Bouwverordening Gemeente Medemblik 2011 (Medemblik)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de bouwvoorschriften in de gemeente Medemblik, met name gericht op de aanpassing aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het stelt regels vast voor bouwen, slopen en het gebruik van bouwwerken.
Voor wie: Iedereen die een bouwwerk wil realiseren of slopen in de gemeente Medemblik; Bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor bouw- en woningtoezicht.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 236
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De aanvraagprocedure voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.
- Voorschriften voor bodemonderzoek bij bouwprojecten.
- Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
- Eisen voor de bereikbaarheid van bouwwerken en brandblusvoorzieningen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een bouwwerk wil realiseren of slopen in de gemeente Medemblik.
- Bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor bouw- en woningtoezicht.
Wat zijn de kernpunten?
- Bouwen op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar voor de gezondheid te verwachten is, is verboden voor bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, en die de grond raken of waarvan het bestaande gebruik niet wordt gehandhaafd.
- Als de toegang tot een bouwwerk voor mensen meer dan 10 meter van een openbare weg is verwijderd, moet er een verbindingsweg zijn die geschikt is voor diverse voertuigen en een breedte heeft van ten minste 4,5 m, waarvan 3,25 m verhard.
- Nabij elk bouwwerk voor menselijk verblijf moeten opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn voor een doeltreffende verbinding met de bluswatervoorziening.
- Tussen de toegang van een woning of woongebouw en de openbare weg moet een voor gehandicapten begaanbare weg of pad aanwezig zijn, met een breedte van ten minste 1,10 m en een vrije doorgang van minimaal 0,85 m.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (236)
- Artikel1.1 Begripsbepalingen
- Artikel1.2 Termijnen
- Artikel1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
- Artikel2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
- Artikel2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
- Artikel2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
- Artikel2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coordineren van vergunningaanvragen
- Artikel2.1.5 Bodemonderzoek
- Artikel2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergun
- Artikel2.1.7 Bouwregistratie
- Artikel2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens
- Artikel2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
- Artikel2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
- Artikel2.2.3 Bekendmaking van termijnen
- Artikel2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
- Artikel2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
- Artikel2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
- Artikel2.3.1 Welstandscriteria
- Artikel2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
- Artikel2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
- Artikel2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
- Artikel2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
- Artikel2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Artikel2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.9 Bouwen op de weg
- Artikel2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afsc
- Artikel2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
- Artikel2.5.16 Erf bij overige gebouwen
- Artikel2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
- Artikel2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
- Artikel2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtra
- Artikel2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
- Artikel2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
- Artikel2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
- Artikel2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
- Artikel2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
- Artikel2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.29
- Artikel2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
- Artikel2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
- Artikel2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
- Artikel2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
- Artikel2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
- Artikel2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
- Artikel2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
- Artikel2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
- Artikel2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
- Artikel2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen
- Artikel2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
- Artikel2.6.11 Gelijkwaardigheid
- Artikel2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
- Artikel2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
- Artikel2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
- Artikel3.1 De wijze van melden
- Artikel3.2 Welstandscriteria
- Artikel4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staki
- Artikel4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
- Artikel4.4 Het uitzetten van de bouw
- Artikel4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bo
- Artikel4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
- Artikel4.7 Bemalen van bouwputten
- Artikel4.8 Veiligheid op het bouwterrein
- Artikel4.9 Afscheiding van het bouwterrein
- Artikel4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- Artikel4.11 Bouwafval
- Artikel4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Artikel4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
- Artikel4.14 Verbod tot ingebruikneming
- Artikel5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
