een primaire waterkering; m. profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam; n. profiel van vrije ruimte bij een waterkering; en o. bergingsgebied.

2.

De geometrische begrenzingen van de gebieden met beschermende regels zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage III bij deze verordening: a. beschermd gebied; b. attentiegebied; c. invloedsgebied Natura 2000; d. wijstgebied.

Artikel 1.5Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

1.

Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger/waterschapsverordening, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning. Voor de ligging van de eventuele bijbehorende beschermingszones en/of profiel van vrije ruimte van het waterstaatswerk dat is aangelegd of gewijzigd, wordt uitgegaan van de begrenzing zoals aangegeven in de tabel bij lid 2.

2.

Voor waterstaatswerken en beperkingengebieden die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen: oppervlaktewaterlichaam de begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam wordt gevormd door de insteek beschermingszone bij een oppervlaktewaterlichaam met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde (a-water). de beschermingszone is aan weerszijden van het oppervlaktewaterlichaam 5 meter, gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en/of vanuit een ondersteunend kunstwerk dat zich voorbij de insteek bevindt. Daarnaast kan bij een talud van minimaal 1:8 de beschermingszone overlappen met het talud. waterkering de begrenzing van een waterkering wordt gevormd door de teen beschermingszone A bij een primaire waterkering beschermingszone A bij een primaire waterkering is aan weerszijden van de waterkering 30 meter, gemeten vanuit de teen beschermingszone B bij een primaire waterkering beschermingszone B bij een primaire waterkering is aan weerszijden van de waterkering vanaf 30 meter tot 50 meter, gemeten vanuit de teen beschermingszone A bij een regionale waterkering beschermingszone A bij een regionale waterkering is aan weerszijden van de waterkering 10 meter, gemeten vanuit de teen beschermingszone A bij een compartimenteringskering de beschermingszone A bij een compartimenteringskering is aan weerszijden van de waterkering 5 meter, gemeten vanuit de teen profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering het profiel van vrije ruimte ligt voor primaire waterkeringen 1 meter boven het in de legger opgenomen leggerprofiel van de waterkering en het maaiveld van beschermingszone A profiel van vrije ruimte bij een regionale waterkering het profiel van vrije ruimte ligt voor regionale waterkeringen 0,5 meter boven het in de legger opgenomen leggerprofiel van de waterkering en het maaiveld van beschermingszone A

Artikel 1.6Begrenzing beperkingengebied buiten beheergebied

Deze waterschapsverordening is mede van toepassing buiten het beheergebied van het waterschap, voor zover het gaat over beperkingengebieden met betrekking tot waterstaatswerken die in beheer zijn bij het waterschap.

Afdeling 1.4

Normadressaat

Artikel 1.7Normadressaat

1.

Aan deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en door de eigenaar van de gronden waarop de activiteit wordt verricht, tenzij anders bepaald. Zij dragen zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

2.

Wanneer gronden met een beperkt zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, wordt aan deze verordening ook voldaan door de beperkt zakelijk gerechtigde of de gebruiker.

Afdeling 1.5

Algemene beheerverplichtingen

Artikel 1.8Specie en maaiselberging

Aangelanden kunnen door of namens het bestuur verplicht worden de specie of het maaisel als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, van de wet op te ruimen of onder te werken.

Artikel 1.9Bediening ondersteunende kunstwerken

1.

De onderhoudsplichtigen van de in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen dragen zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuur terstond worden gesloten of geopend.

2.

De eigenaren en/of andere onderhoudsplichtigen van stuwen, zijn verplicht op eerste aanzegging door of namens het bestuur het bepaalde stuwpeil in te stellen en in stand te houden.

3.

De eigenaren en/of andere onderhoudsplichtigen van pompen en gemalen zijn verplicht op eerste aanzegging door of namens het bestuur deze buiten of in werking te stellen.

Afdeling 1.6

Specifieke zorgplicht

Artikel 1.10Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Als de nadelige gevolgen zijn veroorzaakt door een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

3.

Degene die een activiteit met nadelige gevolgen verricht, informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over die gevolgen en de maatregelen die diegene gaat treffen of heeft getroffen.

Artikel 1.11Maatwerkvoorschriften over de specifieke zorgplicht

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over artikel 1.10.

Afdeling 1.7

Melding en informatieverplichting algemeen

Artikel 1.12Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting

1.

