Bouwverordening (Ameland)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening, genaamd de Bouwverordening gemeente Ameland 2010, regelt de bouwactiviteiten binnen de gemeente Ameland en stelt eisen aan onder andere bodemonderzoek, bereikbaarheid van bouwwerken en brandveiligheid.
Voor wie: Iedereen die een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvraagt in de gemeente Ameland; Eigenaren van bouwwerken die bestemd zijn voor het verblijf van mensen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 170
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De eisen voor bodemonderzoek bij bouwaanvragen, inclusief onderzoek naar asbest.
- Het verbod op bouwen op verontreinigde bodem en de voorwaarden hiervoor.
- De bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, inclusief brandblusvoorzieningen.
- De bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvraagt in de gemeente Ameland.
- Eigenaren van bouwwerken die bestemd zijn voor het verblijf van mensen.
Wat zijn de kernpunten?
- Bij een bouwaanvraag is een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek volgens NEN5740 (uitgave 2009) vereist, en bij vermoeden van asbest ook volgens NEN 5707 (uitgave 2003).
- Bouwen op ernstig verontreinigde bodem is verboden als dit schade of gevaar voor de gezondheid van gebruikers kan opleveren, tenzij voorwaarden aan de omgevingsvergunning dit kunnen verhelpen.
- Toegang tot bouwwerken voor mensen moet via een verbindingsweg die geschikt is voor hulpdiensten en een breedte heeft van ten minste 4,5 m, waarvan 3,25 m verhard, en een vrije hoogte van ten minste 4,2 m.
- Wegen en paden voor gehandicapten moeten ten minste 1,10 m breed zijn, een vrije doorgang van minimaal 0,85 m hebben en hoogteverschillen van maximaal 0,02 m overbruggen, tenzij via een hellingbaan.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (170)
- Artikel1
- Artikel 1 de Bouwverordening gemeente Ameland 2010 overeenkomstig het daartoe do
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 1.2 Termijnen
- Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
- Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
- Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
- Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
- Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
- Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek
- Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
- Artikel 2.1.7 Bouwregistratie
- Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
- Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
- Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
- Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
- Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
- Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
- Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
- Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)
- Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
- Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
- Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
- Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
- Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
- Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
- Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
- Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
- Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
- Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
- Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
- Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
- Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
- Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
- Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
- Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
- Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
- Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
- Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
- Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
- Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
- Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
- Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
- Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
- Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
- Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
- Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
- Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
- Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
- Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
- Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
- Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
- Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
- Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen
- Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
- Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid
- Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
- Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
- Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
- Artikel 3.2 Welstandscriteria
- Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
- Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)
- Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
- Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
- Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
- Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
- Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
- Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
- Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- Artikel 4.11 Bouwafval
- Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
- Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
- Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
- Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
- Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
- Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen,
- Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
- Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
- Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
- Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
- Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
- Artikel 5.4.1 Preventie
- Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk
- Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning
- Artikel 6.1.3 In behandeling nemen
- Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning
- Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning
- Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken
- Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen
- Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen
- Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen
- Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen
- Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
- Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
- Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
- Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
- Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf
- Artikel 7.3.2 Hinder
- Artikel 7.4.1 Preventie
- Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
- Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
- Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
- Artikel 8.1.3 In behandeling nemen
- Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
- Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel 8.2.1 Sloopmelding
- Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
- Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
- Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
- Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
- Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
- Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
- Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
- Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
- Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur
- Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
- Artikel 9.5 Termijn van advisering
- Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
- Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat
- Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
- Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
- Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
- Artikel 10.4 Overdragen mededeling
- Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
- Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
- Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw
- Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
- Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen
- Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
- Artikel 12.1 Strafbare feiten
- Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
- Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
- Artikel 12.4
- Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
- Artikel 12.6 Slotbepaling
- Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)
- Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)
- Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)
- Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)
- Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)
- Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
- Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
- Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen
- Art. 7 H. 8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed
BouwverordeningDe raad van de gemeente Ameland, Overwegende het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 september 2010; gelet op de artikel 8 en 11 van de Woningwet; besluit: vast te stellen
Artikel1
Artikel 1de Bouwverordening gemeente Ameland 2010 overeenkomstig het daartoe door de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde model, bijgewerkt tot en met de dertiende serie wijzigingen, laatstelijk bij 22 april 2010, kenmerk ECGR/U20100875, zulks met inachtneming van de wijzigingen/aanvullingen/gekozen alternatieven en 2. bijlage A, het Reglement van orde van de adviescommissie Welstand en Monumentenzorg.
1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
Artikel 1.2Termijnen
(vervallen)
Artikel 1.3Indeling van het gebied van de gemeente
Alternatief 1 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten de bebouwde kom.
Alternatief 2 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a. het gebied met de grootste maximale bouwhoogte, als bedoeld in de artikelen 2.5.20 (alternatief 2), 2.5.21 (alternatief 2), 2.5.23 (alternatief 2) en 2.5.24 (alternatief 2); b. het overige deel van de bebouwde kom; c. het gebied buiten de bebouwde kom.
Alternatief 3 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten de bebouwde kom; c. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.
Alternatief 4 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a. het gebied met de grootste maximale bouwhoogte, als bedoeld in de artikelen 2.5.20 (alternatief 2), 2.5.21 (alternatief 2), 2.5.23 (alternatief 2) en 2.5.24 (alternatief 2); b. het overige deel van de bebouwde kom; c. het gebied buiten de bebouwde kom; d. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.
2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
Artikel 2.1.1Aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
Artikel 2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens
(vervallen)
Artikel 2.1.3Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
(vervallen)
Artikel 2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van
vergunningaanvragen (vervallen)
Artikel 2.1.5Bodemonderzoek
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:
Het college verleent ontheffing voor de verplichting tot het uitvoeren van een bodemonderzoek omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem van het betreffende perceel de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde c.q. wonen heeft en dat uit een historische toets blijkt dat het terrein niet verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging door bijvoorbeeld opslag van producten, bodembedreigende bedrijfsactiviteiten en/of calamiteiten.
Om te bepalen of er sprake is van een niet verdachte locatie, dient het formulier met de historische toets ingevuld te worden door de aanvrager van de omgevingsvergunning. Op basis hiervan beoordeelt de gemeente Ameland of vrijstelling van het bodemonderzoek verleend kan worden.
Artikel 2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
bouwvergunning (vervallen)
Artikel 2.1.7Bouwregistratie
(vervallen)
Artikel 2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
woonwagens en standplaatsen (vervallen)
Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikel 2.2.1Ontvangst van de aanvraag
(vervallen)
Artikel 2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
(vervallen)
Artikel 2.2.3Bekendmaking van termijnen
(vervallen)
Artikel 2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
(vervallen)
Artikel 2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel 2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
(vervallen).
Paragraaf 3 Welstandstoetsing
Artikel 2.3.1Welstandscriteria (vervallen)
Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel 2.4.2Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
bereikbaarheidseisen
Artikel 2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
stedenbouwkundige bepalingen vervallen
Artikel 2.5.2Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.
Artikel 2.5.3A Brandweeringang
(Vervallen).
Artikel 2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Artikel 2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is: a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
Artikel 2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de
voorgevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel 2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel 2.5.8Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
overschrijding van de voorgevelrooilijn 1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in ; f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken; g. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.9Bouwen op de weg
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e. andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel 2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken 1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.
Artikel 2.5.11Ligging achtergevelrooilijn
Artikel 2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de
achtergevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel 2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
overschrijding van de achtergevelrooilijn In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen; c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 , is verzekerd; f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ; g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen
Artikel 2.5.16Erf bij overige gebouwen
Artikel 2.5.17Ruimte tussen bouwwerken
Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Artikel 2.5.18Erf- en terreinafscheidingen
Artikel 2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
ondergrondse hoofdtransportleidingen 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.
Artikel 2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
Alternatief 2 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart, 1,73 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
Artikel 2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
Alternatief 2 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart 1,73 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
Artikel 2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
achtergevelrooilijn 1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in , tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.
Artikel 2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikel 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: a. 45 graden in de bebouwde kom; b. 37 graden buiten de bebouwde kom.
Alternatief 2 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: a. 60 graden in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart; b. 45 graden in het overige deel van de bebouwde kom; c. 37 graden buiten de bebouwde kom.
Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
Alternatief 1 1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter.
Alternatief 2 1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart, niet meer bedragen dan 26 meter en de hoogte van een bouwwerk in de overige delen van de gemeente mag niet meer bedragen dan 15 meter.
Artikel 2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
terreinen 1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.
Artikel 2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Artikel 2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel 2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
overschrijding van de toegelaten bouwhoogte In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d. agrarische bedrijfsgebouwen; e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:
Artikel 2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is; b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid; d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
gebouwen Alternatief 1 1. Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed bereikbaar is, moet - voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Alternatief 2 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen
Artikel 2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.5Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.6Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
(vervallen)
Artikel 2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen
(vervallen)
Artikel 2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
(vervallen)
Artikel 2.6.11Gelijkwaardigheid
(vervallen)
Artikel 2.6.12Communicatiesysteem voor publieke
hulpverleningsdiensten (vervallen)
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
voorziening voor verwarming Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel 2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Alternatief 1 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.
Alternatief 2 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.
Artikel 2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Alternatief 1 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Alternatief 2 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
en terreinen 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
Artikel 2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikiele 2.71, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
3 De melding Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)
Artikel 3.2Welstandscriteria
(vervallen) 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel 4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (Vervallen).
Artikel 4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a. de omgevingsvergunning voor het bouwen; b. andere toestemmingen; c. het bouwveiligheidsplan; d. een besluit ingevolge artikel 13 , 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel 4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)
Artikel 4.4Het uitzetten van de bouw
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: a. het straatpeil is aangegeven; b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.
Artikel 4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
van) de bouwwerkzaamheden 1. Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.
Artikel 4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.
Artikel 4.7Bemalen van bouwputten
Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel 4.8Veiligheid op het bouwterrein
Artikel 4.9Afscheiding van het bouwterrein
Artikel 4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
Artikel 4.11Bouwafval
Artikel 4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
Artikel 4.13Melden van werken bij lage temperaturen
Artikel 4.14Verbod tot ingebruikneming
Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.
5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
Artikel 5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen
Artikel 5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan .. meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
Artikel 5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen
Artikel 5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen (vervallen)
Artikel 5.2.2
Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
van bijzondere aard (vervallen)
Artikel 5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
kantoorgebouwen (vervallen)
Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel 5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Niet van toepassing is voorgaande eis op: a. woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²; c. woningen die niet worden verhuurd; d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
Artikel 5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Artikel 5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 5.4.1Preventie
Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
6 Brandveilig gebruik
Paragraaf 1 Gebruiksvergunning
Artikel 6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk
(vervallen)
Artikel 6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel 6.1.3In behandeling nemen
(vervallen)
Artikel 6.1.4Termijn van beslissing
(vervallen)
Artikel 6.1.5Weigeren gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel 6.1.6Intrekken gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel 6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden
(vervallen)
Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
brandgevaar
Artikel 6.2.1Gebruikseisen van bouwwerken
(vervallen)
Artikel 6.2.2Opslag brandgevaarlijke stoffen
(vervallen)
Artikel 6.2.3Opslag en verwerking stoffen
(vervallen)
Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
brand
Artikel 6.3.1Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen
(vervallen)
Artikel 6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen
(vervallen)
Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid
Artikel 6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid
(vervallen) 7 Overige gebruiksbepalingen
Paragraaf 2 Staken van het gebruik
Artikel 7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a. bouwvalligheid van het bouwwerk; b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel 7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel 7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen
(vervallen).
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
Alternatief artikel:
Artikel 7.3.1Vergunningsplicht nachtverblijf
Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht , wordt het aantal personen bepaald op .... (N.B. Hier invullen bij welk gewenst aantal personen de vergunningsplicht geldt).
Artikel 7.3.2Hinder
Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 7.4.1Preventie
Paragraaf 5 Watergebruik
Artikel 7.5.1Verboden gebruik van water
Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf 6 Installaties
Artikel 7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties
Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit , het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
8 Slopen
Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel 8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen
Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
Artikel 8.1.2Aanvraag sloopvergunning
(vervallen).
Artikel 8.1.3In behandeling nemen
(vervallen).
Artikel 8.1.4Termijn van beslissing
(vervallen).
Artikel 8.1.5Samenloop van slopen en bouwen
(vervallen).
Artikel 8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;
Artikel 8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
het slopen
Artikel 8.2.1Sloopmelding
Artikel 8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een
omgevingsvergunning voor het slopen In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; c. rem- en frictiematerialen; d. pakkingen uit verbrandingsmotoren; e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.
Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel 8.3.1Veiligheid op sloopterrein
Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
Artikel 8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.
Artikel 8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
slopen 1. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.
Artikel 8.3.4Plichten van degene die sloopt
Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.
Artikel 8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
Artikel 8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
Vervallen
Paragraaf 4 Vrij slopen
Artikel 8.4.1Sloopafval algemeen
Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie Alternatief 1 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan ... die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.
Alternatief 2 1. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Artikel 9.2Samenstelling van de welstandscommissie
Alternatief 1 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en ... leden, waarvan ten minste ... leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Alternatief 2 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en ... leden, waarvan ten minste ... leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Alternatief 3 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Alternatief 4 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Artikel 9.3Benoeming en zittingsduur
Artikel 9.4Jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 9.5Termijn van advisering
Artikel 9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.
Alternatief 1:
Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.
Alternatief 2:
Er is geen spreekrecht.
Artikel 9.7Afdoening bij mandaat
Artikel 9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
Artikel 9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
10 Overige administratieve bepalingen Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen).
Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen).
Artikel 10.3Overdragen vergunningen
(vervallen).
Artikel 10.4Overdragen mededeling
(vervallen)
Artikel 10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen.
Artikel 10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
11 Handhaving
Artikel 11.1Stilleggen van de bouw
Vervallen.
Artikel 11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
Vervallen.
Artikel 11.3Stilleggen van het slopen
Vervallen.
Artikel 11.4Onderzoek naar een gebrek
(vervallen) 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1Strafbare feiten
(vervallen)
Artikel 12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek
(Vervallen)
Artikel 12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
Artikel 12.4
(vervallen).
Artikel 12.5Overgangsbepaling sloopmelding
(vervallen)
Artikel 12.6Slotbepaling
Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens) 1. Deze verordening treedt in werking op de ... dag na die waarop zij is afgekondigd.
Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding) 1. Deze verordening treedt in werking op de ... dag na die waarop zij is afgekondigd, met uitzondering van de artikelen
Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)
Artikel 3Funderingsplan (vervallen)
Artikel 4Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)
Artikel 5Bouwveiligheidsplan (vervallen)
Artikel 6Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)
Artikel 7Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)
Bijlagen 2 t/m 6 (vervallen) Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen'; d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
Beproevingsmethoden' (Engelstalig).
Bijlage 8 (vervallen) Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te worden opgesteld.
In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie.
Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten.
Bijlagen 10, 11 en 12 (Vervallen) Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV)
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
Asbest Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.
Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.
Regeling omgevingsrecht (Mor) Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning Besluit omgevingsrecht (Bor) Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.
Bevoegd gezag In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders.
Bouwbesluit 2003 Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen.
Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.
Artikel 5.10
Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau