Algemene plaatselijke verordening gemeente Tilburg (Tilburg)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de openbare orde en veiligheid in de gemeente Tilburg door regels te stellen over gedrag op de weg, het gebruik van de openbare ruimte en de procedures voor vergunningen en ontheffingen.
Voor wie: Alle burgers en organisaties die zich in de openbare ruimte van de gemeente Tilburg bevinden of daar activiteiten willen ontplooien; Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester als bevoegde bestuursorganen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 165
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definitie van begrippen zoals 'weg', 'voertuigen' en 'bouwwerken' binnen de gemeente.
- De procedure voor het aanvragen, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen en ontheffingen.
- Regels voor openbare orde en veiligheid, inclusief samenscholingen, straatintimidatie en openbare manifestaties.
- Het gebruik van de weg voor voorwerpen, stoffen en activiteiten.
Voor wie geldt deze regeling?
- Alle burgers en organisaties die zich in de openbare ruimte van de gemeente Tilburg bevinden of daar activiteiten willen ontplooien.
- Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester als bevoegde bestuursorganen.
Wat zijn de kernpunten?
- Aanvragen voor vergunningen of ontheffingen moeten minimaal tien weken van tevoren worden ingediend; bij latere indiening kan de aanvraag worden geweigerd.
- Vergunningen en ontheffingen zijn persoonsgebonden, tenzij anders bepaald, en kunnen worden ingetrokken bij het verstrekken van onjuiste gegevens of het niet naleven van voorschriften.
- Het is verboden om op de weg deel te nemen aan samenscholingen, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag wanordelijkheden te veroorzaken.
- Het gebruik van de weg voor voorwerpen of stoffen, anders dan de bestemming, vereist een vergunning van het college of de burgemeester, tenzij het gaat om specifieke uitzonderingen zoals vlaggen of kortstondig laden/lossen.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (165)
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 6a Vergunning van rechtswege
- Artikel 6b Uitsluiting lex silencio positivo beginsel
- Artikel 7
- Art 7a Straatintimidatie
- Artikel 8 Bestuurlijke ophouding
- Artikel 9 Preventief fouilleren
- Artikel 9a Cameratoezicht
- Artikel 10 Vervallen
- Artikel 11
- Artikel 12 Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d. [VERVALLEN per
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30 Verwijderingsbevel
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 33
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 36a Begripsbepalingen
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 42 Opheffing vergunningplicht
- Artikel 43
- Artikel 44 Aanwezigheid leidinggevende
- Artikel 45 Wijziging vergunning
- Artikel 45a Begripsomschrijvingen
- Artikel 45b Vergunning
- Artikel 45c Maximumstelsel
- Artikel 45d Gedragseisen
- Artikel 45e Weigering vergunning
- Artikel 45f Verplaatsing inrichting
- Artikel 45g Intrekking vergunning
- Artikel 45h Aanwezigheid leidinggevende
- Artikel 45i Wijziging vergunning
- Artikel 45j
- Artikel 51 Speelautomaten
- Artikel 52
- Artikel 53
- Artikel 53a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
- Artikel 54
- Artikel 55
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58 Bedelverbod
- Artikel 59 Geprepareerde tassen
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 63 Afwijking route
- Artikel 64
- Artikel 64a Niet afgesloten voertuigen
- Artikel 65
- Artikel 66 Gebruik harddrugs
- Artikel 67 Drugshandel op straat
- Artikel 68 Weggooien van spuiten
- Artikel 69
- Artikel 69a Openlijk drugsgberuik
- Artikel 70
- Artikel 71 Meevoeren wapens
- Artikel 72
- Artikel 72a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- Artikel 72b Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven
- Artikel 73
- Artikel 74 Straatartiesten
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78 Loslopende honden
- Artikel 79
- Artikel 80
- Artikel 80a
- Artikel 81
- Artikel 82
- Artikel 83 Voederverbod
- Artikel 84
- Artikel 84a
- Artikel 85
- Artikel 86
- Artikel 87
- Artikel 88
- Artikel 89
- Artikel 90
- Artikel 91
- Artikel 92 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdage
- Artikel 93
- Artikel 94
- Artikel 95
- Artikel 96
- Artikel 97
- Artikel 98
- Artikel 99
- Artikel 100
- Artikel 101
- Artikel 102
- Artikel 103
- Artikel 104
- Artikel 105
- Artikel 106
- Artikel 107
- Artikel 108 Aanwijzing collectieve festiviteiten
- Artikel 109 Aanwijzing incidentele festiviteiten
- Artikel 109a Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed
- Artikel 110 Overige geluidhinder
- Artikel 111
- Artikel 112
- Artikel 113
- Artikel 114
- Artikel 114a Omgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken
- Artikel 115 Verbod oplaten en uitdelen ballonnen
- Artikel 115a Verbod gebruik plastic confetti en serpentines
- Artikel 116
- Artikel 117
- Artikel 118
- Artikel 119
- Artikel 120
- Artikel 121
- Artikel 122
- Artikel 123
- Artikel 124
- Artikel 125
- Artikel 126
- Artikel 127
- Artikel 128
- Artikel 129
- Artikel 130
- Artikel 131
- Artikel 132
- Artikel 133
- Artikel 134
- Artikel 135
- Artikel 136
- Artikel 137
- Artikel 138
- Artikel 139
- Artikel 140
- Artikel 141
- Artikel 142
- Artikel 7a Straatintimidatie
- Artikel 154a
- Artikel 151b
Algemene plaatselijke verordening gemeente TilburgDe raad van de gemeente Tilburg;
Besluit: de volgende verordening vast te stellen:
Verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg, 2020.1 Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen.
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
Weg:
Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: a. treinen en trams; b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.
Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.
Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen.
Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet.
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2
Te late indiening aanvraag.
Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, indien het van mening is, dat de aard van de gevraagde vergunning of ontheffing zodanig is, dat voor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is.
Artikel 3
Voorschriften en beperkingen.
Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 4
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
Artikel 5
Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing.
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 114a is niet persoonsgebonden.
Artikel 6
Termijnen.
Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden die termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
Artikel 6aVergunning van rechtswege
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de vergunning- dan wel ontheffingaanvragen op grond van de artikelen 13, eerste lid, voor zover het betreft de aanvraag om een terrasvergunning, artikel 32, zevende lid, artikel 92 en artikel 126.
Artikel 6bUitsluiting lex silencio positivo beginsel
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op vergunningaanvragen op grond van de artikelen 26, 38, 45bb, 53a en 97.
Hoofdstuk 2. Openbare orde.
Afdeling 1. Orde en veiligheid op de weg.
Artikel 7
Samenscholing en ongeregeldheden.
Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
Een ambtenaar van Politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd om een ieder, die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing het bevel te geven zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Een ieder aan wie dit bevel gegeven wordt is verplicht dit op te volgen.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Art 7aStraatintimidatie
Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw in groepsverband dan wel afzonderlijk, anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.
Artikel 8Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in artikel 7, 13, 14, 19, 23, 27, 61, 62, 63, 69, 71, 72, 73, 93 en 134 overtreden.
Artikel 9Preventief fouilleren
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 9aCameratoezicht
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van de volgende andere voor een ieder toegankelijke plaatsen:
Artikel 10Vervallen
Artikel 11
Openbare manifestaties.
Degene, die het voornemen heeft op een openbare plaats een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging dan wel een vergadering of betoging te houden moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur voordat deze gehouden zal worden schriftelijk kennisgeven aan de burgemeester.
Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden met een melding op een kortere termijn dan de in het eerste lid genoemde genoegen nemen.
Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: a. naam en adres van degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt; b. het doel van de samenkomst, vergadering of betoging; c. de datum waarop de samenkomst, vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
Artikel 12Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d. [VERVALLEN per 24 december 2019]
Artikel 13
Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg.
Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; c. voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. staanplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; f. evenementen als bedoeld in artikel 25. g. civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de gemeente in openbaar gebied worden verricht.
Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor het houden van buurtfeesten, straatspeeldagen en/of het plaatsen van objecten in het kader van een buurtactiviteit.
Degene, die het voornemen heeft activiteiten als bedoeld in het zesde lid te organiseren, dient daarvan minstens vier weken voordat de activiteit zal plaatsvinden kennis te geven aan het college.
Het college kan de activiteiten verbieden dan wel daaraan voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het vijfde lid genoemde belangen.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : a. bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m² en de plaatsing van gedenktekens. b. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen . c. reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. d. automaten. e. verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te attenderen op gewenst verkeersgedrag. f. het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van boomspiegels, het plaatsen van een gevelbankje voor een woning.
De in het negende lid onder a. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het elfde lid van dit artikel beschreven belangen.
Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het negende lid onder b.,c.,d. e. of f. bedoelde zaken: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde algemene regels. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord Brabant. b. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder a. geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 Wegenverkeerswet. c. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b. geldt niet voor bouwwerken. d. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c. geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.
De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning.
De in het dertiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is."
Artikel 14
Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.
Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, in of onder de weg kabels of leidingen met toebehoren aan te leggen, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden uitgevoerd.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Brabant , de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Tilburg.
De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de veiligheid en bruikbaarheid van de weggebruiker in het geding is.
Artikel 15
Maken en veranderen van een uitweg.
Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat.
Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overlegd.
Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg voorschriften verbinden.
Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden, indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften.
Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde lid.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Noord Brabant
Artikel 16
Veroorzaken gladheid.
Artikel 17
Winkelwagentjes.
De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt het gedeelte van de weg dat grenst aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een bij dat bedrijf of winkelcomplex behorend parkeerterrein.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 18
Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp.
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op ander wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 19
Openen straatkolken en dergelijke.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 20
Rookverbod in natuurgebieden.
Artikel 21
Sneeuwruimen.
De hoofdbewoner of hoofdgebruiker, en bij gebreke van deze, de eigenaar van een binnen de bebouwde kom gelegen gebouw of grondstuk - een erf daaronder begrepen - is verplicht de sneeuw en het ijs weg te ruimen van het openbaar voetpad, gelegen langs het bij hem in gebruik zijnde of aan hem toebehorende gebouw of grondstuk, binnen twee dagen nadat die sneeuw en/of dat ijs zich op het voetpad bevinden, alsmede dat weggedeelte op voldoende en doelmatige wijze bestrooid te hebben en te houden met een middel, dat geschikt is voor een doelmatige bestrijding van gladheid.
Artikel 22
Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 23
Verwijdering en dergelijke voorzieningen voor verkeer en verlichting.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid, brandkraanbordjes dan wel met toepassing van artikel 6 van de Verordening straatnaamgeving en huisnummering aangebrachte aanduidingen te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Het in het eerste bepaalde geldt voorts niet voor de rechthebbende op een bouwwerk, die met inachtneming van het door college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen.
Artikel 24
Veiligheid op het ijs.
Afdeling 2. Toezicht op evenementen.
Artikel 25
Begripsomschrijving.
Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
Bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid sub h. van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; activiteiten welke plaatsvinden in de besloten ruimte van een inrichting als bedoeld in de Drank- en Horecawet mits het evenement betrekking heeft op de reguliere exploitatie van de horeca-inrichting; de jaarlijkse kermis als bedoeld in de Verordening houdende vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis; sporttoernooien of sportwedstrijden die binnen de bestemming en/of reguliere bedrijfsvoering van de accommodatie vallen, mits het geen full contact vechtsport betreft.
Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een rommelmarkt met meer dan 10 kramen.
In deze bepalingen worden de volgende evenementen onderscheiden:
Kennisgevings-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 300 mensen;
A-evenement: regulier evenement met praktisch geen risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door een of meer diensten op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid (OOV) niet noodzakelijk worden geacht;
B-evenement: aandacht evenement met één of meerdere aanzienlijke risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOV-diensten voorstelbaar wordt geacht.;
C-evenement: risicovol evenement waarbij sprake is van één of meerdere grote risico's waarbij operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer OOV-diensten noodzakelijk worden geacht.
Onder Evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een door de burgemeester vast te stellen lijst met B- en C-evenementen die in een kalenderjaar plaatsvinden.
Onder organisator wordt in deze bepalingen verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.
De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van de Evenementenkalender.
Artikel 26
Evenementen.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.
Een aanvraag voor een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, dient ten minste 12 weken voor aanvang van dit evenement volledig te zijn ingediend bij de burgemeester.
De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen indien: het B- of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op de Evenementenkalender welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden; geen gebruik is gemaakt van het door de burgemeester vastgestelde aanvraagformulier.
De burgemeester kan de vergunningaanvraag tevens buiten behandeling stellen indien de aanvraag van een A- B- of C-evenement niet 12 weken voordat het evenement plaatsvindt, is ingediend.
De burgemeester weigert de vergunning voor een A- B- of C-evenement indien de organisator: onder curatele staat, of b. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
Onverminderd de artikelen 2 en 3 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd; de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet; de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is; de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen; de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Risico verhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.
De burgemeester dan wel het college kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
Artikel 26A Kennisgevingsevenementen
Geen vergunning als bedoeld in artikel 26, eerste lid, is vereist voor een kennisgevingsevenement indien de organisator deze uiterlijk 6 weken voordat deze zal plaatsvinden heeft gemeld bij de burgemeester door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.
Van een kennisgevingsevenement is sprake indien:
Het bedrijfsfeesten op eigen locatie betreft Het kleine activiteiten in de openbare ruimte betreft met de volgende voorwaarden:
Het is een evenement in de openlucht Maximaal 300 bezoekers en deelnemers Geen alcohol geschonken bedrijfsmatig Geen tijdelijke ruimte waar 150 personen (of meer) gelijktijdig in aanwezig zijn Geen doorgaande wegen afgesloten hoeven te worden De activiteit vindt tussen 8.00 - 24.00 uur plaats (voor zon- en feestdagen geldt een begintijd van niet eerder dan 13.00 uur vanwege de Zondagswet) Het geluidsniveau niet meer bedraagt dan 70 dB(A) gemeten op 2 meter afstand van de dichtstbij zijnde gevels van woningen. Tot maximaal 22:00 uur, van 22:00 tot 24:00 uur geldt een norm van 50 dB(A).
Geen extra politiecapaciteit nodig is De burgemeester bevestigt de ontvangst van het kennisgevingsformulier. De burgemeester kan binnen vier weken na ontvangst van het kennisgevingsformulier besluiten het organiseren van een kennisgevingsevenement te verbieden indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
De organisator dient aan een toezichthouder op eerste verzoek een ontvangstbevestiging van het kennisgevingsformulier te tonen.
Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het derde lid, er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde of gevaar bestaat voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu, kan de burgemeester het organiseren van een kennisgevingsevenement verbieden.
Artikel 27
Ordeverstoring.
Artikel 28
Meldingsplicht.
Artikel 29
Omgevingsverbod.
De burgemeester kan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 2 uur voor het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop van de voetbalwedstrijden van de organisator.
De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in de omgeving van het stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator werd gespeeld.
Artikel 30Verwijderingsbevel
Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel ten aanzien van wie het vermoeden bestaat, dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen.
Paragraaf 1. Toezicht op de horeca
Artikel 31
Begripsomschrijvingen.
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte:
In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan: a. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; b. dienstdoend personeel van de houder van de inrichting; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 32
Sluitingsuur.
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 03.00 tot 06.00 uur.
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, sub 1, welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied , verboden deze voor bezoekers geopend te houden van 04.00 uur tot 06.00 uur. Het is verboden bezoekers nog toe te laten na 03.00 uur.
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a sub 2, welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied , verboden deze voor bezoekers geopend te houden van 05.00 tot 06.00 uur.
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, waar enkel daghoreca is toegestaan verboden deze voor bezoekers geopend te houden van 23.00 tot 07.00 uur.
Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, gevestigd in of behorend bij een gebouw dat in hoofdzaak gebruikt wordt voor activiteiten van sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 00.00 uur tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 01.00 tot 06.00 uur.
De burgemeester kan aan individuele houders van een exploitatievergunning onder door hem te bepalen voorschriften, ontheffing verlenen van de verboden ingevolge het eerste tot en met het vijfde lid voor ten hoogste 8 maal per jaar.
De burgemeester kan in bijzondere gevallen dan wel bij bijzondere gebeurtenissen van tijdelijke aard onder door hem te bepalen voorschriften, ontheffing verlenen van de verboden ingevolge het eerste tot en met het vijfde lid.
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen verboden gelden niet in de nacht van 31 december op 1 januari: er geldt dan geen sluitingsuur;
De in het eerste en tweede lid opgenomen verboden gelden niet: a. op de zondag tot en met de dinsdag waarop de openbare carnavalsviering plaatsvindt, op tweede paasdag, op Koningsdag en de dag daarna op Hemelvaartsdag op tweede Pinksterdag, op de dag na tweede Kerstdag: het verbod geldt dan tussen 04.00 uur en 06.00 uur. b. in de nacht waarop de zomertijd ingaat:
Artikel 33
Toegang ambtenaren van politie.
De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting: a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Artikel 34
Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 32 geldende sluitingsuren vaststellen.\ De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een inrichting, indien: a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. b. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. d. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid.
Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b Opiumwet van toepassing is.
Artikel 35
Aanwezigheid in gesloten inrichting.
Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 32 of krachtens een op grond van artikel 34 door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar als bezoeker te bevinden.
Artikel 36
Ordeverstoring.
Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren. paragraaf 1A
Artikel 36aBegripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: -alcoholhoudende drank, -inrichting, -paracommerciële rechtspersoon, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
Artikel 36 b Regulering paracommerciële rechtspersonen een paracommerciële rechtspersoon mag onverminderd het bepaalde in artikel 32 omtrent het sluitingsuur van inrichtingen uitsluitend alcoholhoudende dranken verstrekken vanaf één uur vóór de tijd, waarop zij haar in artikel 1 eerste lid van de Drank en Horecawet bedoelde hoofdactiviteit uitoefent. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, te houden. het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting bijeenkomsten te houden, die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks betrokken zijn bij de hoofdactiviteit van de betreffende rechtspersoon.
Paragraaf 2: Exploitatievergunning
Artikel 37
Begripsomschrijvingen.
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid sub a van deze verordening. b. leidinggevende: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of onmiddellijke leiding geven aan een inrichting.
Artikel 38
Vergunning.
Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.
De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vaststellen dan de in artikel 32 genoemde.
De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een vergunningaanvraag.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen, waarin horeca-activiteiten worden uitgeoefend, die uitsluitend zijn aan te merken als additionele horeca-activiteiten.
Van additionele horeca-activiteiten is slechts sprake, als voldaan wordt aan de volgende eisen : a. de horeca-activiteit is ondergeschikt aan een andere activiteit, die betrekking heeft op detailhandel of dienstverlening en die in hetzelfde pand wordt uitgeoefend. De horeca-activiteit mag inclusief een eventueel terras maximaal 33% van het totale verkoopvloeroppervlak van het betreffende pand in beslag nemen. b. de horeca-activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend gedurende de openingstijden van de hoofdactiviteit en de ruimte, waarin de horeca-activiteit plaatsvindt is niet los van de hoofdactiviteit toegankelijk. Ook wordt deze niet aan derden verhuurd of anderszins in gebruik gegeven. c. Voor de horeca-activiteit wordt geen reclame gemaakt. d. Er worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt. e. er is geen sprake van een terras op de openbare weg.
Artikel 39
Gedragseisen.
Artikel 40
Inrichtingseisen.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, dient te worden voldaan aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, met uitzondering van de eis met betrekking tot de vloeroppervlakte van de horecalokaliteit en het bepaalde omtrent de eisen die worden gesteld aan een toiletgelegenheid.
Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid geldt, dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te hebben van 25 m².
Ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan een toiletgelegenheid geldt dat in een inrichting tenminste een toilet aanwezig dient te zijn dat toegankelijk is voor bezoekers.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 41
Weigering vergunning.
De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening.
De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen.
De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet.
De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Artikel 42Opheffing vergunningplicht
De burgemeester kan bepalen, dat het bepaalde in artikel 38 niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.
De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden, dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel 43
Intrekking vergunning.
Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan een eenmaal verleende vergunning voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 39 en 40 gestelde eisen of het bepaalde in artikel 44 APV niet in acht wordt genomen.
Een vergunning kan eveneens worden ingetrokken, indien voor de exploitatie tevens een drank- en horecavergunning is vereist en deze wordt ingetrokken omdat niet langer voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8 van de Drank- en Horecawet respectievelijk het Besluit zedelijk gedrag Drank- en Horecawet.
De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: a. aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 34 van deze verordening b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen.
Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Artikel 44Aanwezigheid leidinggevende
Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende in de inrichting aanwezig is.
Artikel 45Wijziging vergunning
Paragraaf 2a: Exploitatievergunning smart- en headshops
Artikel 45aBegripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder : a. inrichting: Een smart- dan wel headshop.
Onder een smartshop wordt een voor het publiek toegankelijke ruimte verstaan, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet smart-,ecodrugs, smartproducts en of nieuwe psychoactieve stoffen, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.
Onder een headshop wordt verstaan een voor publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, substanties, voorwerpen of gegevens, die gebruikt kunnen worden voor het gebruik van een middel als bedoeld in Lijst I of II van de Opiumwet en die verwant zijn aan de drugscultuur, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn. b. leidinggevende: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of onmiddellijke leiding geven aan een inrichting.
Artikel 45bVergunning
Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.
De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een vergunningaanvraag.
Artikel 45cMaximumstelsel
Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum wordt bepaald door het aantal inrichtingen, dat op het moment van inwerkingtreding van deze verordening daadwerkelijk met een vergunning wordt geëxploiteerd.
Artikel 45dGedragseisen
Artikel 45eWeigering vergunning
Artikel 45fVerplaatsing inrichting
Indien een exploitant zijn inrichting wenst te verplaatsen, dient hij hiervoor een nieuwe vergunning aan te vragen.
De burgemeester verleent deze vergunning alleen, indien het algemeen belang dat naar zijn oordeel vordert en zich overigens geen van de in artikel 45 e, tweede tot en met vijfde lid genoemde weigeringsgronden voordoet.
Artikel 45gIntrekking vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt een eenmaal verleende vergunning ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 45d gestelde eisen.
De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: a. aannemelijk is dat de exploitant of andere leidinggevenden betrokken zijn bij of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 3 Opiumwet. b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen.
Artikel 45hAanwezigheid leidinggevende
Het is verboden de inrichting geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is.
Artikel 45iWijziging vergunning
Wanneer er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen.
Indien de aanvraag niet is ingediend binnen een maand na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.
Artikel 45j
Vervallen.
Paragraaf 2b: Exploitatievergunning waterpijpcafé/shishalounge
Artikel 45aa. Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder : inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid sub a van deze verordening, waar het gebruik van waterpijp/shisha wordt aangeboden dan wel waar waterpijp/shisha wordt gerookt. waterpijp/shisha: een apparaat voor het roken van gearomatiseerde waterpijptabak of kruidenmengsels.
Artikel 45bb. Vergunning Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.
De burgemeester beslist binnen dertien weken op een vergunningaanvraag.
Artikel 45cc. Weigering vergunning De burgemeester weigert de vergunning: indien het geldende bestemmingsplan geen horeca toestaat; indien de inrichting is gevestigd onder of boven een woning; indien de exploitant niet in het bezit is van een exploitatievergunning op grond van artikel 38 van deze verordening.
Artikel 45dd. Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening wordt een eenmaal verleende vergunning ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 45cc gestelde eisen.
Paragraaf 3. Overige inrichtingen
Artikel 46 t/m50.
Vervallen.
Artikel 51Speelautomaten
Het aantal kansspelautomaten, dat in een inrichting als bedoeld in artikel 30c onder a. van de Wet op de kansspelen, mag worden geplaatst bedraagt twee.
Artikel 52
Innemen standplaats kermis.
Het is verboden anders dan overeenkomstig de aanwijzingen van de burgemeester een standplaats in te nemen op een kermis.
Artikel 53
Openstelling inrichting.
Het is verboden kermisinrichtingen open te stellen op andere tijden dan waarop zulks door de burgemeester bij middels openbare kennisgeving bekend gemaakt besluit is toegestaan.
Afdeling 3a Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen.
Artikel 53aTegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling 4. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid.
Artikel 54
Betreden gesloten woning of lokaal.
Artikel 55
Plakken en kladden.
Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te laten aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Artikel 56
Vervoer plakgereedschap.
Artikel 57
Vervoer inbrekerswerktuigen.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 58Bedelverbod
Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.
Artikel 59Geprepareerde tassen
Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels een tas of ander voorwerp bij zich te hebben, die er kennelijk toe uitgerust zijn om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
Artikel 60
Betreden van plantsoenen en dergelijke.
Artikel 61
Schieten.
In andere gevallen dan die, waarin het bepaalde in een der artikelen 424 of 431 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is het verboden, zonder daartoe bevoegd te zijn, aan de weg met een luchtgeweer of een dergelijk voorwerp te schieten.
Artikel 62
Hinderlijk gedrag op of aan de weg.
Artikel 63Afwijking route
Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 64
Nachtverblijf in voertuig.
Het is verboden nachtverblijf in een voertuig te houden op of aan de openbare weg, buiten een kampeerterrein, indien daardoor overlast kan worden veroorzaakt.
Artikel 64aNiet afgesloten voertuigen
Het is verboden een motorvoertuig, bromfiets of fiets op of aan de weg te laten staan anders dan deugdelijk afgesloten of onder behoorlijk toezicht.
Artikel 65
Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de openbare orde.
Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen omdat het belang van de bescherming van de openbare orde dit naar zijn oordeel nodig maakt in verband met het gebruik van en/of de handel in harddrugs, of herhaaldelijk aangetoonde overlast, deel te nemen aan een verzameling van meer dan drie personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze verzameling een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt.
De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.
Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen.
Artikel 66Gebruik harddrugs
[Vervallen per 23-09-2012]
Artikel 67Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 68Weggooien van spuiten
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand te doen van het voorwerp.
Artikel 69
Hinderlijk gebruik alcoholhoudende drank e.d.
Het is personen, die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank, te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken.
Het is personen, die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt ,verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank, te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: a. een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder a; b. de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.
Het is verboden op de weg die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied gedurende een in het aanwijzingsbesluit bepaalde periode drinkglazen of flessen bij zich te hebben, die kennelijk bestemd zijn voor het nuttigen van drank op de weg.
Artikel 69aOpenlijk drugsgberuik
Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet te gebruiken.
Het is verboden op of aan de weg of op een ander voor het publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in artikel 3 Opiumwet te gebruiken, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet te gebruiken.
Artikel 70
Verblijfsontzegging.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene, die zich gedraagt in strijd met de openbare orde en/of een aan de openbare orde gerelateerd delict pleegt bevelen zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door de burgemeester aangewezen gebied gedurende de tijd in het bevel genoemd met een maximum van twaalf weken.
Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op personen, die zich in het aangewezen gebied bevinden in een middel van openbaar vervoer.
In het in het eerste lid bedoelde bevel kan de burgemeester wegen aanwijzen, waarvoor het verbod niet geldt, in verband met het feit, dat degene tot wie het bevel gericht is, in het gebied woonachtig of werkzaam is.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester gegeven bevel als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 71Meevoeren wapens
Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorie I, II, III en IV Wet Wapens en Munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
Artikel 72
Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.
Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een gevel, inclusief daarin aanwezige deuren, ramen en andere voorzieningen te hangen, zitten of liggen voor zover daardoor overlast kan worden veroorzaakt.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.
Artikel 72aWoonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.
De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 72bSluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 73
Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten.
Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 74Straatartiesten
Het is verboden op de openbare weg als straatartiest overlast te veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een terras.
Een ieder, die overlast veroorzaakt als bedoeld in het eerste lid dient zich op daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar in een door deze aangegeven richting te verwijderen.
Artikel 75
Spelen om geld.
Het is verboden op de openbare weg gelegenheid te geven tot het deelnemen aan spelen om geld of geldwaarden, niet zijnde spelen in de zin van de Wet op de Kansspelen.
Artikel 76
Neerzetten van fietsen en dergelijke.
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daardoor overlast veroorzaakt kan worden.
Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen.
Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan.
Artikel 77
Bespieden van personen.
Artikel 78Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; of Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een gecertificeerde en/of geregistreerde geleidehond of gecertificeerde en/of geregistreerde sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 79
Verontreiniging door honden.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht een doeltreffend opruimmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen van de hond en dient dit opruimmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudend ambtenaar.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats.
Het tweede lid geldt niet: op een door het college aangewezen plaats, voor degene die ervoor zorgt dat de uitwerpselen van de hond met wie hij zich op een openbare plaats heeft begeven onmiddellijk worden verwijderd.
Het eerste en het tweede lid gelden niet voor degene die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 80
Gevaarlijke honden.
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 80a
Gevaarlijke honden op eigen terrein.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 80 APV Tilburg, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 81
Loslopend vee en pluimvee.
De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 82
Schade door duiven.
Artikel 83Voederverbod
Het is verboden om duiven of watervogels te voederen of voor hen etensresten achter te laten op plaatsen, die het college ter voorkoming van overlast, heeft aangewezen.
Artikel 84
Bijen.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te voorkomen.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Brabant.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 84a
Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d.
Afdeling 5. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen.
Artikel 85
Begripsomschrijvingen.
A. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;
B. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.
Artikel 86
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
Artikel 87
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
Artikel 88
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen.
Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
Artikel 89
Handel in horeca-inrichtingen.
Afdeling 6. Gevaarlijke stoffen.
Artikel 90
Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen.
Afdeling 7. Vuurwerk.
Artikel 91
Begripsomschrijving.
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 92Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Artikel 93
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling.
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen en dergelijke.
Artikel 94
Begripsomschrijvingen.
In deze afdeling wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee : degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
Artikel 95
Bevoegd bestuursorgaan.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 96
Nadere regels.
Met het oog op de in artikel 104, tweede lid, genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Artikel 97
Seksinrichtingen en dergelijke.
Artikel 98
Gedragseisen exploitant en beheerder.
De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of, tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
Artikel 99
Sluitingsuur.
Het bepaalde omtrent het sluitingsuur, de toegang van politieambtenaren en de mogelijkheid om een afwijkend sluitingsuur vast te stellen dan wel tot tijdelijke sluiting over te gaan van een of meer horeca-inrichtingen zoals opgenomen in de artikelen 32, 33 en 34 APV is van overeenkomstige toepassing op seksinrichtingen.
Artikel 100
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder.
Artikel 101
Straatprostitutie.
Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken dan wel op deze uitnodiging in te gaan.
Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
Artikel 102
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke.
Artikel 103
Beslissingstermijn.
Artikel 104
Weigeringsgronden c.a.
De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten”.
De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening worden ingetrokken, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in artikel 98 gestelde eisen. b. in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de inrichting. c. aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen. d. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wordt verstoord of bedreigd. e. personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden.
Artikel 105
Beëindiging exploitatie.
Artikel 106
Wijziging beheer.
Indien een beheerder als bedoeld in artikel 97, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 104 eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Hoofdstuk 4.
Bescherming van het milieu en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Afdeling 1. Geluid- en lichthinder.
Artikel 107
Begripsomschrijving.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen.
Artikel 108Aanwijzing collectieve festiviteiten
De waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Artikel 3:148, eerste lid van het Besluit geldt niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer in de aanwijzing genoemde delen van de gemeente.
Wanneer een collectieve festiviteit van maatschappelijk belang redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college deze festiviteit terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid.
Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve festiviteiten.
Artikel 109Aanwijzing incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van een inrichting tenminste vier weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 3:148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van een inrichting tenminste vier weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
Het college kan gebieden aanwijzen, waarbinnen de in het eerste en tweede lid bedoelde activiteiten niet door iedere inrichting afzonderlijk mogen worden gehouden, maar slechts door de in het gebied gevestigde ondernemers gezamenlijk. Alsdan geldt voor het gehele gebied een maximum van 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar.
De kennisgeving geschiedt schriftelijk en bevat tenminste de volgende gegevens: naam en adres van de inrichting, datum, tijdstip en aard van de festiviteit, contactpersoon tijdens de activiteit. Inrichtingen waar een geluidsbegrenzer verplicht is, dienen tevens te melden of de geluidsbegrenzer tijdens de festiviteit buiten werking wordt gesteld.
Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een ontoelaatbare samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dan wel voorwaarden of beperkingen stellen ter voorkoming van geluidoverlast.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel geldt voor het gebied Spoorzone, zoals vastgesteld door de raad, een maximum van 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar, waarbij de waarden als bedoeld in artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn.
Artikel 109aGeluidhinder door vroege oproepen tot gebed
Het is verboden om van 23.00 uur tot 07.30 uur door middel van klokgelui dan wel op andere wijze op te roepen tot gebed, in de zin van artikel 10 Wet Openbare Manifestaties, met een geluidsniveau dat meer dan 10dB(A) ligt boven de normen uit het Besluit en meer dan 10 dB(A) boven het referentieniveau van de omgeving.
Artikel 110Overige geluidhinder
Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Degene, die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen, dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn.
Afdeling 2. Verontreiniging van de weg.
Artikel 111
Natuurlijke behoefte doen.
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen.
Afdeling 3. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast.
Artikel 112
Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ongebruikte landbouwproducten en dergelijke.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen buiten een inrichting als bedoeld in de Wet Milieubeheer in de openlucht of buiten de weg één of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden d. gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; e. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;
In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het is verboden op een door college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Ruimtelijke Ordening of de Wegenverordening Noord-Brabant.
Artikel 113
Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen.
Dit artikel verstaat onder: a. dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; b. emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: “tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt”; c. grond: bouwland, maïsland en grasland.
Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 is het verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: Nieuwjaarsdag, Pasen, Koninginnedag, 5 mei, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Kerstmis.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.
Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.
Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.
Artikel 114
Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, waardoor het verkeer in gevaar gebracht wordt, ernstige hinder voor de omgeving ontstaat of wanneer zulks in strijd is met redelijke eisen van welstand dan wel in afwijking van door het college met het oog op die belangen vastgestelde algemene regels.
Artikel 114aOmgevingsvergunning reclame op of aan onroerende zaken
Artikel 115Verbod oplaten en uitdelen ballonnen
Artikel 115aVerbod gebruik plastic confetti en serpentines
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente.
Afdeling 1. Parkeerexcessen.
Artikel 116
Begripsomschrijvingen.
In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
Artikel 117
Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 118
Defecte voertuigen.
Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 119
Voertuigwrakken.
Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.
Artikel 120
Caravans en dergelijke.
Artikel 121
Parkeren van reclamevoertuigen.
Artikel 122
Parkeren van grote voertuigen.
Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 123
Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen.
Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 124
Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen.
Artikel 125
Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen.
Afdeling 2. Collecteren, venten en uitstallingen.
Artikel 126
Inzameling van geld of goed.
Het is verboden zonder vergunning van college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor instellingen, die zijn opgenomen in het jaarlijkse collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving.
Venten en dergelijke.
Artikel 127
In dit artikel wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.
Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een staanplaats.
Het is verboden te venten elke dag na 18.00u.
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan het college openbare plaatsen, dagen of uren aanwijzen waarop het verboden is om te venten.
Het verbod is niet van toepassing op: situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Artikel 128
Uitstallingen op de weg.
Vervallen.
Afdeling 3. Lijkbezorging.
Artikel 129
Tijdvak voor begraven en dergelijke.
Het is verboden te begraven of asbussen bij te zetten buiten het tijdvak van 08.00 uur tot 16.00 uur.
Artikel 130
Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats.
Het is verboden op een begraafplaats nodeloos rumoer te maken of zich anderszins onbetamelijk te gedragen.
Artikel 131
Aanwijzingen.