Een melding of de verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

2.

Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.

3.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Afdeling 1.8

Uitzondering waterschapstaken

Artikel 1.13Uitzondering waterschapstaken

Voor handelingen door of vanwege het waterschap, gericht op de taken die aan het waterschap zijn toebedeeld door Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant, is geen omgevingsvergunning op grond van deze verordening vereist, indien daarvoor een projectbesluit is vastgesteld.

Afdeling 1.9

Uitzondering beheeractiviteiten

Artikel 1.14Uitzondering beheeractiviteiten

De hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van beheer, onderhoud en herstel inhoudende: a. maatregelen die geen wijziging van de normatieve toestand van een waterstaatswerk tot gevolg hebben; b. de aanleg en/of wijziging van bodem- en oeververdediging, mits er geen sprake is van een harde overgang tussen water en land; c. de aanleg en/of wijziging van een krooshek; d. het automatiseren van een stuw; e. het vervangen van een stuw, mits de afvoercapaciteit en waterpeil hierdoor niet wijzigen; f. het vervangen van een duiker waarbij de lengte en diameter gelijk blijft, mits de afvoercapaciteit en waterpeil hierdoor niet wijzigen.

Afdeling 1.10

Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.15Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn: a. waterschaarste en dreigende waterschaarste; b. overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; c. aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en d. het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan.

Artikel 1.16Algeheel verbod bij calamiteiten

1.

Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; en c. grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

2.

Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.

Hoofdstuk 2

Activiteiten bij oppervlaktewateren

Afdeling 2.1

Activiteiten bij oppervlaktewateren

Paragraaf 2.1.1

Algemeen

Artikel 2.1Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk.

3.

Deze paragraaf is ook van toepassing op het lozen van water in of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.2Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water: a. handelingen te verrichten; b. werken te behouden; of c. vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregulerend werk te verwijderen in een c-water binnen beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

4.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen.

5.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.3Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:

1.een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
2.een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
3.een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn;
4.gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en 5. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek.

Artikel 2.4Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 4.1 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

Artikel 2.5Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

Paragraaf 2.1.2

Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken

Artikel 2.6Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 2.7Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.8Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.9 en 2.10.

2.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.11, als: a. de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.9Waterafvoer

1.

De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk veroorzaakt geen belemmering van de waterafvoer.

2.

Binnen een straal van 0,5 meter rondom de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden afval en begroeiing die nadelige gevolgen heeft voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam verwijderd.

Artikel 2.10Staat en herstel

1.

De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk wordt direct verwijderd als deze niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeert.

2.

Na het verwijderen van de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam vloeiend afgewerkt en wordt de taludbegroeiing hersteld.

Artikel 2.11Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.3

Bruggen in of over een oppervlaktewater

Artikel 2.12Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van bruggen in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.13Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid geldt niet voor het verwijderen van een brug in een a-water of b-water, als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid geldt niet voor het aanleggen of behouden van een brug in een b-water, als de brug maximaal 15 meter breed is.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2 eerste lid geldt niet voor het behouden van een brug in een a-water of b-water, als onderhoud plaatsvindt aan de brug en/of het wegdek op de brug en de brug niet in vorm of afmeting wijzigt.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.14Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het verwijderen van een brug in een a-water wordt voldaan aan artikel 2.15 en 2.17 of als een brug wordt verwijderd uit een b-water wordt voldaan aan artikel 2.15 als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

2.

Bij het aanleggen of behouden van een brug in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.16 als de brug maximaal 15 meter breed is.

3.

Bij het plegen van onderhoud aan een brug en/of het wegdek op de brug in en a-water of b-water, wordt voldaan aan artikel 2.15 als de vorm of afmeting van de brug niet wijzigt.

4.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.18 als: a. de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.15Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds bij verwijdering

1.

Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.

2.

Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.

3.

Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld.

Artikel 2.16Bescherming oppervlaktewaterlichaam en oevers bij aanleg of behoud

1.

De pijlers van de brug worden niet in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst.

2.

De brughoofden tasten de stabiliteit van de oevers niet aan.

3.

De waterdoorvoer wordt niet belemmerd.

Artikel 2.17Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.18Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De brug wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.4

Stuwen en andere peilregulerende werken

Artikel 2.19Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van peilregulerende werken in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.20Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.21Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.22, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.

2.

Bij het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied wordt voldaan aan artikel 2.22, als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.

