Bouwverordening gemeente Neder-Betuwe 2010 (Neder-Betuwe)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet regelt de bouwactiviteiten binnen de gemeente Neder-Betuwe en stelt regels vast voor het bouwen, inclusief de aanvraag van omgevingsvergunningen en specifieke eisen voor bodemgesteldheid en bereikbaarheid.
Voor wie: Iedereen die een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvraagt in de gemeente Neder-Betuwe; Eigenaren en gebruikers van bouwwerken die voor het verblijf van mensen zijn bestemd.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 210
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definitie van diverse termen die in de bouwverordening worden gebruikt, zoals "asbest", "bouwwerk" en "straatpeil".
- De indeling van het gemeentelijk gebied in "binnen de bebouwde kom" en "buiten de bebouwde kom" voor de toepassing van de verordening.
- De eisen voor bodemonderzoek bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen, inclusief specifieke normen voor asbest.
- Het verbod op bouwen op verontreinigde bodem en de voorwaarden waaronder hiervan kan worden afgeweken.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvraagt in de gemeente Neder-Betuwe.
- Eigenaren en gebruikers van bouwwerken die voor het verblijf van mensen zijn bestemd.
Wat zijn de kernpunten?
- Een bouwwerk mag niet worden gebouwd op bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar voor de gezondheid van gebruikers te verwachten is, indien het bouwwerk bestemd is voor voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijf van mensen, een omgevingsvergunning vereist is, en het de grond raakt of het bestaande gebruik niet wordt gehandhaafd.
- Indien de toegang tot een bouwwerk voor mensen meer dan 10 meter van een openbare weg is verwijderd, moet er een verbindingsweg zijn die geschikt is voor diverse voertuigen, met een breedte van ten minste 4,5 m en een vrije hoogte van ten minste 4,2 m.
- Nabij elk bouwwerk voor menselijk verblijf moeten opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn voor een doeltreffende verbinding met bluswatervoorzieningen.
- Het is verboden een bouwwerk te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn, tenzij het gaat om specifieke onderdelen zoals ondergrondse uitsteeksels of stoepen die de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (210)
- Artikel1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel1.2 Termijnen
- Artikel1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
- Artikel2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
- Artikel2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
- Artikel2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
- Artikel2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
- Artikel2.1.5 Bodemonderzoek
- Artikel2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergun
- Artikel2.1.7 Bouwregistratie
- Artikel2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens
- Artikel2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
- Artikel2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
- Artikel2.2.3 Bekendmaking van termijnen
- Artikel2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
- Artikel2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
- Artikel2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
- Artikel2.3.1 Welstandscriteria
- Artikel2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
- Artikel2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
- Artikel2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
- Artikel2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
- Artikel2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Artikel2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.9 Bouwen op de weg
- Artikel2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afsc
- Artikel2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
- Artikel2.5.16 Erf bij overige gebouwen
- Artikel2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
- Artikel2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
- Artikel2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtra
- Artikel2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
- Artikel2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
- Artikel2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
- Artikel2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
- Artikel2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
- Artikel2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
- Artikel2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
- Artikel2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel2.5.29
- Artikel2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
- Artikel2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
- Artikel2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
- Artikel3.1 De wijze van melden
- Artikel3.2 Welstandscriteria
- Artikel4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staki
- Artikel4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
- Artikel4.4 Het uitzetten van de bouw
- Artikel4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bo
- Artikel4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
- Artikel4.7 Bemalen van bouwputten
- Artikel4.8 Veiligheid op het bouwterrein
- Artikel4.9 Afscheiding van het bouwterrein
- Artikel4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- Artikel4.11 Bouwafval
- Artikel4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Artikel4.13 Melden van werken bij lage temperaturen
- Artikel4.14 Verbod tot ingebruikneming
- Artikel5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
- Artikel5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Artikel5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terrein
- Artikel5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net v
- Artikel5.4.1 Preventie
- Artikel7.1.1 Overbevolking van woningen
- Artikel7.1.2 Overbevolking van woonwagens
- Artikel7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
- Artikel7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
- Artikel7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
- Artikel7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf
- Artikel7.3.2 Hinder
- Artikel7.4.1 Preventie
- Artikel7.5.1 Verboden gebruik van water
- Artikel7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
- Artikel8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
- Artikel8.1.3 In behandeling nemen
- Artikel8.1.4 Termijn van beslissing
- Artikel8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
- Artikel8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.2.1 Sloopmelding
- Artikel8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voo
- Artikel8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
- Artikel8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
- Artikel8.3.4 Plichten van degene die sloopt
- Artikel8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
- Artikel8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
- Artikel8.4.1 Sloopafval algemeen
- Artikel9.1 De advisering door de welstandscommissie
- Artikel9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
- Artikel9.3 Benoeming en zittingsduur
- Artikel9.4 Jaarlijkse verantwoording
- Artikel9.5 Termijn van advisering
- Artikel9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
- Artikel9.7 Afdoening bij mandaat
- Artikel9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
- Artikel9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
- Artikel10.1 De aanvraag om woonvergunning
- Artikel10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaa
- Artikel10.3 Overdragen vergunningen
- Artikel10.4 Overdragen mededeling
- Artikel10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsme
- Artikel10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
- Artikel11.1 Stilleggen van de bouw
- Artikel11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
- Artikel11.3 Stilleggen van het slopen
- Artikel11.4 Onderzoek naar een gebrek
- Artikel12.1 Strafbare feiten
- Artikel12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
- Artikel12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terrei
- Artikel12.4
