Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) (Zaanstad)

Waar gaat deze regeling over?

Deze verordening van de gemeente Zaanstad bundelt regels over de fysieke leefomgeving, zoals bouwwerken, water, bodem, natuur en cultureel erfgoed, ter voorbereiding op de Omgevingswet. Het doel is het beschermen en in stand houden van deze leefomgeving door middel van zorgplichten en specifieke regels voor diverse activiteiten.

Voor wie: Inwoners, bedrijven en organisaties die activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving van Zaanstad; Eigenaren van objecten, waaronder onroerend cultureel erfgoed, sloten, wateren, riolen, putten, kabels en leidingen.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
216
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving.
  • Het proces, de procedure en de rol van een adviescommissie bij aanvragen en meldingen.
  • De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, beschermde stads- of dorpsgezichten en beschermde bomen.
  • Regels voor diverse activiteiten zoals bodemsanering, aanleg van kabels en leidingen, aansluiting op riolering, geluid en verlichting, en activiteiten op openbare plaatsen en wateren.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Inwoners, bedrijven en organisaties die activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving van Zaanstad.
  • Eigenaren van objecten, waaronder onroerend cultureel erfgoed, sloten, wateren, riolen, putten, kabels en leidingen.

Wat zijn de kernpunten?

  • Er geldt een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving en specifieke zorgplichten voor objecten en activiteiten met nadelige gevolgen.
  • Het oplaten van ballonnen en het plaatsen van houtopstand of objecten onder hoogspanningslijnen is verboden.
  • Voor het vellen van bomen kan een omgevingsvergunning nodig zijn, afhankelijk van de "gebiedenkaart beschermde bomen" of de "lijst van beschermde bomen".
  • Activiteiten zoals bodemsanering, aanleg van telecomkabels en andere kabels/leidingen, en het wijzigen of slopen van gemeentelijke monumenten vereisen meldingen of vergunningen.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (216)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 1.2 Toepassingsbereik
  3. Artikel 1.3 Doelen van de verordening
  4. Artikel 2.1 Doel van de regels
  5. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
  6. Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
  7. Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
  8. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
  9. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
  10. Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwe
  11. Artikel 2.8 Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
  12. Artikel 2.9 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting
  13. Artikel 2.10 Verbod oplaten van ballonnen
  14. Artikel 2.11 Verbod houtopstand of objecten onder hoogspanningslijn
  15. Artikel 2.15 Meldplicht bij brand of broei
  16. Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
  17. Artikel 3.2 Indienen aanvraag en melding
  18. Artikel 3.3 Beslistermijn
  19. Artikel 3.4 Voorschriften
  20. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden
  21. Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
  22. Artikel 3.7 Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad
  23. Artikel 3.8 Gemeentelijk erfgoedregister
  24. Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
  25. Artikel 4.2 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument
  26. Artikel 4.3 Voorbescherming
  27. Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
  28. Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
  29. Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument
  30. Artikel 4.7 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk
  31. Artikel 4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
  32. Artikel 4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gem
  33. Artikel 4.10 Doel van aanwijzen van beschermde bomen
  34. Artikel 4.11 Aanwijzing als beschermde boom
  35. Artikel 4.13 Aanwijzing van ligplaats voor vaartuigen
  36. Artikel 5.1 Op wie van toepassing
  37. Artikel 5.2 Doel van de regels over bodem en bodemsanering
  38. Artikel 5.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
  39. Artikel 5.4 Bodemonderzoek
  40. Artikel 5.5 Melden en aanvragen beschikking bodemsanering
  41. Artikel 5.6 Het Bodemsaneringsplan
  42. Artikel 5.7 Melding wijziging bodemsaneringsplan
  43. Artikel 5.8 Melding start en einde bodemsanering
  44. Artikel 5.9 Het bodemevaluatieverslag
  45. Artikel 5.10 Het bodemnazorgplan
  46. Artikel 5.11 Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders
  47. Artikel 5.12 Aanleggen, in stadn houden of opruimen van telecomkabels
  48. Artikel 5.13 Spoedeisende werkzaamheden
  49. Artikel 5.14 Aanvraag en melding
  50. Artikel 5.15 Voorschriften en beperkingen
  51. Artikel 5.16 Wijziging en intrekking
  52. Artikel 5.17 Overleg en afstemming tijdens planvorming
  53. Artikel 5.18 Medegebruik van voorzieningen
  54. Artikel 5.19 Verplichtingen telecomaanbieder
  55. Artikel 5.20 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
  56. Artikel 5.21 Herstraat- en degeneratiekosten
  57. Artikel 5.22 Aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen
  58. Artikel 5.23 Spoedeisende werkzaamheden
  59. Artikel 5.24 Aanvraag en melding
  60. Artikel 5.25 Voorschriften en beperkingen
  61. Artikel 5.26 Weigeringsgronden
  62. Artikel 5.27 Wijziging en intrekking
  63. Artikel 5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming
  64. Artikel 5.29 Verplichtingen netbeheerder
  65. Artikel 5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
  66. Artikel 5.31 Nadeelcompensatie
  67. Artikel 5.32 Herstraat- en degeneratiekosten
  68. Artikel 5.33 Doel van de regels in deze paragraaf
  69. Artikel 5.34 Aanleggen rioolaansluiting
  70. Artikel 5.35 Eigendom rioolaansluiting
  71. Artikel 5.36 Kosten rioolaansluitingen
  72. Artikel 5.37 Verwijderen septic tanks
  73. Artikel 5.40 (Aanwijzing) collectieve festiviteiten
  74. Artikel 5.41 Incidentele festiviteiten
  75. Artikel 5.42 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
  76. Artikel 5.43 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlu
  77. Artikel 5.50 Plaatsen van objecten op een openbare plaats
  78. Artikel 5.51 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  79. Artikel 5.52 Maken of veranderen van een uitweg
  80. Artikel 5.53 Maken en onderhouden geveltuintjes
  81. Artikel 5.60 Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
  82. Artikel 5.61 Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water
  83. Artikel 5.62 Innemen ligplaats voor vaartuigen
  84. Artikel 5.63 Beschadigen waterstaatswerken
  85. Artikel 5.64 Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte
  86. Artikel 5.65 Breken van ijs
  87. Artikel 5.66 Opleggen vaartuigen
  88. Artikel 5.67 Baggeren
  89. Artikel 5.68 Bouwen, herstellen, droogzetten en slopen vaartuigen
  90. Artikel 5.69 Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen
  91. Artikel 5.71 Doel en grondslag van deze paragraaf
  92. Artikel 5.72 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument
  93. Artikel 5.73 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument
  94. Artikel 5.74 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
  95. Artikel 5.75 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
  96. Artikel 5.76 Vangnet archeologie
  97. Artikel 5.77 Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
  98. Artikel 5.78 [vervallen]
  99. Artikel 5.79 [gereserveerd]
  100. Artikel 5.80 Vellen van boom
  101. Artikel 5.81 Herplantplicht
  102. Artikel 5.82 Specifieke indieningsvereisten
  103. Artikel 5.83 Specifieke weigeringsgronden
  104. Artikel 5.84 Snoeien, knotten of kandelaberen
  105. Artikel 5.85 Bestrijden iepziekte
  106. Artikel 7.1 Toezichthouders
  107. Artikel 7.2 Strafbaarstelling
  108. Artikel 8.1 Wijziging van regelingen
  109. Artikel 8.2 Intrekking van regelingen
  110. Artikel 8.3 Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
  111. Artikel 8.4 Overgangsbepalingen
  112. Artikel 8.6 Inwerkingtreding
  113. Artikel 8.7 Citeertitel
  114. Artikel1.1 Begripsbepalingen
  115. Artikel1.2 Toepassingsbereik
  116. Artikel1.3 Doelen van de verordening
  117. Artikel2.1 Doel van de regels
  118. Artikel2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
  119. Artikel2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
  120. Artikel2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
  121. Artikel2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
  122. Artikel2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
  123. Artikel2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwe
  124. Artikel2.8 Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
  125. Artikel2.9 Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichtin
  126. Artikel2.10 Verbod oplaten van ballonnen
  127. Artikel3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
  128. Artikel3.2 Indienen aanvraag en melding
  129. Artikel3.3 Beslistermijn
  130. Artikel3.4 Voorschriften
  131. Artikel3.5 Algemene weigeringsgronden
  132. Artikel3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
  133. Artikel3.7 Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad
  134. Artikel3.8 Gemeentelijk erfgoedregister
  135. Artikel4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
  136. Artikel4.3 Voorbescherming
  137. Artikel4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
  138. Artikel4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
  139. Artikel4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument
  140. Artikel4.7 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk
  141. Artikel4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
  142. Artikel4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gem
  143. Artikel 4.12 Doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen
  144. Artikel5.1 Op wie van toepassing
  145. Artikel5.2 Doel van de regels over bodem en bodemsanering
  146. Artikel5.4 Bodemonderzoek
  147. Artikel5.5 Melden en aanvragen beschikking bodemsanering
  148. Artikel5.6 Het Bodemsaneringsplan
  149. Artikel5.7 Melding wijziging bodemsaneringsplan
  150. Artikel5.8 Melding start en einde bodemsanering
  151. Artikel5.9 Het bodemevaluatieverslag
  152. Artikel5.10 Het bodemnazorgplan
  153. Artikel5.11 Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders
  154. Artikel5.24 Aanvraag en melding
  155. Artikel5.25 Voorschriften en beperkingen
  156. Artikel5.26 Weigeringsgronden
  157. Artikel5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming
  158. Artikel5.29 Verplichtingen netbeheerder
  159. Artikel5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
  160. Artikel5.31 Nadeelcompensatie
  161. Artikel5.32 Herstraat- en degeneratiekosten
  162. Artikel5.33 Doel van de regels in deze paragraaf
  163. Artikel5.41 Incidentele festiviteiten
  164. Artikel5.42 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
  165. Artikel5.43 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlu
  166. Artikel5.50 Plaatsen van objecten op een openbare plaats
  167. Artikel5.51 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  168. Artikel5.52 Maken of veranderen van een uitweg
  169. Artikel5.60 Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
  170. Artikel5.71 Doel en grondslag van deze paragraaf
  171. Artikel5.72 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument
  172. Artikel5.73 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument
  173. Artikel5.74 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
  174. Artikel5.76 Vangnet archeologie
  175. Artikel5.77 Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
  176. Artikel7.1 Toezichthouders
  177. Artikel7.2 Strafbaarstelling
  178. Artikel8.1 Wijziging van regelingen
  179. Artikel8.2 Intrekking van regelingen
  180. Artikel8.3 Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
  181. Artikel8.4 Overgangsbepalingen
  182. Artikel 8.5 Bouwverordening
  183. Artikel8.6 Inwerkingtreding
  184. Artikel8.7 Citeertitel
  185. Artikel 5:67 Baggeren
  186. Artikel 4:9 APV
  187. Artikel 6 Brandbeveiligingsverordening
  188. Artikel 2:21 APV
  189. Artikel 4:9a APV
  190. Artikel 2.1.5 Bouwverordening
  191. Artikel 2:22 APV
  192. Artikel 4:2 APV
  193. Artikel 4:3 APV
  194. Artikel 4:5 APV
  195. Artikel 4:6 APV
  196. Artikel 5.44
  197. Artikel 4:13 APV
  198. Artikel 2:10 APV
  199. Artikel 2:11 APV
  200. Artikel 2:12 APV
  201. Artikel 22 Erfgoedverordening 2010
  202. Artikel 7.3.1 Bouwverordening
  203. Artikel 4:10 APV
  204. Artikel 4:11 APV
  205. Artikel 5:25 APV
  206. Artikel 5 Rioolaansluitingsverordening
  207. Artikel 5:24 APV
  208. Artikel 5:28 APV
  209. Artikel 5:37 APV
  210. Artikel 5:38 APV
  211. Artikel 5:39 APV
  212. Artikel 5:40 APV
  213. Artikel 5:41 APV
  214. Artikel 5:43b APV
  215. Artikel 4:12 APV
  216. Artikel 4:11a APV

Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL)De gemeenteraad van Zaanstad, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, de artikelen 39, 39c, 39d van de Wet bodembescherming, het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming.

Besluit:

Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) Opmerkingen met betrekking tot de regeling De gemeente Zaanstad bereidt zich voor op de Omgevingswet. Daartoe worden de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse Zaanse verordeningen samengebracht in één nieuwe verordening als tussenstap naar het toekomstige omgevingsplan. Dit gebeurd stapsgewijs in tranches. In deze eerste tranche zijn de relevante regels uit 6 verordeningen opgenomen. Deze regels kunnen onder huidige wetgeving niet worden opgenomen in bestemmingsplannen, omdat de regels niet de ruimtelijke ordening betreffen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen deze verordening (gefaseerd) en de bestemmingsplannen worden verwerkt tot één omgevingsplan.

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

Artikel 1.2Toepassingsbereik

Artikel 1.3Doelen van de verordening

Hoofdstuk 2 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.1Doel van de regels

Artikel 2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Artikel 2.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen

Artikel 2.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Artikel 2.5Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

Artikel 2.6Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

Artikel 2.7Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Artikel 2.8Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen

Artikel 2.9Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2.10Verbod oplaten van ballonnen

Artikel 2.11Verbod houtopstand of objecten onder hoogspanningslijn

Artikel 2.15Meldplicht bij brand of broei

Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie

Artikel 3.1Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 3.2Indienen aanvraag en melding

Artikel 3.3Beslistermijn

Artikel 3.4Voorschriften

Artikel 3.5Algemene weigeringsgronden

Artikel 3.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Artikel 3.7Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad

Artikel 3.8Gemeentelijk erfgoedregister

Hoofdstuk 4 Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologische monument, beschermd stads- of dorpsgezicht en beschermde boom

Paragraaf 4.1 Aanwijzing onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed

Artikel 4.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed

Artikel 4.2(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument

Artikel 4.3Voorbescherming

Artikel 4.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Artikel 4.5Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Artikel 4.6Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument

Artikel 4.7Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument

Artikel 4.8Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

Artikel 4.9Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

Paragraaf 4.2 Aanwijzing als beschermde boom

Artikel 4.10Doel van aanwijzen van beschermde bomen

Artikel 4.11Aanwijzing als beschermde boom

Paragraaf 4.3 Aanwijzing ligplaats voor vaartuigen

Artikel 4.12 doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen

Artikel 4.13Aanwijzing van ligplaats voor vaartuigen

Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten

Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1Op wie van toepassing

Paragraaf 5.2 Bodem en bodemsanering

Artikel 5.2Doel van de regels over bodem en bodemsanering

Artikel 5.3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 5.4Bodemonderzoek

Artikel 5.5Melden en aanvragen beschikking bodemsanering

Artikel 5.6Het Bodemsaneringsplan

Artikel 5.7Melding wijziging bodemsaneringsplan

Artikel 5.8Melding start en einde bodemsanering

Artikel 5.9Het bodemevaluatieverslag

Artikel 5.10Het bodemnazorgplan

Artikel 5.11Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders

Paragraaf 5.3 A Telecomkabels

Artikel 5.12Aanleggen, in stadn houden of opruimen van telecomkabels

Artikel 5.13Spoedeisende werkzaamheden

Artikel 5.14Aanvraag en melding

Artikel 5.15Voorschriften en beperkingen

Artikel 5.16Wijziging en intrekking

Artikel 5.17Overleg en afstemming tijdens planvorming

Artikel 5.18Medegebruik van voorzieningen

Artikel 5.19Verplichtingen telecomaanbieder

Artikel 5.20Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder

Artikel 5.21Herstraat- en degeneratiekosten

Paragraaf 5.3 B Kabels en leidingen

Artikel 5.22Aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen

Artikel 5.23Spoedeisende werkzaamheden

Artikel 5.24Aanvraag en melding

Artikel 5.25Voorschriften en beperkingen

Artikel 5.26Weigeringsgronden

Artikel 5.27Wijziging en intrekking

Artikel 5.28Overleg en afstemming tijdens planvorming

Artikel 5.29Verplichtingen netbeheerder

Artikel 5.30Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder

Artikel 5.31Nadeelcompensatie

Artikel 5.32Herstraat- en degeneratiekosten

Paragraaf 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering

Artikel 5.33Doel van de regels in deze paragraaf

Artikel 5.34Aanleggen rioolaansluiting

Artikel 5.35Eigendom rioolaansluiting

Artikel 5.36Kosten rioolaansluitingen

Artikel 5.37Verwijderen septic tanks

Paragraaf 5.5 Regels over geluid en verlichting

Artikel 5.40(Aanwijzing) collectieve festiviteiten

Artikel 5.41Incidentele festiviteiten

Artikel 5.42Het ten gehore brengen van onversterkte muziek

Artikel 5.43Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht

Artikel 5.44 t/m 5.49 [gereserveerd]

Paragraaf 5.6 Activiteiten op een openbare plaats

Artikel 5.50Plaatsen van objecten op een openbare plaats

Artikel 5.51Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 5.52Maken of veranderen van een uitweg

Artikel 5.53Maken en onderhouden geveltuintjes

Paragraaf 5.7 Activiteiten bij of op openbaar water

Artikel 5.60Doel en reikwijdte van regels over openbaar water

Artikel 5.61Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water

Artikel 5.62Innemen ligplaats voor vaartuigen

Artikel 5.63Beschadigen waterstaatswerken

Artikel 5.64Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte

Artikel 5.65Breken van ijs

Artikel 5.66Opleggen vaartuigen

Artikel 5.67Baggeren

Artikel 5.68Bouwen, herstellen, droogzetten en slopen vaartuigen

Artikel 5.69Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen

Paragraaf 5.8 Onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed

Artikel 5.71Doel en grondslag van deze paragraaf

Artikel 5.72Wijzigen of slopen gemeentelijk monument

Artikel 5.73Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument

Artikel 5.74Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 5.75Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 5.76Vangnet archeologie

Paragraaf 5.9 Bouw en gebruik van bouwwerken

Artikel 5.77Gebruik bouwwerk als nachtverblijf

Artikel 5.78[vervallen]

Artikel 5.79[gereserveerd]

Paragraaf 5.10 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren

Artikel 5.80Vellen van boom

Artikel 5.81Herplantplicht

Artikel 5.82Specifieke indieningsvereisten

Artikel 5.83Specifieke weigeringsgronden

Artikel 5.84Snoeien, knotten of kandelaberen

Artikel 5.85Bestrijden iepziekte

Hoofdstuk 6 [gereserveerd]

Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving

Artikel 7.1Toezichthouders

Artikel 7.2Strafbaarstelling

Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8.1Wijziging van regelingen

Artikel 8.2Intrekking van regelingen

Artikel 8.3Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Artikel 8.4Overgangsbepalingen

Artikel 8.6Inwerkingtreding

Artikel 8.7Citeertitel

Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Bijlage 5.6 Aanvullende gegevens voor het bodemsaneringsplan Bijlage 5.9 Aanvullende gegevens voor het bodemevaluatieverslag Bijlage 5.10 Aanvullende gegevens voor het bodemnazorgplan Toelichting Hoofdstuk1Algemene bepalingen

Artikel1.1Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: archeologisch monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht die overeenkomstig deze verordening is aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; cultureel erfgoed: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; dunnen: beheersmaatregel waarbij een of meerdere bomen geveld worden om te zorgen dat de overgebleven bomen kunnen groeien; fysieke leefomgeving: De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. gebiedenkaart beschermde bomen: een door de raad vastgestelde kaart waarop de gebieden zijn aangewezen waarin een omgevingsvergunning voor het vellen van een of meerdere bomen noodzakelijk is. De gebiedenkaart beschermde bomen wordt ook genoemd gebiedenkaart kapvergunning; gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, of terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak; gemeentelijke riolering: de gemeentelijke voorziening voor het beheer van stedelijk afvalwater en regenwater; herplantplan: plan waarin staat hoe de te vellen boom vervangen wordt door nieuwe aanplant; houtopstand: één of meerdere bomen, hakhout, een houtwal of stoof. Hakhout is een stronk die opnieuw uitloopt nadat de stronk is gekapt. Houtwal is lijnvormige beplanting op een kunstmatige aarden verhoging. Stoof is het deel van de boom dat na kappen in de grond achterblijft en weer uitloopt. Deze uitlopers (stammen) worden aangemerkt als één boom; infrastructuur: openbare wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, telecommunicatie- infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en openbare vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet en andere vitale infrastructuur;

inrichting: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie als het geen telecomkabel betreft; kerkelijk monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; ligplaats voor vaartuigen: dit omvat diverse categorieën van ligplaatsen voor vaartuigen, waaronder afmeerplaatsen, wachtplaatsen en pleisterplaatsen; lijst van beschermde bomen: een door de raad vastgestelde lijst van bomen waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een of meerdere bomen noodzakelijk is; monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

NEN: de Nederlandse norm voor een specifiek product, dienst of proces, zoals uitgegeven door de NEN; omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn met inbegrip van de daartoe behorende bruggen, tunnels, duikers, beschoeiingen, kades en andere werken; openbare grond: dit omvat de openbare weg en openbaar water met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn vallen onder het begrip openbare gronden. openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; pleisterplaats: een ligplaats voor een recreatievaartuig met een totale lengte kleiner dan 20 meter (met een maximale toegestane gebruiksduur van 3x24 uur; rioolaansluiting: de rioolleiding tussen de gemeentelijke riolering en het perceel waar afvalwater en regenwater vrijkomt; spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden waarvan uitstel niet mogelijk is als gevolg van een calamiteit, een ernstige belemmering of een storing in de dienstverlening; telecomaanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet; telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet; vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten en ponten, met uitzondering van woonschepen; vellen: het kappen, rooien of het verrichten van een andere handeling (zowel bovengronds als ondergronds), die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering tot gevolg kan hebben, zoals de eerste keer knotten en kandelaberen; waterstaatswerken: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Waterwet; weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel1.2Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan.

Artikel1.3Doelen van de verordening

Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels betrekking zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan.

Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Hoofdstuk2Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel2.1Doel van de regels

Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving beschermen en te behouden.

Artikel2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving.

Artikel2.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen

Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Artikel2.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt.

Artikel2.5Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.

De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Artikel2.6Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden.

Artikel2.7Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden.

Artikel2.8Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen

De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen.

De telecomaanbieder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van telecomkabels.

Artikel2.9Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving

De eigenaar of een andere rechthebbende op een bouwwerk of een perceel is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op dat perceel door burgemeester en wethouders objecten, borden of voorzieningen voor het verkeer, openbare verlichting, huisnummering, wijk-, buurt- of straatnaamgeving worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel2.10Verbod oplaten van ballonnen

Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven.

Artikel 2.11Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaande houtopstanden of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijd beslissen) niet van toepassing.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan.

Artikel 2.15Meldplicht bij brand of broei

Een ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.

Hoofdstuk3Proces, procedure en adviescommissie

Artikel3.1Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Als volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet burgemeester en wethouders maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’.

De artikelen 3.2 tot en met 3.6 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel3.2Indienen aanvraag en melding

Een aanvraag voor een beschikking of een melding en de daarbij behorende gegevens en documenten worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van Zaanstad.

Artikel3.3Beslistermijn

Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard.

Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere specifieke beslistermijn is gesteld. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn.

Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag.

Artikel3.4Voorschriften

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel3.5Algemene weigeringsgronden

Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval:

Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel3.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of de vergunninghouder dit verzoekt.

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel3.7Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad

De adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad is de welstandscommissie als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet en de adviescommissie als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet.

De adviescommissie adviseert over welstand, cultureel erfgoed en de haar in deze verordening opgedragen taken.

De adviescommissie bestaat ten minste uit zeven door de gemeenteraad aangewezen leden, onder wie een onafhankelijk voorzitter, twee burgerleden en vier beroepsleden die deskundig zijn op het gebied van (landschaps-)architectuur, ruimtelijke kwaliteit, cultuur- en bouwhistorie en monumentenzorg.

De adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn bij het advies.

De adviescommissie brengt binnen vijf werkdagen na de vergadering schriftelijk een gemotiveerd advies uit.

De bepalingen over de samenstelling, taakstelling en werkwijze van de adviescommissie zijn vastgelegd in het ‘Reglement van Orde te gebruiken voor de Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 februari 2014, gelden als onderdeel van deze verordening.

Artikel3.8Gemeentelijk erfgoedregister

Burgemeester en wethouders houden een openbaar gemeentelijk erfgoedregister bij.

Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument, beschermde stads- of dorpsgezicht.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft als teniet is gegaan.

Hoofdstuk4Aanwijzen van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht, beschermde boom, ligplaats voor vaartuigen Paragraaf4.1Aanwijzing onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed

Artikel4.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed

Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed aan te wijzen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status.

Deze paragraaf berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel4.2(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument.

Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7. Artikel 3.7 is van overeenkomstige toepassing.

Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet.

Artikel4.3Voorbescherming

De artikelen 2.5 en 5.71 tot en met 5.76 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.2 is bekendgemaakt.

De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel4.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel4.5Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet.

Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel4.6Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument voorlopig aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. In afwijking van artikel 4.2 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7 advies gevraagd over de vastgestelde voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument.

De voorlopige aanwijzing vervalt als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing.

De artikelen 4.3 tot en met 4.5 zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

De artikelen 2.5 en 5.71 tot en met 5.76 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing.

Artikel4.7Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument

Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 wijzigen.

Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.

Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is.

Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het (archeologisch) monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Artikel4.8Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

De gemeenteraad kan een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden.

Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 3.7. Artikel 3.7 is van overeenkomstige toepassing.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld.

Bij de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld.

Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze wet vaststellen.

Dit artikel is niet van toepassing op: een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988; een door de provincie aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel4.9Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.8 wijzigen of intrekken. Artikel 4.8, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.

Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd rijks stads- of dorpsgezicht of als beschermd provinciaal stads- of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Paragraaf 4.2 Aanwijzing als beschermde boom

Artikel 4.10Doel van aanwijzen van beschermde bomen

Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om bomen aan te wijzen, die hiermee een beschermde status krijgen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van bomen. Wanneer de boom beschermd is, is voor het kappen van een boom een vergunning nodig. Ook is een vergunning nodig voor andere handelingen waardoor de boom beschadigd kan raken.

De gemeente wil bomen zoveel als mogelijk behouden, omdat bomen een belangrijke bijdrage leveren aan een goede en gezonde fysieke leefomgeving.

Artikel 4.11Aanwijzing als beschermde boom

Een boom wordt aanwezen als beschermde boom op grond van: de cultuurhistorische waarde van de boom; de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; de natuurwaarde van de boom; de recreatieve waarde van de boom; de klimaatwaarde van de boom.

De beschermde boom wordt opgenomen op de lijst van beschermde bomen.

Op dezelfde gronden als genoemd in het eerste lid worden gebieden aanwezen waarin alle bomen beschermd zijn. De aangewezen gebieden worden opgenomen op de gebiedenkaart beschermde bomen.

Voor het vellen van een boom op de lijst beschermde bomen of in een gebied op de gebiedenkaart beschermde bomen is een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand nodig.

Paragraaf 4.3 Aanwijzing ligplaats voor vaartuigen

Artikel 4.12Doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen

Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om ligplaatsen voor vaartuigen aan te wijzen. Door het aanwijzen van categorieën van ligplaatsen wordt het mogelijk om voor deze ligplaatsen regels te stellen om de fysieke leefomgeving zowel te benutten als te beschermen.

Artikel 4.13Aanwijzing van ligplaatsen voor vaartuigen

Burgemeester en wethouders wijzen gedeelten van openbaar water aan waar het is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen aan de ligplaatsen in het belang van de veiligheid, het milieu en het uiterlijk aanzien van de omgeving. In ieder geval kunnen per categorie van ligplaatsen regels worden gesteld over het type of het aantal vaartuigen per ligplaats, de maximale verblijfsduur van een vaartuig, het in werking hebben van de hoofdmotor of hulpmotor en aan het wonen op het vaartuig.

Hoofdstuk5Regels voor activiteiten Paragraaf5.1Algemene bepalingen

Artikel5.1Op wie van toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf5.2Bodem en bodemsanering

Artikel5.2Doel van de regels over bodem en bodemsanering

Het doel van de regels in deze paragraaf is om de kwaliteit van de bodem te beschermen, verontreiniging tegen te gaan en de kwaliteit van de bodem waar mogelijk te verbeteren. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant.

Het doel van de artikelen 5.3 en 5.4 is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 8, lid twee van de Woningwet.

Artikel 5.3 berust op artikel 8 van de Woningwet. De overige artikelen van deze paragraaf berusten op de artikelen 39, 39c, 39d van de Wet bodembescherming en het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming;

Deze paragraaf is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Waterwet.

Artikel 5.3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als: daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; dat bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is; of het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is.

Het verbod is niet van toepassing als burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbinden waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, uit andere onderzoeksresultaten of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming, blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk.

Artikel5.4Bodemonderzoek

Het bodemonderzoek naar de aard en mate van verontreiniging van de bodem bestaat uit: een actueel milieu-hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens het onderzoeksprotocol NEN 5740:2009+A1:2016; indien op basis van het vooronderzoek verondersteld wordt dat asbest, asbestvezels, asbestdeeltjes of asbeststof, in de bodem aanwezig is, een onderzoek volgens het onderzoeksprotocol NEN 5707+C1:2016+C2:2017; en de resultaten van het onderzoek worden aangeleverd in een onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, en volgens het SIKB0101 protocol.

De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

Op aanvraag kunnen burgemeester en wethouders het geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport toestaan, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

Op aanvraag kunnen burgemeester en wethouders het gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725:2017 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel5.5Melden en aanvragen beschikking bodemsanering

De algemene indieningsprocedure van artikel 3.2 is van overeenkomstige toepassing op:

De aanvraag tot het nemen van een beschikking, op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming. Deze aanvraag wordt in deze wet melding genoemd.

De aanvraag tot het nemen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet bodembescherming.

De aanvraag tot het nemen van een beschikking op basis van artikel 29 en 37 van de Wet bodembescherming ten behoeve van het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij de aanpak diffuus lood volgens de subsidieregeling Bodemonderzoek en -sanering Zaanstad 2017-2020. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het ‘meldingsformulier tijdelijke beveiligingsmaatregelen lood’.

Artikel5.6Het Bodemsaneringsplan

Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39, eerste lid van de Wet bodembescherming aan het bodemsaneringsplan worden gesteld, worden in het bodemsaneringsplan de gegevens opgenomen die zijn genoemd in de bijlage 5.6.

Op aanvraag kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat bepaalde gegevens niet hoeven worden ingediend, omdat ze niet noodzakelijk zijn voor beoordeling van het bodemsaneringsplan.

Voor de aanvraag tot het nemen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet bodembescherming dient te worden voldaan aan hetgeen in bijlage 5.6 onder d. is opgenomen.

Artikel5.7Melding wijziging bodemsaneringsplan

Bij een melding van een wijziging van het bodemsaneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid van de Wet bodembescherming worden de volgende gegevens verstrekt: alle gegevens die afwijken van het bodemsaneringsplan waarmee burgemeester en wethouders hebben ingestemd; de reden van afwijking; de inhoud van de afwijking; de gevolgen van de afwijking voor de oorspronkelijk beoogde bodemsaneringsdoelstelling en ter uitvoering daarvan de te treffen bodemsaneringsmaatregelen.

Artikel5.8Melding start en einde bodemsanering

Degene die voornemens is te saneren doet uiterlijk vijf werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden melding van de datum waarop de werkzaamheden starten via de website van de gemeente Zaanstad.

Degene die heeft gesaneerd doet uiterlijk vijf werkdagen na beëindiging van de bodemsaneringswerkzaamheden melding van de datum waarop de werkzaamheden zijn beëindigd via de website van de gemeente Zaanstad (bij de startmelding aangemaakte zaak). Voor de toepassing van dit lid worden nazorgmaatregelen niet inbegrepen bij bodemsaneringswerkzaamheden.

Artikel5.9Het bodemevaluatieverslag

Het bodemevaluatieverslag, zoals bedoeld in artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming, wordt uiterlijk vijftien weken na beëindiging van de bodemsanering bij burgemeester en wethouders ingediend. Waar nodig wordt afzonderlijk gerapporteerd over de bodemsanering van de grond en van het grondwater.

Onverminderd de eisen die op grond van artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming aan een evaluatieverslag worden gesteld, worden in het bodemevaluatieverslag de gegevens opgenomen die genoemd zijn in bijlage 5.9.

Op aanvraag kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat bepaalde gegevens niet hoeven worden ingediend, omdat ze niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het bodemevaluatieverslag.

Voor het evaluatieverslag van het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij de aanpak van diffuus lood, zoals bedoeld in artikel 5.5, onder c, zijn het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing.

Het evaluatieverslag van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij de aanpak van diffuus lood moet binnen drie weken nadat de maatregelen zijn getroffen worden ingediend.

Artikel5.10Het bodemnazorgplan

Het bodemnazorgplan, als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming, wordt uiterlijk zes weken na de toezending van het bodemevaluatieverslag ingediend.

Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39d van de Wet bodembescherming aan het bodemnazorgplan worden gesteld, worden in het bodemnazorgplan de gegevens opgenomen die genoemd zijn in bijlage 5.10.

Op aanvraag kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat bepaalde gegevens niet hoeven worden ingediend, omdat ze niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het bodemnazorgplan.

Artikel5.11Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op bodemsaneringen die in opdracht van burgemeester en wethouders worden uitgevoerd.

Indien burgemeester en wethouders opdracht geven voor een bodemonderzoek of een bodemsanering, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek of die bodemsanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Burgemeester en wethouders wijzen de voorzitter aan en voorzien in het secretariaat.

De projectgroep bestaat verder ten minste uit een vertegenwoordiger van de gemeente Zaanstad en een vertegenwoordiger van de bij het onderzoek of de bodemsanering betrokken bewonersgroep en andere bij dat onderzoek of die bodemsanering belanghebbenden.

De projectgroep heeft tot taak burgemeester en wethouders haar zienswijze te geven over de uitvoering van het bodemonderzoek en de bodemsanering. De projectgroep brengt schriftelijk advies uit aan burgemeester en wethouders.

Paragraaf 5.3 A Telecomkabels

Artikel 5.12Aanleggen, in stand houden of opruimen van telecomkabels

Het is verboden zonder of in afwijking van een instemmingsbesluit van burgemeester en wethouders als bedoeld in de Telecommunicatiewet, werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van telecomkabels in of op openbare gronden.

In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. In bijlage 5.12 zijn de categorieën van kleine werkzaamheden aangewezen.

Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een instemmingsbesluit nodig is.

Artikel 5.13Spoedeisende werkzaamheden

Spoedeisende werkzaamheden worden onmiddellijk gemeld aan burgemeester en wethouders.

Na ontvangst van de melding kunnen de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester besluit dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden in verband met de openbare orde, gevaar of vrees voor het ontstaan van gevaar voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Het besluit als bedoeld in het vorige lid wordt onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de melding genomen.

In het geval van spoedeisende werkzaamheden worden de melding en de werkzaamheden uitgevoerd zoals beschreven in bijlage 5.13.

Artikel 5.14Aanvraag en melding

De aanvraag bevat alle gegevens en documenten die genoemd zijn in bijlage 5.14.

In afwijking van artikel 3.2 wordt de aanvraag voor een instemmingsbesluit als bedoeld in de Telecommunicatiewet ingediend via het daarvoor bestemde digitale meldsysteem op de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’.

De aanvrager stelt burgemeester en wethouders op de hoogte wanneer voor de aanleg, instandhouding of opruiming van telecomkabels zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet of een andere publiekrechtelijke regeling is ingediend bij een ander bestuursorgaan.

Een melding op grond van artikel 5.12, tweede lid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders gedaan.

Artikel 5.15Voorschriften en beperkingen

Burgemeester en wethouders kunnen aan het instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid en een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen. de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of Het uiterlijk aanzien van de omgeving.

De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit anders is bepaald.

De uitvoering van de werkzaamheden aan de telecomkabels worden verricht volgens de in bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen.

Artikel 5.16Wijziging en intrekking

Burgemeester en wethouders kunnen het instemmingsbesluit in aanvulling op de in artikel 3.6 genoemde gronden ook wijzigen of intrekken, indien: de telecomaanbieder niet binnen zes maanden na verlening van het instemmingsbesluit of de in het instemmingsbesluit opgenomen termijn met de werkzaamheden is begonnen; de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen.

Burgemeester en wethouders kunnen aan de wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit de verplichting verbinden om de betreffende telecomkabels aan te passen of te verwijderen.

Artikel 5.17Overleg en afstemming tijdens planvorming

Burgemeester en wethouders initiëren en faciliteren overleg tussen betrokken partijen over projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek en tenminste eenmaal per jaar plaats.

Burgemeester en wethouders initiëren in de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerders en telecomaanbieders om de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van (telecom)kabels en leidingen te onderzoeken. Burgemeester en wethouders doen per project een voorstel over het aantal overleggen en de regelmaat daarvan.

Op initiatief van burgemeester en wethouders wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.

Artikel 5.18Medegebruik van voorzieningen

Een telecomaanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de telecomaanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is.

Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de telecomaanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kunnen burgemeester en wethouders een alternatief tracé aanwijzen.

Artikel 5.19Verplichtingen telecomaanbieder

Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van telecomkabels wijzigt, stelt de telecomaanbieder burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk van deze wijziging op de hoogte op de wijze als bedoeld in bijlage 5.19.

De telecomaanbieder levert op verzoek van burgemeester en wethouders informatie over een telecomkabel.

Artikel 5.20Meldplicht verontreiniging, schade, gevaar en hinder

De telecomaanbieder is verplicht verontreiniging, gevaar, schade, hinder onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders en alle maatregelen te treffen om verdere verontreiniging, gevaar, schade en hinder te voorkomen.

De telecomaanbieder is verplicht storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.

Burgemeester en wethouders kunnen bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar, schade of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen en telecomkabels de aanleg of de exploitatie van de betreffende telecomkabels stilleggen.

Artikel 5.21Herstraat- en degeneratiekosten

Burgemeester en wethouders brengen de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die rechtstreeks het gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden aan kabels en leidingen bij de telecomaanbieder in rekening.

Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.

De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de ’Richtlijn tarieven (graaf)werkzaamheden’ van de VNG.

De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.

De herstraat- en degeneratiekosten voor bijzondere verharding en groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om bij convenant af te wijken van het gestelde in het derde en vierde lid.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5.3 BKabels en leidingen

Artikel 5.22Aanleggen, in stand houden, opruimen van kabels of leidingen

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders kabels of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, te verplaatsen, te verwijderen en in stand te houden.

In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. In bijlage 5.12 zijn de categorieën van kleine werkzaamheden aangewezen.

Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een vergunningplicht geldt.

Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.23Spoedeisende werkzaamheden

Spoedeisende werkzaamheden worden onmiddellijk gemeld aan burgemeester en wethouders.

Na ontvangst van de melding kunnen de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester besluit dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden in verband met de openbare orde, gevaar of de vrees voor het ontstaan van gevaar door de uitvoering van de werkzaamheden.

Het besluit als bedoeld in het vorige lid wordt onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de melding genomen.

In het geval van spoedeisende werkzaamheden worden de melding en de werkzaamheden uitgevoerd zoals beschreven in bijlage 5.13.

Artikel5.24Aanvraag en melding

De aanvraag bevat de gegevens die zijn genoemd in bijlage 5.14.

In afwijking van artikel 3.2 wordt de aanvraag voor een instemmingsbesluit als bedoeld in de Telecommunicatiewet ingediend via het daarvoor bestemde digitale meldsysteem op de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’.

De aanvrager stelt burgemeester en wethouders op de hoogte wanneer voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet of een andere publiekrechtelijke regeling is ingediend bij een ander bestuursorgaan.

Een melding op grond van artikel 5.22, tweede lid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders gedaan.

Artikel5.25Voorschriften en beperkingen

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of het uiterlijk aanzien van de omgeving.

De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

De uitvoering van de werkzaamheden aan kabels en leidingen worden verricht volgens de bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen.

Artikel5.26Weigeringsgronden

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of melding weigeren in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeerveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of het uiterlijk aanzien van de omgeving.

Artikel 5.27Wijziging en intrekking

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning in aanvulling op de in artikel 3.6 genoemde gronden wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, of de in de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden is begonnen; de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.

Aan de wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen.

Een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.

Artikel5.28Overleg en afstemming tijdens planvorming

Burgemeester en wethouders initiëren en faciliteren overleg tussen betrokken partijen over projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek en tenminste eenmaal per jaar plaats.

Burgemeester en wethouders initiëren in de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerders en telecomaanbieders om de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van (telecom)kabels en leidingen te onderzoeken. Burgemeester en wethouders doen per project een voorstel over het aantal overleggen en de regelmaat daarvan.

Op initiatief van burgemeester en wethouders wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.

Artikel5.29Verplichtingen netbeheerder

Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk van deze wijziging op de hoogte op de wijze als bedoeld in bijlage 5.19.

De netbeheerder levert op verzoek van burgemeester en wethouders informatie over een kabel of leiding.

Artikel5.30Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder

De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar, schade, hinder onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders en alle maatregelen te treffen om verdere verontreiniging, gevaar, schade en hinder te voorkomen.

De netbeheerder is verplicht storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.

Burgemeester en wethouders kunnen bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar, schade of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen.

Artikel5.31Nadeelcompensatie

Burgemeester en wethouders kunnen een netbeheerder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 5.27 eerste lid, onder d, of als gevolg van de rechtmatige uitoefening door burgemeester en wethouders van haar publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en het hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.

Burgemeester en wethouders stellen een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel5.32Herstraat- en degeneratiekosten

Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengen burgemeester en wethouders de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening.

Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.

De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de ‘Richtlijn tarieven (graaf)werkzaamheden” van de VNG.

De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.

De herstraat- en degeneratiekosten voor bijzondere verharding en groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om bij convenant af te wijken van het gestelde in het derde en vierde lid.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf5.4Aansluiten op gemeentelijke riolering

Artikel5.33Doel van de regels in deze paragraaf

Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant.

Artikel 5.34Aanleggen rioolaansluiting

De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel.

Artikel 5.35Eigendom rioolaansluiting

De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting.

Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de rioolwaterpomp.

Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluiting op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens.

Artikel 5.36Kosten rioolaansluitingen

Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks vóór 1 december in een Tarievenbesluit rioolaansluitingen de bedragen vast waarvoor gedurende het daaropvolgende jaar een rioolaansluiting, met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten en putdeksels en de kosten van eventuele herbestrating en plantsoenherstel, wordt verzorgd.

Artikel 5.37Verwijderen septic tanks

De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank.

Paragraaf5.5Regels over geluid en verlichting Artikel5.40(Aanwijzing) collectieve festiviteiten Een collectieve festiviteit is een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

Burgemeester en wethouders wijzen de collectieve festiviteiten aan.

Per kalenderjaar kunnen maximaal zeven collectieve festiviteiten worden aangewezen. Wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan de aanwijzing terstond plaatsvinden.

Bij de aanwijzing kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente of dat de aanwijzing alleen geldt voor festiviteiten in horeca, sport- of recreatie-inrichtingen.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 gelden bij collectieve festiviteiten niet voor inrichtingen type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De verlichtingsnormen ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 3.148 eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, gelden niet bij collectieve festiviteiten.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over maatregelen die moeten worden genomen om de geluidsoverlast als gevolg van de festiviteiten te beperken.

Artikel5.41Incidentele festiviteiten

Een incidentele festiviteit is een festiviteit die wordt gehouden in één of een klein aantal inrichtingen.

In een type A- of een B –inrichting, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, mogen per kalenderjaar maximaal negen incidentele festiviteiten plaatsvinden waarbij de geluidsnormen, genoemd in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 niet van toepassing zijn, mits ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit per inrichting melding is gedaan bij burgemeester en wethouders.

Het is toegestaan in een type A- of B-inrichting per kalenderjaar bij maximaal negen incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit melding is gedaan bij burgemeester en wethouders.

De melding van een incidentele festiviteit kan terstond worden toegestaan als die festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over: de dagen waarop en tijden waarbinnen incidentele festiviteiten kunnen plaatsvinden; de maximale tijdsduur en het maximaal toelaatbare geluidsniveau ter plaatse voor het ten gehore brengen van muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 van deze verordening; maatregelen die moeten worden genomen om de geluidsoverlast als gevolg van de festiviteiten te beperken.

In de nadere regels kan onderscheid gemaakt worden tussen: activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren en activiteiten die niet plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren; activiteiten met en zonder levende muziek; horeca-, sport- en recreatie- inrichtingen en overige inrichtingen.

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de nadere regels slechts gelden in bepaalde gebieden van de gemeente.

Artikel5.42Het ten gehore brengen van onversterkte muziek

In afwijking van artikel 2.18 eerste lid onder f van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn op het ten gehore brengen van onversterkte muziek de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

Maximaal vier uur per week is tussen 7.00 uur en 23.00 uur het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, zangkoren, harmonie- en fanfaregezelschappen, in oefenruimtes uitgezonderd van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel5.43Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht

Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.

Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder voorwaarden dat: deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 LAr,LT in dB(A).

Het verbod is niet van toepassing op inrichtingen, die daarvoor een vergunning hebben.

Het verbod is niet van toepassing op bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland of bij besluit specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting en die regels worden nageleefd. [De artikelen 5.44 tot en met 5.49 zijn gereserveerd] Paragraaf5.6Activiteiten op een openbare plaats

Artikel5.50Plaatsen van objecten op een openbare plaats

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op een openbare plaats die in beheer is van de gemeente en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bestemming daarvan.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 APV; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan; in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Noord-Holland.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, bouwobjecten, plantenbakken en banken. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.

Burgemeester en wethouders kunnen een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel5.51Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland, de Wegenverordening HHNK, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel5.52Maken of veranderen van een uitweg

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: een uitweg te maken naar een weg die in beheer is van de gemeente; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of het gebruik van een uitweg te veranderen.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, Wegenverordening HHNK of de Wegenverordening Noord-Holland.

Artikel 5.53Maken en onderhouden geveltuintjes

Een geveltuintje op de openbare weg is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de eigenaar of huurder van een pand in het trottoir ruimte vrijmaken voor een geveltuintje; de gevel van het pand grenst direct aan de voor voetgangers bestemde delen van de openbare ruimte, het trottoir; het vrijmaken van ruimte in het trottoir voor een geveltuintje wordt gedaan door de gemeente; een geveltuintje mag geen verzakking van het trottoir veroorzaken; een geveltuintje wordt begrensd met een opstaande straatband; er blijft een trottoir van minimaal 120 cm beschikbaar; de maximale diepte van een geveltuintje is 45 cm. Dit is inclusief de opstaande straatband; de maximale breedte is de perceelbreedte; uitgangen en nooduitgangen worden vrijgehouden; het zicht op verkeer, verkeersborden en andere verkeersaanwijzingen wordt niet belemmerd; de verzoeker beplant en onderhoudt het geveltuintje. Hiervoor wordt een onderhoudsovereenkomst met de gemeente gesloten; en er mogen geen bomen, doornige, snelgroeiende of giftige planten in een geveltuintje staan.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanleggen en onderhouden van geveltuintjes.

Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen als gebied waarin geen geveltuintjes mogen worden aangelegd. [De artikelen 5.54 t/m 5.59 zijn gereserveerd] Paragraaf5.7Activiteiten bij of op openbaar water

Artikel5.60Doel en reikwijdte van regels over openbaar water

Het doel van de regels in deze paragraaf is om de veiligheid en bruikbaarheid van de infrastructuur van het openbaar water, het milieu en het uiterlijk aanzien van de omgeving te beschermen.

De regels van de Algemeen plaatselijke verordening over openbaar water zijn onverminderd van toepassing.

Artikel 5.61Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een object in, bij, op of boven openbaar water te plaatsen of te hebben.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Waterwet, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterverordening provincie Noord-Holland of de Telecommunicatiewet.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.62Innemen ligplaats voor vaartuigen

Het is verboden een ligplaats voor vaartuigen in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen buiten de hiervoor aangewezen gedeelten van het openbaar water.

Een pleisterplaats mag alleen door een recreatieschip en voor maximaal 3 x 24 uur als ligplaats worden ingenomen.

Het is verboden om zonder ontheffing van burgemeester en wethouders met een recreatieschip meer dan 9 dagen aaneengesloten gebruik te maken van pleisterplaatsen in de gemeente.

Het is verboden om te wonen op een ligplaats voor vaartuigen.

Artikel 5.63Beschadigen waterstaatswerken

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van waterstaatswerken en openbaar water dat in beheer is van de gemeente.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland.

Artikel 5.64Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte

Het is verboden een in openbaar water liggend vaartuig als opslagplaats, bedrijfsruimte of voor handelsdoeleinden te gebruiken.

Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.65Breken van ijs

Het is verboden in openbaar water ijs te breken dat dikker is dan 3 centimeter.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

Het verbod is niet van toepassing op: het losmaken van ijs rond vaartuigen; of het breken van ijs in opdracht van burgemeester en wethouders.

Artikel 5.66Opleggen vaartuigen

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een vaartuig op te leggen op een ligplaats voor vaartuigen.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.67Baggeren

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders te baggeren of naar voorwerpen te vissen.

Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.68Bouwen, herstellen, droogzetten en slopen vaartuigen

Het is verboden drijvende vaartuigen te slopen of droog te zetten op andere locaties dan scheepswerven of door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders in openbaar water vaartuigen te bouwen, te verbouwen of te herstellen.

Het verbod van lid 2 is niet van toepassing op noodreparaties en kleine reparaties aan vaartuigen gelegen op een ligplaats onder de voorwaarde dat geen gevaar, schade of hinder valt te verwachten.

Burgemeester en wethouders kunnen de verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het vaartuig voor een inspectie onder de waterlijn.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het gebied en in het onderwerp wordt voorzien door de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.69Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen

Het is verboden in door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden op een vaartuig de hoofdmotor of hulpmotor in werking te hebben.

Het verbod is niet van toepassing bij het aanmeren of afmeren van het vaartuig.

Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Paragraaf5.8Onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed

Artikel5.71Doel en grondslag van deze paragraaf

Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is.

Deze paragraaf berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet.

Artikel5.72Wijzigen of slopen gemeentelijk monument

Het is verboden zonder of in afwijking van een ‘omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument’ van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.

Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel5.73Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument

Burgemeester een wethouders zenden een volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk, provinciaal monument of rijksmonument voor advies aan de adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad. Artikel 3.7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel5.74Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4.8, vijfde lid van kracht is.

Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek.

Op de behandeling van aanvragen om een vergunning is artikel 5.72 van overeenkomstige toepassing.

Geen vergunning is vereist voor bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen vergunning is vereist.

Artikel 5.75Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een ‘omgevingsvergunning slopen in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht’ van burgemeester en wethouders een bouwwerk te slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 5.72, het vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.

Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

Artikel5.76Vangnet archeologie

Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, behalve als: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of het archeologische deel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de gestelde regels in de Nota Archeologie Zaanstad over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een door burgemeester en wethouders goedgekeurd vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.

Paragraaf5.9Bouw en gebruik van bouwwerken

Artikel5.77Gebruik bouwwerk als nachtverblijf

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in te gebruik nemen of te gebruiken voor het bedrijfsmatig of in het kader van verzorging verschaffen van nachtverblijf aan meer dan vijf personen.

Artikel 5.78[Vervallen]

[Artikel 5.79 is gereserveerd]

Paragraaf 5.10 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren

Artikel 5.80Vellen van boom

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand van burgemeester en wethouders een boom te vellen, voor zover de boom: de boom als beschermd is aangewezen en staat op de lijst met beschermde bomen; de boom als beschermd is aangewezen en staat op de gebiedenkaart beschermde bomen; of staat op een openbare plaats.

Het verbod geldt niet voor bomen met een stamomtrek van minder dan 31 centimeter of een stamdiameter van minder dan 10 centimeter. De stamomtrek en stamdiameter van een boom worden gemeten op een hoogte van 130 centimeter vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten.

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning indien de daarmee samenhangende vergunning onherroepelijk is en gestart wordt met de werkzaamheden.

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat de vergunning een beperkte geldigheidsduur heeft na het onherroepelijk worden van de vergunning.

Het verbod is niet van toepassing op het vellen van een dode boom of het dunnen van bomen wanneer dit tenminste vier weken voor het begin ervan is gemeld bij burgemeester en wethouders.

Het verbod is niet van toepassing als een boom moet worden geveld vanwege acuut gevaar in verband met instabiliteit of besmettelijke ziekte wanneer dit vooraf is gemeld bij burgemeester en wethouders.

Artikel 5.81Herplantplicht

Burgemeester en wethouders kunnen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand een herplantplicht opleggen.

Burgemeester en wethouders kunnen als voorwaarde stellen dat de herbeplanting die niet goed aanslaat moet worden vervangen.

Wanneer niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kunnen burgemeester en wethouders een financiële bijdrage opleggen.

Bij overtreding van artikel 5.80, eerste lid kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar of aan een andere rechthebbende van het perceel de verplichting opleggen binnen een gestelde termijn te herbeplanten.

Artikel 5.82Specifieke indieningsvereisten

Naast de reguliere indieningsvereisten worden bij een melding en bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een aanduiding van de te vellen boom op een kaart, foto of tekening, ieder voorzien van een nummer of aanduiding; een onderbouwing van de noodzaak daarvan; en een herplantplan.

Artikel 5.83Specifieke weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 3.5 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de boom; de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; de recreatieve waarde van de boom; de cultuurhistorische waarde van de boom; of de klimaatwaarde van de boom.

Artikel 5.84Snoeien, knotten en kandelaberen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een boom voor meer dan 20% boven- of ondergronds te snoeien of voor de eerste keer te knotten of te kandelaberen, voor zover de boom: de boom als beschermd is aangewezen en staat op de lijst met beschermde bomen; de boom als beschermd is aangewezen en staat op de gebiedenkaart beschermde bomen;of staat op een openbare plaats.

Artikel 5.85Bestrijden iepziekte

Wanneer op een perceel één of meer iepen staan die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers is de eigenaar en een ander rechthebbende van het perceel verplicht binnen een termijn van tien werkdagen na aanschrijving van burgemeester en wethouders de iepen: te vellen; te ontschorsen; en de schors te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op: geheel ontschorst iepenhout; iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; of vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod.

Hoofdstuk6[gereserveerd] Hoofdstuk7Toezicht en handhaving

Artikel7.1Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3, 5.4, 5.6, 5.8, 5.9, 5.10, 5.51, 5.52, 5.72, 5.73, 5.75, 5.76 en 5.77 zijn belast: de door burgemeester en wethouders krachtens artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen personen; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.2 tot en met 2.11, 2.15, 5.20, 5.40 tot en met 5.44, 5.50 en 5.52 zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland; de ambtenaren van de sector Veiligheid, vergunningen en handhaving; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.12 tot en met 5.32 en artikel 5.80 tot en met 5.85 zijn belast: de ambtenaren van de sector Veiligheid, vergunningen en handhaving; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.13, 5.61 tot en met 5.69 zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland; de ambtenaren van de sector Veiligheid, vergunningen en handhaving; de ambtenaren van de afdeling Havens en Vaarwegen; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

Artikel7.2Strafbaarstelling

Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.11, 4.13, 5.8, 5.12 tot en met 5.32, 5.40 tot en met 5.44, 5.50 tot en met 5.52, 5.60 tot en met 5.69, 5.75, 5.76 en 5.80 tot en met 5.85 is een strafbaar feit en wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Dit artikel is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Wet economische delicten.

Hoofdstuk8Overgangs- en slotbepalingen

Artikel8.1Wijziging van regelingen

De volgende verordeningen worden gewijzigd:

Algemene plaatselijke verordening.

Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Zaanstad 2011.

Artikel8.2Intrekking van regelingen

De volgende verordeningen zijn ingetrokken per 1 januari 2020:

Bouwverordening Zaanstad 2008;

Brandbeveiligingsverordening 2010;

Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad;

Verordening bodemsanering Zaanstad 2017;

De volgende verordeningen zijn ingetrokken per 1 januari 2021:

Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur Zaanstad (AVOI);

Rioolaansluitingsverordening

Artikel8.3Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Burgemeester en wethouders hangen de nadere regels ‘Regeling incidentele festiviteiten Hembrugterrein gesteld door het college op grond van artikel 4:3, zesde en achtste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv)’ om naar ‘Nadere regels incidentele festiviteiten Hembrugterrein bij artikel 5.41 vijfde en zevende lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.

Burgemeester en wethouders hangen de nadere regels ‘Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare plaatsen gesteld op grond van artikel 2:10, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv)’ om naar ‘Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare plaatsen bij artikel 5.50 vierde lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.

Burgemeester en wethouders hangen het aanwijzingsbesluit ‘Aan te wijzen collectieve festiviteiten 2018 e.v. die mogen afwijken van geluidsvoorschriften’ gesteld door het college op grond van artikel 4:2 om naar ‘Aanwijzingsbesluit collectieve festiviteiten 2018 – 2021 bij artikel 5.40 tweede lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.

Burgemeester en wethouders hangen het ‘Aanwijzingsbesluit (Artikel 2:10 lid 1 onder d, van de Apv), van openbare plaatsen als een gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden (Reclame-uitingen Inverdan)’ om naar ‘Aanwijzingsbesluit Inverdan als gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden bij artikel 5.50 vijfde lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.

Burgemeester en wethouders hangen het ‘Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen conform artikel 5.25 en 5:43b van de Algemene Plaatselijke Verordening’ om naar ‘Aanwijzingsbesluit en nadere regels ligplaatsen vaartuigen bij de artikelen 4.13 en 5.69 van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.

Artikel8.4Overgangsbepalingen

Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening.

Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning of ontheffing op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 2:10 (vergunning) Artikel 5.50 (vergunning) Artikel 2:11 (vergunning) Artikel 5.51 (vergunning) Artikel 2:12 (vergunning) Artikel 5.52 (vergunning) Artikel 2:22 (ontheffing) Artikel 5.20 (ontheffing) Artikel 4:6 (ontheffing) Artikel 5.43 (ontheffing) Artikel 4:11 (vergunning) Artikel 5.80 en artikel 5.84 (vergunning) Artikel 4:11a (ontheffing) Artikel 5.85 (ontheffing) Artikel 4:13 (vergunning) Artikel 5.44 (vergunning) Artikel 5:24 (vergunning) Artikel 5.61 (vergunning) Artikel 5:25 (ontheffing) Artikel 5.62 (ontheffing) Artikel 5:37 (ontheffing) Artikel 5.64 (ontheffing) Artikel 5:38 (ontheffing) Artikel 5.65 (ontheffing) Artikel 5:39 (vergunning) Artikel 5.66 (vergunning) Artikel 5:40 (vergunning) Artikel 5.67 (vergunning) Artikel 5:41 (vergunning) Artikel 5.68 (vergunning) Artikel 5:43b (ontheffing) Artikel 5.69 (ontheffing) Meldingen gedaan op grond van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad (‘oud’), gelden als melding op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 4:3 (melding) Artikel 5.40 (melding) Artikel 4:11 (melding) Artikel 5.80 (melding) Vergunningen verleend op grond van de Bouwverordening Zaanstad 2008 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 7.3.1 (vergunning) Artikel 5.77 (vergunning) Aanwijzingen op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als aanwijzingen op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 3 (aanwijzing) Artikel 4.2 (aanwijzing) Artikel 4 (aanwijzing) Artikel 4.6 (aanwijzing) Artikel 8 (aanwijzing) Artikel 4.7 (aanwijzing) Artikel 20 (aanwijzing) Artikel 4.8 (aanwijzing) Vergunningen verleend op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 10 (vergunning) Artikel 5.72 (vergunning) Artikel 16 (vergunning) Artikel 5.73 (vergunning) Artikel 17 (vergunning) Artikel 5.76 (vergunning) Artikel 23 (vergunning) Artikel 5.75 (vergunning) Meldingen gedaan op grond van de Verordening bodemsanering Zaanstad 2017 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 5 (melding) Artikel 5.7 (melding) Artikel 6 (melding) Artikel 5.8 (melding) Vergunningen verleend op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 2.1 (vergunning) Artikelen 5.22 (vergunning) Instemmingsbesluiten verleend op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als instemmingsbesluit op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 2.1 (instemmingsbesluit) Artikel 5.12 (instemmingsbesluit) Meldingen gedaan op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als melding op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:

Oud Nieuw Artikel 2.1 lid 2 (melding) Artikel 5.12 of 5.22 (melding)

Artikel 8.5Bouwverordening

De artikelen 3.7, 5.3, 5.4, 5.77 en 5.78 gelden als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

Artikel8.6Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2020.

Artikel8.7Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad.

Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Zaanstad, 12 december 2019.

De griffier, De voorzitter, Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Bijlage 5.6 Aanvullende gegevens voor het bodemsaneringsplan a. algemene gegevens: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een recente (maximum 3 maanden oude) kadastrale kaart, waarop het geval van bodemverontreiniging en de oppervlakte van het te saneren gedeelte is aangegeven; een uittreksel van het kadaster waaruit de eigendomssituatie blijkt en dat niet langer dan drie maanden voor de indiening van het bodemsaneringsplan door het kadaster is afgegeven; het huidig en toekomstig gebruik van de bodem; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder 1, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de bodemsanering zal plaatsvinden; een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval de datum waarop met de bodemsanering naar verwachting zal worden begonnen is aangegeven; een specificatie van de bij de uitvoering van de bodemsanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het bodemsaneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en instemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; de wijze waarop belanghebbenden bij de uitvoering van de bodemsanering zullen worden betrokken; de wijze van milieukundige begeleiding; b. keuze bodemsaneringsvariant: indien slechts een deel van de verontreiniging wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet; indien na de bodemsanering restverontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een argumentatie op grond waarvan dit gebeurt; c. de te nemen maatregelen: een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; een beschrijving van de maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten en overlast als gevolg van de bodemsanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; gegevens over de kwaliteit van het eventueel te gebruiken aanvulmateriaal; grondbalans;

Bijlage 5.9 Aanvullende gegevens voor het bodemevaluatieverslag a. algemene gegevens: adres van de locatie; naam, adres van de opdrachtgever; naam van de locatie met kadastrale gegevens, coördinaten van het werk en de oppervlakte van het gesaneerde deel; samenvatting van de verontreinigingssituatie, de bodemopbouw en de geohydrologie, volgend uit bodemonderzoeken (met rapportnummers); type bodemsanering: deelsanering / gefaseerde bodemsanering / volledige bodemsanering; doelstelling van de bodemsanering voor grond en/of grondwater, met verwijzing naar het (goedgekeurde) bodemsaneringsplan (met rapportnummer) en de beschikking (met nummer) waarmee ingestemd wordt met het bodemsaneringsplan; naam, adres directievoerder, aannemer, milieukundige begeleider, tanksaneerder; nummer bestek, indien er een bestek bestaat; veiligheidsklassen, veiligheids- en gezondheidsplan (ontwerpfase en uitvoeringsfase); b. vergunningen: opsomming van vergunningen en meldingen die van belang waren voor de uitvoering van de bodemsanering (ook meldingen aan arbeidsinspectie, verkeerspolitie, wegbeheerder, besluit bodemkwaliteit etc); data van verstrekking en inwerkingtreding van deze vergunningen (nummer vermelden); verstrekte afvalstroomnummers; c. werkzaamheden voor grondsanering: start en einddatum van de periode waarop het bodemevaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondsanering; beschrijving van de voorbereidende werkzaamheden, zoals sloop van opstallen, inrichting van werkterrein en uitvoering van verkeersmaatregelen, overleg met omgeving of projectgroep; maatregelen voor kabels en leidingen; wijze van bemalen en zuiveren van het grondwater voor ontgraving in den droge (filterstelling, debiet, invloed op de omgeving zoals zettingen en influentconcentraties); overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in tonnen en kubieke meters) en de bestemming daarvan (inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers) verdeeld in de volgende categorieën: ongereinigd storten reinigen ongereinigd hergebruiken tijdelijke opslag overzicht van de hoeveelheden overige vrijgekomen materialen (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en ondergrondse tanks) en hun bestemmingen; afmetingen van de ontgravingen; inrichting van gronddepot(s); beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het bodemsaneringsplan beschreven situatie en gegevens waaruit blijkt dat dit gemeld is bij Burgemeester en Wethouders; eventueel aangelegd onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering;

d. grondwatersanering / bodemluchtonttrekking: start en einddatum van de periode waarop het bodemevaluatieverslag betrekking heeft, alsmede de totale duur van de grondwatersanering; wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in-situ-technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging); beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten opzichte van de in het bodemsaneringsplan beschreven situatie of prognoses; wijze van onttrekken en zuiveren van het grondwater; e. bemonstering bij grondsanering: bespreking van analyseresultaten controlemonsters en de consequenties daarvan; bespreking analyseresultaten van de depotmonsters, monsters van de afgevoerde grond e.d. en de consequenties daarvan; bespreking van analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputmaling) in relatie tot de verleende vergunning(en); certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond en steenachtige bouwmaterialen; f. bemonstering bij grondwatersanering: bespreking van analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de bodemsanering; bespreking analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en); bespreking analyseresultaten van de grondwatermonsters uit peilbuizen; g. conclusies en aanbevelingen: uiteenzetting of is voldaan aan de doelstellingen van de bodemsanering zoals die zijn geformuleerd in het bodemsaneringsplan en de beschikking van de instemming; omschrijving redenen van eventuele afwijkingen van het bodemsaneringsplan; h. bijlagen en tabellen bij het bodemevaluatieverslag: locatiekaart; begrenzing van het bodemsaneringsterrein met een uittreksel uit het kadaster; verontreinigingsituatie uit het nader onderzoek of bodemsaneringsplan; ontgraving volgens het bodemsaneringsplan; kaart met het tijdens de bodemsanering ontgraven gebied met dieptes en talud ingetekend; kaart locatie van bemaling en lozingspunt tijdens de grondsanering; overzicht het in-situ-maatregelen; overzicht grondwateronttrekking (debieten, totale onttrokken hoeveelheid, eventueel de vracht aan onttrokken verontreinigen); eventueel grafische weergave van de analyseresultaten, debieten, onttrokken vracht etc.; kaart met locatie van onttrekkingssysteem voor grondwatersanering of in-situ-sanering; kaart met locaties van genomen bodemmonsters; kaart met locaties van peilbuizen met filterstelling; grondbalans; certificaten met betrekking tot ondergrondse tanks; afvoerbewijs van eventueel vrijgekomen chemische afvalstoffen (zoals sludge), inclusief afvalstroomnummers en bestemming;

analyseresultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing (“nacontrole”); analysecertificaten van eventueel aangevoerde grond en toetsing; overzicht van de bij de bodemsanering betrokken instanties en bedrijven; toetsingstabel en referentiekader; kadastrale tekening met eventuele restverontreiniging; lijst van klachten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan; l ijst van calamiteiten tijdens de uitvoering en de afhandeling hiervan; i. overige tekeningen / kaarten: ontgravingskaart; ontgravingsgebieden (diepten); ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc); ligging tijdelijke voorzieningen; grondkaart; aard en omvang van de restverontreinigingen (grond en grondwater); kadastrale kaart van restverontreinigingen; aard en omvang van de gebruiksbeperkingen; plaats van toepassing van herschikkingsgrond; plaats van toepassing van grond afkomstig buiten de locatie; grondwatersaneringskaart; ligging van voorzieningen (b.v. drains en pompen); invloed op omgeving en mogelijke effecten (isohypsen); kabel- en leidingen Bijlage 5.10 Aanvullende gegevens voor het bodemnazorgplan a. overzicht organisatie: overzicht betrokken instanties (naam- en adresgegevens contactpersonen), taken en verantwoordelijkheden; verantwoordelijkheden (juridisch/organisatorisch/financieel); administratieve werkzaamheden; b. aanvangssituatie: gehalten en plaats (grond/grondwater en locatie) van de restverontreiniging; beschrijving locatie en omgeving: geohydrologie, kwetsbare objecten; c. maatregelen: onderhoud en investering: indien de restverontreiniging wordt geïsoleerd: de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd; de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd; een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik; de relatie tussen restverontreiniging en eventuele gebruiksbeperkingen; indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een monitoringsplan met bemonsteringsfrequentie, geplande activiteiten met actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur; een onderbouwing van dit monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding; plaats en filterstelling monitoringspeilbuizen; een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik; wijze waarop het ruimtegebruik de ontwikkelingen beïnvloedt; toets of de voorgestelde maatregelen adequaat zijn met het oog op doelstellingen. Een rol hierbij spelen de aard van de maatregelen, de frequentie en de duur.

d. overig: beschrijving welke beperkingen van het terreingebruik noodzakelijk zijn als gevolg van de restverontreiniging of nazorgmaatregelen; welke risico’s de nazorg bedreigen; een beschrijving van de maatregelen om te zorgen dat de bodemsaneringsmaatregelen in stand blijven; een beschrijving van de evaluatie van de nazorg; hoe wordt gehandeld wanneer de feitelijke situatie afwijkt van de beoogde situatie; een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten, met vermelding van aanspreekpunt; een beschrijving hoe wordt gehandeld wanneer het terreingebruik of de bestemming verandert; benodigde vergunningen, meldingen; veiligheids- en arbeid hygiënische aspecten.

Bijlage 5.12 Kleine werkzaamheden ten aanzien van telecomkabels en kabels en leidingen Voor werkzaamheden die dusdanig beperkt zijn dat op grond van artikel 5.12 lid 2 en 5.22 lid 2 geen vergunning of instemmingsbesluit noodzakelijk is, kan worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. Het betreft de volgende werkzaamheden in of op openbare gronden: het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; werkzaamheden aan kabels en leidingen die een oppervlakte van minder dan 15 m² beslaan; het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter.

Met een melding voor kleine werkzaamheden worden gekruist; bij het plaatsen van bovengrondse voorzieningen; bij boringen of persingen; bij het aanleggen van handholes.

Bijlage 5.13 Aanvullende bepalingen voor spoedeisende werkzaamheden aan telecomkabels en kabels en leidingen Bij spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen, of als gevolg van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening als bedoeld in artikel 5.13 lid 4 en 5.23 lid 4 zijn de artikelen 5.12 en 5.22 niet van toepassing.

Werkzaamheden in verband met calamiteiten of ernstige belemmeringen of storingen waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid gevaar lopen dienen te allen tijde onverwijld gemeld te worden bij het landelijk alarmnummer 112 en bij de gemeentelijk toezichthouder.

Bij spoedeisende werkzaamheden waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid geen gevaar lopen wordt hiervan door de aanbieder voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden melding gedaan bij de gemeentelijk toezichthouder.

De netbeheerder die werkzaamheden verricht als bedoeld in voorgaande leden voert deze zoveel mogelijk op zorgvuldige wijze uit, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.

De netbeheerder die graafwerkzaamheden verricht in verband met voorgaande leden wint, voor zover mogelijk bij de beheerders van netten die zijn gelegen op de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden, informatie in over de precieze ligging van netten op de graaflocatie.

De kosten die hulpdiensten maken in verband met werkzaamheden op grond van het derde lid, worden verhaald op de netbeheerder.

Bijlage 5.14 Aanvullende gegevens voor aanvraag voor instemmingsbesluit, vergunning of melding voor telecomkabels en kabels en leidingen Een aanvraag of melding bevat in ieder geval de volgende gegevens: de naam, het adres, de contactgegevens en het factuuradres van de aanvrager of melder; het ACM-registratienummer, wanneer de aanvrager of melder een aanbieder betreft; het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; een omschrijving van de aard en omvang van het project; indien de aanvraag of melding door een gemachtigde wordt ingediend: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de aanvraag of melding wordt ingediend, alsmede een afschrift van de machtiging; indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager of melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; indien de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar reeds kabels of leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd: een of meer verslagen waaruit overeenstemming tussen de aanvrager en de andere netbeheerder(s) blijkt over de voorgenomen werkzaamheden.

Degene die een melding voor kleine werkzaamheden indient motiveert, aan de hand van een tekening, onder welk van de categorieën werkzaamheden als benoemd in bijlage 5.12, zijn werkzaamheden vallen.

Bij de aanvraag van een instemmingsbesluit of een vergunning worden naast de in sub a genoemde gegevens door de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op een GBKN-ondergrond, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is. Tekeningen moeten voldoen aan de volgende eisen: de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; de tekeningen zijn op schaal en voorzien van een noordpijl; de maatvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving; het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten en diameters van de leidingen. voor gebieden die in ontwikkeling zijn bevatten de tekeningen daarnaast: de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied; maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding. Deze informatie mag niet ouder zijn dan twintig dagen gerekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

Naar aanleiding van de aanvraag tot het verlenen van een instemmingsbesluit of een vergunning kan door burgemeester en wethouders een werkplan of een onderdeel daarvan worden verlangd. Wanneer bij de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een boring of persing is een werkplan verplicht. Het werkplan bestaat uit: een tekening van de indeling van het werkterrein; een tekening van de plaats van de op te stellen apparatuur en voertuigen; een tekening van de plaats waar de leiding(en) wordt uitgelegd; een beschrijving van de wijze van aan- en afvoer van materiaal; een verkeersplan; een boorplan met een mud-druk berekening en diagram; een communicatieplan; een bereikbaarheidsplan.

Bijlage 5.15 - I Aanvullende bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Vooroverleg De netbeheerder die op eigen initiatief werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met burgemeester en wethouders teneinde een aanvraag voor te bereiden.

De netbeheerder die op eigen initiatief werkzaamheden wil verrichten als bedoeld in lid 3 van Bijlage 5.15-II, pleegt hierover minimaal 26 weken voorafgaande aan de tracébepaling vooroverleg met burgemeester en wethouders.

In de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project, zoals bedoeld in artikel 5.17 lid 2 en 5.28 lid 2, initiëren burgemeester en wethouders het vooroverleg.

2.Afstemming en verzoek tot aanpassing In het vooroverleg dat wordt geïnitieerd door of vanwege de gemeente, inventariseert de gemeente gezamenlijk met de netbeheerder de bestaande situatie en oplossingsrichtingen voor eventuele maatregelen.

Elk van de partijen draagt er zorg voor dat de ander voorzien is van de meest actuele informatie.

Burgemeester en wethouders zenden, na de netbeheerder gehoord te hebben, een verzoek tot aanpassing aan de netbeheerder indien zij maatregelen aan kabels en leidingen noodzakelijk achten. Burgemeester en wethouders omschrijven in het verzoek het project, de noodzaak van de te nemen maatregel en de grondslag voor het verzoek.

Indien de werkzaamheden aan kabels of leidingen plaatsvinden op initiatief van de gemeente, vindt de coördinatie met betrekking tot afstemming, planning en samenhang plaats door burgemeester en wethouders.

Voorbereiding en aanvraag instemmingsbesluit of vergunning De netbeheerder stemt zijn ontwerp af met derde belanghebbenden. De afstemming dient te worden voorgelegd aan burgemeester en wethouders.

De netbeheerder vraagt het instemmingsbesluit of de vergunning aan met inachtneming van de vereisten van artikel 5.14 en 5.24.

Burgemeester en wethouders sturen een ontvangstbevestiging van de aanvraag naar de netbeheerder.

Het werkplan Afhankelijk van de mogelijke invloed die de werkzaamheden van de netbeheerder hebben op de omgeving, kan door burgemeester en wethouders een werkplan worden verlangd, waarin de onderwerpen opgesomd in bijlage 5.14, onder d beschreven dienen te worden.

Het werkplan behoort onlosmakelijk bij het instemmingsbesluit of de vergunning.

Het werkplan dient te worden goedgekeurd door burgemeester en wethouders Voorschouw De netbeheerder kan burgemeester en wethouders vragen om een voorschouw vast te stellen, waarbij de bestaande toestand van de openbare ruimte wordt vastgelegd.

De bestaande toestand wordt in beginsel door de netbeheerder opgenomen in een rapport, voorzien van omschrijvingen en beeldmateriaal. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om de bestaande situatie zelf op te nemen in een rapport.

De rapportage als bedoeld in het vorige lid wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld.

Indien geen voorschouw heeft plaatsgevonden, wordt schade aan de openbare ruimte geacht te zijn veroorzaakt door de werkzaamheden van de netbeheerder, tenzij deze het tegendeel kan aantonen.

Startmelding en inlichten belanghebbenden De netbeheerder maakt minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden langs elektronische weg een startmelding via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.

De melding voor kleine werkzaamheden geldt tevens als startmelding als bedoeld in sub a.

Indien de startmelding niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt de startmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders. Een afschrift van de vergunning of het instemmingsbesluit moet bij de startmelding worden bijgevoegd.

Minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden informeert de netbeheerder alle belanghebbenden, waarbij de volgende informatie wordt verstrekt: de contactgegevens van de netbeheerder; de contactgegevens van de uitvoerende partij; de start- en einddatum van de werkzaamheden; een omschrijving van de werkzaamheden; een omschrijving van de bereikbaarheid in verband met afzetting en omleiding; de contactgegevens van de gemeente.

Onder contactgegevens als bedoeld in sub d wordt in ieder geval verstaan een e-mailadres en telefoonnummer van degene die verantwoordelijk is voor de uit te voeren werkzaamheden of, waar het betreft de gemeente, is toegewezen als contactpersoon.

Een afschrift van de in sub d aan belanghebbenden verstrekte informatie dient aan burgemeester en wethouders te worden gezonden.

Indien de netbeheerder niet op de aangegeven datum start, meldt hij dit aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een nieuwe startmelding noodzakelijk is.

Indien de netbeheerder schade aan de openbare ruimte binnen zijn werkgebied aantreft, dan dient hij dat voor aanvang van de werkzaamheden aan de toezichthouder te melden.

Uitvoering Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een kopie van het instemmingsbesluit of de vergunning met alle bescheiden aanwezig te zijn op het werk.

De netbeheerder voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met het instemmingsbesluit dan wel de vergunning en het eventuele werkplan.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient de toezichthouder van de gemeente te allen tijde een aanspreekpunt te hebben vanuit de uitvoerende partij die de verantwoordelijkheid draagt voor het naleven van de wet- en regelgeving en de door de gemeente gestelde voorwaarden.

De netbeheerder waarborgt de veiligheid op de werklocatie.

De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.

De netbeheerder zorgt ervoor dat wegen en voetpaden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk schoon gehouden worden.

Ontwerpen, bouwstoffen en uitvoeringsmethoden dienen aantoonbaar te voldoen aan alle geldende wetten, normen en richtlijnen.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in, op of in de nabijheid van bomen, bermen, gazons of groenvoorzieningen moet gehouden worden aan het gemeentelijk beleid op dit terrein.

Per dag mag er geen grotere sleuf worden gegraven dan op die dag kan worden hersteld.

Herstel van de weg dient in beginsel direct na voltooiing van de fysieke werkzaamheden plaats te vinden. Totdat de weg is hersteld blijft de netbeheerder verantwoordelijk voor de instandhouding van de bereikbaarheid en verkeersmaatregelen.

Naast de voorschriften als bedoeld in deze bijlage dient de uitvoering te geschieden conform de volgende voorschriften:

Richtlijn zorgvuldig graafproces (CROW-publicatie 250);

Kabels en leidingen in verontreinigde bodem (CROW-publicatie 307);

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.