Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (Winterswijk)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet, de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 van Winterswijk, regelt diverse aspecten van het openbare leven in de gemeente om de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieubescherming te waarborgen. Het is een actualisatie en vereenvoudiging van eerdere regelgeving.
Voor wie: Burgers en ondernemers in de gemeente Winterswijk; Iedereen die activiteiten ontplooit die onder de reikwijdte van deze verordening vallen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 120
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De procedure voor het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
- Regels met betrekking tot openbare orde, zoals samenscholingen, betogingen, en het gebruik van de weg.
- Toezicht op evenementen, horecabedrijven en speelgelegenheden.
- Maatregelen tegen overlast, baldadigheid, drugsoverlast en het gebruik van vuurwerk.
Voor wie geldt deze regeling?
- Burgers en ondernemers in de gemeente Winterswijk.
- Iedereen die activiteiten ontplooit die onder de reikwijdte van deze verordening vallen.
Wat zijn de kernpunten?
- Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen moeten uiterlijk drie weken voor de benodigde datum worden ingediend, anders kan de aanvraag niet behandeld worden.
- Beslistermijn voor een vergunning of ontheffing is acht weken, met een mogelijke verlenging van ten hoogste acht weken.
- Vergunningen en ontheffingen zijn persoonsgebonden, tenzij anders bepaald.
- Weigering van een vergunning of ontheffing kan in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (120)
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 8
- Artikel 1.2 Beslistermijn 9
- Artikel 1.3 Indiening aanvraag 9
- Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 9
- Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 10
- Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 10
- Artikel 1.7 Termijnen 10
- Artikel 1.8 Weigeringsgronden 10
- Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 11
- Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 11
- Artikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg 12
- Artikel 2.4 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 13
- Artikel 2.5 Maken en veranderen van een uitweg 13
- Artikel 2.6 Veroorzaken van gladheid 14
- Artikel 2.7 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp 14
- Artikel 2.8 Openen straatkolken e.d. 14
- Artikel 2.9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 14
- Artikel 2.10 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 14
- Artikel 2.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en 14
- Artikel 2.12 Droppings 15
- Artikel 2.13 Begripsomschrijving 16
- Artikel 2.14 Evenementen 16
- Artikel 2.15 Ordeverstoring bij evenementen 16
- Artikel 2.16 Begripsomschrijvingen 17
- Artikel 2.17 Terrassen 17
- Artikel 2.18 Sluitingstijden 17
- Artikel 2.19 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 18
- Artikel 2.20 Aanwezigheid in gesloten inrichting 18
- Artikel 2.21 Ordeverstoring 18
- Artikel 2.22 Begripsomschrijvingen 18
- Artikel 2.23 Exploitatievergunning speelgelegenheid 18
- Artikel 2.24 Betreden gesloten woning 19
- Artikel 2.25 Plakken en kladden 19
- Artikel 2.26 Vervoer inbrekerswerktuigen 20
- Artikel 2.27 Hinderlijk gedrag op of aan de weg 20
- Artikel 2.28 Hinderlijk drankgebruik 20
- Artikel 2.29 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 20
- Artikel 2.30 Neerzetten van fietsen e.d. 21
- Artikel 2.31 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 21 23
- Artikel 2.32 Slapen op of aan de weg 21
- Artikel 2.33 Bedelarij 21
- Artikel 2.34 Loslopende honden 21
- Artikel 2.35 Verontreiniging door honden 22
- Artikel 2.36 Gevaarlijke honden 22
- Artikel 2.37 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 23
- Artikel 2.38 Loslopend vee en pluimvee 23
- Artikel 2.39 Begripsomschrijving ` 23
- Artikel 2.40 Bezigen van vuurwerk 23
- Artikel 2.41 Carbidschieten 24
- Artikel 2.42 Verbod drugshandel op straat 25
- Artikel 2.43 Veiligheidsrisicogebieden 25
- Artikel 2.44 Cameratoezicht op openbare plaatsen 25
- Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen 26
- Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan 27
- Artikel 3.3 Nadere regels 27
- Artikel 3.4 Exploitatievergunning seksinrichtingen 27
- Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder 27
- Artikel 3.6 Sluitingstijden 28
- Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 29
- Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 29
- Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie 29
- Artikel 3.10 Sekswinkels 29
- Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- 30
- Artikel 3.12 Weigeringsgronden 30
- Artikel 3.13 Beëindiging exploitatie 31
- Artikel 3.14 Wijziging beheer 31
- Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen 32
- Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 32
- Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 33
- Artikel 4.4 Overige vormen van geluidhinder 33
- Artikel 4.5 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 34
- Artikel 4.6 Natuurlijke behoefte doen 34
- Artikel 4.7 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en 34
- Artikel 4.8 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest,
- Artikel 4.9 Handelsreclame 35
- Artikel 4.10 Begripsomschrijving 36
- Artikel 4.11 ` Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 36
- Artikel 4.12 Aanwijzing kampeerplaatsen 36
- Artikel 4.13 Beschermde planten 36
- Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen 38
- Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. 38
- Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen 38
- Artikel 5.4 Defecte voertuigen 39
- Artikel 5.5 Voertuigwrakken 39
- Artikel 5.6 Caravans e.d. 39
- Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen 39
- Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen 39
- Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 39
- Artikel 5.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 40
- Artikel 5.11 Overlast van fietsen en bromfietsen 40
- Artikel 5.12 Inzameling van geld of goed 41
- Artikel 5.13 Venten e.d. 41
- Artikel 5.14 Standplaatsen en uitstallingen 41
- Artikel 5.15 Crossterreinen 42
- Artikel 5.16 Beperking verkeer in natuurgebieden 42
- Artikel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen 43
- Artikel 5.18 Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins
- Artikel 5.19 Rookverbod44
- Artikel 5.20 Begripsomschrijving 44
- Artikel 5.21 Verbod incidentele asverstrooiing 45
- Artikel 5.22 Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast 45
- Artikel 6.1 Strafbepaling 46
- Artikel 6.2 Toezichthouders 46
- Artikel 6.3 Binnentreden van woningen 46
- Artikel 6.4 Inwerkingtreding 46
- Artikel 6.5 Overgangsbepaling 46
- Artikel 6.6 Aanhalingstitel 47
- Artikel1.3 Indiening van aanvraag
- Artikel1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
- Artikel1.9 Fictieve beschikking
- Artikel2.21a Handel in horecabedrijven
- Artikel5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen
- Artikel 4:14
- Artikel 1:8 Weigeringsgronden
- Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- Artikel 2 Wom bevat 2 criteria om vast te stellen of sprake is van een openbare
- Artikel 2a
- Artikel 7
- Artikel 10.2
- Artikel 5:16
Algemene Plaatselijke Verordening 2010De raad van de gemeente Winterswijk; overwegende dat: het in het streven naar vermindering van de regeldruk voor burgers en ondernemers wenselijk is de Algemene Plaatselijke Verordening te wijzigen; in dat kader verschillende vergunningstelsels en gebodsbepalingen afgeschaft of vereenvoudigd worden; deze verordening ook geactualiseerd moet worden in verband met o.m. de inwerkingtreding van de Europese Dienstenrichtlijn en het vervallen van de Wet op de Openluchtrecreatie; het voorts gewenst is om in navolging van de model-APV van de VNG de hoofdstukindeling en nummering van de Algemene Plaatselijke Verordening aan te passen; in verband met de vele wijzigingen een nieuwe verordening onder de naam Algemene Plaatselijke Verordening 2010 is opgesteld; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van 18 januari 2010, nr. I-7; b e s l u i t 1. vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (APV), overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage;
Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in zijn openbare vergadering gehouden op 28 januari 2010, de voorzitter, de griffier, Inhoudsopgave Algemene Plaatselijke Verordening 2010
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen 8
Artikel 1.2Beslistermijn 9
Artikel 1.3Indiening aanvraag 9
Artikel 1.4Voorschriften en beperkingen 9
Artikel 1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 10
Artikel 1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 10
Artikel 1.7Termijnen 10
Artikel 1.8Weigeringsgronden 10
Hoofdstuk 2 Openbare orde 11
Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden 11
Artikel 2.1Samenscholing en ongeregeldheden 11
Afdeling 2 Betogingen11
Artikel 2.2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 11
Afdeling 3 Bruikbaarheid van de weg 12
Artikel 2.3Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg 12
Artikel 2.4Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 13
Artikel 2.5Maken en veranderen van een uitweg 13
Afdeling 4 Veiligheid op de weg 14
Artikel 2.6Veroorzaken van gladheid 14
Artikel 2.7Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp 14
Artikel 2.8Openen straatkolken e.d. 14
Artikel 2.9Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 14
Artikel 2.10Voorzieningen voor verkeer en verlichting 14
Artikel 2.11Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en 14
verlichting
Afdeling 5 Droppings15
Artikel 2.12Droppings 15
Afdeling 6 Toezicht op evenementen16
Artikel 2.13Begripsomschrijving 16
Artikel 2.14Evenementen 16
Artikel 2.15Ordeverstoring bij evenementen 16
Afdeling 7 Toezicht op horecabedrijven 17
Artikel 2.16Begripsomschrijvingen 17
Artikel 2.17Terrassen 17
Artikel 2.18Sluitingstijden 17
Artikel 2.19Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 18
Artikel 2.20Aanwezigheid in gesloten inrichting 18
Artikel 2.21Ordeverstoring 18
Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden 18
Artikel 2.22Begripsomschrijvingen 18
Artikel 2.23Exploitatievergunning speelgelegenheid 18
Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid 19
Artikel 2.24Betreden gesloten woning 19
Artikel 2.25Plakken en kladden 19
Artikel 2.26Vervoer inbrekerswerktuigen 20
Artikel 2.27Hinderlijk gedrag op of aan de weg 20
Artikel 2.28Hinderlijk drankgebruik 20
Artikel 2.29Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 20
Artikel 2.30Neerzetten van fietsen e.d. 21
Artikel 2.31Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 21 23
Artikel 2.32Slapen op of aan de weg 21
Artikel 2.33Bedelarij 21
Artikel 2.34Loslopende honden 21
Artikel 2.35Verontreiniging door honden 22
Artikel 2.36Gevaarlijke honden 22
Artikel 2.37Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 23
Artikel 2.38Loslopend vee en pluimvee 23
Afdeling 10 Vuurwerk/carbid23
Artikel 2.39Begripsomschrijving ` 23
Artikel 2.40Bezigen van vuurwerk 23
Artikel 2.41Carbidschieten 24
Afdeling 11 Drugsoverlast25
Artikel 2.42Verbod drugshandel op straat 25
Afdeling 12 Veiligheidsrisicogebieden25
Artikel 2.43Veiligheidsrisicogebieden 25
Artikel 2.44Cameratoezicht op openbare plaatsen 25
Hoofdstuk 3 Prostitutie en seksinrichtingen 26
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels26
Artikel 3.1Begripsomschrijvingen 26
Artikel 3.2Bevoegd bestuursorgaan 27
Artikel 3.3Nadere regels 27
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.27
Artikel 3.4Exploitatievergunning seksinrichtingen 27
Artikel 3.5Gedragseisen exploitant en beheerder 27
Artikel 3.6Sluitingstijden 28
Artikel 3.7Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 29
Artikel 3.8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 29
Artikel 3.9Raam- en straatprostitutie 29
Artikel 3.10Sekswinkels 29
Artikel 3.11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- 30
pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3 Weigeringsgronden30
Artikel 3.12Weigeringsgronden 30
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer 30
Artikel 3.13Beëindiging exploitatie 31
Artikel 3.14Wijziging beheer 31
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorgvoor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1 Geluidhinder32
Artikel 4.1Begripsomschrijvingen 32
Artikel 4.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 32
Artikel 4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten 33
Artikel 4.4Overige vormen van geluidhinder 33
Afdeling 2 Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering
Artikel 4.5Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 34
Artikel 4.6Natuurlijke behoefte doen 34
Artikel 4.7Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en 34
putten buiten gebouwen
Afdeling 3 Voorwerpen/stoffen op of aan onroerende zaken 34
Artikel 4.8
Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwprodukten e.d. 34
Artikel 4.9Handelsreclame 35
Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen36
Artikel 4.10Begripsomschrijving 36
Artikel 4.11` Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 36
Artikel 4.12Aanwijzing kampeerplaatsen 36
Afdeling 5 Beschermde planten36
Artikel 4.13Beschermde planten 36
Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding dergemeente 38
Afdeling 1 Parkeerexcessen 38
Artikel 5.1Begripsomschrijvingen 38
Artikel 5.2Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. 38
Artikel 5.3Te koop aanbieden van voertuigen 38
Artikel 5.4Defecte voertuigen 39
Artikel 5.5Voertuigwrakken 39
Artikel 5.6Caravans e.d. 39
Artikel 5.7Parkeren van reclamevoertuigen 39
Artikel 5.8Parkeren van grote voertuigen 39
Artikel 5.9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 39
Artikel 5.10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 40
Artikel 5.11Overlast van fietsen en bromfietsen 40
Afdeling 2 Collecteren en verkopen41
Artikel 5.12Inzameling van geld of goed 41
Artikel 5.13Venten e.d. 41
Artikel 5.14Standplaatsen en uitstallingen 41
Afdeling 3 Crossterreinen en natuurgebieden 42
Artikel 5.15Crossterreinen 42
Artikel 5.16Beperking verkeer in natuurgebieden 42
Artikel 5.17Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen 43
Afdeling 4 Verbod om vuur te stoken / rookverbod44
Artikel 5.18Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins
vuur te stoken 44
Artikel 5.19Rookverbod44
Afdeling 5 Verstrooiing van as 44
Artikel 5.20Begripsomschrijving 44
Artikel 5.21Verbod incidentele asverstrooiing 45
Artikel 5.22Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast 45
Hoofdstuk 6Straf-, overgangs- en slotbepalingen 46
Artikel 6.1Strafbepaling 46
Artikel 6.2Toezichthouders 46
Artikel 6.3Binnentreden van woningen 46
Artikel 6.4Inwerkingtreding 46
Artikel 6.5Overgangsbepaling 46
Artikel 6.6Aanhalingstitel 47
Hoofdstuk 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
A Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare plaatsen alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
B Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
C Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet.
D Rechthebbende: een ieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
E Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder 1a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
F Bouwwerk: elk bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening.
G Gebouw: elk gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Woningwet.
H Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.
I Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen.
J Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
K Geluidsapparaat: een apparaat, bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid L Samenscholing: het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben.
M Bevoegd gezag bestuursorgaan als bedoeld in artkel 1,1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. bestuursorgaan als bedoeld in artkel 1,1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1.2Beslistermijn
1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.Het bestuursorgaan kan de termijn als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste acht weken verlengen.
3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, artikel 2.5 en artikel 4.9.
Artikel1.3Indiening van aanvraag
1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde orgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
Artikel 1.4Voorschriften en beperkingen
1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald, of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.
Artikel1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder van de vergunning of ontheffing dit verzoekt.
Artikel 1.7Termijnen
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel 1.8Weigeringsgronden
Tenzij anders is vermeld kan de vergunning of ontheffing door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.
Artikel1.9Fictieve beschikking
1.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: artikel 2.4, lid 1 : vergunning aanleg of veranderen van een weg artikel 2.5, lid 1 : vergunning maken of veranderen van een uitweg artikel 2.24, lid 4 : ontheffing verbod betreden gesloten woning of lokaal artikel 2.28, lid 3 : ontheffing verbod gebruik alcoholhoudende drank op de weg artikel 2.32, lid 2 : ontheffing verbod slapen op of aan de weg artikel 2.34, lid 3 : ontheffing verbod loslopende honden artikel 2.41, lid 4 : ontheffing verbod carbid schieten artikel 4.4, lid 2 : ontheffing veroorzaken geluidhinder artikel 4.11, lid 3 : ontheffing verbod recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen artikel 5.2, lid 4 : ontheffing verbod parkeren voertuigen van autobedrijven e.d. artikel 5.6, lid 2 : ontheffing verbod caravans e.d. op de weg artikel 5.7, lid 2 : ontheffing verbod parkeren reclamevoertuigen op de weg artikel 5.8, lid 4 : ontheffing verbod parkeren grote voertuigen op de weg artikel 5.10, lid 3 : ontheffing verbod betreden groenvoorzieningen met voertuigen artikel 5.12, lid 1 : vergunning inzameling van geld of goederen artikel 5.16, lid 5 : ontheffing verbod toegang natuurgebieden artikel 5.18, lid 2 : ontheffing verbod verbranden van afval en stoken van vuur in de openlucht 2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de volgende artikelen van deze verordening: artikel 2.3, lid 1 : vergunning gebruik openbare weg artikel 2.14, lid 1 : vergunning organiseren evenement artikel 2.23, lid 1 : vergunning exploitatie speelgelegenheid artikel 3.4, lid 1 : vergunning exploitatie seksinrichting
Hoofdstuk 2
OPENBARE ORDE
Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2.1Samenscholing en ongeregeldheden
1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het derde lid.
5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2: Betogingen
Artikel 2.2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van de beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te bevorderen.
3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Afdeling 3: Bruikbaarheid van de weg
Artikel 2.3Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg
1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.
2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen; b. zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover:
3.Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde vormen van gebruik van de weg of een weggedeelte vrijstelling van het verbod in het eerste lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht invoeren onder het stellen van algemene voorschriften.
5.Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
6.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
7.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of het Gelders wegenreglement.
Artikel 2.4(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.
4.Het in het eerste lid bepaalde geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Gelders wegenreglement, de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 2.5Maken en veranderen van een uitweg
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken , de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
Afdeling 4 : Veiligheid op de weg
Artikel 2.6Veroorzaken van gladheid
1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water of andere vloeistoffen die gladheid kunnen veroorzaken op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.7Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of op andere wijze hinder of gevaar voor het wegverkeer wordt veroorzaakt.
Artikel 2.8Openen straatkolken e.d
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.9Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1.Het is verboden langs het voor voetgangers en/of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben op een afstand van minder dan 0.25 meter uit de uiterste boord van de weg.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.10Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2.11Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 5 : Droppings
Artikel 2.12Dropping
1.Degene die voornemens is een dropping te houden moet hiervan tenminste 72 uur voordat de dropping gehouden zal worden schriftelijk kennis geven aan de burgemeester onder vermelding van:
3.Indien een dropping naar verwachting zal leiden tot een verstoring van de openbare orde of een aantasting van natuurgebieden of indien bij een dropping de veiligheid van de deelnemers aan de dropping of anderen onvoldoende gewaarborgd is, kan de burgemeester de te houden dropping verbieden.
Afdeling 6: Toezicht op evenementen
Artikel 2.13Begripsomschrijving
1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen en het hier doen plaatsvinden van muziekoptredens; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.12 van deze verordening.
2.Onder evenement wordt mede verstaan: a. een braderie, rommelmarkt, snuffelmarkt, beurs of een andere voor het publiek toegankelijke markt waar verkoop van goederen plaatsvindt met uitzondering van een markt als bedoeld in het eerste lid onder b.; b. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2, c. een feest, muziekoptreden of wedstrijd op of aan de weg.
Artikel 2.14Evenementen
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een venement te organiseren.
2.De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen of een meldingsplicht invoeren voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen.
3.De burgemeester kan met betrekking tot een categorie evenementen waarvoor op grond van het tweede lid vrijstelling is verleend of een meldingsplicht is ingevoerd algemene voorschriften vaststellen.
4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.15Ordeverstoring bij evenemente
Het is verboden bij evenementen de orde te verstoren.
Afdeling 7: Toezicht op horecabedrijven
Artikel 2.16Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt met inbegrip van het bij dit bedrijf behorende terras en de andere aanhorigheden; b. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt; c. exploitant: degene die een horecabedrijf exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder van die rechtspersoon is; d. bezoekers: degenen die in het horecabedrijf verblijven met uitzondering van:
Artikel 2.17Terrassen
1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid beslist de burgemeester op een vergunningsaanvraag tot de ingebruikname van de weg indien dit gebruik betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Gelders wegenreglement.
Artikel 2.18Sluitingstijden
1.Het is de exploitant verboden zijn horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 06.00 uur.
2.De burgemeester kan aan een exploitant ontheffing van het bepaalde in het eerste lid verlenen.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in dit onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 2.19Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.18 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.
Artikel 2.20Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.18 of ingevolge een op grond van artikel 2.19 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2.21Ordeverstoring
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
Artikel2.21aHandel in horecabedrijven
2.De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Afdeling 8 : Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.22Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren; b.exploitant: degene die een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon. c.beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.
Artikel 2.23Exploitatievergunning speelgelegenheid
1.Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op: a. speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; b. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen te beoefenen of waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1 onder a van de Wet op de Kansspelen omschreven handeling. d. de door de burgemeester aangewezen soorten speelgelegenheden.
3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning: a. indien de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid door de exploitatie van de speelgelegenheid naar zijn oordeel op ontoelaatbare wijze nadelig zullen worden beïnvloed; b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het geldende bestemmingsplan.
Afdeling 9 : Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.24Betreden gesloten woning of lokaal
1.Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
3.De verboden in het eerste en tweede lid gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.
4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2.25Plakken en kladden
1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend goed dat vanaf de weg zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien: a. gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift of b. gebruik wordt gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen plakgelegenheden.
Artikel 2.26Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde tassen
1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben gereedschappen of andere hulpmiddelen waarmee handelingen kunnen worden verricht als verboden in artikel 2.25 of in de artikelen 138, 310 en 350 Wetboek van Strafrecht, met het kennelijke doel dergelijke handelingen te verrichten.
2.Het in verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende de openingstijden daarvan, een tas te vervoeren of aanwezig te hebben die ertoe uitgerust is om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
Artikel 2.27Hinderlijk gedrag op of aan de weg
1.Het is verboden: a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.28Hinderlijk drankgebruik
1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeeltes alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen of aangebroken blikjes gevuld met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort tot een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet is verleend; c. de plaats waar een evenement plaatsvindt waarvoor op grond van artikel 2.14 vergunning is verleend of een vrijstelling of meldingsplicht geldt.
3.De burgemeester kan ontheffing van het verbod in het eerste lid verlenen.
Artikel 2.29Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2.30Neerzetten van fietsen e.d
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: a, dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor de toegang tot dat gebouw of de ingang van dat portiek versperd wordt.
Artikel 2.31Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2.32Slapen op of aan de weg
1.Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
2.Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten.
4.Het in het eerste lid bepaalde voorts geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woonwagenwet of door artikel 4.11.
Artikel 2.33Bedelarij
Het is verboden op of aan een door burgemeester en wethouders aangewezen weg of voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen.
Artikel 2.34Loslopende honden
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere c. oor burgemeester en wethouders aangewezen plaats; d. buiten de bebouwde kom zonder deze hond onder geleide of direct toezicht te houden.
2.Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.
3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in het eerste lid onder a verlenen indien van de eigenaar of houder in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de hond aangelijnd is.
Artikel 2.35Verontreiniging door honden
1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. op wegen binnen de bebouwde kom; b. op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats; c. op andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.
2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de in dit lid bedoelde persoon ervoor zorgt dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd.
3.De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met die hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt: a. een geschikt en doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben om de uitwerpselen van die hond te verwijderen, en b.dit hulpmiddel op eerste vordering te tonen aan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening of aan een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.2a van deze verordening.
4.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.
Artikel 2.36Gevaarlijke honden
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: a. anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk hebben meegedeeld dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden; b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.
2.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. muilkorf: een korf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals van de hond zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig gevormd is dat de hond door het dragen hiervan geen mens of dier kan bijten, b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
Artikel 2.37Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden om een of meer dieren te houden op een voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze.
2.Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar of houder van een of meer dieren verplichten maatregelen te treffen ter voorkoming van hinder of schade voor de omgeving.
3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.
Artikel 2.38Loslopend vee en pluimvee
De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.
Afdeling 10: Vuurwerk/carbid
Artikel 2.39Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (het Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 2.40Bezigen van vuurwerk
1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door burgemeester en wethouders ter voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2.Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien hierdoor gevaar, schade of ernstige overlast wordt veroorzaakt.
3.Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.41Carbid schieten
1.Onder carbidschieten wordt in dit artikel verstaan: het in een bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
2.Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten.
3.Het verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur; b. bij het carbidschieten wordt gebruik gemaakt van bussen met een maximale inhoud van 40 liter; c. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste:
4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod in het tweede lid verlenen.
5.Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11 : Drugsoverlast
Artikel 2.42Verbod drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 12 : Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2.43Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2.44Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot de plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een weg of andere voor het publiek toegankelijke plaats.
Hoofdstuk 3
PROSTITUTIE EN SEKSINRICHTINGEN
Afdeling 1: Begripsomschrijvingen en nadere regels
Artikel 3.1Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
Artikel 3.2Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3.3Nadere regels
Met het oog op de in artikel 3.12 lid 2 genoemde belangen kunnen burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3.4Exploitatievergunning seksinrichtingen
1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a.de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
Artikel 3.5Gedragseisen exploitant en beheerder
1.De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.
2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid zijn de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan duizend gulden bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
6.Indien de exploitant een rechtpersoon is, dan geldt het bepaalde in de vorige leden voor de natuurlijke personen die tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegd zijn.
Artikel 3.6Sluitingstijden
1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 06.00 uur;
2.Het bevoegde orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.
3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn.
4.Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 3.7Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
1.Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe, dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
Artikel 3.9Raam- en straatprostitutie
1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken op of aan door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of voor het publiek toegankelijke plaatsen gedurende door hen vastgestelde tijden.
2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
Artikel 3.10Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3.11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.
Afdeling 3: Weigeringsgronden
Artikel 3.12Weigeringsgronden
1.De vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid worden geweigerd: a.in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
Afdeling 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3.13Beëindiging exploitatie
1.De vergunning vervalt zodra de exploitant op de vergunning vermelde, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.
Artikel 3.14Wijziging beheer
1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1 onder g. het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.
2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.5 is van overeenkomstige toepassing.
3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Hoofdstuk 4
BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN DE ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1 : Geluidhinder
Artikel 4.1Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Artikel 4.2Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door burgemeester en wethouders aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een of meer gebiedsdelen.
3.Voor festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) tengevolge van muziekactiviteiten niet meer bedraagt dan 65 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
4.De geluidswaarde als bedoeld in het derde lid is inclusief onversterkte muziek.
5.Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in lid 3 wordt geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten 6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van muziek met een geluidsniveau hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 24 uur te worden beëindigd, tenzij burgemeester en wethouders anders hebben bepaald.
Artikel 4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten
65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter, en 45 dB(A), gemeten in de binnenruimte van aanpandige gevoelige gebouwen; de hiervoor genoemde normen gelden ook voor onversterkte muziek; het bepaalde in het eerste lid geldt uitsluitend voor muziekactiviteiten die in de binnenruimte van de inrichting plaatsvinden; de muziekactiviteiten moeten op vrijdag- en zaterdagavond uiterlijk om 01.00 uur en op andere dagen uiterlijk om 24.00 uur zijn beëindigd; de tijdsduur van een muziekactiviteit bedraagt maximaal 4 uur; tijdens het ten gehore brengen van muziek moeten ramen en deuren van de inrichting gesloten blijven, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
3.Bij de vaststelling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als bedoeld in het tweede lid wordt geen toeslag muziekcorrectie berekend. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
4.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere omstandigheden op verzoek van de houder van de inrichting toestaan dat van de voorschriften in het tweede lid wordt afgeweken.
5.Indien de voorschriften als bedoeld in het tweede lid bij voorgaande festiviteiten niet zijn nageleefd, kunnen burgemeester en wethouders de festiviteiten verbieden.
Artikel 4.4Overige vormen van geluidhinder
1.Het is verboden buiten een inrichting, in de zin van de Wet milieubeheer, met toestellen of geluidsapparaten dan wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
3.Burgemeester en wethouders kunnen voor bepaalde door hen aan te wijzen activiteiten vrijstelling van het verbod in het eerste lid verlenen of hiervoor een meldingsplicht invoeren.
4.Burgemeester en wethouders kunnen met betrekking tot activiteiten waarvoor op grond van het derde lid vrijstelling is verleend of een meldingsplicht is ingevoerd algemene voorschriften vaststellen.
5.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels, de Luchtvaartwet, het Wetboek van Strafrecht, het Vuurwerkbesluit of de Wet milieugevaarlijke stoffen.
Afdeling 2: Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering
Artikel 4.5Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg
1.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: a. indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; b. indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag terstond na beëindiging van de werkzaamheden op die dag te reinigen of te doen reinigen.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.
Artikel 4.6Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4.7Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4.8Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d
1.Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerende zaak in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid bij persoonlijke aanschrijving verbieden deze zaak geheel of gedeeltelijk te gebruiken of te doen gebruiken voor het opslaan of aanwezig hebben van de volgende voorwerpen of stoffen: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen; d. mest, ingekuild gras of andere landbouwproducten, plastic, oude metalen, glas, afbraakmaterialen, puin of andere niet meer in gebruik zijnde materialen; e. autowrakken.
2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Verordening bedrijfsafvalstoffen Gelderland, het Besluit Beheer Autowrakken, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Gelderland en afvalstoffenverordening Winterswijk.
Artikel 4.9Handelsreclame
1.Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegde gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
2.Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken welke daartoe zijn aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning bedoeld als in het eerste lid worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
4.Het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet milieubeheer of de Provinciale landschapsverordening.
Afdeling 3: Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4.10Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4.11Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zodanig in het bestemmingplan is bestemd of mede bestemd.
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen.
Artikel 4.12Aanwijzing kampeerplaatsen
1.Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.11, eerste lid niet geldt.
2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.11, vierde lid.
Afdeling 4: Beschermde planten
Artikel 4.13Beschermde planten
1.Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij aangeduide planten te plukken, van hun plaats te verwijderen en/of bij zich te hebben.
2.Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens het eerste lid aangewezen plaats de daarbij aangeduide planten te plukken, van hun plaats te verwijderen en/of bij zich te hebben.
3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Flora- en Faunawet van toepassing is.
Hoofdstuk 5
ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1: Parkeerexcessen
Artikel 5.1Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Artikel 5.2Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d
1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
3.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
4.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5.3Te koop aanbieden van voertuigen
1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeelten voertuigen te parkeren met het kennelijke doel deze te koop aan te bieden of te verhandelen.
2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5.4Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5.5Voertuigwrakken
1.Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
2.Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5.6Caravans e.d
1.Het is verboden een camper, woonwagen, caravan, keetwagen, aanhanger of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel voor andere doeleinden dan vervoer wordt gebruikt of is bestemd: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een weg of openbare grond te plaatsen of geplaatst te hebben; b. op een door burgemeester en wethouders bij persoonlijke aanschrijving aangewezen plaats te plaatsen of geplaatst te hebben waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of hinderlijk voor anderen is danwel de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Gelders wegenreglement.
Artikel 5.7Parkeren van reclamevoertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.
2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5.8Parkeren van grote voertuigen
1.Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte heeft van meer dan 2,4 meter te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.Het is verboden een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, te parkeren op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
3.Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken naar tijd.
4.Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 5.9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5.10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een niet van de weg deel uitmakende, van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op wegen als bedoeld in artikel 5.1; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5.11Overlast van fietsen en bromfietsen
1.Burgemeester en wethouders kunnen op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van:
2.Burgemeester en wethouders kunnen op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het verboden is langer dan een door hen te bepalen periode gebruik te maken van voor het parkeren van fietsen of bromfietsen bestemde ruimten of plaatsen.
3.Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan.
Afdeling 2 : Collecteren en verkopen
Artikel 5.12Inzameling van geld of goed
1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.
Artikel 5.13Venten e.d
Het is verboden op of aan de weg, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven danwel diensten aan te bieden, indien daardoor de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht of het verkeer ernstig gehinderd wordt.
Artikel 5.14Standplaatsen
1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben met het doel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken dan wel diensten aan te bieden;
2.Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een verkoopplaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.13 3.Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
4.Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning indien de standplaats in strijd met een geldend bestemmingsplan wordt ingenomen.
5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
6.Indien de aanvraag om een standplaatsvergunning een activiteit betreft waarvoor tevens een milieuvergunning is vereist, houden burgemeester en wethouders de beslissing op deze aanvraag aan tot op de dag waarop een beslissing omtrent de aanvraag om deze milieuvergunning is genomen, tenzij de standplaatsvergunning op één van de gronden in het vorige lid of in artikel 1.8 zal worden geweigerd.
Afdeling 3 : Crossterreinen en natuurgebieden
Artikel 5.15Crossterreinen
1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.
3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
Artikel 5.16Beperking verkeer in natuurgebieden
1.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de bescherming van flora en fauna en/of ter voorkoming van overlast voor het publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen, waar het verboden is: a. zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard aldaar te bevinden, dan wel b. zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard buiten de als zodanig herkenbare paden te begeven of te bevinden, dan wel c. zich met een motorvoertuig, bromfiets, fiets of paard aldaar te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.
2.Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gebruik van de gebieden en terreinen als genoemd in het eerste lid regels stellen: a. in het belang van het voorkomen van overlast; b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. in het belang van de openbare orde en veiligheid, en d. in het belang van de volksgezondheid.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en voor berijders van paarden a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid RVV 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel";
5.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel5.17Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen
Onverminderd het bepaalde in artikel 5.16 kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van door hen bij openbaar besluit aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen: a.in het belang van de openbare orde; b. in het belang van de zedelijkheid; c. ter voorkoming van gevaar, schade en overlast; d. ter bescherming van het milieu; e. in het belang van de volksgezondheid.
Afdeling 4 : Verbod om vuur te stoken / rookverbod
Artikel 5.18Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, indien dit schadelijk is voor het milieu en/of indien dit gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
2.Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen.
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kunnen burgemeester en wethouders een ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van flora en fauna.
4.Het verbod in het eerste geldt niet voor het verbranden van snoeihout op het terrein waar het is vrijgekomen mits: a. het terrein is gelegen buiten de bebouwde kom; b. degene die snoeihout verbrandt hierop voldoende toezicht uitoefent ter voorkoming van brandgevaar; c. het verbranden geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving veroorzaakt.
5.In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders het verbranden van snoeihout tijdelijk verbieden dan wel nadere regels stellen ter voorkoming van brandgevaar als gevolg van droogte.
Artikel 5.19Rookverbod
1.Het is het verboden te roken in bossen en andere natuurgebieden dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door burgemeester en wethouders aangewezen periode.
2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of aangrenzende erven die als tuin zijn ingericht.
Afdeling 5: Verstrooiing van as
Artikel 5.20Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiïng: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaanden(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5.21Verbod incidentele asverstrooiing
1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen;
2.Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3.Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 5.22Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder of overlast
Incidentele asverstrooiing is verboden, indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Hoofdstuk 6
STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 6.1Strafbepaling
1.Overtreding van het bepaalde in de artikelen van deze verordening en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: de artikelen 4.2 en 4.3 van deze verordening.
Artikel 6.2Toezichthouders
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de buitengewone opsporingsambtenaren als genoemd artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de ambtenaren van de politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid van de Politiewet 1993, en de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel door de burgemeester aangewezen personen.
Artikel 6.3Binnentreden van woningen
Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6.4Inwerkingtreding
1.Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag van bekendmaking hiervan.
2.Op het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening 2007, vastgesteld bij raadsbesluit van 25 oktober 2007, nr. X-9, ingetrokken.
Artikel 6.5Overgangsbepaling
1.Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.
2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij worden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.
3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.
5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is ingediend.
6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing: a. gedurende acht weken na het in werking treden van deze verordening; b. ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag als bedoeld in artikel 1.2 heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze regels en besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
Artikel 6.6Aanhalingstitel
Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening 2010.
Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2010 Inhoudsopgave toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2010 Hoofdstuk 1Algemene bepalingen 6
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen 6
Artikel 1.2Beslistermijn 9
Artikel 1.3Indiening aanvraag 10
Artikel 1.4Voorschriften en beperkingen 10
Artikel 1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 11
Artikel 1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 12
Artikel 1.7Termijnen 12
Artikel 1.8Weigeringsgronden 12
Hoofdstuk 2Openbare orde 15
Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden 15
Artikel 2.1Samenscholing en ongeregeldheden 15
Afdeling 2 Betogingen 15
Artikel 2.2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 15
Afdeling 3 Bruikbaarheid van de weg 16
Artikel 2.3Voorwerpen of stoffen op, in of boven de weg 16
Artikel 2.4Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 16
Artikel 2.5Maken en veranderen van een uitweg 17
Afdeling 4 Veiligheid op de weg 17
Artikel 2.6Veroorzaken van gladheid 18
Artikel 2.7Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp 18
Artikel 2.8Openen straatkolken e.d. 18
Artikel 2.9Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 18
Artikel 2.10Voorzieningen voor verkeer en verlichting 18
Artikel 2.11Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en 19
verlichting
Afdeling 5 Droppings 19
Artikel 2.12Droppings 19
Afdeling 6 Toezicht op evenementen 19
Artikel 2.13Begripsomschrijving 19
Artikel 2.14Evenementen 20
Artikel 2.15Ordeverstoring bij evenementen 20
Afdeling 7 Toezicht op horecabedrijven 20
Artikel 2.16Begripsomschrijvingen 21
Artikel 2.17Terrassen 21
Artikel 2.18Sluitingstijden 21
Artikel 2.19Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 22
Artikel 2.20Aanwezigheid in gesloten inrichting 22
Artikel 2.21Ordeverstoring 22
Afdeling 8 Toezicht op speelgelegenheden 23
Artikel 2.22Begripsomschrijvingen 23
Artikel 2.23Exploitatievergunning speelgelegenheid 23
Afdeling 9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid 24
Artikel 2.24Betreden gesloten woning 24
Artikel 2.25Plakken en kladden 24
Artikel 2.26Vervoer inbrekerswerktuigen 25
Artikel 2.27Hinderlijk gedrag op of aan de weg 25
Artikel 2.28Hinderlijk drankgebruik 25
Artikel 2.29Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 26
Artikel 2.30Neerzetten van fietsen e.d. 26
Artikel 2.31Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 26
Artikel 2.32Slapen op of aan de weg 26
Artikel 2.33Bedelarij 26
Artikel 2.34Loslopende honden 27
Artikel 2.35Verontreiniging door honden 27
Artikel 2.36Gevaarlijke honden 28
Artikel 2.37Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 28
Artikel 2.38Loslopend vee en pluimvee 28
Afdeling 10 Vuurwerk/carbid 28
Artikel 2.39Begripsomschrijving ` 30
Artikel 2.40Bezigen van vuurwerk 30
Artikel 2.41Carbidschieten 30
Afdeling 11 Drugsoverlast 30
Artikel 2.42Verbod drugshandel op straat 30
Afdeling 12 Veiligheidsrisicogebieden 31
Artikel 2.43Veiligheidsrisicogebieden 31
Artikel 2.44Cameratoezicht op openbare plaatsen 31
Hoofdstuk 3Prostitutie en seksinrichtingen 34
Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels 36
Artikel 3.1Begripsomschrijvingen 37
Artikel 3.2Bevoegd bestuursorgaan 37
Artikel 3.3Nadere regels 37
Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. 37
Artikel 3.4Exploitatievergunning seksinrichtingen 37
Artikel 3.5Gedragseisen exploitant en beheerder 38
Artikel 3.6Sluitingstijden 38
Artikel 3.7Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 39
Artikel 3.8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 40
Artikel 3.9Raam- en straatprostitutie 40
Artikel 3.10Sekswinkels 40
Artikel 3.11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- 41
pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3 Weigeringsgronden 41
Artikel 3.12Weigeringsgronden 41
Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer 43
Artikel 3.13Beëindiging exploitatie 43
Artikel 3.14Wijziging beheer 43
Hoofdstuk 4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voorhet uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1 Geluidhinder 44
Artikel 4.1Begripsomschrijvingen 44
Artikel 4.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 44
Artikel 4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten 45
Artikel 4.4Overige vormen van geluidhinder 46
Afdeling 2 Maatregelen tegen verontreiniging, stankoverlast en ontsiering
Artikel 4.5Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 46
Artikel 4.6Natuurlijke behoefte doen 46
Artikel 4.7Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en 46
putten buiten gebouwen
Afdeling 3 Voorwerpen/stoffen op of aan onroerende zaken 46
Artikel 4.8
Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwprodukten e.d. 46
Artikel 4.9Handelsreclame 47
Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen 47
Afdeling 5 Beschermde planten 48
Artikel 4.13Beschermde planten 48
Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente 49
Afdeling 1 Parkeerexcessen 50
Artikel 5.1Begripsomschrijvingen 50
Artikel 5.2Parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. 50
Artikel 5.3Te koop aanbieden van voertuigen 51
Artikel 5.4Defecte voertuigen 51
Artikel 5.5Voertuigwrakken 51
Artikel 5.6Caravans e.d. 52
Artikel 5.7Parkeren van reclamevoertuigen 52
Artikel 5.8Parkeren van grote voertuigen 53
Artikel 5.9Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 54
Artikel 5.10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 54
Artikel 5.11Overlast van fietsen en bromfietsen 54
Afdeling 2 Collecteren en verkopen 55
Artikel 5.12Inzameling van geld of goed 56
Artikel 5.13Venten e.d. 57
Artikel 5.14Standplaatsen en uitstallingen 57
Afdeling 3 Crossterreinen en natuurgebieden 60
Artikel 5.15Crossterreinen 60
Artikel 5.16Beperking verkeer in natuurgebieden 61
Artkel 5.17 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen 62
Afdeling 4 Verbod om vuur te stoken / rookverbod 63
Artikel 5.17Verbod afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden of anderszins
vuur te stoken 63
Artikel 5.18Rookverbod64
Afdeling 5Verstrooiing van as 65
Artikel 5.19Begripsomschrijving 65
Artikel 5.20Verbod incidentele asverstrooiing 65
Artikel 5.21Verbod incidentele asverstrooiing ingeval van hinder en overlast 65
Hoofdstuk 6Straf-, overgangs- en slotbepalingen 66
Artikel 6.1Strafbepaling 66
Artikel 6.2Toezichthouders 68
Artikel 6.3Binnentreden van woningen 70
Artikel 6.4Inwerkingtreding 73
Artikel 6.5Overgangsbepaling 73
Artikel 6.6Aanhalingstitel 73
Toelichting hoofdstuk 1 : Algemene bepalingen Algemeen Hoofdstuk 1 van de verordening bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing.
De APV bevat slechts procedurevoorschriften indien:
In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten:
Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3 van de Awb wordt het begrip "besluit" immers als volgt omschreven: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van "weg" in de afdeling "parkeerexcessen".
Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt:
A. Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen).
Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": a. de "(openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); b. de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen: c. de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.
De wegenverkeerswetgeving heeft slechts betrekking op wegen in eigenlijke zin. De bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever strekt zich echter óók uit tot andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 1930 volgt dat niet het juridisch karakter van een plaats, maar het feitelijk karakter doorslaggevend is voor de vraag of de gemeenteraad nadere regels mag stellen in het belang van de openbare orde. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1967, (APV Eindhoven), wordt duidelijk dat onder "voor het publiek toegankelijke plaatsen " moet worden verstaan alle openbare én niet openbare plaatsen welke in feite voor het publiek toegankelijk zijn. Dat de toegang tot bedoelde plaatsen mogelijk aan beperkingen onderhevig is - bijvoorbeeld door de betaling van entreegeld - doet daaraan in beginsel niet af.
De conclusie die kan worden getrokken is deze, dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is ten aanzien van alle feitelijk voor het publiek toegankelijke plaatsen regels vast te stellen - zulks ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot deze plaatsen - voorzover dat nodig is in het belang van de gemeentelijke huishouding.
Uiteraard mogen deze regels de rechten van de eigenaars niet illusoir maken en moeten de grenzen gelegen in hogere wetgeving (o.a. wegenverkeerswetgeving en Wegenwet) in acht worden genomen.
Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip "weg" in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:
Onderdeel 1 Teneinde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek.
Onderdeel 2 Door opneming van de woorden "al dan niet met enige beperking" is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van "weg", indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.
Onderdelen 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enz., die "uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven" (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip "weg" indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd gehouden van het begrip "weg", óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ("afsluitbaar").
Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is.
Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of "passages" worden gedurende de avond- en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is.
Ter verklaring van de zinsnede "die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is" wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term "openbaar" slechts de betekenis van "feitelijk voor het publiek toegankelijk". Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst terzake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is.
Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.
Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
B. Openbaar water Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk".
C. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom.
Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet.
D. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.
E. Voertuigen De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al van het RVV 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd:, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.
F. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening.
G. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.
H. Vee:
Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en parelhoenders.
I. Pluimvee Deze omschrijving spreekt voor zich.
J. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.
Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden.
Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.
K. Geluidsapparaat Niet elk apparaat dat geluid voortbrengt is een geluidsapparaaat; het apparaat moet ook ten doel hebben om geluid voort te brengen. Bij geluidsapparaten moet dus vooral gedacht worden aan muziekapparatuur.
L. Samenscholing Omdat niet elke groepsvorming als samenscholing wordt aangemerkt en het begrip samenscholing verschillend kan worden uitgelegd, is hiervan een begripsomschrijving opgenomen.
Artikel 1.2Beslistermijn
Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is.
In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid Awb wordt gesteld.
Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd een redelijke termijn.
Artikel 4:14
Awb verplicht uiteraard tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.
Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.
De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.
Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio.
Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.
Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.
Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.
Lex silencio positivo Volgens de Dienstenrichtlijn geldt in beginsel de lex silencio positivo hetgeen betekent dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als niet binnen de voorgeschreven termijn van 8 weken (of eventueel na verlenging c.q. verdaging van het te nemen besluit) een besluit op de aanvraag is genomen; hiervan kan alleen afgeweken worden wanneer ook hier sprake is van zwaarwegende belangen.
Tot 2012 geldt evenwel een overgangstermijn inhoudende dat de lex silencio positivo alleen van toepassing is als dit expliciet is vermeld; vanaf 2012 is de lex silencio positivo in principe op alle vergunningen van toepassing tenzij een vergunning expliciet hiervan uitgezonderd is.
Aan het vorenstaande is toepassing gegeven in artikel 1.2 derde lid waarin is bepaald dat de lex silencio positivo voorlopig (alleen) van toepassing is op de ontheffing van de sluitingstijden (artikel 2.18) en de standplaatsvergunning (artikel 5.14).
Artikel 1.3Indiening aanvraag
In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.
Deze termijn van acht weken geldt met name voor de meer ingewikkelde vergunningsaanvragen waarbij advies bij meerdere instanties ingewonnen moet worden en de vergunningsaanvraag gepubliceerd wordt. Wel zal het bevoegde bestuursorgaan vooraf in een uitvoeringsbesluit moeten aangeven op welke vergunningen en/of ontheffingen deze verlengde termijn van toepassing is.
Artikel 1.4Voorschriften en beperkingen
In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Deze voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.
Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.
De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.
Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.
Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.
Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen.
Artikel 1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing.