Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Bouwverordening gemeente bunnik 1992 (bunnik)

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet regelt alle aspecten van bouwen, slopen en het gebruik van bouwwerken binnen de gemeente Bunnik, inclusief de aanvraagprocedures en de eisen waaraan voldaan moet worden. Het doel is het waarborgen van veiligheid, leefbaarheid en een goede ruimtelijke ordening.

Voor wie: Iedereen die een bouwwerk wil bouwen, verbouwen of slopen in de gemeente Bunnik; Eigenaren en gebruikers van bouwwerken, erven en terreinen in de gemeente Bunnik.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
358
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De aanvraag en behandeling van bouwvergunningen.
  • Voorschriften voor stedenbouw, brandveiligheid en aansluiting op nutsvoorzieningen.
  • Regels voor het slopen van bouwwerken en het gebruik ervan.
  • De staat van open erven en terreinen en het weren van schadelijk gedierte.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die een bouwwerk wil bouwen, verbouwen of slopen in de gemeente Bunnik.
  • Eigenaren en gebruikers van bouwwerken, erven en terreinen in de gemeente Bunnik.

Wat zijn de kernpunten?

  • Voor het bouwen is een bouwvergunning nodig, waarvoor specifieke gegevens en bescheiden moeten worden ingediend.
  • Bouwen op verontreinigde bodem is verboden, tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
  • Er zijn gedetailleerde voorschriften voor onder andere de ligging van gevelrooilijnen, bouwhoogtes en parkeergelegenheid.
  • Brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen zijn verplicht in veel bouwwerken en moeten aan kwaliteitseisen voldoen.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (358)
  1. Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
  2. Artikel 1.2 Termijnen
  3. Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
  4. Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
  5. Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
  6. Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning
  7. Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
  8. Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging
  9. Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergun
  10. Artikel 2.1.7 Bouwregistratie
  11. Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens
  12. Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
  13. Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
  14. Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
  15. Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
  16. Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
  17. Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
  18. Artikel 2.3.1 Welstandscriteria
  19. Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
  20. Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning
  21. Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
  22. Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
  23. Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
  24. Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
  25. Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
  26. Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
  27. Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
  28. Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn
  29. Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
  30. Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afsc
  31. Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
  32. Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
  33. Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
  34. Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn
  35. Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
  36. Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
  37. Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
  38. Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
  39. Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtra
  40. Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
  41. Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
  42. Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
  43. Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
  44. Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
  45. Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
  46. Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
  47. Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
  48. Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte
  49. Artikel 2.5.29
  50. Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
  51. Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
  52. Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
  53. Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
  54. Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
  55. Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties
  56. Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
  57. Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
  58. Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
  59. Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
  60. Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
  61. Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid
  62. Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
  63. Artikel 2.6.13 Brandveiligheid parkeer- of stallinggarage
  64. Artikel 2.6.14 Technische eisen van brandbeveiligingsinstallaties
  65. Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
  66. Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
  67. Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
  68. Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
  69. Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
  70. Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
  71. Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
  72. Artikel 3.2 Welstandscriteria
  73. Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staki
  74. Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
  75. Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
  76. Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
  77. Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bo
  78. Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
  79. Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
  80. Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
  81. Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
  82. Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
  83. Artikel 4.11 Bouwafval
  84. Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
  85. Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
  86. Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
  87. Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
  88. Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
  89. Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
  90. Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduid
  91. Artikel 5.2.2
  92. Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzo
  93. Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en lo
  94. Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen
  95. Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
  96. Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
  97. Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
  98. Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
  99. Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
  100. Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
  101. Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
  102. Artikel 5.4.1 Preventie
  103. Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk
  104. Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning
  105. Artikel 6.1.3 In behandeling nemen
  106. Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing
  107. Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning
  108. Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning
  109. Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden
  110. Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken
  111. Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben
  112. Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen
  113. Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
  114. Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen
  115. Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
  116. Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen
  117. Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen
  118. Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
  119. Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
  120. Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
  121. Artikel 7.3.1
  122. Artikel 7.3.2 Hinder
  123. Artikel 7.4.1 Preventie
  124. Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
  125. Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
  126. Artikel 8.1.1 Sloopvergunning
  127. Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
  128. Artikel 8.1.3 In behandeling nemen
  129. Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing
  130. Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
  131. Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning
  132. Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning
  133. Artikel 8.2.1 Sloopmelding
  134. Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
  135. Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
  136. Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
  137. Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning
  138. Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
  139. Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
  140. Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
  141. Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
  142. Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
  143. Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur
  144. Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
  145. Artikel 9.5 Termijn van advisering
  146. Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
  147. Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat
  148. Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
  149. Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen
  150. Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
  151. Artikel 10.4 Overdragen mededeling1
  152. Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsme
  153. Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
  154. Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw
  155. Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
  156. Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen
  157. Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
  158. Artikel 12.1 Strafbare feiten
  159. Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
  160. Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terrei
  161. Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
  162. Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
  163. Artikel 12.6 Slotbepaling
  164. Artikel1.1 Begripsomschrijvingen