- Artikel12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
- Artikel12.6 Slotbepaling
- Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)
- Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)
- Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)
- Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)
- Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 5.10
- Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
- Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek
- Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond
- Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
- Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
- Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
- Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot overschijding van
- Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
- Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afsc
- Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
- Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
- Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
- Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
- Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtra
- Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn
- Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
- Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
- Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
- Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
- Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
- Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
- Artikel 2.5.29
- Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
- Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen
- Artikel 7b
- Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
- Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
- Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bo
- Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
- Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
- Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
- Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
- Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
- Artikel 4.11 Bouwafval
- Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
- Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
- Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
- Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
- Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
- Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding
- Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
- Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
- Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
- Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
- Artikel 5.4.1 Preventie
- Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen
- Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens
- Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf
- Artikel 7.3.2 Hinder
- Artikel 7.4.1 Preventie
- Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
- Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
- Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen
Bouwverordening gemeente Neder-Betuwe 2010 Bouwverordening Op 11 november 2010 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de ‘Bouwverordening gemeente Neder-Betuwe 2010’ vastgesteld, onder intrekking van de voorgaande bouwverordening.
De Bouwverordening gemeente Neder-Betuwe 2010 ligt, inclusief toelichting, vanaf 25 november 2010 voor een ieder ter inzage bij de bouwbalie van de gemeente Neder-Betuwe, Boveneindsestraat 6 in Kesteren . De verordening treedt in werking op 3 december inwerking.
Voor vragen kunt u contact opnemen met de heer R.L. Meeder of mevrouw Y. Jansen van de afdeling Vergunningverlening & Handhaving, telefoon 0488 449900.
Hoofdstuk1Inleidende bepalingen
Artikel1.1Begripsomschrijvingen
Artikel1.2Termijnen
(vervallen)
Artikel1.3Indeling van het gebied van de gemeente
Hoofdstuk2De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf1Gegevens en bescheiden
Artikel2.1.1Aanvraag bouwvergunning
(vervallen)
Artikel2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens
(vervallen)
Artikel2.1.3Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
(vervallen)
Artikel2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen
(vervallen)
Artikel2.1.5Bodemonderzoek
Artikel2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning
(vervallen)
Artikel2.1.7Bouwregistratie
(vervallen)
Artikel2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen
(vervallen) Paragraaf2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
Artikel2.2.1Ontvangst van de aanvraag
(vervallen)
Artikel2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
(vervallen)
Artikel2.2.3Bekendmaking van termijnen
(vervallen)
Artikel2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
(vervallen)
Artikel2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
(vervallen) Paragraaf3Welstandstoetsing
Artikel2.3.1Welstandscriteria
(vervallen) Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
Artikel2.4.2Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
Artikel2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen
(vervallen)
Artikel2.5.2Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
Artikel2.5.3ABrandweeringang
(vervallen)
Artikel2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Artikel2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is: a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
Artikel2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel2.5.8Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn
Artikel2.5.9Bouwen op de weg
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e. andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
Artikel2.5.11Ligging achtergevelrooilijn
Artikel2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , te weten:
Artikel2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen; c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ; g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel2.5.13; l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen
Artikel2.5.16Erf bij overige gebouwen
Artikel2.5.17Ruimte tussen bouwwerken
Artikel2.5.18Erf- en terreinafscheidingen
Artikel2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
Artikel2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Artikel2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Artikel2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn
Artikel2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
Artikel2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
Artikel2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
Artikel2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Artikel2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, en is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ; c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d. agrarische bedrijfsgebouwen; e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , en indien:
Artikel2.5.29
Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:
Artikel2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Paragraaf6Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Paragraaf7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:
Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Artikel2.7.3AEis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming
Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in artikel 2.7.1, artikel 2.7.2, artikel 2.7.3, artikel 2.7.3A en artikel 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Hoofdstuk3De melding
Artikel3.1De wijze van melden
(vervallen)
Artikel3.2Welstandscriteria
(vervallen) Hoofdstuk4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
(vervallen)
Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a. de omgevingsvergunning voor het bouwen; b. andere toestemmingen; c. het bouwveiligheidsplan; d. een besluit ingevolge artikel 13 , 13a en 14, tweede lid, sub b van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
(vervallen)
Artikel4.4Het uitzetten van de bouw
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: a. het straatpeil is aangegeven; b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.
