Waterschapsverordening (Waterschap Vechtstromen)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt activiteiten in en rondom watersystemen en zuiveringtechnische werken binnen het beheergebied van Waterschap Vechtstromen, met als doel het voorkomen van waterproblemen en het beschermen van de waterkwaliteit.
Voor wie: Iedereen die activiteiten verricht die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem of een zuiveringtechnisch werk; Iedereen die een melding indient, een vergunning aanvraagt of een informatieverplichting heeft met betrekking tot activiteiten in het beheergebied.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 202
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Activiteiten in het beheergebied van het waterschap.
- Activiteiten in beperkingengebieden van waterstaatswerken, ook als deze buiten het beheergebied liggen.
- Het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste.
- Het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die activiteiten verricht die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem of een zuiveringtechnisch werk.
- Iedereen die een melding indient, een vergunning aanvraagt of een informatieverplichting heeft met betrekking tot activiteiten in het beheergebied.
Wat zijn de kernpunten?
- Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem of een zuiveringtechnisch werk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.
- Beperkingengebieden rondom waterstaatswerken zijn vastgelegd in geometrische informatieobjecten, of bij ontbreken daarvan, gelden afstanden van 5 meter vanaf de teen van een waterkering, de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, of de rand van een ondersteunend kunstwerk.
- Meldingen en aanvragen voor vergunningen moeten specifieke gegevens en bescheiden bevatten, zoals naam, adres, locatie, en een omschrijving van de activiteit.
- Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het voorkomen van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, en het beschermen van de chemische en ecologische waterkwaliteit.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (202)
- Artikel 1.1
- Artikel 1.2 Toepassingsgebied
- Artikel 1.3 Oogmerk
- Artikel 1.4 Beperkingengebieden
- Artikel 1.5 Beperkingengebied in geval van ontbreken geometrische aanwijzingen
- Artikel 1.6 Normadressaat
- Artikel 1.7 Zorgplicht watersysteem en zuiveringtechnisch werk
- Artikel 1.8 Maatwerkvoorschriften
- Artikel 1.9 Melding
- Artikel 1.10 Vergunning
- Artikel 1.11 Informatieverplichting
- Artikel 1.12 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het wa
- Artikel 1.13 Wijziging gegevens
- Artikel 1.14 Beoordelingsregel
- Artikel 1.15 Informeren over een ongewoon voorval
- Artikel 1.16 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
- Artikel 1.17 Algeheel verbod bij calamiteiten
- Artikel 2.1 Toepassingsbereik
- Artikel 2.2 Vergunningplicht
- Artikel 2.3 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.4 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.5 Toepassingsbereik
- Artikel 2.6 Vergunningplicht
- Artikel 2.7 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.8 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.9 Toepassingsbereik
- Artikel 2.10 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.11 Vergunningplicht
- Artikel 2.12 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.13 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.14 Toepassingsbereik
- Artikel 2.15 Vergunningplicht
- Artikel 2.16 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.17 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.18 Toepassingsbereik
- Artikel 2.19 Vergunningplicht
- Artikel 2.20 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.21 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.22 Toepassingsbereik
- Artikel 2.23 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.24 Vergunningplicht
- Artikel 2.25 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.26 Toepassingsbereik
- Artikel 2.27 Vergunningplicht
- Artikel 2.28 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.29 Toepassingsbereik
- Artikel 2.30 Vergunningplicht
- Artikel 2.31 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.32 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.33 Toepassingsbereik
- Artikel 2.34 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.35 Vergunningplicht
- Artikel 2.36 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.37 Toepassingsbereik
- Artikel 2.38 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.39 Vergunningplicht
- Artikel 2.40 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.41 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.42 Toepassingsbereik
- Artikel 2.43 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.44 Meldplicht
- Artikel 2.45 Indienvereisten melding
- Artikel 2.46 Vergunningplicht
- Artikel 2.47 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.48 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.49 Toepassingsbereik
- Artikel 2.50 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.51 Meldplicht
- Artikel 2.52 Indienvereisten melding
- Artikel 2.53 Vergunningplicht
- Artikel 2.54 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.55 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.56 Toepassingsbereik
- Artikel 2.57 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.58 Algemene regel
- Artikel 2.59 Vergunningplicht
- Artikel 2.60 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.61 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.62 Toepassingsbereik
- Artikel 2.63 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.64 Algemene regel
- Artikel 2.65 Vergunningplicht
- Artikel 2.66 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.67 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.68 Toepassingsbereik
- Artikel 2.69 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 2.70 Algemene regel wandelen
- Artikel 2.71 Algemene regel fietsen
- Artikel 2.72 Vergunningplicht
- Artikel 2.73 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.74 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.75 Algemene regel ruiter- en mensport
- Artikel 2.76 Vergunningplicht
- Artikel 2.77 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.78 Meldplicht evenement
- Artikel 2.79 Indienvereisten melding
- Artikel 2.80 Vergunningplicht
- Artikel 2.81 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 2.82 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.83 Inhoud specifieke zorgplicht sportvissen
- Artikel 2.84 Algemene regel sportvissen
- Artikel 2.85 Vergunningplicht
- Artikel 2.86 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.87 Inhoud specifieke zorgplicht varen
- Artikel 2.88 Algemene regel ongemotoriseerd varen
- Artikel 2.89 Vergunningplicht
- Artikel 2.90 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 2.91 Algeheel verbod
- Artikel 2.92 Algemene regel zwemmen
- Artikel 2.93 Algemene regel schaatsen
- Artikel 2.94 Toepassingsbereik
- Artikel 2.95 Vrijstelling activiteiten waterschap
- Artikel 2.96 Toepassingsbereik
- Artikel 2.97 Vergunningplicht
- Artikel 2.98 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 3.1 Toepassingsbereik
- Artikel 3.2 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 3.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
- Artikel 3.4 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
- Artikel 3.5 Toepassingsbereik
- Artikel 3.6 Algemene regel
- Artikel 3.7 Meldplicht
- Artikel 3.8 Indienvereisten meldplicht
- Artikel 3.9 Vergunningplicht
- Artikel 3.10 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 3.11 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 3.12 Lozen van grondwater bij saneringen
- Artikel 3.13 Lozen van grondwater bij ontwatering
- Artikel 3.14 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 3.15 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.16 Lozen van afvloeiend hemelwater
- Artikel 3.17 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.18 Lozen van huishoudelijk afvalwater
- Artikel 3.19 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
- Artikel 3.20 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 3.21 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.22 Koelwater
- Artikel 3.23 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.24 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen
- Artikel 3.25 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
- Artikel 3.26 Werkinstructie bij bouwen en slopen
- Artikel 3.27 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
- Artikel 3.28 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 3.29 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.30 Inerte goederen
- Artikel 3.31 Lozen bij opslaan van inerte goederen
- Artikel 3.32 Lozen bij overslaan van inerte goederen
- Artikel 3.33 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
- Artikel 3.34 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 3.35 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
- Artikel 3.36 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.37 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels
- Artikel 3.38 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
- Artikel 3.39 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden
- Artikel 3.40 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
- Artikel 3.41 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder
- Artikel 3.42 Lozen van algen en bacteriën
- Artikel 3.43 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.44 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
- Artikel 3.45 Lozen bij calamiteitenoefeningen
- Artikel 3.46 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.47 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
- Artikel 3.48 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 3.49 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
- Artikel 3.50 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
- Artikel 3.51 Lozen bij ontijzeren grondwater
- Artikel 3.52 Meet- en rekenbepalingen
- Artikel 3.53 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.54 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute
- Artikel 3.55 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving
- Artikel 3.56 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
- Artikel 3.57 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.58 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
- Artikel 3.59 Gegevens en bescheiden
- Artikel 3.60 Lozen van spoelwater
- Artikel 3.61 Asverstrooiing
- Artikel 3.62 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
- Artikel 3.63 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
- Artikel 4.1 Toepassingsbereik
- Artikel 4.2 Inhoud specifieke zorgplicht
- Artikel 4.3 Algemene regel
- Artikel 4.4 Meldplicht
- Artikel 4.5 Indienvereisten melding
- Artikel 4.6 Vergunningplicht
- Artikel 4.7 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 4.8 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
- Artikel 4.9 Algeheel verbod
- Artikel 4.10 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water
- Artikel 4.11 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
- Artikel 4.12 Toepassingsbereik
- Artikel 4.13 Algemene regel
- Artikel 4.14 Meldplicht
- Artikel 4.15 Indienvereisten melding
- Artikel 4.16 Vergunningplicht
- Artikel 4.17 Aanvraagvereisten vergunning
- Artikel 4.18 Beoordelingsregel vergunning
- Artikel 4.19 Algeheel verbod
- Artikel 5.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen
- Artikel 5.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften
- Artikel 5.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
- Artikel 5.4 Inwerkingtreding
- Artikel 5.5 Citeertitel
/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR705379 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0663/2023/waterschapsverordening /join/id/stop/work_019 2023-12-04 2023-12-04 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR705379/nld@2024-01-01 /join/id/proces/ws0663/2023/13_43_nieuweregeling 2024-01-01 2024-11-01 2024-01-01 2024-11-01 2024-01-01 2024-11-01 /akn/nl/act/ws0663/2023/waterschapsverordening/nld@43 /akn/nl/act/ws0663/2023/waterschapsverordening /akn/nl/act/ws0663/2023/waterschapsverordening/nld@43 /join/id/stop/work_019 v1 Waterschapsverordening waterschap Vechtstromen
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Afdeling 1.1
Algemeen
Artikel 1.1
1.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I en II bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op deze waterschapsverordening.
2.
Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening.
Afdeling 1.2
Toepassingsgebied en doelen
Artikel 1.2Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op: a. het beheergebied van het waterschap ; b. beperkingengebieden van waterstaatswerken die in beheer zijn bij het waterschap en buiten het beheergebied van het waterschap liggen.
Artikel 1.3Oogmerk
De regels in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de wet , gesteld op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en d. het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.
Afdeling 1.3
Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden
Artikel 1.4Beperkingengebieden
1.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot het beheergebied in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject Beheergebied Vechtstromen in de bijlage bij deze verordening.
2.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot waterstaatswerken in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject waterstaatswerken in de bijlage bij deze verordening.
3.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject oppervlaktewaterlichamen in de bijlage bij deze verordening.
4.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot de waterkeringen in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject waterkeringen in de bijlage bij deze verordening.
5.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot het onttrekken van oppervlaktewater voor beregening en bevloeiing in het door het bestuur aangewezen gebied in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject onttrekken oppervlaktewater in de bijlage bij deze verordening.
6.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot het onttrekken van grondwater voor beregening en bevloeiing in het door het bestuur aangewezen gebied in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject onttrekken grondwater in de bijlage bij deze verordening.
7.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot het winterbed van de Vecht in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject winterbed Vecht in de bijlage bij deze verordening.
8.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot de Boven Dinkel in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject boven Dinkel in de bijlage bij deze verordening.
9.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot aangewezen oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject aangewezen oppervlaktewaterlichamen in de bijlage bij deze verordening.
10.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject Niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 1.5Beperkingengebied in geval van ontbreken geometrische aanwijzingen
Als een beperkingengebied nog niet geometrisch is begrensd als bedoeld in artikel 1.4, dan bestaat het beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap uit het waterstaatswerk en het daaromheen gelegen gebied begrensd door een lijn liggend op een afstand van: a. bij een waterkering 5 meter vanuit de teen; b. bij een oppervlaktewaterlichaam 5 meter vanuit de insteek; of c. bij een ondersteunend kunstwerk 5 meter gemeten vanaf de rand van het kunstwerk.
Afdeling 1.4
Normadressaat
Artikel 1.6Normadressaat
Aan de regels in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Afdeling 1.5
Zorgplicht en maatwerkvoorschriften
Artikel 1.7Zorgplicht watersysteem en zuiveringtechnisch werk
1.
Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteiten nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem of een zuiveringtechnisch werk is verplicht: a. alle maatregelen te nemen of activiteiten te laten die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd; d. op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur een werk te verwijderen wanneer dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur geen functie meer vervult.
2.
Onder het voorkomen van nadelige gevolgen voor het watersysteem als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan het voorkomen van: a. grond- en oppervlaktewaterschaarste, grond- en oppervlaktewateroverlast, overstromingen en inundaties; b. aantasting van de bestaande staat van een waterstaatswerk; c. aantasting van de stabiliteit van bodem en taluds; d. de nadelige gevolgen voor de staat, de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering; e. de aantasting van de erosiebestendige bekleding van de waterkering; f. de belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewater of in het grondwater; g. het belemmeren van de afvoer van kwel- en regenwater bij de waterkering; h. verslechtering van de bergings-, aan- en afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam; i. belemmering van de inspectie- of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem; j. verslechtering van de chemische of ecologische grond- en oppervlaktewaterkwaliteit; k. het gebruik van uitlogend materiaal; l. belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.
3.
Onder het voorkomen van nadelige gevolgen als bedoeld in het eerste lid, wordt in geval van een lozingsactiviteit in ieder geval verstaan dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Artikel 1.8Maatwerkvoorschriften
1.
In aanvulling op of in afwijking van de zorgplicht in artikel 1.7, de specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4, de algemene regels in hoofdstuk 2, de bepalingen in Hoofdstuk 3 en de algemene regels in hoofdstuk 4, kunnen in een specifieke situatie met het oog op de doelen uit artikel 1.3 en in overeenstemming met de bijbehorende beoordelingsregels, maatwerkvoorschriften worden gesteld.
2.
Wanneer sprake is van meerdere activiteiten die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan wordt een voorschrift aan de vergunning verbonden. Een maatwerkvoorschrift kan dan niet worden gesteld.
Afdeling 1.6
Algemene indieningsvereisten
Artikel 1.9Melding
1.
Een melding bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. de aanduiding van de activiteit waarvoor de melding wordt ingediend; b. de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de plaats waarop de activiteit wordt verricht; d. een plattegrond met de exacte locatie waar de activiteit gaat plaatsvinden; e. de geometrische begrenzing van de plaats waarop de activiteit wordt verricht; f. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die eventueel als gemachtigde optreedt en de melding indient; en g. de dagtekening.
2.
Een melding die elektronisch wordt ingediend bevat de gegevens en bescheiden die in één van de volgende bestandsformaten zijn gekenmerkt als alleen lezen: a. foto's: PNG of JPG; b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a of PDF 1.4; c. officedocumenten: PDF/A-1a of PDF 1.4; d. tekeningen: PDF/X of PDF 1.4.
Artikel 1.10Vergunning
1.
Een aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering; e. de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; f. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die eventueel als gemachtigde optreedt en de aanvraag indient; en g. de dagtekening.
2.
Een aanvraag die elektronisch wordt ingediend bevat de gegevens en bescheiden die in één van de volgende bestandsformaten zijn gekenmerkt als alleen lezen: a. foto's: PNG of JPG; b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a of PDF 1.4; c. officedocumenten: PDF/A-1a of PDF 1.4; d. tekeningen: PDF/X of PDF 1.4.
Artikel 1.11Informatieverplichting
Voor activiteiten waarvoor een informatieverplichting geldt, verstrekt degene die een dergelijke activiteit verricht ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. de aanduiding van de activiteit waarvoor de informatieverplichting geldt; b. de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de plaats waarop de activiteit wordt verricht; d. de geometrische begrenzing van de plaats waarop de activiteit wordt verricht; en e. de dagtekening.
Artikel 1.12Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
1.
Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
2.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 1.13Wijziging gegevens
1.
Als de naam of het adres, als bedoeld in artikel 1.9, artikel 1.10, artikel 1.11 of artikel 1.12 wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens van tevoren verstrekt.
2.
Als de activiteit door een ander wordt verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens van tevoren verstrekt.
Afdeling 1.7
Beoordelingsregel
Artikel 1.14Beoordelingsregel
1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een wateractiviteit als bedoeld in deze verordening wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en d. het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.
2.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
3.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. niet voldaan wordt aan de omgevingswaarden als bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
4.
Het derde lid is niet van toepassing: a. voor zover dit betrekking heeft op de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit in verbinding met het eerste lid; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
5.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
6.
In afwijking van het vijfde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:
Afdeling 1.8
Ongewone voorvallen
Artikel 1.15Informeren over een ongewoon voorval
Het dagelijks bestuur wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Artikel 1.16Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
1.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden deze verstrekt aan het dagelijks bestuur: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid van de wet.
2.
Als de gegevens mondeling zijn verstrekt, worden deze zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
Afdeling 1.9
Calamiteiten
Artikel 1.17Algeheel verbod bij calamiteiten
1.
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij gevaar voor waterstaatswerken, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende streefpeilen, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen; b. water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen; c. grondwater te onttrekken of te infiltreren.
2.
Zodra het dagelijks bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.
Hoofdstuk 2
Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot waterstaatswerken
Afdeling 2.1
Bruggen
Artikel 2.1Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een brug in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3 .
Artikel 2.2Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.3Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de lengte van de brug; b. de brugdekbreedte; c. de constructie van de brug; en d. de afstand van de onderkant brug tot de insteek van het oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.4Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. aangetoond is dat de brug nodig is om op een efficiënte manier van het ene perceel op het andere perceel te komen; b. er geen gebruik gemaakt kan worden van een bestaande overgang; c. er op de betreffende percelen nog geen brug geplaatst is, en als er al wel een brug geplaatst is de afstand tussen de bruggen 250 meter of meer is; d. de brug geen wateroverlast veroorzaakt; e. als het oppervlaktwaterlichaam van insteek tot insteek minder dan 10 meter breed is, de brug geen pijlers bevat; f. de onderzijde van het brugdek niet lager dan de insteek van het oppervlaktewaterlichaam ligt; g. de aanleg en de instandhouding van de brug het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert; h. als er sprake is van onderhoud door middel van een maaiboot, de doorvaarthoogte 1 meter of meer is en de doorvaartbreedte 3,50 meter of meer is; i. als er sprake is van een vaarweg, de brug het gebruik van de vaarweg niet belemmert; j. als er sprake is van hogere doorstroomsnelheden door de aanleg van de brug, er voorzieningen worden aangelegd om onder andere schade aan de taluds te voorkomen; k. de taluds afdoende beschermd worden, in het bijzonder onder de brug waar nauwelijk plantengroei is; l. de brug geen belemmering voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden vormt als deze in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie wordt aangelegd; m. de brug in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie geschikt is voor het migreren van fauna; en n. de aan te leggen brug geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.2
Dam met duiker
Artikel 2.5Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een dam met duiker in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.6Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.7Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de lengte in centimeters, vorm, afmetingen doorstroomoppervlak en beoogde hoogteligging van binnen onderkant van de buis ten opzichte van N.A.P. van de aan te leggen dam met duiker; b. het gronddek boven de dam met duiker in centimeters; c. het materiaal van de aan te leggen dam met duiker; en d. de reden van het aanleggen van de dam met duiker.
Artikel 2.8Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de dam met duiker noodzakelijk is voor de verkeersfunctie; en 1. de dam met duiker voor landbouw verkeer niet langer is dan 20 meter;
Afdeling 2.3
Steiger, vlonder en overhangend bouwwerk
Artikel 2.9Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.10Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat de voorziening niet vastgezet wordt op beschoeiingen, schanskorven en andere oeververdedigingswerken, tenzij deze onderdeel zijn van het werk.
Artikel 2.11Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.12Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de afmeting van de aan te leggen voorziening; b. de constructie van de aan te leggen voorziening; c. het aantal meters dat de voorziening uit de insteek wordt aangelegd; d. hoe de voorziening eruit komt te zien ten opzichte van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam; en e. als de voorziening tijdelijk wordt aangelegd, de periode waarvoor de voorziening wordt aangelegd.
Artikel 2.13Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de voorziening niet binnen een straal van 30 meter van een peilregulerend kunstwerk wordt aangelegd; en b. de voorziening geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.4
Beplanting
Artikel 2.14Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen en in stand houden van beplanting in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.15Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen en in stand te houden.
Artikel 2.16Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. het aantal strekkende meters van de aan te brengen beplanting langs het oppervlaktewaterlichaam; b. de afstand van de aan te brengen beplanting ten opzichte van de insteek van het oppervlaktewaterlichaam; c. de afstand van de aan te brengen beplanting ten opzichte van aanwezige kunstwerken; d. de afstand van de aan te brengen beplanting ten opzichte van bestaande beplanting; en e. de soort beplanting.
Artikel 2.17Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan Artikel 1.14 en: a. het oppervlaktewaterlichaam vanaf één of beide zijden bereikbaar blijft voor het onderhoudsmaterieel; b. er ruimte is om specie en maaisel te ontvangen dat verwijderd wordt bij het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam; c. de beplanting niet aangebracht wordt binnen 10 meter van stuwen en gemalen, gemeten in zowel boven- als benedenstroomse richting langs het oppervlaktewaterlichaam; en d. de beplanting geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.5
Taludbeschermende voorzieningen
Artikel 2.18Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een taludbeschermende voorziening in beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.19Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een taludbeschermende voorziening aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.20Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. hoeveel strekkende meters het betreft; en b. het type taludbescherming.
Artikel 2.21Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de stabiliteit van de taluds niet op een andere wijze gerealiseerd kan worden; b. de voorziening geen nadelige effecten oplevert voor de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel langs het oppervlaktewaterlichaam en voor het uitvoeren van onderhoud aan het profiel van het oppervlaktewaterlichaam; c. bij de aanleg van de voorziening rekening wordt gehouden met de passeerbaarheid van fauna; d. in oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie het negatieve effect als gevolg van het aanleggen van de voorziening voldoende wordt gecompenseerd; en e. de voorziening geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.6
Werken algemeen
Artikel 2.22Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een werk, voor zover deze niet elders in deze verordening specifiek is benoemd, in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.23Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat de functie van de gebieden in het beperkingengebied waterstaatswerken als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem wordt beschermd.
Artikel 2.24Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een werk, voor zover deze niet elders in deze verordening specifiek is benoemd, aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.25Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. het werk niet in of op een oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd; b. het nieuw aan te leggen werk in de zone van het beperkingengebied waterstaatswerken, niet zijnde het waterstaatswerk zelf, wordt aangelegd en deze zodanig is gefundeerd dat deze geen nadelige invloed uitoefent op de bodem en de taluds van het oppervlaktewaterlichaam; c. het werk in de zone van het beperkingengebied waterstaatswerken, niet zijnde het waterstaatswerk zelf, wordt aangelegd en het een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een werk aan één zijde van het oppervlaktewaterlichaam is en het oppervlaktewaterlichaam vanaf de andere zijde goed kan worden onderhouden; d. het werk in de zone van het beperkingengebied waterstaatswerken, niet zijnde het waterstaatswerk zelf, wordt aangelegd en het een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een werk aan één zijde van het oppervlaktewaterlichaam is en aan de zijde van het geplande werk een vrije strook met een breedte van minimaal 1,00 meter aanwezig is; e. het werk in een meanderzone wordt aangelegd en het bouwwerk wordt aangelegd aan de rand van of op voldoende grote afstand van het oppervlaktewaterlichaam; f. het werk in een meanderzone wordt aangelegd en deze redelijkerwijs niet buiten de meanderzone aangelegd kan worden; g. het werk in een meanderzone wordt aangelegd en het werk de meandering in de toekomst, binnen de technische levensduur van het werk, niet hindert; en h. het werk geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.7
Dempen
Artikel 2.26Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.27Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam te dempen.
Artikel 2.28Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de demping geen negatieve invloed heeft op het watersysteem of voor belanghebbende partijen; b. het geheel of gedeeltelijk dempen noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen; c. de te dempen waterloop voor aanvang van demping grondig wordt geschoond van aanwezige beplanting en bagger; en d. de demping geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.8
Wijzigen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 2.29Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het wijzigen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.30Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het profiel van een oppervlaktewaterlichaam te wijzigen.
Artikel 2.31Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt, in aanvulling op artikel 1.10 het ontgrondingsvolume aangeleverd.
Artikel 2.32Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. bij het wijzigen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam aan beide kanten van het nieuwe oppervlaktewaterlichaam een obstakelvrije zone van 3 meter beschikbaar blijft; b. bij het wijzigen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam een obstakelvrije zone van 4 meter beschikbaar blijft als onderhoud vanaf één zijde plaatsvindt; c. bij het wijzigen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam en als het machinaal onderhoud vanaf één zijde plaatsvindt, de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam na de wijziging niet breder dan 4 meter is; en d. het wijzigen van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.9
Handelingen en werkzaamheden in het winterbed van de Vecht
Artikel 2.33Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van handelingen en werkzaamheden en de instandhouding ervan in het beperkingengebied winterbed Vecht als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.34Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat de bergende en stroomvoerende functie van het winterbed van de Vecht als onderdeel van het totale watersysteem wordt beschermd.
Artikel 2.35Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning handelingen en werkzaamheden uit te voeren en in stand te houden in het winterbed van de Vecht.
Artikel 2.36Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de afvoercapaciteit van de Vecht niet wordt belemmerd of verslechterd; b. de activiteit geen waterstandsverhoging tot gevolg heeft; c. de activiteit het bergend vermogen niet negatief beïnvloedt; d. in geval bestaande bebouwing wordt uitgebreid, het verlies aan bergend vermogen wordt gecompenseerd; en e. met in achtneming van het onder a, b en c genoemde, in het stroomvoerend regime één van de volgende riviergebonden activiteiten plaatsvindt:
Afdeling 2.10
Drainagemiddelen
Artikel 2.37Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op aanleggen en in stand houden van drainagemiddelen in het beperkingengebied beheergebied Vechtstromen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.38Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat voorkomen wordt dat er verdroging optreedt als gevolg van het aanleggen en in stand houden van drainagemiddelen.
Artikel 2.39Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning drainagemiddelen aan te leggen en in stand te houden.
Artikel 2.40Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de diepte van de drainage; b. het aantal drainagebuizen; c. de afstand tussen de drainagebuizen; en d. de plek waar de buizen uitmonden in het talud van het oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.41Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en het aanleggen van drainagemiddelen verenigbaar is met het belang van het behoeden van het beheergebied voor nadelige gevolgen van de aanleg van drainagemiddelen.
Afdeling 2.11
Kabel
Artikel 2.42Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een kabel in de beperkingengebieden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.43Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat: a. na het aanleggen van de kabel de ontgraving aangevuld en zo nodig ingezaaid wordt; b. in onbruik geraakte kabels die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen worden verwijderd; en c. als onderhouds- of herstelwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden, dit tenminste twee werkdagen voor aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden gemeld wordt.
Artikel 2.44Meldplicht
Het is verboden om een kabel aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen zonder dit tenminste 14 dagen voor aanvang te melden als: a. de spanning op de kabel maximaal 100 kV is; b. de kabel evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd, en deze ten minste 2 meter uit de insteek wordt aangelegd; c. de kabel het oppervlaktewaterlichaam kruist en deze ten minste 1 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam en ten minste 1 meter uit de insteek wordt aangelegd; d. in afwijking van het genoemde onder c, de kabel ten minste 4 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd als de kabel een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen als vaarweg kruist; e. de kabel de bovenzijde van een duiker kruist, en deze in een mantelbuis wordt aangelegd die tenminste 3 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en met ten minste 1 meter grond wordt afgedekt; en f. de kabel in de zone van het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde het oppervlaktewaterlichaam zelf, ten minste 1 meter onder het maaiveld wordt aangelegd.
Artikel 2.45Indienvereisten melding
Een melding bevat, in aanvulling op artikel 1.9,: a. hoeveel spanning er op de kabel komt te staan; b. het aantal meters dat de kabel uit de insteek wordt aangelegd; en c. als het een gestuurde boring is, het aantal meters dat de kabel onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd.
Artikel 2.46Vergunningplicht
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied waterkeringen .
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kabel aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.44.
Artikel 2.47Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. hoeveel spanning er op de kabel komt te staan; b. het aantal meters dat de kabel uit de insteek wordt aangelegd; en c. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
Artikel 2.48Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de afstand vanaf de bovenkant van de kabel tot aan de bodem van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1 meter is; b. de kabel een oppervlaktewaterlichaam dat als vaarweg is aangewezen kruist en de afstand tussen de bovenkant van de kabel tot de bodem van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 4 meter is; c. de kabel, die een oppervlaktewaterlichaam moet kruisen, dat oppervlaktewaterlichaam haaks kruist; d. de afstand tot de insteek minimaal 1 meter is bij de kabel die in de lengterichting langs het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd; e. de kabel niet in de lengte richting in de meanderzone van een oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd; en f. de kabel geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.12
Leiding
Artikel 2.49Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een leiding in de beperkingengebieden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.50Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in dat: a. na het aanleggen van de leiding de ontgraving aangevuld en zo nodig ingezaaid wordt; b. in geval van breuk of lekkage van een leiding maatregelen worden getroffen om verdergaande lekkage te voorkomen; c. in onbruik geraakte leidingen die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen worden verwijderd; en d. als onderhouds- of herstelwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden, dit tenminste twee werkdagen voor aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden wordt gemeld.
Artikel 2.51Meldplicht
Het is verboden om een leiding aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen zonder dit tenminste 14 dagen voor aanvang te melden als: a. de diameter van de leiding maximaal 1 meter is; b. de druk in de leiding maximaal 10 bar is; c. de leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd, en deze ten minste 2 meter uit de insteek wordt aangelegd; d. de leiding het oppervlaktewaterlichaam kruist en deze ten minste 1 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam en ten minste 1 meter uit de insteek wordt aangelegd; e. in afwijking van het genoemde onder d, de leiding ten minste op 4 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd als dit oppervlaktewaterlichaam is aangewezen als vaarweg; f. de leiding de bovenzijde van een duiker kruist, en deze in een mantelbuis wordt aangelegd die tenminste 3 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en met ten minste 1 meter grond wordt afgedekt; en g. de leiding in de zone van het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde het oppervlaktewaterlichaam zelf, ten minste 1 meter onder het maaiveld wordt aangelegd.
Artikel 2.52Indienvereisten melding
Een melding bevat, in aanvulling op artikel 1.9,: a. de diameter van de leiding; b. hoeveel druk in bar er op de leiding komt te staan; en c. als het een gestuurde boring is, het aantal meters dat de leiding onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd.
Artikel 2.53Vergunningplicht
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een leiding aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied waterkeringen.
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een leiding aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.51.
Artikel 2.54Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de diameter van de buis; b. hoeveel druk in bar er op de leiding komt; c. het aantal meters dat de leiding uit de insteek wordt aangelegd; en d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
Artikel 2.55Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de afstand vanaf de bovenkant van de leiding tot aan de bodem van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1 meter is; b. de leiding een oppervlaktewaterlichaam dat als vaarweg is aangewezen kruist en de afstand tussen de bovenkant van de leiding tot de bodem van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 4 meter is; c. de leiding, die een oppervlaktewaterlichaam moet kruisen, dat oppervlaktewaterlichaam haaks kruist; d. de afstand tot de insteek minimaal 1 meter is bij de leiding die in de lengterichting langs het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd; e. de leiding niet in de lengte richting in de meanderzone van een oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd; en f. de leiding geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.13
Aanleggen lozingsvoorziening of onttrekkingsvoorziening
Artikel 2.56Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een lozingsvoorziening of onttrekkingsvoorziening in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3 .
Artikel 2.57Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in: a. dat de voorziening op deugdelijke wijze is gefundeerd, zodat verzakkingen, uitspoeling en beschadiging van het talud en de waterbodem wordt voorkomen en daarmee belemmering van de waterdoorvoer wordt voorkomen; b. dat drijfvuil en zand- en slibafzettingen worden verwijderd; en c. dat wanneer het dagelijks bestuur van oordeel is dat de voorziening geen functie meer vervuld, deze op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur wordt verwijderd.
Artikel 2.58Algemene regel
Er mag een voorziening voor het lozen van water of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd en in stand worden gehouden als de voorziening verzonken is in het talud en buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd.
Artikel 2.59Vergunningplicht
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een lozingsvoorziening of onttrekkingsvoorziening aan te leggen en in stand te houden die niet voldoet aan artikel 2.58.
2.
Onttrekkingsinrichtingen die functioneren voor één opdrachtgever of in één project en die een samenhangend geheel vormen, gelden voor deze verordening als één werk.
Artikel 2.60Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. aan welke kant van de waterloop de uitwateringsbuis of zuigleiding wordt aangelegd; en b. de diameter van de uitwateringsbuis of zuigleiding.
Artikel 2.61Beoordelingsregel vergunning
1.
De omgevingsvergunning voor de lozingsvoorziening wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en de voorziening buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd.
2.
De omgevingsvergunning voor de onttrekkingsvoorziening wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de taludbak, de zuigleiding, het vuilrooster of andere constructieonderdelen buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; en b. de voorziening geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
Afdeling 2.14
Afrastering
Artikel 2.62Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen en in stand houden van een afrastering in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.63Inhoud specifieke zorgplicht
In aanvulling op de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.7 houdt de zorgplicht in dat: a. de draden van de afrastering makkelijk met de hand te verwijderen zijn op het moment dat dit nodig is voor het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk door het waterschap; en b. de draden van de afrastering zijn voorzien van geïsoleerde handgrepen.
Artikel 2.64Algemene regel
1.
Gronden die gebruikt worden voor het houden van dieren en die zijn gelegen op of nabij waterstaatswerken worden voorzien van een voldoende kerende afrastering.
2.
De afrastering in het beperkingengebied waterkeringen voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de afrastering is maximaal 1,00 meter hoog; en b. de afrastering is ten minste 0,50 meter uit de teen van de waterkering aangebracht.
3.
De afrastering in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de afrastering is maximaal 1,00 meter hoog en; b. de afrastering wordt op de grens van het onderhoudspad, aan de landzijde aangebracht, als dit pad uitsluitend bij het waterschap voor onderhoud in gebruik is of; c. de afrastering staat tenminste 0,50 meter uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam als er geen sprake is van een onderhoudspad of; d. de afrastering wordt in het geval van een natuurvriendelijke oever op de grens van de natuurvriendelijke oever of de oeverbeplanting aangebracht.
4.
Als onderhoud door middel van begrazing plaatsvindt om natuurontwikkeling mogelijk te maken kan het dagelijks bestuur ontheffing verlenen om geen afrastering aan te brengen.
Artikel 2.65Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een onverplichte afrastering aan te brengen en in stand te houden of een verplichte afrastering die niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.64 - tweede Lid of artikel 2.64 - derde Lid.
Artikel 2.66Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de lengte van de afrastering; b. het aantal meters dat de afrastering vanuit de insteek wordt aangebracht; en c. als de afrastering dwars op het onderhoudspad wordt aangebracht of er gebruik gemaakt wordt van een draaihek in de afrastering.
Artikel 2.67Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de afrastering geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap; en b. als de afrastering aangebracht wordt in een beperkingengebied en het oppervlaktewaterlichaam aan beide zijden bereikbaar blijft voor onderhoud en inspecties; c. als de omgevingsvergunning gevraagd wordt voor het aanbrengen aan één zijde van het oppervlaktewaterlichaam:
Afdeling 2.15
Recreatief medegebruik
Artikel 2.68Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van recreatieve activiteiten in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.69Inhoud specifieke zorgplicht
In aanvulling op de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.7 houdt de zorgplicht in dat: a. het recreatief medegebruik plaatsvindt tussen zonsopgang en zonsondergang; b. vangmiddelen voor het bestrijden van muskus- en beverratten niet worden beschadigd, los of open gemaakt of verplaatst; c. er geen afval in het beperkingengebied komt; d. er geen hinder voor andere gebruikers of aan- of omwonenden ontstaat; e. objecten niet in het beperkingengebied worden achtergelaten; en f. het recreatief medegebruik niet is toegestaan als dit door de beheerder wordt aangegeven.
Artikel 2.70Algemene regel wandelen
Wandelen mag in het beperkingengebied waterstaatswerken, tenzij aangegeven is dat wandelen verboden is.
Artikel 2.71Algemene regel fietsen
Fietsen mag in het beperkingengebied waterstaatswerken op de daarvoor aanwezige fietspaden.
Artikel 2.72Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te fietsen als niet wordt voldaan aan artikel 2.71.
Artikel 2.73Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. de locatie waar wordt gefietst; en b. het tijdstip waarop wordt gefietst.
Artikel 2.74Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de activiteit de ecologie van het watersysteem niet nadelig beïnvloedt; en b. er geen schade wordt aangericht aan het beperkingengebied waterstaatswerken en de zich daarin bevindende werken.
Artikel 2.75Algemene regel ruiter- en mensport
Paardrijden en mennen mag in het beperkingengebied waterstaatswerken als: a. het een door middel van bebording aangewezen ruiterpad is; b. er uitsluitend stapvoets wordt gereden; en c. het geen waterkering betreft.
Artikel 2.76Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gebruik te maken van het beperkingengebied waterstaatswerken voor paardrijden en mennen als niet wordt voldaan aan artikel 2.75.
Artikel 2.77Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de activiteit de ecologie van het watersysteem niet nadelig beïnvloedt; en b. er geen schade wordt aangericht aan het beperkingengebied waterstaatswerken en de zich daarin bevindende werken.
Artikel 2.78Meldplicht evenement
Het is verboden gebruik te maken van het beperkingengebied waterstaatswerken voor een evenement, zonder tenminste 14 dagen voor aanvang van het evenement dit te melden, als a. het een evenement zonder gemotoriseerde voertuigen betreft; b. het aantal bezoekers, inclusief de deelnemers en aanwezige organisatoren niet meer dan 200 is; c. er geen grondroeringen worden gedaan; en d. er geen object wordt geplaatst.
Artikel 2.79Indienvereisten melding
Een melding bevat, in aanvulling op artikel 1.9, een beschrijving van het evenement.
Artikel 2.80Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gebruik te maken van het beperkingengebied waterstaatswerken voor een evenement als niet voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.78.
Artikel 2.81Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens aangeleverd: a. het geschatte aantal bezoekers, inclusief de deelnemers; b. de datum van het evenement; en c. een beschrijving van het evenement.
Artikel 2.82Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de activiteit de ecologie van het watersysteem niet nadelig beïnvloedt; en b. er geen schade wordt aangericht aan het beperkingengebied waterstaatswerken en de zich daarin bevindende werken.
Artikel 2.83Inhoud specifieke zorgplicht sportvissen
In aanvulling op de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.7 en de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 2.69 geldt dat: a. aangebrachte attributen na gebruik worden verwijderd; en b. er niet gevist wordt binnen een straal van 50 meter van een stuw of gemaal.
Artikel 2.84Algemene regel sportvissen
Het beperkingengebied waterstaatswerken mag gebruikt worden voor sportvissen als: a. er gevist wordt in water dat verhuurd is aan de Visfederatie; en b. er geen grondroering wordt gedaan.
Artikel 2.85Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gebruik te maken van het beperkingengebied waterstaatswerken voor sportvissen als niet voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.84.
Artikel 2.86Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de activiteit de ecologie van het watersysteem niet nadelig beïnvloedt; en b. er geen schade wordt aangericht aan het beperkingengebied waterstaatswerken en de zich daarin bevindende werken.
Artikel 2.87Inhoud specifieke zorgplicht varen
In aanvulling op de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.7 en de specifieke zorgplicht zoals opgenomen in artikel 2.69 geldt dat: a. er niet gevaren wordt binnen een straal van 50 meter van een stuw of gemaal; en b. tussen zonsondergang en zonsopgang het vaartuig zich niet binnen het beperkingengebied waterstaatswerken mag bevinden.
Artikel 2.88Algemene regel ongemotoriseerd varen
1.
Varen mag met een ongemotoriseerd vaartuig op een oppervlaktewaterlichaam als: a. gevaren wordt op een oppervlaktewaterlichaam dat onderdeel is van een kanoroute; en b. gebruik gemaakt wordt van een steiger voor het in- en uitstappen.
2.
De algemene regel uit lid 1 geldt niet voor het oppervlaktewaterlichaam de boven Dinkel.
Artikel 2.89Vergunningplicht
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam om te varen met een ongemotoriseerd vaartuig als: a. geen gebruik wordt gemaakt van een steiger voor het in- en uitstappen; b. gevaren wordt op een oppervlaktewaterlichaam dat geen onderdeel is van een kanoroute; of c. het oppervlaktewaterlichaam de Boven Dinkel betreft en de periode waarin gevaren wordt tussen 31 augustus en 1 april ligt.
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam om te varen met een motorvaartuig tenzij het de Vecht betreft.
Artikel 2.90Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en: a. de activiteit de ecologie van het watersysteem niet nadelig beïnvloedt; en b. er geen schade wordt aangericht aan het beperkingengebied waterstaatswerken en de zich daarin bevindende werken.
Artikel 2.91Algeheel verbod
Het is verboden om te varen op de Boven Dinkel zoals opgenomen in het beperkingengebied boven Dinkel als bedoeld in afdeling 1.3 in de periode van 1 april tot en met 31 augustus.
Artikel 2.92Algemene regel zwemmen
Zwemmen mag in oppervlaktewater.
Artikel 2.93Algemene regel schaatsen
Schaatsen mag op oppervlaktewater.
Afdeling 2.16
Vrijstelling activiteiten waterschap
Artikel 2.94Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 2.95Vrijstelling activiteiten waterschap
De artikelen artikel 2.1 tot en met artikel 2.93 zijn niet van toepassing op activiteiten die het waterschap uitvoert of laat uitvoeren, in het belang van de aan het waterschap opgedragen taken op grond van artikel 1 van de Waterschapswet en die vallen onder beheer, zijnde onderhoud en herstel van waterstaatswerken.
Afdeling 2.17
Waterkeringen
Afdeling 2.18
Overige activiteiten
Artikel 2.96Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing in het beperkingengebied waterstaatswerken als bedoeld in afdeling 1.3 voor activiteiten die niet genoemd zijn in deze verordening.
Artikel 2.97Vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit die niet genoemd is in deze verordening uit te voeren.
Artikel 2.98Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en de activiteit verenigbaar is met het belang van het behoeden van het beperkingengebied waterstaatswerken voor nadelige gevolgen van de activiteit.
Hoofdstuk 3
Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk
Afdeling 3.1
Algemeen
Artikel 3.1Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk in het beperkingengebied beheergebied Vechtstromen, tenzij in een afdeling anders is bepaald.
Artikel 3.2Aanvraagvereisten vergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden in aanvulling op artikel 1.10 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene Beoordelings Methodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
Artikel 3.3Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is naast artikel 1.14, artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.4Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3.2
Lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 3.5Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in Afdeling 1.3.
Artikel 3.6Algemene regel
Er mag water geloosd worden op een oppervlaktewaterlichaam als er gebruik gemaakt wordt van een pomp en de capaciteit van de pomp niet meer dan 10 mᶟ per uur is.
Artikel 3.7Meldplicht
Het is verboden om water te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit tenminste 14 dagen voor aanvang te melden als er gebruik gemaakt wordt van een pomp en de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur en niet meer dan 60 mᶟ per uur is.
Artikel 3.8Indienvereisten meldplicht
Een melding bevat, in aanvulling op artikel 1.9, de capaciteit van de pomp in mᶟ per uur.
Artikel 3.9Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning water te lozen op een oppervlaktewaterlichaam als: a. er geen gebruik gemaakt wordt van een pomp; of b. de capaciteit van de pomp meer dan 60 mᶟ per uur is.
Artikel 3.10Aanvraagvereisten vergunning
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt, in aanvulling op artikel 1.10 en in afwijking van Artikel 3.2, de capaciteit van de pomp in mᶟ per uur aangeleverd.
Artikel 3.11Beoordelingsregel vergunning
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en in afwijking van artikel 3.3 en: a. de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam als gevolg van de lozing niet wordt belemmerd of verslechterd; en b. het toegenomen afvoerdebiet in oppervlaktewaterlichamen met de functie natuur geen nadelige gevolgen heeft op de chemische en ecologische kwaliteit.
Afdeling 3.3
Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering
Artikel 3.12Lozen van grondwater bij saneringen
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
2.
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.1, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l Naftaleen 0,2 µg/l PAK's 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 3.
Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l Naftaleen 0,2 µg/l PAK's 1 µg/l Minerale olie 50 µg/l Cadmium 0,4 µg/l Kwik 0,1 µg/l Koper 1,1 µg/l Nikkel 4,1 µg/l Lood 5,3 µg/l Zink 12 µg/l Chroom 2,4 µg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 µg/l Tolueen 7 µg/l Ethylbenzeen 4 µg/l Xyleen 4 µg/l Tetrachlooretheen 3 µg/l Trichlooretheen 20 µg/l 1,2-dichlooretheen 20 µg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 µg/l Vinylchloride 8 µg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 µg/l Monochloorbenzeen 7 µg/l Dichloorbenzenen 3 µg/l Trichloorbenzenen 1 µg/l
Artikel 3.13Lozen van grondwater bij ontwatering
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
2.
Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.
Artikel 3.14Meet- en rekenbepalingen
1.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens nEN-EN-ISO 15587-1 of nEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Artikel 3.15Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.12 en Artikel 3.13, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
4.
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Afdeling 3.4
Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 3.16Lozen van afvloeiend hemelwater
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Artikel 3.17Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
2.
Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 3.5
Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 3.18Lozen van huishoudelijk afvalwater
1.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.
40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.
100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.
600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d.
1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e.
3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
2.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
3.
In afwijking van het tweede lid, aanheLozen van huishoudelijk afvalwaterf en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
4.
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Artikel 3.19Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
1.
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
2.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.3.
Tabel 3.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.4.
Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 mᶟ of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
5.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Artikel 3.20Meet- en rekenbepalingen
1.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 3.21Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.18, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
Afdeling 3.6
Lozen van koelwater
Artikel 3.22Koelwater
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
2.
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
3.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
4.
De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.23Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.22, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 3.7
Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken
Artikel 3.24Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen
Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Artikel 3.25Werkinstructie bij reinigen en conserveren
1.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
2.
In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
3.
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.
Artikel 3.26Werkinstructie bij bouwen en slopen
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.
Artikel 3.27Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam
Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.
Artikel 3.28Meet- en rekenbepalingen
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Artikel 3.29Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen Artikel 3.24 tot en met Artikel 3.26, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in Artikel 3.25; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in Artikel 3.26.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Afdeling 3.8
Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen
Artikel 3.30Inerte goederen
Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.
A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.
Artikel 3.31Lozen bij opslaan van inerte goederen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.32Lozen bij overslaan van inerte goederen
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
2.
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
3.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.
Afdeling 3.9
Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen
Artikel 3.33Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
1.
In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
2.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.5 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in µg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 µg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l
Artikel 3.34Meet- en rekenbepalingen
1.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 3.35Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
2.
Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
3.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
Artikel 3.36Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.33 en Artikel 3.35, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
Afdeling 3.10
Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 3.37Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet; en b. dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1 tot en met 3, van de wet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Artikel 3.38Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Afdeling 3.11
Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 3.39Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.40Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.
Artikel 3.41Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in Artikel 3.39 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.42Lozen van algen en bacteriën
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.43Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.39, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in Artikel 3.40; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
Afdeling 3.12
Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 3.44Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
2.
Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.
Afdeling 3.13
Lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 3.45Lozen bij calamiteitenoefeningen
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Artikel 3.46Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.45, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat.
Afdeling 3.14
Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 3.47Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas
1.
In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
2.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.6, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 3.48Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
1.
In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
2.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
3.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 3.49Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
1.
In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
2.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.7, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l
Artikel 3.50Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
2.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.8, gemeten in een steekmonster.
Tabel 3.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l 3.
De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.
Artikel 3.51Lozen bij ontijzeren grondwater
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
2.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
3.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Artikel 3.52Meet- en rekenbepalingen
1.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
2.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
3.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Artikel 3.53Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen Artikel 3.47 tot en met Artikel 3.51, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 3.15
Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton
Artikel 3.54Uitzondering voorgeschreven lozingsroute
Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Afdeling 3.16
Lozen bij niet-industriële voedselbereiding
Artikel 3.55Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving
Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 3.56Lozen bereiden van voedingsmiddelen
1.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
2.
Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
Artikel 3.57Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.56, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 3.17
Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
Artikel 3.58Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.59Gegevens en bescheiden
1.
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in Artikel 3.58, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
2.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Afdeling 3.18
Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind
Artikel 3.60Lozen van spoelwater
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.
Afdeling 3.19
Asverstrooiing
Artikel 3.61Asverstrooiing
Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.
Afdeling 3.20
Andere lozingen
Artikel 3.62Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.
2.
Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in Afdeling 3.3 tot en met Afdeling 3.19; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.
Artikel 3.63Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.
2.
Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Hoofdstuk 4
Wateronttrekkingsactiviteiten
Afdeling 4.1
Onttrekken van grondwater en infiltreren van water
Artikel 4.1Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en infiltreren van water in de bodem in het beperkingengebied beheergebied Vechtstromen als bedoeld in afdeling 1.3.
Artikel 4.2Inhoud specifieke zorgplicht
De zorgplicht als bedoeld in artikel 1.7 houdt in ieder geval in: a. dat de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket niet meer dan noodzakelijk wordt verlaagd; b. dat bij de aanleg en het beheer van een voorziening voor grondwateronttrekking voorkomen wordt dat er uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; c. dat de voorziening voor grondwateronttrekking wordt verwijderd of gedicht na definitieve beëindiging van de onttrekking zodanig dat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; d. dat als spanningsbemaling wordt toegepast een peilbuis of meetput wordt geplaatst om de stijghoogte te bepalen; e. dat als retourbemaling wordt toegepast het grondwater in het watervoerende pakket wordt teruggebracht waaruit het onttrokken grondwater afkomstig is.
Artikel 4.3Algemene regel
1.
Er mag ten behoeve van veedrenking en het bestrijden van brand grondwater onttrokken worden.
2.
Er mag ten behoeve van bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling en bodemsanering grondwater onttrokken worden als: a. het debiet niet meer dan 10 mᶟ per uur is; of b. het debiet meer dan 10 mᶟ per uur is en de aaneengesloten onttrekking niet langer dan 2 dagen plaatsvindt.
3.
Als de capaciteit van de pomp niet meer dan 10 mᶟ per uur is mag grondwater onttrokken worden voor: a. beregening of bevloeiing; b. grondwatersanering; c. een industriële toepassing; en d. een andere reden dan genoemd in deze verordening.
Artikel 4.4Meldplicht
1.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling of bodemsanering zonder dit tenminste 5 werkdagen voor het begin ervan te melden als: a. het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is; b. de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 2 dagen en korter of gelijk aan 56 dagen is; c. in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en d. de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
2.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling of bodemsanering zonder dit tenminste 14 dagen voor het begin ervan te melden als: a. het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is; b. de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 56 dagen en korter of gelijk is aan 180 dagen; c. in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en d. de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
3.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor beregening of bevloeiing zonder dit tenminste 5 werkdagen voor het begin ervan te melden als: a. de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur en niet meer dan 60 mᶟ per uur is; b. de duur van de aaneengesloten onttrekking minder of gelijk is aan 90 dagen; en c. de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 25.000 mᶟ.
4.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor grondwatersanering zonder dit tenminste 5 werkdagen voor het begin ervan te melden als: a. het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is; b. de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 2 dagen en korter of gelijk aan 56 dagen is; c. in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en d. de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
5.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor grondwatersanering zonder dit tenminste 14 dagen voor het begin ervan te melden als: a. het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is; b. de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 56 dagen is; c. in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en d. in een aaneengesloten periode van 365 dagen de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
Artikel 4.5Indienvereisten melding
1.
Bij een melding van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de startdatum en wanneer bekend, de einddatum van de onttrekking; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
2.
Het eerste lid geldt niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover het bepaalde in dat lid in strijd is met regels in het tijdelijke deel van deze waterschapsverordening, bedoeld in artikel 4.7, onder a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 4.6Vergunningplicht
1.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken als: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.3; b. niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.4; c. de onttrekking is voor het drooghouden van een ondergronds bouwwerk; d. de onttrekking een andere reden dan genoemd in deze verordening heeft en de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur is; e. de onttrekking is voor een industriële toepassing en de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur is en in een aaneengesloten periode van 365 dagen niet meer dan 150.000 mᶟ wordt onttrokken.
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning water te infiltreren in de bodem.
3.
Infiltratiewerken die functioneren voor één opdrachtgever of in één project en die een samenhangend geheel vormen, gelden voor deze verordening als één werk.
Artikel 4.7Aanvraagvereisten vergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, in aanvulling op artikel 1.10, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken waarbij voldaan wordt aan de eisen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
Artikel 4.8Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit
1.
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt voldaan aan artikel 1.14 en is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
2.
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt voldaan aan artikel 1.14 en is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.9Algeheel verbod
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor beregening of bevloeiing uit het beperkingengebied onttrekken grondwater als bedoeld in afdeling 1.3 als de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur is.
Artikel 4.10Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.11Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
1.
Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
2.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
3.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 4.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
Tabel 4.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks nitriet NO2 vierwekelijks nitraat NO3 vierwekelijks ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks fluoride F driemaandelijks chloride Cl vierwekelijks sulfaat SO4 driemaandelijks natrium Na driemaandelijks ijzer Fe driemaandelijks mangaan Mn driemaandelijks chroom Cr driemaandelijks lood Pb driemaandelijks koper Cu driemaandelijks zink Zn driemaandelijks cadmium Ca driemaandelijks arseen As driemaandelijks cyanide CN driemaandelijks minerale olie vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks vluchtige aromaten vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen driemaandelijks 4.
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.
5.
De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
6.
Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. in geval van het onttrekken van grondwater met een debiet minder dan 10 mᶟ per uur of wanneer het gaat om het bestrijden van een brand met grondwater.
Afdeling 4.2
Onttrekken van oppervlaktewater
Artikel 4.12Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in Afdeling 1.3.
Artikel 4.13Algemene regel
Er mag water onttrokken worden aan een oppervlaktewaterlichaam als de capaciteit van de pomp niet meer dan 10 mᶟ per uur is.