  165. Artikel1.2 Termijnen
  166. Artikel1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
  167. Artikel2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
  168. Artikel2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
  169. Artikel2.1.3 Aanvraag bouwvergunning
  170. Artikel2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
  171. Artikel2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging
  172. Artikel2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergun
  173. Artikel2.1.7 Bouwregistratie
  174. Artikel2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens
  175. Artikel2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
  176. Artikel2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
  177. Artikel2.2.3 Bekendmaking van termijnen
  178. Artikel2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
  179. Artikel2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
  180. Artikel2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
  181. Artikel2.3.1 Welstandscriteria
  182. Artikel2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
  183. Artikel2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning
  184. Artikel2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
  185. Artikel2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
  186. Artikel2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
  187. Artikel2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
  188. Artikel2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
  189. Artikel2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
  190. Artikel2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
  191. Artikel2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn
  192. Artikel2.5.9 Bouwen op de weg
  193. Artikel2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afsc
  194. Artikel2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
  195. Artikel2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
  196. Artikel2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
  197. Artikel2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn
  198. Artikel2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
  199. Artikel2.5.16 Erf bij overige gebouwen
  200. Artikel2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
  201. Artikel2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
  202. Artikel2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtra
  203. Artikel2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
  204. Artikel2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
  205. Artikel2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
  206. Artikel2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
  207. Artikel2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
  208. Artikel2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
  209. Artikel2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
  210. Artikel2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
  211. Artikel2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte
  212. Artikel2.5.29
  213. Artikel2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
  214. Artikel2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
  215. Artikel2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
  216. Artikel2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
  217. Artikel2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties
  218. Artikel2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties
  219. Artikel2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
  220. Artikel2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
  221. Artikel2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
  222. Artikel2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
  223. Artikel2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
  224. Artikel2.6.11 Gelijkwaardigheid
  225. Artikel2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
  226. Artikel2.6.13 Brandveiligheid parkeer- of stallinggarage
  227. Artikel2.6.14 Technische eisen van brandbeveiligingsinstallaties
  228. Artikel2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
  229. Artikel2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
  230. Artikel2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
  231. Artikel2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
  232. Artikel2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
  233. Artikel2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
  234. Artikel2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
  235. Artikel3.1 De wijze van melden
  236. Artikel3.2 Welstandscriteria
  237. Artikel4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staki
  238. Artikel4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
  239. Artikel4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
  240. Artikel4.4 Het uitzetten van de bouw
  241. Artikel4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bo
  242. Artikel4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
  243. Artikel4.7 Bemalen van bouwputten
  244. Artikel4.8 Veiligheid op het bouwterrein
  245. Artikel4.9 Afscheiding van het bouwterrein
  246. Artikel4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
  247. Artikel4.11 Bouwafval
  248. Artikel4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
  249. Artikel4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
  250. Artikel4.14 Verbod tot ingebruikneming
  251. Artikel5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
  252. Artikel5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
  253. Artikel5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
  254. Artikel5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduid
  255. Artikel5.2.2
  256. Artikel5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzo
  257. Artikel5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en lo
  258. Artikel5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen
  259. Artikel5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
  260. Artikel5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
  261. Artikel5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
  262. Artikel5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
  263. Artikel5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
  264. Artikel5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
  265. Artikel5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
  266. Artikel5.4.1 Preventie
  267. Artikel6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk
  268. Artikel6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning
  269. Artikel6.1.3 In behandeling nemen
  270. Artikel6.1.4 Termijn van beslissing
  271. Artikel6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning
  272. Artikel6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning
  273. Artikel6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden
  274. Artikel6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken
  275. Artikel6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben
  276. Artikel6.2.3 Opslag en verwerking stoffen
  277. Artikel6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
  278. Artikel6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen
  279. Artikel6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid
  280. Artikel7.1.1 Overbevolking van woningen
  281. Artikel7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen
  282. Artikel7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
  283. Artikel7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
  284. Artikel7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
  285. Artikel7.3.1 (vervallen)
  286. Artikel7.3.2 Hinder
  287. Artikel7.4.1 Preventie
  288. Artikel7.5.1 Verboden gebruik van water
  289. Artikel7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
  290. Artikel8.1.1 Sloopvergunning
  291. Artikel8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
  292. Artikel8.1.3 In behandeling nemen
  293. Artikel8.1.4 Termijn van beslissing
  294. Artikel8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
  295. Artikel8.1.6 Weigeren sloopvergunning
  296. Artikel8.1.7 Intrekking sloopvergunning
  297. Artikel8.2.1 Sloopmelding
  298. Artikel8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
  299. Artikel8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
  300. Artikel8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
  301. Artikel8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning
  302. Artikel8.3.4 Plichten van degene die sloopt
  303. Artikel8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
  304. Artikel8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
  305. Artikel8.4.1 Sloopafval algemeen
  306. Artikel9.1 De advisering door de welstandscommissie
  307. Artikel9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
  308. Artikel9.3 Benoeming en zittingsduur
  309. Artikel9.4 Jaarlijkse verantwoording
  310. Artikel9.5 Termijn van advisering
  311. Artikel9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
  312. Artikel9.7 Afdoening bij mandaat
  313. Artikel9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
  314. Artikel9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen
  315. Artikel10.1 De aanvraag om woonvergunning
  316. Artikel10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaa
  317. Artikel10.3 Overdragen vergunningen
  318. Artikel10.4 Overdragen mededeling
  319. Artikel10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsme
  320. Artikel10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
  321. Artikel11.1 Stilleggen van de bouw
  322. Artikel11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
  323. Artikel11.3 Stilleggen van het slopen
  324. Artikel11.4 Onderzoek naar een gebrek
  325. Artikel12.1 Strafbare feiten
  326. Artikel12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
  327. Artikel12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terrei
  328. Artikel12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
  329. Artikel12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
  330. Artikel12.6 Slotbepaling
  331. Artikel 2 De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien
  332. Artikel 3
  333. Artikel 1
  334. Artikel 4
  335. Artikel 5
  336. Artikel 6
  337. Artikel 7
  338. Artikel 8
  339. Artikel 9
  340. Artikel 10
  341. Artikel 11
  342. Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren1 Automatisch werkende deuren in een
  343. Artikel 13
  344. Artikel 14 Gasflessen1 Een flessengasinstallatie moet voldoen aan de eisen in NEN
  345. Artikel 15
  346. Artikel 16
  347. Artikel 18
  348. Artikel 20
  349. Artikel 21
  350. Artikel 22
  351. Artikel 23
  352. Artikel 24
  353. Artikel 25
  354. Artikel 2.2
  355. Artikel 3.1 AlgemeenDe in deze richtlijnen bedoelde brandbare vloeistoffen worden
  356. Artikel 3.3 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt lager d
  357. Artikel 3.4 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt 21 0C o
  358. Artikel 3.5

BOUWVERORDENING GEMEENTE BUNNIK 1992VERSIE APRIL 2006 inclusief 10e serie wijzigingen, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 27 oktober 2005 Hoofdstuk1Inleidende bepalingen INHOUDSOPGAVE

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1Begripsomschrijvingen

Artikel 1.2Termijnen

Artikel 1.3Indeling van het gebied van de gemeente

Hoofdstuk 2 De aanvraag bouwvergunning

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden

Artikel 2.1.1Aanvraag bouwvergunning

Artikel 2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens

Artikel 2.1.3Aanvraag bouwvergunning

Artikel 2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen

Artikel 2.1.5Het onderzoek naar bodemverontreiniging

Artikel 2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning

Artikel 2.1.7Bouwregistratie

Artikel 2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen

Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Artikel 2.2.1Ontvangst van de aanvraag

Artikel 2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening

Artikel 2.2.3Bekendmaking van termijnen

Artikel 2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening

Artikel 2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek

Artikel 2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning

Paragraaf 3 Welstandstoetsing

Artikel 2.3.1Welstandscriteria

Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.2Voorwaarden bouwvergunning

Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en beschikbaarheidseisen

Artikel 2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen

Artikel 2.5.2Anti-cumulatiebepaling

Artikel 2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen

Artikel 2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten

Artikel 2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn

Artikel 2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn

Artikel 2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn

Artikel 2.5.8Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn

Artikel 2.5.9Bouwen op de weg

Artikel 2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken

Artikel 2.5.11Ligging achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.14Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen

Artikel 2.5.16Erf bij overige gebouwen

Artikel 2.5.17Ruimte tussen bouwwerken

Artikel 2.5.18Erf- en terreinafscheidingen

Artikel 2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen

Artikel 2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn

Artikel 2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

Artikel 2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen

Artikel 2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken

Artikel 2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte

Artikel 2.5.28Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte

Artikel 2.5.29Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid

Artikel 2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties

Artikel 2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties

Artikel 2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties

Artikel 2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties

Artikel 2.6.5Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties

Artikel 2.6.6Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties

Artikel 2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties

Artikel 2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen

Artikel 2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen

Artikel 2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen

Artikel 2.6.11Gelijkwaardigheid

Artikel 2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten

Artikel 2.6.13Brandveiligheid parkeer- of stallinggarage

Artikel 2.6.14Technische eisen van brandbeveiligingsinstallaties

Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

Artikel 2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding

Artikel 2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet

Artikel 2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet

Artikel 2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering

Artikel 2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

Artikel 2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen

Artikel 2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen

Hoofdstuk 3 De melding

Artikel 3.1 De wijze van melden

Artikel 3.2Welstandscriteria

Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk

Artikel 4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden

Artikel 4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden

Artikel 4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie

Artikel 4.4Het uitzetten van de bouw

Artikel 4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden

Artikel 4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen

Artikel 4.7Bemalen van bouwputten

Artikel 4.8Veiligheid op het bouwterrein

Artikel 4.9Afscheiding van het bouwterrein

Artikel 4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder

Artikel 4.11Bouwafval

Artikel 4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden

Artikel 4.13Melden van werken bij lage temperaturen

Artikel 4.14Verbod tot ingebruikneming

Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte

Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen

Artikel 5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen

Artikel 5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen

Artikel 5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten

Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen

Artikel 5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard

Artikel 5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen

Artikel 5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen

Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen

Artikel 5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding

Artikel 5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet

Artikel 5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet

Artikel 5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering

Artikel 5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

Artikel 5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen

Artikel 5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.

Artikel 5.4.1Preventie

Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik

Paragraaf 1 Gebruiksvergunning

Artikel 6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk

Artikel 6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning

Artikel 6.1.3In behandeling nemen

Artikel 6.1.4Termijn van beslissing

Artikel 6.1.5Weigeren gebruiksvergunning

Artikel 6.1.6Intrekken gebruiksvergunning

Artikel 6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden

Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar

Artikel 6.2.1Gebruikseisen voor bouwwerken

Artikel 6.2.2Verbod stoffen aanwezig te hebben

Artikel 6.2.3Opslag en verwerking stoffen

Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand

Artikel 6.3.1Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen

Artikel 6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen

Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid

Artikel 6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid

Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen

Paragraaf 1 Overbevolking

Artikel 7.1.1Overbevolking van woningen

Artikel 7.1.2Overbevolking van woonwagens en woonketen

Paragraaf 2 Staken van het gebruik

Artikel 7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid

Artikel 7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne

Artikel 7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen

Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 7.3.1

Artikel 7.3.2Hinder

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel 7.4.1Preventie

Paragraaf 5 Watergebruik

Artikel 7.5.1Verboden gebruik van water

Paragraaf 6 Installaties

Artikel 7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties

Hoofdstuk 8 Slopen

Paragraaf 1 Sloopvergunning

Artikel 8.1.1Sloopvergunning

Artikel 8.1.2Aanvraag sloopvergunning

Artikel 8.1.3In behandeling nemen

Artikel 8.1.4Termijn van beslissing

Artikel 8.1.5Samenloop van slopen en bouwen

Artikel 8.1.6Weigeren sloopvergunning

Artikel 8.1.7Intrekking sloopvergunning

Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning

Artikel 8.2.1Sloopmelding

Artikel 8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning

Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen

Artikel 8.3.1Veiligheid op sloopterrein

Artikel 8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden

Artikel 8.3.3Plichten van de houder van de sloopvergunning

Artikel 8.3.4Plichten van degene die sloopt

Artikel 8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest

Artikel 8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen

Paragraaf 4 Vrij slopen

Artikel 8.4.1Sloopafval algemeen

Hoofdstuk 9 Welstand

Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie

Artikel 9.2Samenstelling van de welstandscommissie

Artikel 9.3Benoeming en zittingsduur

Artikel 9.4Jaarlijkse verantwoording

Artikel 9.5Termijn van advisering

Artikel 9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting

Artikel 9.7Afdoening bij mandaat

Artikel 9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht

Artikel 9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen

Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen

Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen

Artikel 10.3Overdragen vergunningen

Artikel 10.4Overdragen mededeling1

Artikel 10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen

Artikel 10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Hoofdstuk 11 Handhaving

Artikel 11.1Stilleggen van de bouw

Artikel 11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming

Artikel 11.3Stilleggen van het slopen

Artikel 11.4Onderzoek naar een gebrek

Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.1Strafbare feiten

Artikel 12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek

Artikel 12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen

Artikel 12.4Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning

Artikel 12.5Overgangsbepaling sloopmelding

Artikel 12.6Slotbepaling

Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Bijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie) Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)

Artikel1.1Begripsomschrijvingen

1In deze verordening wordt verstaan onder:

-asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit;
-Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet (Stb. 2002, 409);
-Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet (Stb. 2002, 410); bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;
-bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100 van de Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;
-bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
-deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter c, van het Asbestverwijderingsbesluit;
-gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;
-hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit;
-hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
-NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
-NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;
-straatpeil:
-a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
-b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
-weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

2 In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.

Artikel1.2Termijnen

(vervallen)

Artikel1.3Indeling van het gebied van de gemeente

1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: a het gebied binnen de bebouwde kom; b het gebied buiten de bebouwde kom.

2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.

Hoofdstuk2De aanvraag bouwvergunning Paragraaf1Gegevens en bescheiden

Artikel2.1.1Aanvraag bouwvergunning

(vervallen)

Artikel2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens

(vervallen)

Artikel2.1.3Aanvraag bouwvergunning

(vervallen)

Artikel2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen

(vervallen)

Artikel2.1.5Het onderzoek naar bodemverontreiniging

Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.

Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.

Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, het onderzoek ten hoogste vijf jaar oud is en het gebruik van het terrein ongewijzigd is na de datum van het onderzoek.

Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.

Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning

(vervallen)

Artikel2.1.7Bouwregistratie

(vervallen)

Artikel2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen

(vervallen) Paragraaf2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Artikel2.2.1Ontvangst van de aanvraag

(vervallen)

Artikel2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening

(vervallen)

Artikel2.2.3Bekendmaking van termijnen

(vervallen)

Artikel2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening

(vervallen)

Artikel2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek

(vervallen)

Artikel2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning

In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt aangegeven: a de naam van de aanvrager; b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk; c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt; d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf3Welstandstoetsing

Artikel2.3.1Welstandscriteria

(vervallen) Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en 1 dat de grond raakt, of 2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel2.4.2Voorwaarden bouwvergunning

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van artikel 1.2.6 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en beschikbaarheidseisen

Artikel2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen

(Vervallen)

Artikel2.5.2Anti-cumulatiebepaling

Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.

Artikel2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen

Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer.

Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.

Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.

Artikel2.5.3ABrandweeringang

1.Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang aangewezen.

2.Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten

Tussen de toegang van enerzijds: een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.

Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: ten minste 1,10 m breed moeten zijn; b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.

Artikel2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn

De voorgevelrooilijn is: a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

Artikel2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.

Artikel2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.

Artikel2.5.8Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn

Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor: ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.

Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:

4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;

2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.

Artikel2.5.9Bouwen op de weg

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg van: gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken; vrijstaande winkel- of reclamevitrines; reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.

Artikel2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken

Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.

Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor: gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; gebouwen op handels- en industrieterreinen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen; e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen; gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat.

Artikel2.5.11Ligging achtergevelrooilijn

De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich: in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.

Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.

Artikel2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken; onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; terrassen, bordessen en bordestreden; antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van het Besluit bouwwerken.

Artikel2.5.14Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; binnen de bebouwde kom gelegen kassen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken; gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen

1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.

De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in: a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.

Artikel2.5.16Erf bij overige gebouwen

Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid: a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; b indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel2.5.17Ruimte tussen bouwwerken

De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b niet toegankelijk zijn.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

Artikel2.5.18Erf- en terreinafscheidingen

Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

Artikel2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen

Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.

Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van: het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.

Artikel2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.

De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.

Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.

Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.

Artikel2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.

2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.

Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.

Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.

3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.

4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn

1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.

2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.

Artikel2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: a 45 graden in de bebouwde kom; b 37 graden buiten de bebouwde kom.

2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.

Artikel2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

1 De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen dan 15 meter.

2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.

Artikel2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen

1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.

2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.

Artikel2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken

1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.

2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte

Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken; topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.

Artikel2.5.28Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van: a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat; c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d agrarische bedrijfsgebouwen; e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, en indien:

1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;

2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken; g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; j draagconstructies voor een reclame; k vrijstaande schoorstenen; l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel2.5.29Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid

1 In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.

2 De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien: a de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro; b de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO; c het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.

3 Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat: a gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan inbrengen; b indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen verdagen.’

Artikel2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid: a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Paragraaf6Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties

1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.

2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.

Artikel2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties

1 Een gebruiksfunctie waarvan: a de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit; b de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; c het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; d.die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven; is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.

2 In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:

De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;

Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m2;

Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.

Artikel2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties

1 De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als: a niet-automatische bewaking; of b gedeeltelijke bewaking; of c volledige bewaking (zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening), of d ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en risicoruimten.

2 Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de brandweer.

Artikel2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties

1 Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.

2 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.

3 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2 rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.

Artikel2.6.5Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties

1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.

2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.

Artikel2.6.6Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties

1.Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.

2.In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.

Artikel2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties

1 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575, uitgave 2004.

2 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.

Artikel2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen

1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen vluchten.

2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen

Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.

Artikel2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen

Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002.

Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar aangebracht.

De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.

Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van toepassing.

Artikel2.6.11Gelijkwaardigheid

1 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing.

2 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing.

3 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, zijn de artikelen 2.6.9, tweede lid, en 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel2.6.12Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten

Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.

Artikel2.6.13Brandveiligheid parkeer- of stallinggarage

1.Indien in het te bouwen bouwwerk een voorziening aanwezig is voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen die groter is dan 60 m2 dan dient dit bouwwerk te voldoen aan het gestelde in de norm NEN 2443 betreffende de voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid.

2.Een op grond van het vorige lid in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de brandweer.

Artikel2.6.14Technische eisen van brandbeveiligingsinstallaties

Alle brandbeveiligingsinstallaties dienen te voldoen aan het gestelde in de uitgave “Brandbeveiligingsinstallaties” van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) voor zover voor de gebruiksfunctie van het te bouwen bouwwerk dit vereist.

Paragraaf7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding

De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.

Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet

De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.

Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet

1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.

Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor bejaarden.

2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid: a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; c voor woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.

Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering

1 De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool.

Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.

2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: a op welke plaats en op welke hoogte de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding de gevel van het gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet kruisen; b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, fecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.

3 Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.

4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; b voor agrarische bedrijven.

Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

1 Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.

2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is.

Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen

Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.

De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.

In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.

Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.

Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.

Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.

Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.

Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen

De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.

Hoofdstuk3De melding

Artikel3.1De wijze van melden

(vervallen)

Artikel3.2Welstandscriteria

(vervallen) Hoofdstuk4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk

Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt; b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden

Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a de bouwvergunning; b andere vergunningen en ontheffingen; c het bouwveiligheidsplan; d de aanschrijving ingevolge de Woningwet.

Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie

(vervallen)

Artikel4.4Het uitzetten van de bouw

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag – onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde – niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig: a het straatpeil is aangegeven; b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.

Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden

1 Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.

2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.

3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.

Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen

Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouw-besluit nodig acht.

Artikel4.7Bemalen van bouwputten

Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.

Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein

1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.

2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen: a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;

3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.

4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.

Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein

Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.

De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.

Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.

Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder

1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.

2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.

3 Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.

4 Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.

5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.

Artikel4.11Bouwafval

1 Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; d overig afval.

2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.

3 Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.

Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden

1 Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden gesteld.

2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.

3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.

4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.

5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.

Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen

1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: a het niet verwerken van bevroren materialen; b het verkrijgen van een goede binding en verharding; c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.

2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.

Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming

Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet: a het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht; b er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.

Hoofdstuk5Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf1Staat van open erven en terreinen

Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen

1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.

2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: a drassigheid; b stank; c verontreiniging; d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; e aanwezigheid van begroeiing.

Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen

1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.

3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.

4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.

5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.

Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten

1 Tussen de toegang van enerzijds: a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.

2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.

Paragraaf2Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van overeenkomstige toepassing.

Artikel5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen

(vervallen)

Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard

(vervallen)

Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen

(vervallen)

Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen

(vervallen) Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen

Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding

De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.

Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet

De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.

Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet

De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.

Niet van toepassing is voorgaande eis op: a woningen voor bejaarden; b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; c woningen die niet worden verhuurd; d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.

Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering

1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.

2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; d op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.

Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: voor de opvang van fecaliën afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; voor de opvang van fecaliën afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.

Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen

Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen

De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.

Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.

Reinheid

Artikel5.4.1Preventie

Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.

Hoofdstuk6Brandveilig gebruik Paragraaf1Gebruiksvergunning

Artikel6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk

1 Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin: a meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis; b bedrijfsmatig de stoffen zullen worden opgeslagen die in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij brand gevaar opleverend; c aan meer dan vijf personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; d aan meer dan vijf kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan vijf lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft.

2.Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.

3 Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.

Artikel6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning

1 Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.

2 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid genoemde bijlage.

3 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in drievoud worden ingediend.

4 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.

5 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

6 De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.

7 Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.

8 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

Artikel6.1.3In behandeling nemen

Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen vier weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.

Artikel6.1.4Termijn van beslissing

1 Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

2 Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien: a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning nog niet hebben beslist; b voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in een der artikelen 14, 17, of 18 van de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn is verzonden, doch aan die aanschrijving nog niet is voldaan.

4 De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan de aanschrijving als bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.

Artikel6.1.5Weigeren gebruiksvergunning

Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende omstandigheden zich voordoet: a de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt; b de bouwvergunning is geweigerd.

Artikel6.1.6Intrekken gebruiksvergunning

1 Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken indien: a blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorwaarde van de vergunning; c van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; d van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; e het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen.

2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.

Artikel6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden

In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.

Paragraaf2Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar

Artikel6.2.1Gebruikseisen voor bouwwerken

1 Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze verordening.

2 Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.

3 Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van bijlage 3, niet van toepassing verklaren.

Artikel6.2.2Verbod stoffen aanwezig te hebben

1 Het is verboden de stoffen die in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij brand gevaar opleverend, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk.

2 Het in het voorgaande lid gestelde verbod geldt niet voor: a het voorhanden hebben voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 aangegeven maximumhoeveelheden niet overschrijdt; b het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een bouwwerk waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 6.1.1 is verleend; c de brandstof die niet in grotere hoeveelheden en niet op andere wijze is opgeslagen dan is voorgeschreven in bijlage 6, artikel 3.4; d de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; e de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel.

3 Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid.

Artikel6.2.3Opslag en verwerking stoffen

Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage 6 aangegeven wijze.

Paragraaf3Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand

Artikel6.3.1Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen

Vervallen.

Artikel6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen

Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van: a middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand; b middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand.

Paragraaf4Hinder in verband met de brandveiligheid

Artikel6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid

Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; brandgevaar wordt veroorzaakt; het gebruik van vluchtmogelijkheden wordt belemmerd.

Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.

Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen Paragraaf1Overbevolking

Artikel7.1.1Overbevolking van woningen

Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.

Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens en woonketen

Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

Paragraaf2Staken van het gebruik

Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid

Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a bouwvalligheid van het bouwwerk; b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.

Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne

Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.

Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen

Indien in een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet is bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.

Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel7.3.1(vervallen)

Artikel7.3.2Hinder

Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.

Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel7.4.1Preventie

1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.

2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.

Paragraaf5Watergebruik

Artikel7.5.1Verboden gebruik van water

Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.

Paragraaf6Installaties

Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties

Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.

Hoofdstuk8Slopen Paragraaf1Sloopvergunning

Artikel8.1.1Sloopvergunning

1 Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een aanschrijving op grond van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze aanschrijving voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.

3 Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts voorschriften over: a de veiligheid tijdens het slopen; b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.

4 De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.

Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning

1 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

2 De aanvraag moet inhouden: a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland; b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres; c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast; d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is gewaarmerkt; e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt; f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd; g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk; h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing: i het sloopveiligheidsplan.

3 In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd: a een rapport van een onderzoek, uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 15 juni 1996 dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1996, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast; c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 juli 1993; d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast; e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig is; f bij sloop van bepaalde materialen uit een of meer woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken, of bijgebouwen; of van één woning, of een naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbaar, niet tot bewoning bestemd bouwwerk, of een bijgebouw: een schriftelijke verklaring dat een visuele inspectie op basis van de checklist uit bijlage 8 van deze verordening geen asbestverdachte materialen oplevert; indien toch asbestverdachte materialen zijn aangetroffen, een materiaalanalyse door een geaccrediteerd laboratorium of de Inspectie Gezondheidsbescherming waaruit blijkt dat de verdachte materialen geen asbest bevatten.

Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.

4 Indien vermoed wordt dat het bouwwerk asbest bevat, wordt met een onderzoeksrapport van een deskundig bedrijf aangetoond of dit vermoeden juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. In plaats van een onderzoeksrapport van een deskundig bedrijf mag bij de aanvraag een van de volgende gegevens worden overgelegd, mits daaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt: a een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b, zo nodig met bijbehorende verklaring; b in gevallen als genoemd in lid 3, onder f, een schriftelijke verklaring op grond van een visuele inspectie op basis van de checklist uit bijlage 8 van deze verordening; asbestverdachte materialen worden hierbij geacht asbest te bevatten, tenzij via een materiaalanalyse door een geaccrediteerd laboratorium of door de Inspectie Gezondheidsbescherming wordt aangetoond dat zij asbestvrij zijn; c een verklaring dat uitsluitend of hoofdzakelijk asbest-houdend materiaal wordt gesloopt;

In vergelijkbare situaties mogen, ter beoordeling van burgemeester en wethouders, andere gegevens worden verstrekt waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt.

5 Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd.

6 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 2 voud worden ingediend.

7 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.

8 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project.

9 De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.

10 Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.

11 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

12 Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.

13 Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.

Artikel8.1.3In behandeling nemen

1 Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid binnen vier weken, nadat hem dit is medegedeeld, de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.

Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over het verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de gemeente beschikt blijkt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zich in het te slopen bouwwerk asbest bevindt.

2 Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.

Artikel8.1.4Termijn van beslissing

1 Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.

2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen beslissing.

Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen

1 Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning – voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd – worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.

2 In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.

Artikel8.1.6Weigeren sloopvergunning

Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend; e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

Artikel8.1.7Intrekking sloopvergunning

1 Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien: a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.

Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning

Artikel8.2.1Sloopmelding

1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning vereist voor het door of vanwege de bewoner/gebruiker van een woning, woonkeet, woonwagen of logiesverblijf en de op het erf van dat bouwwerk staande bouwwerken slopen van: a gelijmde asbest bevattende vloerbedekking; b gelijmde asbest bevattende vloertegels; c geschroefde hechtgebonden asbest bevattende bouwmaterialen, met dien verstande dat voor het verwijderen van deze bouwmaterialen, voor zover deze aan de buitenzijde van een bouwwerk zijn toegepast en bestaan uit platen, een maximum geldt van 35 m2 plaatoppervlakte, mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.

2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2 voud worden ingediend.

4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.

5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk.

6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.

8 Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest binnen een bij die mededeling te stellen termijn.

9 De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.

10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan.

11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.

Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning

In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf: a als één geheel verwijderen van:

1 verwarmingstoestellen waarin zich asbest bevindt;

2 asbest bevattende warmteblokken van verwarmingstoestellen die een nominale belasting, kleiner dan of gelijk aan een bovenwaarde van 130 kilowatt, hebben; of 3 onder verwarmingstoestellen geklemde, asbest bevattende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn; b geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen, met uitzondering van het:

1 geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen uit verwarmingstoestellen die een nominale belasting, groter dan een bovenwaarde van 2250 kilowatt, hebben; of 2 in het kader van het verwijderen van verwarmingstoestellen geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen die zich tussen ketelleden bevinden; of c geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende rem- en frictiematerialen.

Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen

Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein

Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.

Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden

Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de aanschrijving tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.

Artikel8.3.3Plichten van de houder van de sloopvergunning

1 De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.

2 De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.

3 De houder van de sloopvergunning moet een exemplaar van het rapport als bedoeld in artikel 8.1.2, vierde lid, indien aanwezig, dan wel andere informatie als bedoeld in artikel 8.1.2, derde en vierde lid, die bij de aanvraag om vergunning is verstrekt, ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.

4 De houder van de sloopvergunning moet, indien het slopen van asbest waarop de vergunning betrekking heeft krachtens aanneming van werk zal worden uitgevoerd, de aanvang van het slopen van asbest voordat met de werkzaamheden wordt begonnen schriftelijk melden aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie binnen wiens district de werkzaamheden worden uitgevoerd. Hij moet daarbij tevens meedelen welk bedrijf de werkzaamheden uitvoert en het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.

Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt

1 Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.

2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.

Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest

1 Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.

2 Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.

3 Het gestelde in het tweede lid is niet van toepassing, indien een mededeling, als bedoeld in 8.2.1, eerste en tweede lid, is gedaan of in een geval, als bedoeld in artikel 8.2.2. Ingeval werkzaamheden, als bedoeld in artikel 8.2.2, worden verricht, moeten de werkzaamheden zodanig worden verricht, dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.

4 Asbest dat vrijkomt bij het slopen moet onmiddellijk worden verzameld en in afgesloten niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal worden opgeslagen.

5 Het niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal waarin asbest als bedoeld in het vierde lid is opgeslagen, moet worden opgeslagen in een afgesloten container of afgesloten opslagplaats.

6 Indien asbest als bedoeld in het vierde lid door vorm of formaat niet in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, moet het asbest in een afgesloten container worden opgeslagen.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.