Artikel4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.
Artikel4.7Bemalen van bouwputten
Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein
Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein
Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
Artikel4.11Bouwafval
Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen
Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming
Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.
Hoofdstuk5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf1Staat van open erven en terreinen
Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen
Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
Paragraaf2Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen) Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding
De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Indien het gestelde in artikel5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: a. voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b. voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen
Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
De in artikel 5.3.1, artikel 5.3.2, artikel 5.3.3, en artikel 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel5.4.1Preventie
Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
Hoofdstuk6Brandveilig gebruik (vervallen) Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen Paragraaf1Overbevolking
Artikel7.1.1Overbevolking van woningen
Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte.
Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens
Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte.
Paragraaf2Staken van het gebruik
Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid
Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a. bouwvalligheid van het bouwwerk; b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne
Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen
(vervallen) Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Alternatief artikel:
Artikel7.3.1Vergunningsplicht nachtverblijf
Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht , wordt het aantal personen bepaald op 5.
Artikel7.3.2Hinder
Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel7.4.1Preventie
Paragraaf5Watergebruik
Artikel7.5.1Verboden gebruik van water
Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf6Installaties
Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties
Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit , het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
Hoofdstuk8Slopen Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen
Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning
(vervallen)
Artikel8.1.3In behandeling nemen
(vervallen)
Artikel8.1.4Termijn van beslissing
(vervallen)
Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen
(vervallen)
Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;
Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.2.1Sloopmelding
Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen
In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; c. rem- en frictiematerialen; d. pakkingen uit verbrandingsmotoren; e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.
Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein
Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.
Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt
Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
(vervallen) Paragraaf4Vrij slopen
Artikel8.4.1Sloopafval algemeen
Hoofdstuk9Welstand
Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie
Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie
Artikel9.3Benoeming en zittingsduur
Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel9.5Termijn van advisering
Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.
Artikel9.7Afdoening bij mandaat
Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
Hoofdstuk10Overige administratieve bepalingen
Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning
(vervallen)
Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen
(vervallen)
Artikel10.3Overdragen vergunningen
(vervallen)
Artikel10.4Overdragen mededeling
(vervallen)
Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
(vervallen)
Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Hoofdstuk11Handhaving
Artikel11.1Stilleggen van de bouw
Vervallen.
Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
Vervallen.
Artikel11.3Stilleggen van het slopen
Vervallen.
Artikel11.4Onderzoek naar een gebrek
Vervallen.
Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel12.1Strafbare feiten
Vervallen.
Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek
Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.
Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen
Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
Artikel12.4
(vervallen).
Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding
(vervallen).
Artikel12.6Slotbepaling
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 11 november 2010 de griffier, mr. J.C. Bouwman de voorzitter ir. C.W. VeerhoekBijlage1Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)
Artikel 3Funderingsplan (vervallen)
Artikel 4Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)
Artikel 5Bouwveiligheidsplan (vervallen)
Artikel 6Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)
Artikel 7Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)
Bijlage2 t/m 6 (vervallen) Bijlage7Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen'; d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).
Bijlage8 (vervallen) Bijlage9Reglement van orde van de welstandscommissie 1 BENOEMING EN SAMENSTELLING VAN DE INTEGRALE WELSTANDS- EN MONUMENTENCOMMISSIE 1.1 Begripsbepaling De integrale welstands- en monumentencommissie fungeert als welstandscommissie voor de gemeente Neder-Betuwe op grond van art. 1, lid q, Woningwet en als monumentencommissie inzake wijzigingsplannen op grond van art. 15 Monumentenwet.
De integrale welstands- en monumentencommissie wordt in de rest van dit document afgekort als IWM. 1.2 Benoemingsprocedure De gemeente wijst op voordracht van het college van B&W de vereniging ‘Het Gelders Genootschap’ aan als de welstandscommissie en tevens als monumentencommissie inzake wijzigingsplannen voor monumenten. Het Gelders Genootschap legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de rayonarchitect, het architect-lid / de architect-leden, de landschapsdeskundige, de monumentendeskundige(n) en hun plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen het Gelders Genootschap en de gemeente. Alle leden van de IWM en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van maximaal drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of andere leden van de commissie, treden plaatsvervan¬gers op in de commissievergadering. De rayonarchitect kan zich door een collega rayonarchitect laten vervangen. Alle vaste leden en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. 1.3 Samenstelling van de IWM De IWM bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect, een architect / twee architecten, een landschapsdeskundige en een monumentendeskundige namens het Gelders Genootschap (alleen bij monumentenplannen). De rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de commissie.
De gemeente kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het bureau van het Gelders Genootschap of daarbuiten. Dit betreft o.a. disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en stedenbouw. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente.
Bij wijzigingsplannen voor monumenten brengt de IWM een advies uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet (welstandsbeleid), als aspecten op grond van de Monumentenwet en de gemeentelijke erfgoedverordening worden betrokken. In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op de welstand en welke op de aanvraag om monumentenvergunning. De commissie formuleert één gezamenlijke conclusie.
De IWM kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en waarvan tenminste twee leden deskundig zijn op het gebied van welstand. Voor de behandeling van monumentenplannen en landschappelijke plannen is daarnaast altijd de aanwezigheid van de betreffende deskundige of zijn/haar vervanger vereist. 2 TAAKOMSCHRIJVING 2.1 Taakomschrijving IWM en integrale mandaatcommissie De IWM is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de IWM worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. Voor de behandeling van monumenten(wijzigings-)plannen is ook de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening van toepassing. 2.1.1 Wettelijke taken 1. Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken. a. De commissie is bevoegd om B&W te adviseren over de welstands- en monumentenaspecten van aanvragen om omgevingsvergunning (art. 2.1 / 2.10 / 2.15 Wabo, art. 12 Woningwet, art. 15 Monumentenwet). Voorgelegde bouw- en monumentenplannen worden in principe binnen twee weken van een advies voorzien.
De IWM legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de IWM.
2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken De IWM krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren: a. Onder de regie van de gemeente - en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager - noodzakelijk geacht vooroverleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. b. Advies uitbrengen aan B&W over de ruimtelijke kwaliteitsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurvisies, bestemmingsplannen, ontheffingen / projectbesluiten, beheersverordeningen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen, landschappelijke plannen en andere relevante gemeentelijke beleidsstukken.
De IWM krijgt deze stukken reeds in het ontwerpstadium voorgelegd ter advisering en brengt hier desgevraagd schriftelijk advies over uit. c. Advies uitbrengen over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. d. Adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn. e. Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, B&W en burgers.
2.2 Taakomschrijving commissieleden 2.2.1 Taken van de rayonarchitect De rayonarchitect van het Gelders Genootschap is secretaris-deskundige van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de IWM de eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de IWM voor. De plannen waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2 Gemandateerde behandeling). De rayonarchitect stelt de agenda voor de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht. Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied.
Onder de verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee weken na de commissievergadering verzonden wordt. 2.2.2 Taken voorzitter De voorzitter van de IWM is in principe gekozen uit de kring van gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een plan wil inspreken.
Indien een plan in het vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden.
De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de IWM.
2.2.3 Taken architect, landschapsdeskundige en monumentendeskundige De architect, landschapsdeskundige en monumentendeskundige geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat zij op de een of andere wijze een zakelijke binding hebben met een bepaald bouwplan laten zij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de architect en/of landschapsdeskundige en/of monumentendeskundige een zakelijke binding hebben, treden zij in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug.
2.2.4 Taken monumentendeskundige Wanneer wijzigingsplannen voor monumenten zijn geagendeerd, heeft een monumentendeskundige zitting in de IWM. Deze heeft tevens het mandaat van de commissie om zitting te nemen in de mandaatcommissie (met de rayonarchitect).
De monumentendeskundige geeft vanuit zijn ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat de monumentendeskundige op de een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de monumentendeskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en het bureau van het Gelders Genootschap tijdelijk terug. 3 WERKWIJZE BOUW- EN WONINGTOEZICHT De welstandsprocedure begint met een intake van bouw- en monumentenplannen bij de betreffende gemeentelijke afdelingen.
Ten behoeve van de welstands- en monumententoets beoordeelt een ambtenaar of het plan is voorzien van de benodigde bescheiden. Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de Mor (Ministeriele Regeling Omgevingsrecht). 4 WERKWIJZE VAN DE IWM 4.1 Vooroverleg over bouwplannen De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om – op afspraak - een nog niet formeel aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de IWM toe te lichten en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van het vooroverleg. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de IWM. 4.2 Gemandateerde behandeling 4.2.1a Rayonarchitect De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de bouwplannen. De rayonarchitect heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de rayonarchitect in principe alle plannen beoordeelt, tenzij het om grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen of complexe opgaven gaat. Deze plannen schuiven door naar de integrale commissie. Ook bij twijfel wordt de integrale commissie ingeschakeld.
De rayonarchitect heeft het mandaat om zelf negatieve adviezen te kunnen uitbrengen.
De integrale commissie zelf is eindverantwoordelijk voor alle onder mandaat uitgebrachte adviezen.
Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de rayonarchitect en de IWM over het mandaat. 4.2.1b Mandaat ‘kleine commissie’ voor monumentenplannen Monumentenplannen mogen door een mandaatcommissie worden behandeld, mits hierover afspraken zijn gemaakt met de IWM. Uitgangspunt hierbij is dat de mandaatcommissie alleen monumentenplannen beoordeelt met een relatief geringe ruimtelijke betekenis. In de mandaatcommissie hebben de rayonarchitect en monumentendeskundige van het Gelders Genootschap zitting. 4.2.2 Het mandaatadvies De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van welstand’. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘geen bezwaar’ op het adviesformulier te plaatsen. Een negatief mandaatadvies wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de welstandsnota. 4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda zelf wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd en op internet gepubliceerd. De mandaatbehandeling is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen. 4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. 4.2.5 Spreekrecht Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden. Opdrachtgevers/ontwerpers hebben spreekrecht.
4.3 Openbare commissievergadering De IWM vergadert in principe om de twee weken mits er voldoende plannen voorliggen. De rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.4 voor taken leden IWM tijdens de commissievergadering). De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen. 4.3.1 Locatie vergadering De IWM vergadert op een vaste locatie in het rayon. Bij de behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente - worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen. 4.3.2 Publicatie agenda Via internet blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de commissievergadering. De agenda zelf wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd en op internet gepubliceerd. 4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij hun plan willen toelichten, kunnen ze hiervoor een afspraak maken bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. 4.3.4 Spreekrecht Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden. Opdrachtgevers/ontwerpers hebben spreekrecht.
4.4 Het welstandsadvies De IWM brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan B&W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:
Akkoord De IWM is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk.
Niet akkoord tenzij De commissie adviseert aan B&W het plan te laten aanpassen omdat het volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal punten (nog) niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een ‘niet akkoord tenzij’ wordt gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager kan volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q. dit redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente controleert of de definitieve bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarden van de IWM.
Niet akkoord De commissie brengt een negatief advies uit aan B&W omdat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt gegeven als de commissie van mening is dat een bouwplan ingrijpend moet worden aangepast. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. De gemeente maakt een inschatting of de gevraagde aanpassingen nog binnen de vereisten van het bestemmingsplan en de resterende vergunningtermijn te realiseren zijn. Indien dat niet mogelijk is, betekent het negatief advies dat de vergunning opnieuw moet worden aangevraagd.
Aanhouden De IWM kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en Woningtoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. 4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria B&W hebben de wettelijke mogelijkheid om, ook op andere dan welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.
B&W kunnen, eventueel op advies van de IWM, ook gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria, maar wél aan redelijke eisen van welstand. B&W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de welstandsnota. 4.5.1 Second opinion Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&W eerst de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de IWM. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag voorgelegd aan een commissie buiten het Gelders Genootschap. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie Welstand.
Bijlage10, 11 en 12 (vervallen) Nota-toelichting Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV)
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen
Asbest Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.
Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.
Regeling omgevingsrecht (Mor) Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning Besluit omgevingsrecht (Bor) Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.
Bevoegd gezag In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders.
Bouwbesluit 2003 Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen.
Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.
Artikel 5.10
Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt Gebruiksoppervlakte Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV.
Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.
De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.
Deskundig bedrijf Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor www.ascert.nl Omgevingsvergunning In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen twee Vergunningvrij bouwen Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.
Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).
Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen:
Artikel 1.3Indeling van het gebied van de gemeente
Algemeen Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.
Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.