3.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.23, als: a. het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is: of b. het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.22Bescherming van het watersysteem

1.

Het watersysteem blijft binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit voldoen.

2.

Bij een hoge belasting van het watersysteem wordt de aan- en afvoer van water gewaarborgd.

Artikel 2.23Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

Het peilregulerend werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.5

Dam met duiker

Artikel 2.24Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een dam met duiker in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.25Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een a-water en een b-water, als de dam met duiker alleen voor eigen gebruik functioneert.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een b-water, of het aanleggen, verlengen en behouden van een dam met duiker voor perceelsontsluiting in een b-water, als: a. de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd; b. de buislengte maximaal 15 meter per perceelzijde bedraagt; c. de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt; d. de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter boven de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en e. de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, plaatsen of behouden van objecten op een dam met duiker in een b-water, als: a.

Het object de constructie van de duiker niet negatief beïnvloed, en; b. de afmetingen van de dam of duiker niet wijzigt.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen en behouden van een extra dam met duiker langs een perceelzijde in een b-water, als: a. het perceel over een lengte van meer dan 100 meter grenst aan de watergang; b. de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd; c. de buislengte maximaal 15 meter bedraagt; d. de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt; e. de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onder de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en f. de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

5.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.26Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het verwijderen van een dam met duiker in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.27 en 2.28 en bij het verwijderen van een dam met duiker in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.28.

2.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.29, als: a. de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.27Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.28Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds

1.

Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.

2.

Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.

3.

Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld.

Artikel 2.29Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De dam met duiker wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.6

Oppervlaktewater onttrekken

Artikel 2.30Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.31Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken.

Artikel 2.32Aanwijzing algemene regels

Bij het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.33.

Artikel 2.33Water over de stuw

Er moet benedenstrooms in een categorie a-water, water over de eerstvolgende stuw blijven lopen.

Paragraaf 2.1.7

Lozingsconstructies en onttrekkingswerken

Artikel 2.34Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van lozingsconstructies en onttrekkingswerken in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.35Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.36Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.37 en 2.38.

2.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.38.

3.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.39, als: a. de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.37Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.38Onderhoud en bescherming oppervlaktewaterlichaam

1.

Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd of onmogelijk gemaakt.

2.

Het (doorstroom)profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet aangetast.

3.

Als gebruik gemaakt wordt van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuis in een oppervlaktewaterlichaam, is aan het eerste en tweede lid in ieder geval voldaan, als: a. de uitmondingen van de (drainage)buizen zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden; b. het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de (drainage)buizen beschermd wordt door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten die minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden; c. (drainage)buizen worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang; en d. de onderhoudsstrook na het aanbrengen van het waterlozingspunt goed geëgaliseerd wordt en vrij wordt gemaakt van overige obstakels.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op werken voor het onttrekken van oppervlaktewater.

5.

Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming die: a. minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam reikt; b. bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig is; en c. in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening strekt.

6.

Binnen een straal van 0,5 meter rondom de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd.

Artikel 2.39Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De lozingsconstructie of het onttrekkingswerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.8

Kabels en leidingen

Artikel 2.40Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.41Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water, als de kabel of leiding: a. op 1 meter of meer uit de insteek wordt gelegd; en b. op een diepte van minimaal 1 meter onder de grond in de beschermingszone wordt gelegd.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water, als de kabel of leiding op een diepte wordt gelegd van minimaal: a.

2 meter onder de bodem van een watergang waar beschoeiing aanwezig is; b.

2,5 meter onder de bodem van een vaarweg; c.

1 meter onder de bodem van een watergang in andere gevallen; d.

1 meter onder het talud, gemeten haaks op het taludvlak; e.

1 meter onder de grond in de beschermingszone; en f.

1 meter onder een ondersteunend kunstwerk.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam; of b. de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.

5.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding onder of boven een b-water.

Artikel 2.42Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.44.

2.

Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43, 2.44 en 2.46.

3.

Bij het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.45.

4.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.44, als de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam.

5.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43, 2.44 en 2.47, als de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.

6.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding onder of boven een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.43 en 2.44.

Artikel 2.43Herstel na uitvoering werkzaamheden

Na het uitvoeren van de werkzaamheden worden de beschermingszone, het talud en de waterbodem zodanig hersteld dat: a. de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd; en b. het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.44Draagkracht

De kabel of leiding onder een beschermingszone heeft voldoende draagkracht om machines voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam te dragen.

Artikel 2.45Waterafvoer

Bij het verwijderen van een kabel of leiding wordt de waterafvoer ter plaatse te allen tijde gewaarborgd.

Artikel 2.46Gestuurde persing of boring

Een kruising haaks op de watergang wordt uitgevoerd door middel van een gestuurde persing of boring.

Artikel 2.47Overlengte

De kabel heeft een overlengte van 1 meter of meer, in de vorm van een lus.

Paragraaf 2.1.9

Beschoeiing

Artikel 2.48Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van beschoeiing in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.49Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van beschoeiing in een b-water, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.50De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam

De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden teruggebracht naar de afmetingen van het oorspronkelijke profiel.

Artikel 2.51Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De beschoeiing wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.10

Anti-worteldoek

Artikel 2.52Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een anti-worteldoek in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.53Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.54Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.55.

2.

Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.56, als: a. de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.55Profiel van het oppervlaktewaterlichaam

Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet verkleind.

Artikel 2.56Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De anti-worteldoek wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.11

Stoffen en voorwerpen

Artikel 2.57Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het neerleggen, laten staan en laten liggen van vaste substanties en het aanleggen, behouden en verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water.

Artikel 2.58Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water.

Artikel 2.59Aanwijzing algemene regels

Bij het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.60.

Artikel 2.60Aan- en afvoer van water en onderhoud

1.

De aan- en afvoer van water wordt niet belemmerd.

2.

Het onderhoud wordt niet belemmerd.

Paragraaf 2.1.12

Dieren

Artikel 2.61Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.62Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.63Aanwijzing algemene regels

Bij het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.64.

Artikel 2.64Geen beschadiging watergang en talud

1.

Er wordt een voorziening getroffen die ervoor zorgt dat de dieren de watergang en het talud niet kunnen beschadigen.

2.

Deze voorziening belemmert het onderhoud niet.

Paragraaf 2.1.13

Afrasteringen

Artikel 2.65Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, wijzigen, hebben en verwijderen van afrasteringen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.66Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben of verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.67Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het plaatsen of hebben van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.68 en 2.69, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

2.

Bij het verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.70, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

3.

Bij het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.71, als: a. de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.68Constructie van de afrastering

1.

De afrastering is niet hoger dan 1,20 meter, gemeten vanaf het maaiveld.

2.

De afrastering is niet breder dan 0,20 meter.

3.

De afrastering belemmert het zicht op de watergang niet.

4.

De afrastering heeft een eenvoudige constructie.

5.

De afrastering wordt in een deugdelijke staat van onderhoud gehouden.

Artikel 2.69Onderhoud oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone

1.

De afrastering belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet.

2.

Een afrastering die haaks op de watergang is geplaatst, kan zonder hulpmiddelen tijdelijk worden weggehaald.

3.

De eigenaar of gebruiker van de afrastering verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.70Herstel na verwijdering

Na het verwijderen van de afrastering wordt de beschermingszone teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Artikel 2.71Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De afrastering wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.14

Werken en bomen voor openbare wegen

Artikel 2.72Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen en behouden van werken en bomen voor openbare wegen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.73Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een werk voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als: a. het werk minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst; en b. de afstand tussen het werk en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een boom voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de afstand tussen de boom en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en b. de boom functioneert voor de aankleding van de openbare weg; c.

De boom minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek wordt geplaatst.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk voor een openbare weg in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.74Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanbrengen van een werk bij een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.75 en 2.76, als: a. het werk minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst; en b. de afstand tussen het werk en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

2.

Bij het aanbrengen of behouden van een boom voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, wordt voldaan aan de artikelen 2.75 en 2.76 als: a. de afstand tussen de boom en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en b. de boom functioneert voor de aankleding van de openbare weg; en c.

De boom minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek wordt geplaatst.

3.

Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.77, als: a. het werk eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.75Onderhoud

1.

Het werk en/of de boom wordt zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.

2.

De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud.

Artikel 2.76Schadelijke begroeiing en afval

De eigenaar of gebruiker van het werk en/of de boom verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het object, in het talud alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.77Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

Het werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.15

Borden

Artikel 2.78Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van borden in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.79Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van een bord in de beschermingszone bij een a-water, als: a. het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of b. het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.80Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanbrengen van een bord in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.81 en 2.82, als: a. het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of b. het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

2.

Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.83, als: a. het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.81Plaatsing van het bord

1.

Het bord wordt, voor zover dat mogelijk is, aangebracht aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken.

2.

Als het niet mogelijk is om het bord aan te brengen aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken, wordt het bord zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.

3.

Het eerste lid geldt niet voor verkeersborden voor de vaarweg.

Artikel 2.82Schadelijke begroeiing en afval

De eigenaar of gebruiker van het bord verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het bord, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.83Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

Het bord wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.16

Gras en eenjarige gewassen

Artikel 2.84Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, behouden en verwijderen van gras en eenjarige gewassen in een a-water en in de beschermingszone bij een a-water.

Artikel 2.85Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water.

Artikel 2.86Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.87 en 2.88.

Artikel 2.87Bescherming talud

Bij grondbewerkingen dieper dan 0,15 meter wordt 1 meter vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek, zodat het talud niet kan afschuiven.

Artikel 2.88Onderhoud

Ploegvoren en andere diepe geulen worden gedicht, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden.

Paragraaf 2.1.17

Natuurvriendelijke oevers

Artikel 2.89Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied.

Artikel 2.90Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied.

Artikel 2.91Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied wordt voldaan aan artikel 2.92.

Artikel 2.92Natte profiel van de watergang

Het natte profiel van de watergang wordt niet verkleind.

Paragraaf 2.1.18

Verharding

Artikel 2.93Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.94Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water, als: a. de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en b. daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.95Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het aanbrengen of behouden van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.96, als: a. de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en b. daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

2.

Bij het verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.97, als daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

3.

Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.98, als: a. de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of b. het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.96Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone

1.

De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.

2.

Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd door de verharding.

3.

Een strook van 0,5 meter wordt vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek van de watergang.

4.

De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.97Herstel na verwijdering

1.

Na het verwijderen van de verharding wordt het maaiveld tot de oorspronkelijke hoogte aangevuld.

2.

Na het verwijderen van de verharding wordt de grond ingezaaid met een gras- of kruidenrijk zaadmengsel.

Artikel 2.98

Na het verwijderen van de verharding wordt het maaiveld tot de oorspronkelijke hoogte aangevuld.

De verharding wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Paragraaf 2.1.19

Verwijderen van werken en objecten

Artikel 2.99Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken en objecten in de beschermingszone bij een a-water.

Artikel 2.100Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.101Aanwijzing algemene regels

Bij het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.102, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.102Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone

1.

De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.

2.

Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd.

Paragraaf 2.1.20

Oppervlaktewaterlichaam aanleggen en wijzigen

Artikel 2.103Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, verbreden en verdiepen van oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 2.104Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een c-water of poel buiten de beschermingszone bij een a-water en buiten een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied, als daardoor geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen van een poel, binnen een beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied, als deze: a. een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m2; b. niet dieper is dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. maximaal 1,20 meter diep is; d. aan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:5; en e. aan de andere zijden dan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:3.

Paragraaf 2.1.21

Obstakels in beschermingszone beperkt

Artikel 2.105Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en verwijderen van werken en het laten staan en liggen van voorwerpen in een beschermingszone beperkt.

Artikel 2.106Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, behouden of verwijderen van een werk en het laten staan of liggen van een voorwerp in een beschermingszone beperkt, als het werk of voorwerp eenvoudig ongedaan te maken is.

Artikel 2.107Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het plaatsen of behouden van een werk en het laten staan of liggen van een voorwerp in een beschermingszone beperkt wordt voldaan aan de artikelen 2.108 en 2.109.

2.

Bij het verwijderen van een werk in een beschermingszone beperkt wordt voldaan aan artikel 2.110.

Artikel 2.108Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.109Bescherming oppervlaktewaterlichaam

1.

Het werk of voorwerp wordt op minimaal één meter uit de insteek geplaatst, behalve als het gaat om gras of eenjarige gewassen.

2.

Binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk of voorwerp worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd.

Artikel 2.110Verwijdering

1.

Het werk of voorwerp wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dit naar het oordeel van het bestuur nodig is voor het beheer of onderhoud van de aangrenzende waterkering.

2.

Na het verwijderen van het werk of voorwerp worden de beschermingszone en het talud teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Artikel 2.111Maatwerkvoorschriften

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over artikel 2.106.

Paragraaf 2.1.22

Kortdurende activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.112Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van kortdurende activiteiten in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.113Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een b-water, als: a. de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk; en b. de activiteit maximaal twee weken duurt.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water, als: a. de activiteit maximaal een week duurt; en b. bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

Artikel 2.114Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het verrichten van een activiteit in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.117, als: a. de activiteit maximaal twee weken duurt; en b. de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

2.

Bij het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.117, als: a. de activiteit maximaal een week duurt; en b. bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

Artikel 2.115Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als de activiteit langer duurt dan een uur.

Artikel 2.116Herstel na uitvoering

Na het uitvoeren van de activiteit worden het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone teruggebracht in de staat zoals deze voor uitvoering van de activiteit was.

Artikel 2.117Bescherming watersysteem

1.

De waterafvoer van de aangrenzende percelen blijft gewaarborgd.

2.

Alle materialen die vrijkomen bij het verrichten van de activiteit, worden verwijderd.

Artikel 2.118Maatwerkvoorschriften

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de uitvoering en de locatie van het werk, bedoeld in artikel 2.113, tweede lid.

Paragraaf 2.1.23

Overige activiteiten in het profiel van vrije ruimte

Artikel 2.119Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, voor zover de paragrafen 2.1.2 tot en met 2.1.20 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 2.120Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.121Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.122, als: a. het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of b. het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.122Verwijdering van het werk

Het werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.2

Lozen op oppervlaktewater

Paragraaf 2.2.1

Algemeen

Artikel 2.123Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.

Artikel 2.124Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en c. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 2.125Normadressaat

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 2.126Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.124, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 2.127Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.126 en 2.131 tot en met 2.192.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.131 tot en met 2.192.

Artikel 2.128Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 2.129Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.128, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 2.130Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap

1.

Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 2.131Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Artikel 2.132Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Artikel 2.133Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

Artikel 2.134Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.135Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.2.2

Lozen van water

Artikel 2.136Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.137Aanwijzing vergunningvrije gevallen

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak of afkoppeling van bestaand verhard oppervlak, als: a. de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap; en b. de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als: a. het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2; of b. de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als: a. de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en b. er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).

5.

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling, als er maximaal 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

Artikel 2.138Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.139 en 2.140, als er meer dan 50 m3 water per uur maar maximaal 100 m3 per uur wordt geloosd.

2.

Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.140, als er maximaal 50 m3 water per uur wordt geloosd.

3.

Bij het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak wordt voldaan aan artikel 2.141, als: a. de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en b. er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m).

Artikel 2.139Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.140Capaciteit en overlast

1.

Er wordt niet meer water geloosd dan de waterloop kan verwerken.

2.

Er wordt geen overlast veroorzaakt bij het lozen van het water.

Artikel 2.141De bergingsvoorziening

1.

De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

2.

Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bodempassage naar het grondwater of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater.

3.

De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm.

4.

Bij de voorziening wordt een overloopconstructie aangelegd om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Artikel 2.142Maatwerkvoorschriften

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het lozen van water, als er meer dan 50 m3 maar maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd.

Paragraaf 2.2.3

Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 2.143Lozen van grondwater bij saneringen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l BTEX 50 μg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 μg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 μg/l Minerale olie 500 μg/l Cadmium 4 μg/l Kwik 1 μg/l Koper 11 μg/l Nikkel 41 μg/l Lood 53 μg/l Zink 120 μg/l Chroom 24 μg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 3.

Voor het lozen van dat grondwater in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l Minerale olie 50 μg/l Cadmium 0,4 μg/l Kwik 0,1 μg/l Koper 1,1 μg/l Nikkel 4,1 μg/l Lood 5,3 μg/l Zink 12 μg/l Chroom 2,4 μg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 μg/l Tolueen 7 μg/l Ethylbenzeen 4 μg/l Xyleen 4 μg/l Tetrachlooretheen 3 μg/l Trichlooretheen 20 μg/l 1,2-dichlooretheen 20 μg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 μg/l Vinylchloride 8 μg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l

Artikel 2.144Lozen van grondwater bij ontwatering

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

2.

Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

Artikel 2.145Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.146Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.143 en 2.144, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Paragraaf 2.2.4

Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 2.147Lozen van afvloeiend hemelwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.148Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.5

Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.149Lozen van huishoudelijk afvalwater

1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.

40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.

100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.

600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d.

1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e.

3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

2.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

3.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

4.

In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.150Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

1.

Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.

Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik (CZV) of totaal organisch koolstof (TOC) (CZV) 150 mg/l of (TOC) 50 mg/l (CZV) 300 mg/l of (TOC) 100 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.

Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik (CZV) of totaal organisch koolstof (TOC) (CZV) 100 mg/l of (TOC) 33 mg/l (CZV) 200 mg/l of (TOC) 67 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

5.

Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.151Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor totaal organisch koolstof: NEN-ISO 20236; d. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; e. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; f. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en g. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.152Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.149, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Paragraaf 2.2.6

Lozen van koelwater

Artikel 2.153Koelwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

3.

De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

4.

De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.154Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.153, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.7

Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Artikel 2.155Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

Artikel 2.156Werkinstructie bij reinigen en conserveren

1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

2.

In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.

3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 2.157Werkinstructie bij bouwen en slopen

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 2.158Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 2.159Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 2.160Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.155 tot en met 2.157, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.156; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.157.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Paragraaf 2.2.8

Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 2.161Inerte goederen

Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.

A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.

Artikel 2.162Lozen bij opslaan van inerte goederen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.163Lozen bij overslaan van inerte goederen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

3.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.

Paragraaf 2.2.9

Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen

Artikel 2.164Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen

1.

In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik (CZV) of totaal organisch koolstof (TOC) (CZV) 200 mg/l of (TOC) 67 mg/l

Artikel 2.165Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor totaal organisch koolstof: NEN-ISO 20236; d. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; g. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; h. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; i. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en j. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.166Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

2.

Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

3.

Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 2.167Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.164 en 2.166, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

Paragraaf 2.2.10

Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 2.168Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 2.169Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Paragraaf 2.2.11

Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 2.170Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.171Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 2.172Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.170 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.173Lozen van algen en bacteriën

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.174Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.170, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.171; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

3.

Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Paragraaf 2.2.12

Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 2.175Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

2.

Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Paragraaf 2.2.13

Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 2.176Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

Artikel 2.177Gegevens en bescheiden

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.176, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat.

Paragraaf 2.2.14

Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 2.178Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

1.

In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.

Tabel. 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik (CZV) of totaal organisch koolstof (TOC) (CZV) 300 mg/l of (TOC) 100 mg/l 3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.179Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

1.

In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.180Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen

1.

In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

2.

Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik (CZV) of totaal organisch koolstof (TOC) (CZV) 300 mg/l of (TOC) 100 mg/l

Artikel 2.181Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

CVoor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l Ijzer 2 mg/l 3.

De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 2.182Lozen bij ontijzeren grondwater

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

2.

Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

4.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.183Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; e. voor totaal organisch koolstof: NEN-ISO 20236, en; f. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.184Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.178 tot en met 2.182, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.15

Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton

Artikel 2.185Uitzondering voorgeschreven lozingsroute

Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Paragraaf 2.2.16

Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 2.186Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving

Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.187Lozen bereiden van voedingsmiddelen

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

2.

Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

Artikel 2.188Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.187, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.17

Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 2.189Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.190Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.189, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.2.18

Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 2.191Lozen van spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

Paragraaf 2.2.19

Asverstrooiing

Artikel 2.192Asverstrooiing

Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.

Paragraaf 2.2.20

Andere lozingen

Artikel 2.193Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

2.

Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2.3 tot en met 2.2.19; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

Artikel 2.194Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

2.

Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Hoofdstuk 3

Activiteit bij waterkeringen

Afdeling 3.1

Activiteit bij waterkeringen

Paragraaf 3.1.1

Algemeen

Artikel 3.1Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.2Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in: een primaire waterkering; of de beschermingszone A bij een primaire waterkering; ofeen regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskering; ofde beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskering; a. handelingen te verrichten; b. werken te behouden; of c. vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een compartimenteringskering, beschermingszone A bij een compartimenteringskering of in een overige waterkering: a. bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen; b. beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen; c. ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; d. te boren of te sonderen; of e. kabels of leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in beschermingszone B bij een primaire waterkering: a. bouwwerken te plaatsen, aan te passen of te verwijderen die een afdichtende bodemlaag doorsnijden; b. ontgravingen uit te voeren; c. seismische onderzoeken te verrichten; d. werken met een overdruk van 10 bar of meer te plaatsen en te hebben; e. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben; of f. leidingen te leggen.

4.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een waterkering.

Artikel 3.3Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterkeringen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterkering die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of de activiteit; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 3.4

Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterkeringen voor kabels en leidingen 1.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.