- Artikel5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Artikel5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduid
- Artikel5.2.2
- Artikel5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzo
- Artikel5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en lo
- Artikel5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen
- Artikel5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
- Artikel5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
- Artikel5.4.1 Preventie
- Artikel6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk
- Artikel6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning
- Artikel6.1.3 In behandeling nemen
- Artikel6.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning
- Artikel6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning
- Artikel6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken
- Artikel6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen
- Artikel6.2.3 Opslag en verwerking stoffen
- Artikel6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen
- Artikel6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen
- Artikel6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
- Artikel7.1.1 Overbevolking van woningen
- Artikel7.1.2 Overbevolking van woonwagens
- Artikel7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
- Artikel7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
- Artikel7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
- Artikel7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf
- Artikel7.3.2 Hinder
- Artikel7.4.1 Preventie
- Artikel7.5.1 Verboden gebruik van water
- Artikel7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
- Artikel8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
- Artikel8.1.3 In behandeling nemen
- Artikel8.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
- Artikel8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.2.1 Sloopmelding
- Artikel8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voo
- Artikel8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
- Artikel8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.3.4 Plichten van degene die sloopt
- Artikel8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
- Artikel8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
- Artikel8.4.1 Sloopafval algemeen
- Artikel9.1 De advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
- Artikel9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
- Artikel9.3 Zittingsduur
- Artikel9.4 Jaarlijkse verantwoording
- Artikel9.5 Termijn van advisering
- Artikel9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
- Artikel9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid
- Artikel9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
- Artikel9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
- Artikel10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)
- Artikel10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaa
- Artikel10.3 Overdragen vergunningen
- Artikel10.4 Overdragen mededeling
- Artikel10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsme
- Artikel10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
- Artikel11.1 Stilleggen van de bouw
- Artikel11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
- Artikel11.3 Stilleggen van het slopen
- Artikel11.4 Onderzoek naar een gebrek
- Artikel12.1 Strafbare feiten
- Artikel12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
- Artikel12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terrei
- Artikel12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
- Artikel12.6 Slotbepaling
- Artikel 5.10
- Artikel 1.3
- Artikel 2.4.2
- Artikel 2.5.2
- Artikel 2.5.3
- Artikel 2.5.4
- Artikel 2.5.5
- Artikel 2.5.6
- Artikel 2.5.7
- Artikel 2.5.8
- Artikel 2.5.9
- Artikel 2.5.10
- Artikel 2.5.11
- Artikel 2.5.12
- Artikel 2.5.13
- Artikel 2.5.14
- Artikel 2.5.15
- Artikel 2.5.16
- Artikel 2.5.17
- Artikel 2.5.18
- Artikel 2.5.19
- Artikel 2.5.20
- Artikel 2.5.21
- Artikel 2.5.22
- Artikel 2.5.23
- Artikel 2.5.24
- Artikel 2.5.25
- Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken Zie artikel 1.1 voor de d
- Artikel 2.5.27
- Artikel 2.5.28
- Artikel 2.5.29
- Artikel 2.5.30
- Art. 2.5.30
- Artikel 2.7.2
- Artikel 2.7.3
- Artikel 2.7.4
- Artikel 2.7.5
- Artikel 2.7.6
- Artikel 7b
- Artikel 4.2
- Artikel 4.4
- Artikel 4.5
- Artikel 4.6
- Artikel 4.7
- Artikel 4.9
- Artikel 4.10
- Artikel 4.11
- Artikel 4.12
- Artikel 4.14
- Artikel 5.1.1
- Artikel 5.1.3
- Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Zie de toelichting op de
- Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet Zie de toelichting op de artike
- Artikel 5.3.4
- Artikel 5.3.5
- Artikel 7.1.2
- Artikel 7.3.2 Hinder Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks hand
- Artikel 8.1.7
- Artikel 8.2.2
- Artikel 8.3.2
- Artikel 8.3.3
- Artikel 8.3.4
- Artikel 8.3.5
- Artikel 9.2
- Artikel 9.3
- Artikel 9.4
- Artikel 9.5
- Artikel 9.6
- Artikel 9.7
- Artikel 9.8
- Artikel 9.9
- Artikel 12.3
Bouwverordening gemeente Medemblik 2011 Databank Modelverordeningen Model-bouwverordening (incl. 13e serie wijzigingen) Titel: Model-bouwverordening (incl. 13e serie wijzigingen) Domein: volkshuisvesting en woningbouw Beschrijving: De dertiende serie wijzigingen van de Model-bouwverordening 1992 (MBV) is noodzakelijk in verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen.Wanneer de Wabo in werking treedt, moeten alle gemeentelijke verordeningen aangepast zijn, waarin toestemmingstelsels zijn opgenomen die in de omgevingsvergunning integreren. De bepalingen in deze verordeningen die hetzelfde object en motief hebben als de Wabo zullen na inwerkingtreding van de Wabo van rechtswege vervallen. De datum van inwerkingtreding wordt afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van de Wabo (Zie ook de VNG Ledenbrief 10/045 van 22 april 2010 http://www.vng.nl/smartsite.dws?id=96127 ).
Trefwoorden: bouwvoorschriften, administratieve bepalingen, welstandsbepalingen, bouwvergunning, stedenbouwkundige, voorschriften, bouwverbod, bouw, sloopvoorschriften, uitvoeringseisen voor bouwwerkzaamheden, bepalingen, inzake, gebruik van bouwwerken, bouwverordening Datum wijziging: 22-04-2010 Wetgeving: Woningwet, art. 11 Woningwet, art. 8 Model-bouwverordening (incl. 13e serie wijzigingen) (geconsolideerde versie, geldig vanaf 22-04-2010) Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen Datum inwerkingtreding 22-04-2010 Terugwerkende kracht t/m Betreft Hfdst. 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, bijlagen en toelichting Datum ondertekening Bron bekendmaking L.br. 10/045, 22 april 2010 Kenmerk voorstel Hoofdstuk1Inleidende bepalingen
Artikel1.1Begripsbepalingen
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;
Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ;
Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ; straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanis aangeduide parkeerterreinen. 2. In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk gebouw: een gedeelte van een gebouw
Artikel1.2Termijnen
(vervallen)
Artikel1.3Indeling van het gebied van de gemeente
Alternatief 1 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten de bebouwde kom. 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. .
Hoofdstuk2De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf1Gegevens en bescheiden
Artikel2.1.1Aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
Artikel2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens
(vervallen)
Artikel2.1.3Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
(vervallen)
Artikel2.1.4Gegevens met betrekking tot het coordineren van vergunningaanvragen
(vervallen)
Artikel2.1.5Bodemonderzoek
Artikel2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning
(vervallen)
Artikel2.1.7Bouwregistratie
(vervallen)
Artikel2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen
(vervallen) Artikel Paragraaf2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikel2.2.1Ontvangst van de aanvraag
(vervallen)
Artikel2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
(vervallen)
Artikel2.2.3Bekendmaking van termijnen
(vervallen)
Artikel2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
(vervallen)
Artikel2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
(vervallen) Paragraaf3Welstandstoetsing
Artikel2.3.1Welstandscriteria
(vervallen) Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel2.4.2Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
Artikel2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen
(vervallen)
Artikel2.5.2Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
Artikel2.5.3ABrandweeringang
(vervallen)
Artikel2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Artikel2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is: a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
Artikel2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel2.5.8Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn
Artikel2.5.9Bouwen op de weg
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e. andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
Artikel2.5.11Ligging achtergevelrooilijn
Artikel2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen; c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 , is verzekerd; f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ; g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen
Artikel2.5.16Erf bij overige gebouwen
Artikel2.5.17Ruimte tussen bouwwerken
Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Artikel2.5.18Erf- en terreinafscheidingen
Artikel2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
Artikel2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
Artikel2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
Artikel2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
Artikel2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
Alternatief 1 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikel 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: a. 45 graden in de bebouwde kom; b. 37 graden buiten de bebouwde kom.
Artikel2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
Alternatief 1 1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter.
Artikel2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
Artikel2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Artikel2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d. agrarische bedrijfsgebouwen; e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:
Artikel2.5.29
Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is; b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid; d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Alternatief 2 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
Paragraaf6Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.5Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.6Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
(vervallen)
Artikel2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
(vervallen)
Artikel2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen
(vervallen)
Artikel2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
(vervallen)
Artikel2.6.11Gelijkwaardigheid
(vervallen)
Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
(vervallen) Paragraaf7Aansluitplicht op nutsvoorzieningen
Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Artikel2.7.3A (facultatief)Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming
Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Alternatief 1 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.
Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Alternatief 1 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in de artikiele 2.71, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Hoofdstuk3De melding
Artikel3.1De wijze van melden
(vervallen)
Artikel3.2Welstandscriteria
(vervallen) Hoofdstuk4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
(vervallen)
Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a. de omgevingsvergunning voor het bouwen; b. andere toestemmingen; c. het bouwveiligheidsplan; d. een besluit ingevolge artikel 13 , 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
(vervallen)
Artikel4.4Het uitzetten van de bouw
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: a. het straatpeil is aangegeven; b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.
Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.
Artikel4.7Bemalen van bouwputten
Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein
Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein
Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
Artikel4.11Bouwafval
Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen
Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming
Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.
Hoofdstuk5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf1Staat van open erven en terreinen
Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen
Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Paragraaf2Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
(vervallen)
Artikel5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
(vervallen)
Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard
(vervallen)
Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen
(vervallen)
Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in kantoorgebouwen
(vervallen) Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Niet van toepassing is voorgaande eis op: a. woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²; c. woningen die niet worden verhuurd; d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: a. voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b. voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel5.4.1Preventie
Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
Hoofdstuk6Brandveilig gebruik Paragraaf1Gebruiksvergunning
Artikel6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk
(vervallen)
Artikel6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel6.1.3In behandeling nemen
(vervallen)
Artikel6.1.4Termijn van beslissing
(vervallen)
Artikel6.1.5Weigeren gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel6.1.6Intrekken gebruiksvergunning
(vervallen)
Artikel6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden
(vervallen) Paragraaf2Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
Artikel6.2.1Gebruikseisen van bouwwerken
(vervallen)
Artikel6.2.2Opslag brandgevaarlijke stoffen
(vervallen)
Artikel6.2.3Opslag en verwerking stoffen
(vervallen) Paragraaf3Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
Artikel6.3.1Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen
(vervallen)
Artikel6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen
(vervallen) Paragraaf4Hinder in verband met brandveiligheid
Artikel6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid
(vervallen) Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen Paragraaf1Overbevolking
Artikel7.1.1Overbevolking van woningen
Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte.
Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens
Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte.
Paragraaf2Staken van het gebruik
Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a. bouwvalligheid van het bouwwerk; b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen
(vervallen) Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Alternatief artikel:
Artikel7.3.1Vergunningsplicht nachtverblijf
Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht , wordt het aantal personen bepaald op 4 (N.B. Hier invullen bij welk gewenst aantal personen de vergunningsplicht geldt).
Artikel7.3.2Hinder
Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; d. instorting, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel7.4.1Preventie
Paragraaf5Watergebruik
Artikel7.5.1Verboden gebruik van water
Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf6Installaties
Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties
Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit , het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
Hoofdstuk8Slopen Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen
Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning
(vervallen)
Artikel8.1.3In behandeling nemen
(vervallen)
Artikel8.1.4Termijn van beslissing
(vervallen)
Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen
(vervallen)
Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;
Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.2.1Sloopmelding
Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen
In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; c. rem- en frictiematerialen; d. pakkingen uit verbrandingsmotoren; e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.
Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein
Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.
Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt
Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
(vervallen) Paragraaf4Vrij slopen
Artikel8.4.1Sloopafval algemeen
Hoofdstuk9Welstand
Artikel9.1De advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit
Alternatief 1 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Stichting Welstandszorg Noord-Holland die uit haar midden personen voordraagt als lid van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, hierna gezamenlijk te noemen: de adviescommissie.
Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie
Alternatief 2 1. De adviescommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 3 leden, waarvan ten minste twee leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
Artikel9.3Zittingsduur
(vervallen)
Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording
De adviescommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
De adviescommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel9.5Termijn van advisering
Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
Er is geen spreekrecht.
Artikel9.7Afdoening onder verantwoordelijkheid
Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
(vervallen) Hoofdstuk10Overige administratieve bepalingen
Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning (vervallen)
(vervallen)
Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen
(vervallen)
Artikel10.3Overdragen vergunningen
(vervallen)
Artikel10.4Overdragen mededeling
(vervallen)
Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
(vervallen)
Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Hoofdstuk11Handhaving
Artikel11.1Stilleggen van de bouw
(vervallen)
Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
(vervallen)
Artikel11.3Stilleggen van het slopen
(vervallen)
Artikel11.4Onderzoek naar een gebrek
(vervallen) Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel12.1Strafbare feiten
(vervallen)
Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen
Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
Artikel12.4(vervallen)
Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding
(vervallen)
Artikel12.6Slotbepaling
Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens) 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is afgekondigd.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op --------2011. De griffier, De voorzitter, Bekend gemaakt: ----------- 2011 Bijlage1Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 3 Funderingsplan (vervallen) Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen) Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen) Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen) Bijlage2 t/m 6 (vervallen) Bijlage7Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen'; d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).
Bijlage8 (vervallen) Bijlage9Reglement van Orde op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit 2012 Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet, dient de gemeentelijke bouwverordening voorschriften te bevatten over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.
In navolging van de Modelbouwverordening van de VNG adviseert WZNH gemeenten om de hoofdlijnen vast te leggen in de Bouwverordening (artikel 9) en de uitwerking in een Reglement van orde, als bijlage bij de Bouwverordening. Het reglement is als bijlage opgenomen.
Bijlage10, 11 en 12 (vervallen) Nota-toelichtingop de Model-bouwverordening (MBV) Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Asbest Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting. Regeling omgevingsrecht (Mor) Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab).
Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning Besluit omgevingsrecht (Bor) Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. Bevoegd gezag In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen.
Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend.
In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders. Bouwbesluit 2003 Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen. Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet.
Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.
Artikel 5.10
Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt. Gebruiksoppervlakte Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV. Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet. Deskundig bedrijf Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
Zie hiervoor www.ascert.nl Omgevingsvergunning In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen twee Vergunningvrij bouwen Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen: - De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen.
Een activiteit, zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ;
Artikel 1.3
Indeling van het gebied van de gemeente Algemeen Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage.
Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting. Alternatief 1 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 2 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 3 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware industrie.
Alternatief 4 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware industrie. Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen Algemeen Regeling omgevingsrecht. In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. Wet BIBOB De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216).
Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op.
Awb De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Wro Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk.
Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage.
Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan. De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage. Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning.
De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning. Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval.
Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.
Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. Lid 1 Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein.
Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden.
De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. Lid 3 In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Lid 4 Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik.
Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Lid 5 De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: - Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.