Provinciale omgevingsverordening Drenthe (Drenthe)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de omgevingsaspecten in de provincie Drenthe en bevat bepalingen over onder andere waterbeheer, bodembescherming en ruimtelijke ordening. Het doel is het waarborgen van een duurzame en kwalitatieve leefomgeving.
Voor wie: Waterschappen en hun besturen in de provincie Drenthe; Bedrijven en particulieren die activiteiten uitvoeren die vallen onder de definities van bijvoorbeeld "boorput", "buisleiding" of "grond- of funderingswerken".
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 87
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Definities van termen die gebruikt worden in de verordening, zoals "boorput", "buisleiding" en "schadelijke stoffen".
- Procedures voor inspraak bij wijzigingen van de verordening.
- Beleid en definities met betrekking tot ruimtelijke ordening, waaronder agrarische bedrijven, beschermingszones en recreatiewoningen.
- De kernkwaliteiten van Drenthe, zoals stilte, duisternis en de openheid van het landschap.
Voor wie geldt deze regeling?
- Waterschappen en hun besturen in de provincie Drenthe.
- Bedrijven en particulieren die activiteiten uitvoeren die vallen onder de definities van bijvoorbeeld "boorput", "buisleiding" of "grond- of funderingswerken".
- Iedereen die te maken heeft met ruimtelijke ontwikkelingen, agrarische bedrijven, recreatiewoningen of de kernkwaliteiten van Drenthe.
Wat zijn de kernpunten?
- De verordening definieert specifieke termen om duidelijkheid te scheppen over de reikwijdte van de regels.
- Bij wijzigingen van de verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast.
- De verordening onderscheidt diverse typen bedrijven en locaties, zoals "agrarisch bedrijf", "intensieve veehouderij", "bedrijventerrein" en "lokale werklocatie".
- "Kernkwaliteiten" van Drenthe, zoals stilte en duisternis, openheid van het landschap, en natuur binnen de EHS, zijn gedefinieerd en worden beschermd.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (87)
- Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder:
- Artikel 2.1
- Artikel 3.1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan ond
- Artikel 3.7 Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:
- Artikel 3.8 Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de desbetreffende gemeen
- Artikel 3.9
- Artikel 3.10
- Artikel 3.11
- Artikel 3.12
- Artikel 3.13
- Artikel 3.14
- Artikel 3.15
- Artikel 3.22
- Artikel 3.23
- Artikel 3.29
- Artikel 3.33
- Artikel 3.35
- Artikel 6.1
- Artikel 6.2
- Artikel 6.3
- Artikel 6.4
- Artikel 7.1
- Artikel 7.2
- Artikel 7.3
- Artikel 7.4a Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:
- Artikel 7.9 (buisleidingen)
- Artikel 7.14 (IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie)
- Artikel 7.15
- Artikel 7.16
- Artikel 7.17
- Artikel 7.18
- Artikel 7.23 In deze titel wordt verstaan onder:
- Artikel 7.24 Het is verboden een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaa
- Artikel 7.25
- Artikel 7.26
- Artikel 7.27 De verboden in artikelen 7.25 en 7.26 gelden niet voor zover deze betr
- Artikel 7.28
- Artikel 7.29
- Artikel 8.4
- Artikel 9.1
- Artikel 9.2
- Artikel 9.3
- Artikel 9.4
- Artikel 9.5
- Artikel 10.3a
- Artikel 10.11 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud
- Artikel 10.35 Toezending projectplannen
- Artikel 12.4
- Artikel 12.5
- Artikel 12.6 Artikel 12.7, Dijken
- Artikel 12.7a Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoel
- Artikel 12.8 1. Het is verboden zodanig te handelen of na te laten:
- Artikel 12.9
- Artikel 12.9a
- Artikel 12.10
- Artikel 12.11
- Artikel 12.12
- Artikel 13.1
- Artikel 13.2 De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de vol
- Artikel 13.3
- Artikel 13.4
- Artikel 14.1
- Artikel 14.2
- Artikel 14.3
- Artikel 15.1
- Artikel 15.2
- Artikel 15.3 De volgende verordeningen worden ingetrokken:
- Artikel 15.4
- Artikel 15.5
- Artikel 15.6
- Artikel 5.2
- Artikel 5.3
- Artikel 5.4
- Artikel 5.5
- Artikel 5.6
- Artikel 5.7
- Artikel 5.8
- Artikel 5.9
- Artikel 5.10
- Artikel 5.11
- Artikel 5.12
- Artikel 5.13
- Artikel 8.1
- Artikel 8.2
- Artikel 8.3
- Artikel 8.5
- Artikel 10.29
Provinciale omgevingsverordening DrentheInhoud DEEL I, ALGEMEEN
HOOFDSTUK 1, BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1.1In deze verordening wordt verstaan onder:
a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; b. beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; c. boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; d. buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; e. Ctgb: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; f. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; g. evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; h. gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe; i. gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; j. grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; k. insteek van het oppervlaktewater: de insteek van het oppervlaktewater als bedoeld in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij; l. nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming; m. nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming n. peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet; o. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; p. projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; q. regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; r. regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; s. retourbemaling: het in een grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water; t. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
u. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; v. waterbeheerder: het openbaar gezag, dat is belast met het oppervlaktewaterkwantiteits- en oppervlaktewaterkwaliteitsbeheer, zijnde de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa's, Reest en Wieden en Velt en Vecht en de provincie Drenthe, voor zover belast met het kwantiteitsbeheer van de bij haar in beheer zijnde kanalen; w. waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening; x. waterschap: de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; y. achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.
HOOFDSTUK 2, INSPRAAK
Artikel 2.1
Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast.
DEEL II, RUIMTELIJKE ORDENING
HOOFDSTUK 3, RUIMTELIJK OMGEVINGSBELEID
Titel 3.1, Algemeen
Paragraaf 3.1.1, Begripsbepalingen
Artikel 3.1In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; b. beschermingszones radioastronomie: zones rond de Dwingeloo radiotelescoop, de Westerbork Synthese radiotelescoop en het Centrale gebied van de LOFAR radiotelescoop ter voorkoming van elektromagnetische storing zoals deze staan aangegeven op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 12 (Overige aanduidingen) en zoals bepaald in paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie; c. bedrijvenregio: binnen Drenthe bestaan de regio's Groningen - Assen en de Drentse Zuidas; d. bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; e. beeldkwaliteitsplan: plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; f. bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, wijzigingsplan of vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen; g. bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan; h. bestaand stedelijk gebied: het bestaand stedelijk gebied komt neer op het feitelijke stedelijk gebied, aangevuld met verleende bouwrechten in onherroepelijk geworden bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Tot het stedelijk gebruik wordt gerekend woon- en bedrijfsbebouwing, waartoe ook gerekend worden openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een stad, dorp of kern;
i. complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren; j. ecologische hoofdstructuur (EHS): een samenhangend netwerk van gebieden, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen; k. glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; l. grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden; m. informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden; n. intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; o. kantoor: inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten; p. kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; q. kernkwaliteiten: De mate waarvan in een concrete situatie sprake is van:
1° stilte en duisternis;
2° openheid van het landschap;
3° natuur binnen de EHS;
4° diversiteit en gaafheid van het landschap;
5° cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;
6° sociale, externe en verkeersveiligheid; of 7° leefbaarheid, kleinschaligheid; alleen waar deze zijn aangeduid op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart); r. kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid; s. landgoed: een landgoed is een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat:
1° het landgoed minimaal 5 hectare nieuw bos bevat;
2° het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie;
3° het landgoed openbaar toegankelijk is;
4° het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt; en 5° het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid; t. landschappelijk inpassingsplan: juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt; u. locatie voor kantoren: perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen; v. lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat:
1° plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;
2° bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;
3° plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;
4° geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is; w. maatschappelijk belang: een belang is maatschappelijk wanneer het educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening; x. multifunctionele gebieden: gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden. Het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap; y. neventak: aan de agrarische hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van die hoofdactiviteit behoren; z. omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 2 juni 2010 en gepubliceerd op 11 augustus 2010, inclusief bijbehorend kaartmateriaal (waarvan de visiekaart op 7 juli 2010 door Provinciale Staten bij besluit 2010-441-1 met een aanpassing gewijzigd is vastgesteld); aa. permanente bewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; bb. recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf; cc. regionale werklocatievisie: een werklocatievisie is regionaal wanneer deze tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio is afgestemd en minimaal de onderwerpen planningsbehoefte en fasering, de kwantitatieve verdeling, de herstructureringsopgave, mogelijkheden voor lokale en regionale segmentatie, en de inpassing van milieuhinderlijke bedrijven met betrekking tot de regionale werklocatie omvat; dd. regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een van de twee stedelijke netwerken (Groningen-Assen of de Drentse Zuidas) dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft; ee. robuust systeem: een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig. Het gaat in Drenthe om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw en natuur, zoals globaal weergegeven op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart);
ff. Rood-voor-groen regeling: regeling waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) bepaalde voor landgoederen wordt gerekend; gg. ruimtelijk plan: bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een besluit zoals genoemd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening of een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet; hh. Ruimte-voor-ruimte regeling: Regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een woning mag worden gebouwd; ii. SER-ladder: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen:
1° gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden;
2° maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen;
3° indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimtebehoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt; jj. perifere detailhandel: winkelformules die onder andere vanwege hun omvang of aard veelal gevestigd zijn op werklocaties buiten bestaande winkelconcentraties in de stedelijke, dorps- of wijkwinkelcentra, zoals tuincentra, bouwmarkten en wooninrichtingszaken; kk. vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben; ll. weidewinkel: zelfstandige detailhandelverkoop buiten het bestaand stedelijk gebied; mm. werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren; nn. wezenlijke kenmerken en waarden: voor gebieden met een agrarische bestemming de aanwezige waarden en voor gebieden met een andere bestemming de aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, neergelegd in de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, de mate van stilte donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; oo. windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; pp. woonregio: binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld); qq. regionale woonvisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat. Deze visie is basis voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen.
Paragraaf 3.1.2, AFLO
Artikel 3.2, Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe (AFLO) 1. Er is een Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving (AFLO), hierna te noemen de commissie.
Artikel 3.3, Samenstelling AFLO 1. In de commissie hebben zitting: a. 1 voorzitter; b. de Inspecteur, regio Noordoost van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; c. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, directie gebiedsontwikkeling; d. de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, Directie Noord-Nederland; e. de regiodirecteur Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; f. het hoofd van de Regio Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; g. de eerstaangewezen ingenieur-directeur van de Directie Noordoost-Nederland van het Ministerie van Defensie; h. het hoofd van de Regio Noord van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; i. 2 leden op voordracht van de Vereniging van Drentse Gemeenten; j. 2 leden op voordracht van de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; k. 1 lid op voordracht van de LTO Noord; l. 1 lid op voordracht van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Drenthe; m. 1 lid op voordracht van de Natuur en Milieufederatie Drenthe; n. 1 lid op voordracht van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties; o. 1 lid op voordracht van de NV Waterleidingmaatschappij Drenthe; p. 1 lid op voordracht van de recreatiesector; q. 1 lid op voordracht van de ANWB.
Artikel 3.4, Benoemingen AFLO 1. Provinciale Staten benoemen op voordracht van Gedeputeerde Staten de voorzitter van de commissie voor een periode van 4 jaar.
Artikel 3.5, Subcommissies AFLO 1. Provinciale Staten dan wel Gedeputeerde Staten kunnen voor de behandeling van bepaalde onderwerpen subcommissies instellen.
Artikel 3.6, Openbaarheid vergaderingen AFLO 1. De vergaderingen van de commissie en de subcommissies zijn openbaar.
Titel 3.2, Ruimtelijke Kwaliteit
Paragraaf 3.2.1, Kernkwaliteiten
Artikel 3.7Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:
a. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie zoals uiteengezet in de Omgevingsvisie en de uitwerkingen ervan; b. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten.
Artikel 3.8Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de desbetreffende gemeente in een ruimtelijk plan:
a. zorgvuldig onderbouwt dat behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten niet samengaat met behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid; b. tussen behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten en behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid een zorgvuldige afweging maakt; c. en voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet; en d. in de onderbouwing van een ruimtelijke plan waarbij kernkwaliteiten zijn betrokken, worden de voor die kernkwaliteiten van toepassing zijnde sturingsniveaus betrokken, zoals wij die in de Omgevingsvisie en uitwerkingen hebben neergelegd.
Artikel 3.9
Artikel 3.7 is niet van toepassing binnen gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 5 (Landbouw) als 'Robuuste landbouw' zijn aangeduid, voor zover de gemeente in een ruimtelijk plan zorgvuldig onderbouwt dat: a. de ontwikkeling van Robuuste landbouw, nieuwe intensieve veehouderij als gevolg van verplaatsing uitgezonderd, niet kan samengaan met de bij het plan betrokken kernkwaliteiten; en b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet.
Artikel 3.10
De in artikel 3.9 vervatte uitzondering voor intensieve veehouderijen geldt niet wanneer in hetzelfde ruimtelijk plan sprake is van het beëindigen dan wel het samenvoegen van een of meer bestaande intensieve veehouderijen welke is gekoppeld aan de uitbreiding van de desbetreffende bestaande intensieve veehouderij.
Artikel 3.11
Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits: a. de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen die kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt; en b. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet.
Artikel 3.12
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.7 indien het niet mogelijk blijkt een ontwikkeling uit te voeren met behoud van bestaande kernkwaliteiten, indien: a. sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang; b. onderzoek heeft aangetoond dat er geen gelijkwaardige alternatieve locaties voorhanden zijn; c. de ontwikkeling landschappelijk goed wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; d. het verlies aan kernkwaliteiten dusdanig gecompenseerd wordt, dat geen sprake is van een nettoverlies aan kernkwaliteiten; en e. voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet.
Artikel 3.13
Gedeputeerde Staten kunnen de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 2 (Kernkwaliteitenkaart) wijzigen: a. op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt; b. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 3.8, 3.9 of 3.11 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden; of c. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat ontheffing op basis van artikel 3.12 is verleend en dat besluit onherroepelijk is geworden.
Paragraaf 3.2.2, Milieu- en leefomgevingskwaliteit
Artikel 3.14
Voor zover bij een ruimtelijk plan milieueffecten en externe veiligheidseffecten aan de orde zijn die gemeentegrenzen overschrijden of samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, wordt in dat ruimtelijk plan verantwoord op welke wijze deze aspecten in het ontwerpen en inrichten van de fysieke leefomgeving van het plangebied, vertaald zijn.
Paragraaf 3.2.3, Zorgvuldig ruimtegebruik (SER-Ladder)
Artikel 3.15
Titel 3.3, Bruisend Drenthe
Paragraaf 3.3.1, Algemene bepalingen
Artikel 3.16, Aanwijzing bestaand stedelijk gebied 1. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangewezen het gebied dat als zodanig staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D1 (Bestaand stedelijk gebied).
Artikel 3.17, Basisbepalingen Bruisend Drenthe 1. Op een ruimtelijk plan dat voorziet in ontwikkelingen zoals omschreven in deze Titel zijn de in Titel 3.2 van dit hoofdstuk opgenomen bepalingen rondom kernkwaliteiten, milieu- en leefomgevingkwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik onverminderd van toepassing.
Artikel 3.18, Robuuste systemen Een ruimtelijk plan waarop het in de Omgevingsvisie verwoorde beleid voor de robuuste systemen (sociaaleconomisch systeem, watersysteem, natuursysteem en landbouwsysteem) zoals globaal verbeeld op op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020), draagt bij aan ontwikkeling van de hoofdfunctie (wonen, werken, water, natuur of landbouw) in het desbetreffende robuuste systeem. Het bevat geen ontwikkelingen die de robuustheid van het systeem schaden.
Artikel 3.19, Multifunctionele gebieden Een ruimtelijk plan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) als 'Multifunctioneel' zijn aangeduid, veroorzaakt zo weinig mogelijk negatieve gevolgen voor de daar van oudsher bestaande en/of dominante functie.
Paragraaf 3.3.2, Thematische bepalingen
Artikel 3.20, Ondergrond 1. In een ruimtelijk plan waarin realisering van woningen, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw zijn voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor Warmte- en Koude Opslag en geothermische energie.
Artikel 3.21, Agrarische bedrijvigheid Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) zijn aangeduid als landbouwgebieden, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben. Randvoorwaarde blijft wel dat waar op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) een locatie als 'Beekdal' is aangeduid, ruimte voor water behouden moet blijven, de waterhuishoudkundige inrichting niet mag leiden tot wateroverlast benedenstrooms en tot een vermindering van de grondwatervoorraad.
Artikel 3.22
Artikel 3.23
Artikel 3.24, Ruimte-voor-ruimte regeling 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, voorziet in een Ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is.
Artikel 3.25, Woningbouw 1. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe woningbouw toe die buiten de afspraken vallen die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de woonvisie.
Artikel 3.26, Bedrijvigheid 1. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie toe anders dan via een regionale werklocatievisie.
Artikel 3.27, Mobiliteit Ruimtelijke plannen met woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, dagrecreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in: a. de afstemming tussen bereikbaarheidseisen van functies en ontsluitingskwaliteiten van locaties; b. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen; c. het al of niet noodzakelijk zijn van nieuwe verkeers- en vervoersvoorzieningen; d. de effecten op het openbaar vervoer netwerk.
Artikel 3.28, Verblijfsrecreatie 1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover gelegen binnen de op de bij deze verordening behorende kaart "EHS Concretisering 2010" aangegeven begrenzingen of in gebied dat op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 5 (Landbouw) als robuuste landbouw is aangeduid.
Artikel 3.29
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het gestelde in het derde lid van artikel 3.28 wanneer: a. is voldaan aan de voorwaarden die de VROM-Inspectie stelt in de brochure 'Onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven; handreiking voor gemeenten'; b. de legalisatie betrekking heeft op complexen en niet op losse recreatieverblijven; c. het recreatiecomplex aansluit op bestaand stedelijk gebied; d. de legalisatie past binnen het woonplan van de desbetreffende gemeente; en e. de integratie met het naastgelegen bestaand stedelijk gebied blijkens het ruimtelijk plan een blijvende ruimtelijke kwaliteitsslag oplevert.
Artikel 3.30, Windenergie 1. Een ruimtelijk plan voorziet, onverminderd het bepaalde in artikel 3.31, niet in de toepassing van windenergie anders dan via realisering van windturbineparken in gebieden die als 'Windenergie (zoekgebied)' zijn aangeduid op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 8a (Zoekgebied grootschalige windenergie) en waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het vermogen van een windturbine dient ten minste 3 MW te bedragen; b. windturbines dienen ten minste in een cluster van 5 te worden gerealiseerd; en c. in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden.
Artikel 3.31, Radioastronomie 1. Een ruimtelijk plan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 12 (Overige aanduidingen) zijn aangeduid als 'Zonering radiotelescoop (binnenste ring, zone I)' en 'Zone I LOFAR', voorziet niet in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden waarbij elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
Artikel 3.32, Nationaal Landschap Drentsche Aa Als Nationaal Landschap Drentsche Aa wordt aangewezen het gebied dat valt binnen de begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals dat staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D2 (kaart Begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa) met als voornaamste kenmerken:
Deze kernkwaliteiten zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa.
Artikel 3.33
1° de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken; en 2° de compensatie plaatsvindt:
Artikel 3.34, Ecologische hoofdstructuur 1. Als ecologische hoofdstructuur wordt aangewezen de gebieden die als "Provinciale EHS" staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D3 (EHS Concretisering).
1° tot een verbetering voor de samenhang in de ecologische hoofdstructuur óf tot een betere inpassing van de ecologische hoofdstructuur in de planologische omgeving; en 2° tenminste de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied worden behouden. b. voor kleinschalige ontwikkelingen waarin het vermelde onder a niet voorziet, en voor zover:
1° de aantasting van de wezenlijke waarden en van de samenhang van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling beperkt is;
2° de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied kwantitatief of kwalitatief met de ontwikkeling versterkt wordt;
3° de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling niet afneemt;
4° deze zorgvuldig is onderbouwd, waarbij blijkens het ruimtelijk plan alternatieven zijn overwogen; en 5° de ontwikkeling landschappelijk en natuurlijk blijkens het ruimtelijk plan goed wordt ingepast.
Artikel 3.35
1° de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken;
2° de compensatie plaatsvindt:
Artikel 3.36, Water 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 9 (Oppervlaktewater) zijn aangeduid als "Beekdal", voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies.
Titel 3.4, Tegemoetkoming in schade
Artikel 3.37, Aanwijzing adviseur(s) 1. Gedeputeerde Staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen.
Artikel 3.38, Werkwijze bij één adviseur 1. De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, over de aanvraag.
Artikel 3.39, Werkwijze schadebeoordelingscommissie Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde in artikel 3.38 van overeenkomstige toepassing.
Titel 3.5, Slotbepalingen
Artikel 3.40, Algemene bepalingen ontheffingen 1. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan, behoudens het gestelde in het tweede lid, alleen worden afgegeven als een bepaling daarin expliciet voorziet en met inachtneming van het gestelde in dit artikel.
Artikel 3.41, Overgangsbepaling De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk als formeel ontwerp ter inzage heeft gelegen.
Artikel 3.42, Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening In afwijking van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop bestemmingsplannen en beheersverordeningen in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
DEEL III, MILIEU
HOOFDSTUK 4, GELUIDHINDERDIENST DRENTHE
HOOFDSTUK 5, WARMTE- EN KOUDEOPSLAG
Artikel 5.1, Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. WKO-systeem: een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open dan wel een gesloten systeem; b. open systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt door grondwater uit de bodem te onttrekken en weer daarin terug te brengen; c. gesloten systeem: een bodemenergiesysteem waarmee uitwisseling van warmte of koude met de bodem plaatsvindt, zonder daarbij grondwater te verplaatsen; d. zone I: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld; e. zone II: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 300 m beneden maaiveld; f. rood gebied: een verbodsgebied dat in deze verordening is aangewezen waar bodemenergie niet is toegestaan en als zodanig is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 (WKO restrictiegebieden zone 1) en C2 (WKO restrictiegebieden zone 2); g. oranje gebied: een restrictiegebied dat in deze verordening op de kaarten C1 (WKO restrictiegebieden zone 1) en C2 (WKO restrictiegebieden zone 2) is aangewezen en als oranje gebied met de aanduiding "WKO slechts beperkt toegestaan" op kaart staat aangegeven, waar in geval van strijdige belangen de bescherming van daarbij aangewezen belangen voorrang heeft op de toepassing van bodemenergie; h. groen gebied: een gebied dat niet is aangewezen als rood of oranje gebied; i. klein systeem: een WKO-systeem waarbij bij een open systeem de onttrokken hoeveelheid maximaal 10 m3 per uur bedraagt en bij gesloten systemen sprake is van een maximale capaciteit van 70 kW (thermisch); j. eco-scan: een onderzoek als bedoeld in de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet naar de mogelijk negatieve effecten op de flora en fauna van de geplande activiteit; k. archeologische toets: een (voor)onderzoek als bedoeld in de Wet op de Archelogische Monumentenzorg naar de gevolgen van een activiteit voor de mogelijke archeologische waarden in een gebied; l. WKO-masterplan: een plan waarin het gebruik van de ondergrond in een bepaald gebied ten aanzien van open en gesloten WKO-systemen zo optimaal mogelijk wordt geregeld.
Artikel 5.2, Doelstellingen De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op het zodanig reguleren en sturen van de aanleg van WKO-systemen dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame energieopwekking. Tevens is het gericht op het stimuleren dat WKO op een zodanige wijze wordt aangelegd dat rekening wordt gehouden met de onderlinge relatie van deze WKO-systemen en andere (toekomstige) belangen die spelen in de ondergrond.
Artikel 5.3, Open systemen 1. Het verbod als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem in een groen gebied waarbij de te onttrekken hoeveelheid ten hoogste 10 m3 per uur bedraagt en wordt voldaan aan hetgeen met betrekking tot deze onttrekking is opgenomen in Bijlage II van deze verordening.
Artikel 5.5, Ontheffing gesloten systeem Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.
Artikel 5.6, Melding en ontheffing Voor het doen van een melding of het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.
Artikel 5.7, Aanvullende voorwaarden Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, dat betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een oranje gebied, gaat: a. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is aangewezen op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn dan wel de Natuurbeschermingswet de aanvraag vergezeld van een eco-scan; b. in het geval dat er sprake is van een gebied dat is opgenomen op de door de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek vastgestelde Archeologische monumentenkaart de aanvraag vergezeld van een archeologische toets.
Artikel 5.8, WKO-masterplan 1. De gemeente kan een WKO-masterplan vaststellen.
Artikel 5.9, Reikwijdte WKO-masterplan Indien de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 betrekking heeft op een WKO-systeem dat wordt aangelegd in een gebied waarop een WKO-masterplan van toepassing is, nemen Gedeputeerde Staten bij de verlening van de vergunning of ontheffing hetgeen hierover is opgenomen in dit plan in acht.
Artikel 5.10, Voorschriften en beperkingen gesloten systemen 1. Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De aan de ontheffing te verbinden voorschriften kunnen mede betrekking hebben op het na het staken van de vergunde handeling wegnemen, compenseren of beperken van de door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.
Artikel 5.11, Weigeringsgronden Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet of een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5, wordt geweigerd: a. voor zover de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 5.2; b. indien uit de onderzoeken als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, onder a of b, blijkt dat de realisatie van een WKO-systeem onacceptabele schade veroorzaakt aan de te beschermen waarden in dat gebied of in strijd is met de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de belangen op grond waarvan het gebied of het object zijn bijzondere status heeft gekregen; c. indien het WKO-systeem effecten veroorzaakt in een rood gebied.
Artikel 5.12, Wijziging 1. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5 en de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wijzigen of aanvullen.
Artikel 5.13, Rechtsopvolging 1. De ontheffing geldt tevens voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder, tenzij dat bij de ontheffing anders is geregeld.
HOOFDSTUK 6, BODEMSANERING
Titel 6.1, Landbodemsanering
Artikel 6.1
Artikel 6.2
Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan.
Artikel 6.3
Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 6.4
HOOFDSTUK 7, GEBIEDEN
Titel 7.1, Aanwijzing gebieden
Artikel 7.1
Artikel 7.2
Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels.
Titel 7.2, Zorgplichtbepaling
Artikel 7.3
Titel 7.3, Grondwaterbescherming
Paragraaf 7.3.1, Bevoegd gezag
Artikel 7.3a (bevoegd gezag) Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld: a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten.
Paragraaf 7.3.2, Waterwingebieden
Artikel 7.4aWaar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:
a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: Gedeputeerde Staten.
Artikel 7.4 (inrichtingen) 1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
Artikel 7.5 (activiteiten buiten inrichtingen) 1. Het is in waterwingebieden verboden: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; c. grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; d. handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd; e. een lozing in de bodem uit te voeren.
Artikel 7.6 (beheerplannen) 1. De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheert en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 7.5 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.
Paragraaf 7.3.3, Grondwaterbeschermingsgebieden
Artikel 7.7 (inrichtingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I.
Artikel 7.8 (boorputten en grond- of funderingswerken) 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben.
Het verbod geldt niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; b. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of c. tijdelijke bronbemaling, mits de BRL SIKB 2101 Mechanisch boren in acht wordt genomen en voor de algemene kwaliteitseisen voor het uitvoerende boorbedrijf BRL SIKB 2100 in acht wordt genomen; en d. veedrinkputten die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.
Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: a. bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; b. voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruikgemaakt wordt van:
1 grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;
2 in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3 schroefpalen.
Artikel 7.9(buisleidingen)
Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.
Artikel 7.10 (gebouwen, wegen en andere verhardingen) 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties: a. ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; b. ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.
Artikel 7.11 (begraafplaatsen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben.
Artikel 7.12 (gewasbeschermingsmiddelen) Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken indien:
Artikel 7.13 (warmtetoevoeging en -onttrekking) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.
Artikel 7.14(IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie)
2 bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; d. voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.
Paragraaf 7.3.4, Verbodszone diepe boringen
Artikel 7.15
Paragraaf 7.3.5, Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa
Artikel 7.16
Het is verboden om vanuit de op kaart A als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 7.17
Paragraaf 7.3.6, Aanduiding gebieden
Artikel 7.18
Paragraaf 7.3.7, Overige bepalingen
Artikel 7.19 (relatienotagebied) Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer.
Artikel 7.20 (meldingen) 1. Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven: a. de naam en het adres van degene die de melding doet; b. de dagtekening; c. een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; d. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; e. op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.
Artikel 7.21 (ontheffingen) 1. Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 7.5, 7.8, 7.9 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 7.10 en 7.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.
Artikel 7.22 (overgangsrecht) Het verbod genoemd in de artikelen 7.4, 7.7, 7.8, eerste en tweede lid, 7.9, 7.11 en 7.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen.
Titel 7.4, Stilte
Paragraaf 7.4.1, Begripsbepalingen
Artikel 7.23In deze titel wordt verstaan onder:
a. een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers.
Paragraaf 7.4.2, Verbodsbepalingen
Artikel 7.24Het is verboden een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaakt van:
a. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; b. een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; c. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker, te houden of te organiseren.
Artikel 7.25
Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
Artikel 7.26
Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.
Paragraaf 7.4.3, Vrijstellingen en ontheffingen
Artikel 7.27De verboden in artikelen 7.25 en 7.26 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op:
a. een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving.
Artikel 7.28
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 7.24, onder a en c, opgenomen verbod.
Paragraaf 7.4.4, Aanduiding gebieden
Artikel 7.29
Gedeputeerde Staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.
DEEL IV, NATUUR EN LANDSCHAP
HOOFDSTUK 8, ONTGRONDINGEN
Artikel 8.1, Vrijstellingen 1. Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die uitsluitend zijn of omvatten: a. het uitvoeren van rijkswaterstaats- en waterschapswerken, door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en werken door of op last van de provincie uit te voeren; b. het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 2 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen; c. het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen; d. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal van het erf wordt afgevoerd; e. het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; f. het aanleggen en wijzigen van poelen ten behoeve van natuurontwikkeling met een maximale doorsnede van 12 m, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; g. het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige rechte lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven, de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd en de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een vrijstelling of een aanlegvergunning op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, nadat Gedeputeerde Staten daarvoor een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven;
h. het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet milieubeheer een vergunning is vereist, tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of tot het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; i. het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie.
Artikel 8.2, Meldingen Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 10.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd.
Artikel 8.3, Vergunningen 1. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden.
Artikel 8.4
Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking.
Artikel 8.5, Eenvoudige procedure 1. Gedeputeerde Staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken.
HOOFDSTUK 9, VAARVERBOD DRENTSCHE AA
Titel 9.1, Aanwijzing gebied
Artikel 9.1
Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart A is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa, met uitzondering van de waterlopen ten zuiden van het wegvak Assen-Rolde van de provinciale weg N376. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in titel 9.2 opgenomen regels.
Titel 9.2, Het vaarverbod
Artikel 9.2
Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig in een waterloop te leggen of te laten drijven of te laten liggen.
Artikel 9.3
Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.
Artikel 9.4
Artikel 9.5
Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.
DEEL V, WATER
HOOFDSTUK 10, WATER
Titel 10.1, Normen
Artikel 10.1, Aanwijzen regionale waterkeringen Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart A.
Artikel 10.2, Veiligheidsnorm 1. Op de bij deze verordening behorende kaart A is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.
Artikel 10.3, Regionale verdringingsreeks 1. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proces- en gietwater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder b, een uitzondering wordt gemaakt.
Artikel 10.3a
Artikel 10.4, Normen waterkwantiteit 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.
Artikel 10.5, Verslag toetsing watersysteem 1. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.
Artikel 10.6, Nadere voorschriften Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 10.5.
Titel 10.2, Toedeling beheer en vaarwegenbeheer
Artikel 10.7, Begripsomschrijvingen In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe; b. lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage 3 opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd; c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling; d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B; f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B; h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.
Artikel 10.8, Beheer watersysteem Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in het reglement van het waterschap.
Artikel 10.9, Toedeling beheer vaarwegen In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.
Artikel 10.10, Belangenbescherming 1. Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel: a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.
Artikel 10.11Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud
Artikel 10.12, Afmetingen scheepvaart Gedeputeerde Staten kunnen voor de scheepvaart regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang.
Artikel 10.13, Bedieningstijden van bruggen en sluizen 1. Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.
Artikel 10.14, Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer 1. Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
Artikel 10.15, Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken Het is verboden: a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren; b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen; c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.
Artikel 10.16, Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken 1. Het is verboden om: a. zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet; c. veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg; d. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn; e. onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen.
Artikel 10.17, Provinciaal belang Het in de artikelen 10.15 en 10.16 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd ten behoeve in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer.
Artikel 10.18, Aanwijzing andere ligplaats Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.
Titel 10.3, Regionaal waterplan en beheerplannen
Artikel 10.19, Inhoud regionaal waterplan 1. Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikel 4.4 van de Waterwet, een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.
Artikel 10.20, Voorbereiding regionaal waterplan 1. Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.
Artikel 10.21, Uitwerking regionaal waterplan 1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.
Artikel 10.22, Inhoud beheerplan 1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: a. de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; b. het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; d. een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; e. het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; f. een of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven.
Artikel 10.23, Raadplegen beheerplan Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten, alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.
Artikel 10.24, Voorbereiding beheerplan 1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.
Artikel 10.25, Uitwerking beheerplan 1. In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.
Artikel 10.26, Goedkeuring beheerplan Indien het beheerplan in zijn geheel wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar gedeputeerde staten. Indien het een herziening van beperkte strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten van de provincie waarop de herziening van het beheerplan betrekking heeft. Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.
Artikel 10.27, Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.
Artikel 10.28, Nadere voorschriften beheerplan Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 10.27.
Titel 10.4, Aanleg en beheer van waterstaatswerken
Artikel 10.29, Legger waterstaatswerken 1. De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen; b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.
Artikel 10.30, Opstellen peilbesluiten Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die: