Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Integrale beleidsregels sociaal domein gemeente Schagen (Schagen)

Waar gaat deze regeling over?

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Schagen ondersteuning biedt op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en (arbeids)participatie, met als doel maatwerk en een integrale aanpak te garanderen. Ze leggen vast hoe wijkteamconsulenten samen met inwoners de beste oplossing zoeken voor hun ondersteuningsvragen.

Voor wie: Inwoners van de gemeente Schagen die ondersteuning nodig hebben op het gebied van Wmo-hulp, werk, inkomen, schulden, participatie of jeugdhulp; Wijkteamconsulenten die deze ondersteuning bieden en besluiten nemen.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
186
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De uitwerking van de Integrale verordening sociaal domein van de gemeente Schagen.
  • De procedure van melding tot besluit voor ondersteuningsvragen.
  • De toepassing van kernwaarden zoals eigen regie, eigen kracht en vroegtijdige ondersteuning.
  • De beoordeling van aanvragen voor ondersteuning-op-maat, inclusief de rol van gebruikelijke hulp en andere voorzieningen.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Inwoners van de gemeente Schagen die ondersteuning nodig hebben op het gebied van Wmo-hulp, werk, inkomen, schulden, participatie of jeugdhulp.
  • Wijkteamconsulenten die deze ondersteuning bieden en besluiten nemen.

Wat zijn de kernpunten?

  • De beleidsregels zijn goed leesbaar, regelen niet meer dan nodig is, houden administratieve lasten laag en zijn duidelijk voor inwoners.
  • Ondersteuning wordt geboden vanuit de kernwaarden eigen regie, eigen kracht, vroegtijdige ondersteuning, maatwerk, participatie en veiligheid van het kind.
  • Bij de beoordeling van een aanvraag wordt eerst gekeken naar de eigen mogelijkheden van de inwoner en diens sociale netwerk, voordat aanvullende hulp wordt geboden.
  • Ondersteuning-op-maat wordt in principe niet verleend als er sprake is van gebruikelijke hulp (door huisgenoten of ouders) of als andere voorzieningen (uit andere wetten of onderwijs) beschikbaar zijn.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (186)
  1. Artikel1.1 Uitgangspunten beleidsregels
  2. Artikel1.2 Kernwaarden
  3. Artikel2.1 Integrale intake
  4. Artikel2.2 Beoordelingskader aanvraag
  5. Artikel2.31 Gebruikelijke hulp Jeugd
  6. Artikel2.3.2 Gebruikelijke hulp bij het huishouden (Wmo)
  7. Artikel2.4.1 Andere voorzieningen/andere organisaties
  8. Artikel2.5.1 Andere voorziening voortvloeiend uit andere wetten
  9. Artikel 2.5.2 Andere voorzieningen vanuit het onderwijs
  10. Artikel2.5.3 Andere voorziening vanuit de Wet langdurige zorg
  11. Artikel2.6 Ingangsdatum van uitkering en ondersteuning-op- maat in het kader van
  12. Artikel2.7 Einddatum van ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo en Jeugdwe
  13. Artikel3.1.1 De doelgroep
  14. Artikel3.1.2 Voorwaarden kostencompensatie werkgever
  15. Artikel3.1.3 Vorm kostencompensatie
  16. Artikel3.1.4 Hoogte kostencompensatie
  17. Artikel3.1.5 Vaststelling hoogte kostencompensatie en uitbetaling kostencompensatie
  18. Artikel3.1.6 Uitsluitingsgrond
  19. Artikel3.1a 2Reiskostenvergoeding
  20. Artikel3.1b 1Begripsbepaling
  21. Artikel 3.1b 4 Inkomstenvrijlating alleenstaande ouder
  22. Artikel3.1c 1 Algemeen geaccepteerde arbeid
  23. Artikel3.1d 1 Begripsomschrijvingen
  24. Artikel31d 11. Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal
  25. Artikel3.2.1 Begripsbepalingen
  26. Artikel3.2.2 Dagbesteding
  27. Artikel3.2.3 Vervoer dagbesteding
  28. Artikel3.2.4 Begeleiding
  29. Artikel3.2.5 Gebruikelijke hulp
  30. Artikel3.2.6 Vervoer algemene uitgangspunten
  31. Artikel3.2.7 Vervoersbudget
  32. Artikel3.2.9 Weekendvervoer
  33. Artikel3.2.10 Vervoersvoorzieningen over de korte en/of middellange afstand
  34. Artikel3.2.11 Stalling van een elektrisch c.q. via een hulpmotor aangedreven verplaa
  35. Artikel3.2.12 Rolstoel
  36. Artikel3.2.13 Sportvoorziening (waaronder sportrolstoel)
  37. Artikel3.3.1 Berekening van de afstand per fiets
  38. Artikel3.3.2 Berekening van de afstand per auto
  39. Artikel3.3.3 Vaststellen van de reistijd
  40. Artikel3.3.4 Vaststellen kosten openbaar vervoer
  41. Artikel3.3.5 Tijdstip en termijn van uitbetaling
  42. Artikel3.3.6 Lestijden
  43. Artikel3.3.7 Buitenschoolse opvang
  44. Artikel3.3.8 Beoordeling noodzaak aangepast vervoer op basis van beperking
  45. Artikel3.3.9 Inkomenstoetsing
  46. Artikel3.3.11 Co-ouderschap
  47. Artikel4.1 De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van je ouder(
  48. Artikel4.2 Vervoer van en/of naar een individuele voorziening
  49. Artikel4.3 Leeftijdsgrens 18-/18+
  50. Artikel5.1.1 Begripsbepalingen
  51. Artikel5.1.3 Woonvoorzieningen
  52. Artikel5.1.4 Sanering huidige vloerbedekking en gordijnen
  53. Artikel5.15 Bezoekbaar maken woning
  54. Artikel5.2.2 Schoonmaakondersteuning en signalering
  55. Artikel5.2.3 Praktische thuisondersteuning
  56. Artikel5.2.4 Beschermd wonen
  57. Artikel5.2.6 Kortdurend verblijf
  58. Artikel5.3 Maatwerk mantelzorgers
  59. Artikel6.1.1 Vestigen krediethypotheek
  60. Artikel6.1.2 Geldlening
  61. Artikel6.1.3 Voorwaarden geldlening
  62. Artikel6.1.4 Aflossing
  63. Artikel6.1.5 Heronderzoek aflossing
  64. Artikel6.1.6 Incasso
  65. Artikel6.1.7 Verkoop van de woning
  66. Artikel6.1.8 Nieuwe aanvraag na beëindiging
  67. Artikel6.2.1 Begripsbepalingen
  68. Artikel6.2.2 Aanvraag en advies
  69. Artikel6.2.3 Eisen levensvatbaarheidsonderzoek
  70. Artikel6.2.4 Begeleiding startende ondernemers
  71. Artikel6.2.5 Doelgroep voorbereidingsperiode
  72. Artikel6.26 Begeleiding tijdens voorbereidingsperiode
  73. Artikel6.27 Voorbereidingskrediet
  74. Artikel6.2.8 Onderzoek naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens
  75. Artikel6.2.9 Onderzoeken ter zake van bijstand en bedrijfskapitaal
  76. Artikel6.2.10 Heronderzoeken debiteuren
  77. Artikel6.2.12 Woonkostentoeslag
  78. Artikel6.2.13 Arbeidsongeschiktheidsverzekering
  79. Artikel6.2.14 Boekhouder of accountant
  80. Artikel6.3.2 Verlaging van de normbijstand in verband met woonsituatie
  81. Artikel6.3.3 Commerciële huurprijs voor onderhuur en kostgangerschap en korting van
  82. Artikel6.4.1 De waarde van de bezittingen in het economische verkeer bij vrije ople
  83. Artikel6.4.2 Niet als vermogen in aanmerking nemen (artikel 34 lid 2 onder a Partic
  84. Artikel6.4.3 Vaststelling van vermogen na verhuizing vanuit andere gemeente
  85. Artikel6.4.4 Vaststelling van vermogen bij wijziging van alleenstaande ouder naar a
  86. Artikel6.4.5 Toename van vermogen tijdens de uitkering
  87. Artikel6.5.1 Ingangsdatum wijziging norm bij opname
  88. Artikel6.6.1 Weggelopen minderjarigen die zelfstandig wonen (alleenstaand, alleenst
  89. Artikel6.6.2 Minderjarigen die bij hun ouders wonen, maar waarvan de ouders niet le
  90. Artikel6.7.1 Begripsbepaling
  91. Artikel6.7.2 Giften
  92. Artikel6.7.3 Giften voor bijzondere kosten
  93. Artikel6.7.4 Giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag
  94. Artikel6.7.5 Giften in verband met schulden
  95. Artikel6.7.6 Schadevergoeding
  96. Artikel6.8.1 Begripsbepalingen
  97. Artikel6.8.2 Budgetplan
  98. Artikel6.8.3 Kwaliteitseisen
  99. Artikel6.8.4 De aan het pgb verbonden voorwaarden
  100. Artikel6.8.5 Weigering pgb
  101. Artikel6.8.6 Geen Pgb aan personen uit sociaal netwerk bij specialistische jeugdhul
  102. Artikel6.9.1 Eigen bijdrage
  103. Artikel7.1.1 Voorwaarden bijzondere bijstand
  104. Artikel7.1.2 Gebonden bevoegdheid en beoordelingsruimte
  105. Artikel7.1.3 Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019
  106. Artikel7.2.1 Begrippen
  107. Artikel7.2.2 Structurele beperking
  108. Artikel7.2.3 Voorwaarden studietoeslag
  109. Artikel7.2.4 Aanvraag studietoeslag
  110. Artikel7.2.5 Toekennen en uitbetalen studietoeslag
  111. Artikel 7.2.6 Beëindiging studietoeslag
  112. Artikel 7.2.7 Hoogte studietoeslag
  113. Artikel 7.2.8 Medisch advies
  114. Artikel 7.2.9 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
  115. Artikel7.3.1 Wijze waarop rekening wordt gehouden met jouw mogelijkheden om je inko
  116. Artikel7.3.2 Wijze waarop rekening gehouden wordt met jouw inspanningen om je inkom
  117. Artikel7.4.1 Begrippen
  118. Artikel7.4.22 Doelgroep gemeentelijke schuldhulpverlening
  119. Artikel7.4.3 Aanvraag tot schuldhulpverlening
  120. Artikel7.4.4 Aanbod van schuldhulpverlening
  121. Artikel7.4.5 Budgetbeheer
  122. Artikel7.4.6 Verplichtingen
  123. Artikel7.4.7 Weigeren verzoek
  124. Artikel7.4.8 Beëindiginggronden
  125. Artikel7.49 Nazorg
  126. Artikel7.4.10 Recidive
  127. Artikel8.1.1 Begripsbepalingen
  128. Artikel8.1.2 Gebruikmaken van diverse bevoegdheden
  129. Artikel8.1.3 Herziening en intrekking
  130. Artikel8.1.4 Terugvordering
  131. Artikel8.1.5 Afzien van terugvordering of invordering
  132. Artikel8.1.6 Hoorrecht van de belanghebbende
  133. Artikel8.1.7 Brutering van de vordering
  134. Artikel8.1.8 Kwijtschelding na schuldenregeling
  135. Artikel8.1.9 Kwijtschelding na voldoen aan de aflossingsverplichting
  136. Artikel8.1.10 Verrekening bijstand
  137. Artikel8.1.11 Vaststellen aflossingscapaciteit
  138. Artikel 8.1.12 Uitstel van de aflossingsverplichting
  139. Artikel8.1.13 Afgifte dwangbevel
  140. Artikel8.1.14 Kosten van aanmaning en invordering
  141. Artikel8.1.15 Wettelijke rente
  142. Artikel8.1.16 Overdragen invordering
  143. Artikel8.1.17 Overlijden van de belanghebbende
  144. Artikel8.1.18 Bevoegdheid tot verhaal
  145. Artikel8.1.19 Nihilbeding
  146. Artikel8.1.20 Starten verhaalsonderzoek
  147. Artikel8.1.21 Afzien van het opleggen van een verhaalsbijdrage
  148. Artikel8.1.22 Afzien van wijziging van de reeds opgelegde verhaalbijdrage
  149. Artikel8.1.23 Verhaal in rechte
  150. Artikel8.1.24 Alimentatiebeschikking wordt niet nagekomen
  151. Artikel8.1.25 Termijn heronderzoeken
  152. Artikel8.1.26 Mogelijkheden van kwijtschelding verhaalsbijdrage
  153. Artikel8.1.27 Indexering verhaalsbijdragen en alimentatie
  154. Artikel8.2.1 Algemeen
  155. Artikel8.2.2 Terugvordering
  156. Artikel8.2.3 Terugvordering van ten onrechte verleende bijstand
  157. Artikel8.2.4 Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal (ook in de vorm van borg
  158. Artikel8.2.5 Terugvordering van gezinsleden
  159. Artikel8.2.6 Afzien van terugvordering in verband met dringende redenen
  160. Artikel8.2.7 Wijze van invordering Bbz-vorderingen nadat er teruggevorderd is
  161. Artikel8.2.8 Afzien van invordering in verband met gering bedrag
  162. Artikel8.2.9 Ambtshalve kwijtschelding bijstand
  163. Artikel8.2.10 Ambtshalve kwijtschelding bedrijfskapitaal
  164. Artikel8.2.11 Kwijtschelding rente
  165. Artikel8.3.1 Gebruikmaken van diverse bevoegdheden
  166. Artikel8.3.2 Herziening en intrekking
  167. Artikel8.3.3 Afzien van terug- en invordering
  168. Artikel8.3.4 Medewerking schuldregeling / Kwijtschelding schulden
  169. Artikel8.3.5 Schakelbepaling
  170. Artikel8.4.1 Gebruikmaken van diverse bevoegdheden
  171. Artikel8.4.2 Herziening en intrekking
  172. Artikel8.4.3 Afzien van terug- en invordering
  173. Artikel8.4.4 Medewerking schuldregeling / Kwijtschelding schulden
  174. Artikel8.4.5 Schakelbepaling
  175. Artikel8.5.1 Afzien van terug- en invordering
  176. Artikel8.6.1 Onverwijld doorgeven van inlichtingen
  177. Artikel8.6.2 Schriftelijke waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete
  178. Artikel8.6.3 Hoogte van de boete
  179. Artikel8.6.4 Verlaging van de boete bij te laat maar uit eigen beweging doorgeven v
  180. Artikel8.6.5 Niet verstrekken van inlichtingen bij het indienen van de aanvraag
  181. Artikel8.6.6 Verstrekken van inlichtingen tijdens de uitkering, maar niet op de jui
  182. Artikel8.6.7 Te laat verstrekken van inlichtingen in het kader van een rechtmatighe
  183. Artikel8.6.8
  184. Artikel9.1 Bijzondere omstandigheden
  185. Artikel9.2 Citeertitel
  186. Artikel9.3 Inwerkingtreding en intrekking

Integrale beleidsregels sociaal domein gemeente SchagenHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen; gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit: de Integrale beleidsregels sociaal domein Gemeente Schagen vast te stellen Voorwoord De raad heeft in de maand oktober 2020 de Integrale verordening sociaal domein vastgesteld. In de voorliggende integrale beleidsregels sociaal domein worden de bepalingen uit de integrale verordening nader uitgewerkt. Wat is eigenlijk de bedoeling van deze regelingen? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we teruggaan in de tijd.

In 2015 werden taken op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en (arbeids)participatie overgedragen aan gemeenten. Gemeenten mochten vanaf dat moment zelf de inhoud en omvang van de voorzieningen bepalen. Doelen van de decentralisatie van deze taken waren onder meer: maatwerk en integrale aanpak van problemen. Maar hoe je dat nu in de uitvoeringspraktijk? Gemeente moeten in het sociale domein vier wetten uitvoeren, die qua focus, definities en kaders enorm van elkaar verschillen en dit maakt het integraal werken niet eenvoudig. Hoe neem je als professional in dit spanningsveld van botsende belangen het juiste besluit? En hoe lever je nu maatwerk zonder dat dit leidt tot willekeur?

StimulanSZ kwam met het antwoord op deze prangende vragen. Zij hebben de methode van de omgekeerde toets ontwikkeld. Met deze methode worden integraal werken en leveren van maatwerk makkelijker. Volgens de methode van de omgekeerde toets wordt eerst gekeken naar het effect dat de inwoner wil bereiken. Daarna wordt bekeken of dit past binnen de grondwaarden van de diverse wetten. Daarbij worden de mogelijke effecten van een besluit in de volle breedte meegewogen. Pas als dit helder is, komt de juridische toets. Hierbij worden de wetsartikelen gezien als instrumenten om de grondwaarden van de wetten te realiseren. Het maatwerk zit hem dus in het proces dat de wijkteamconsulent met de inwoner klant doorloopt. En als dat proces goed wordt doorlopen, dan komt er een besluit uit de bus waarin de inwoner een maatwerkoplossing wordt geboden. Een oplossing dus waarmee hij echt is geholpen.

De integrale verordening en integrale beleidsregels gaan uit van die vraag van de inwoner en kijken naar het effect, net als de omgekeerde toets. De visie en de kernwaarden van de gemeente staan centraal. Waar staat de gemeente Schagen voor? Wat vindt de gemeente Schagen belangrijk? Met deze verordening en beleidsregels worden maatwerk en integraal werken vastgelegd in het gemeentelijk beleid. Deze verordening en beleidsregels helpen wijkteamconsulenten om samen met de inwoner te zoeken naar de beste oplossing als het gaat om vragen op het gebied van Wmo-hulp, werk, inkomen, schulden, participatie of jeugdhulp. Van willekeur is geen sprake meer. Kortom, deze verordening en beleidsregels zijn dus instrumenten om het integrale werken en leveren van maatwerk door de wijkteams te faciliteren.

Hoofdstuk1Inleiding

Artikel1.1Uitgangspunten beleidsregels

Link met: artikel 1.2 Uitgangspunten integrale verordening Deze beleidsregels hebben wij geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De beleidsregels: zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar.

Artikel1.2Kernwaarden

Link met: artikel 1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de beleidsregels houden wij rekening met de doelen van de Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening, Bbz, Wet op het primair onderwijs, Wet op het voorgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra, Wet Kinderopvang, Leerplichtwet, RMC, Wet Passend Onderwijs, Algemene Wet Bestuursrecht, Gemeentewet en later het jaar ook de Wet Inburgering. Wij zorgen ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. Wij betrekken daarbij zes kernwaarden die niet individueel gelezen kunnen worden, maar in samenhang met elkaar en in samenhang met de ambities uit het Integraal Beleidsplan. Het gaat daarbij om de volgende zes kernwaarden:

Wij ondersteunen je in een (tijdelijke) kwetsbare situatie, zodat je naar vermogen aan de samenleving kan deelnemen om naar eigen inzicht een goed leven te leiden. We gaan hierbij uit van eigen regie.

Wij ondersteunen waar nodig en gaan ervan uit dat je eerst zelf oplossingen vindt voor problemen, bijvoorbeeld met ondersteuning van je familie, vrienden en bekenden (sociaal netwerk) of door gebruik te maken van algemene voorzieningen en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen. We gaan uit van eigen kracht.

Als eigen kracht niet toereikend is, bieden wij de voorziening zo vroeg mogelijk aan ter voorkoming van dure en/of intensieve ondersteuning. We ondersteunen je, zodat je weer zelfredzaam wordt.

Wij bieden maatwerk (iedere situatie is uniek en vraagt om een passende oplossing).

Wij gaan ervan uit dat je naar vermogen duurzaam een bijdrage levert aan de samenleving en stimuleren je daarbij indien nodig (participatie zo hoog mogelijk).

Wij stellen in het belang van je kind de veiligheid in de sociale omgeving voorop.

Hoofdstuk2Van melding tot besluit Kernwaarden:

Wij maken ondersteuning makkelijk bereikbaar.

Wij vragen niet meer informatie dan nodig is.

Wij gaan zorgvuldig met je om.

Je bent zelf verantwoordelijk, wij ondersteunen als dat nodig is.

Je eigen probleemoplossende vermogen, ondersteuning vanuit je eigen sociale netwerk of andere voorzieningen en organisaties gaan voor onze ondersteuning

Artikel2.1Integrale intake

Link met : Stap 2 Integrale intake na melding en artikel 2.2.3 lid 1 Gegevens Tijdens de integrale intake verzamelen wij alle gegevens over je situatie die nodig zijn om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. Wij kunnen in ieder geval de volgende gegevens bij jou opvragen: naam geboortedatum burgerservice nummer adres en contactgegevens naam ouder(s) burgerservice nummer ouder(s) adres ouder(s) en contactgegevens informatie gezagsdragers naam en geboortedatum andere gezinsleden contactgegevens school contactgegevens huisarts kopie geldig identiteitsbewijs.

Artikel2.2Beoordelingskader aanvraag

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat 1.Bij het beoordelen van de aanvraag betrekken wij alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: jouw behoeften; jouw (on)mogelijkheden; jouw persoonlijke situatie; de mogelijkheden van het sociale netwerk en andere organisaties.

2.Om te bepalen of wij ondersteuning verlenen, volgen wij de volgende stappen:

Stap 1: Wij stellen eerst vast wat jouw ondersteuning vraag is.

Stap 2: Wij stellen hierna vast of, en zo ja welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn.

Stap 3: Wij bepalen welke ondersteuning nodig is en hoe veel.

Stap 4: Wij onderzoeken wat jij zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties.

Stap 5: Wij bepalen welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

3.Voor iedere stap geldt, dat wij de deskundigheid inzetten die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zetten wij die in. Wij stellen jou op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

Artikel2.31Gebruikelijke hulp Jeugd

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die jullie als ouders geacht worden aan jullie kinderen te bieden. Voor minderjarige kinderen (tot 18 jaar) geldt dat jullie hen behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Om deze reden wordt voor handelingen die vallen onder gebruikelijke hulp in principe geen ondersteuning-op- maat verleend. De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de ondersteuningsvraag tot de gebruikelijke hulp behoort, beoordelen wij op grond van het Afwegingskader gebruikelijke hulp Jeugdwet gemeente Schagen.

Artikel2.3.2Gebruikelijke hulp bij het huishouden (Wmo)

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Gebruikelijke hulp is de normale hulp die huisgenoten (partners, ouders inwonende kinderen en andere huisgenoten) elkaar onderling bieden. Zij zijn samen verantwoordelijk voor het eigen huishouden, de eigen en elkaars gezondheid, de levensstijl en de manier waarop het huishouden wordt gevoerd. Er wordt daarom verwacht dat huisgenoten de taken overnemen, die de inwoner zelf niet (meer) uit kan voeren. Dat is de gebruikelijke hulp. Er wordt geen ondersteuning-op maat verleend als er sprake is van gebruikelijke hulp. Wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp wordt nader uitgewerkt in het Afwegingskader gebruikelijke hulp bij hulp het huishouden Gemeente Schagen.

Artikel2.4.1Andere voorzieningen/andere organisaties

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat 1.Een andere voorziening heeft de volgende kenmerken: er kan een eenvoudige toegangstoets worden toegepast om voor de voorziening in aanmerking te komen; er hoeft geen beschikking afgegeven te worden; de voorziening biedt daardoor een snelle oplossing; er is geen keuzemogelijkheid tussen een naturavoorziening en een persoonsgebonden budget.

2.Een andere voorziening maakt het overbodig ondersteuning-op- maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet te verlenen als: de dienst daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan een oplossing; en door jou financieel kan worden gedragen.

Artikel2.5.1Andere voorziening voortvloeiend uit andere wetten

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Er zijn ook andere voorzieningen die voortvloeien uit andere wetten, waaronder de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen (Beginselenwet JI). Wij hoeven geen ondersteuning-op-maat te verlenen als jij gebruik kunt maken van een andere wet.

Artikel 2.5.2Andere voorzieningen vanuit het onderwijs

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat Wij zijn verantwoordelijk voor het leveren van ‘jeugdhulp’ en deze moet het doel hebben dat jij als jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, rekening houdend met jouw ontwikkelingsniveau. Als de ondersteuning gericht is op het realiseren van (passend) onderwijs c.q. onderwijsactiviteiten, dan valt dat niet onder de Jeugdwet maar onder de Wet passend onderwijs. In dit geval is de school aan zet om hierin te voorzien. Onderwijsondersteuning voor het behalen van de onderwijsdoelen moet door passend onderwijs geboden worden. Ook vaardigheden om tot leren te komen zijn geen vaardigheden waar jeugdhulp voor gegeven wordt. Ondersteuning die niet primair gericht is op onderwijs en het leerproces, zoals persoonlijke verzorging op school of begeleiding van jeugdige bij terugkeer naar school als deze is uitgevallen, valt echter wel onder de Jeugdwet.

Artikel2.5.3Andere voorziening vanuit de Wet langdurige zorg

Link met: Stap 3: Aanvraag en artikel 2.3.2 lid 1 Aanvraag voor ondersteuning-op-maat 1.Wij weigeren ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet, indien jij aanspraak hebt op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg. Wij weigeren ook ondersteuning-op-maat als er redenen zijn om aan te nemen dat jij daarop aanspraak kan maken. maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover.

2.Wij kunnen in afwijking van het eerste lid ondersteuning -op- maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet verlenen, als, gelet op alle individuele omstandigheden, dringende redenen hiertoe noodzaken. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, waarbij weigering van ondersteuning-op-maat leidt tot onaanvaardbare consequenties voor jou.

Artikel2.6Ingangsdatum van uitkering en ondersteuning-op- maat in het kader van de Wmo en Jeugdwet

Link met: Stap 4: Beslissing en artikel 2.4.1 Inhoud besluit 1.De uitkering gaat in op datum van melding. De uitkering wordt dus niet toegekend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het UWV heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de uitkeringsaanvraag bij de gemeente is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is met name sprake, indien de betrokkene ter zake van de verlate melding en aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

2.De ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo gaat in op de in de verleningsbeschikking vermelde datum. Dit laat overigens onverlet dat de ondersteuning op maat wegens wachttijden feitelijk op een later tijdstip van start kan gaan. Het vorenstaande is niet van toepassing met betrekking tot het vervoersbudget en de (rolstoel)taxikostenvergoeding. Laatstgenoemde voorzieningen gaan in op de eerste dag van de maand waarin het ondergetekende gespreksverslag bij de gemeente is binnengekomen.

3.De ondersteuning-op-maat in het kader van de Jeugdwet gaat in op de in de verleningsbeschikking vermelde datum. Dit laat overigens onverlet dat de ondersteuning op maat wegens wachttijden feitelijk op een later tijdstip van start kan gaan.

3.Als er sprake is van een spoedeisende situatie, dan wordt de ingangsdatum van de ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo en Jeugdwet gesteld op de datum van de melding, met dien verstande dat gedurende de periode, gelegen tussen de datum van de melding en de datum van het toekenningsbesluit, de voorziening uitsluitend in natura kan worden verstrekt.

4.Als ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet voor een bepaalde periode is toegekend en de nieuwe aanvraag voor afloop van de indicatieperiode is ingediend, dan wordt de ingangsdatum van deze ondersteuning gesteld op de dag na afloop van de indicatieperiode.

5.Als de aanvraag voor een ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet pas na afloop van de indicatieperiode wordt ingediend, dan wordt de ingangsdatum van de ondersteuning-op-maat gesteld op de datum van het toekenningsbesluit.

Artikel2.7Einddatum van ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo en Jeugdwet

Link met: Stap 4: Beslissing en artikel 2.4.1 Inhoud besluit 1.Ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo, met uitzondering van de woningaanpassingen en hulpmiddelen, wordt verleend voor een periode van maximaal 5 jaar.

2.Ondersteuning op- maat in het kader van de Wmo wordt verstrekt voor de maximale termijn van 5 jaar indien uit het onderzoek blijkt dat binnen 5 jaar geen veranderingen in jouw situatie te verwachten zijn.

3.Ondersteuning- op- maat in het kader van de Jeugdwet wordt verleend voor een periode van maximaal een jaar. Het vorenstaande is niet van toepassing op pleegzorg. Volgens een bestuurlijke afspraak tussen de VNG, Jeugdzorg Nederland en het Rijk (VWS) moeten wij pleegzorg standaard tot 21 jaar inzetten, tenzij het pleegkind aangeeft geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg.

3.Wanneer ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo en de Jeugdwet wordt afgegeven aan een persoon die al beschikt over een andere maatwerkvoorziening(en), kunnen wij besluiten om de einddatum van deze ondersteuning te laten samenvallen met de andere lopende ondersteuningen-op-maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet.

4.Gedurende de looptijd van een ondersteuning -op- maat in het kader van de Wmo of Jeugdwet kan deze tussentijds worden beëindigd, indien blijkt dat jij geen aanspraak meer kunt doen op deze ondersteuning.

Hoofdstuk3Werk en participatie Kernwaarden Jij wordt zo goed mogelijk naar duurzaam en passend werk begeleid. Als betaald werk niet mogelijk is, onderzoeken we met je of er andere activiteiten zijn die je kan ondernemen en die een bijdrage leveren aan je persoonlijke ontwikkeling en aan de samenleving als geheel en waarmee stappen kunnen worden gezet richting betaald werk.

Betaald werk gaat voor onbetaald werk en door ons verstrekte inkomensondersteuning.

Wij hebben zorg voor kwetsbare groepen.

Wij maken de aansluiting tussen uitkering en werk gemakkelijker.

Jullie als ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk dat jullie kind naar school gaat.

Je kind heeft recht op onderwijs dat past bij hun talenten en mogelijkheden en aansluit bij jullie levensovertuiging en godsdienst.

Je kind moet veilig kunnen reizen naar de school die bij hem past.

3.1Kostencompensatie werkgevers

Artikel3.1.1De doelgroep

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) 1.De nadere regels onder 3.1 beogen werkgevers te stimuleren een dienstbetrekking aan te gaan met personen die arbeidsvermogen hebben, maar die aangewezen zijn op tijdelijke ondersteuning om aan het werk te komen of te blijven.

2.De doelgroep bestaat uit personen die: vallen onder de doelgroep van de Participatiewet; minimaal zes maanden geen regulier werk hebben uitgevoerd, én: jonger zijn dan 24 jaar en geen startkwalificatie hebben; ouder zijn dan 50 jaar; alleenstaande ouder met één of meer ten laste komende kinderen; óf vergunninghouder of oudkomer van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld of versterkt om zijn vooruitzicht op het verkrijgen van vast werk te verbeteren.

Artikel3.1.2Voorwaarden kostencompensatie werkgever

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) 1.Wij kennen een kostencompensatie toe indien: de werkgever met de werknemer een dienstverband aangaat van ten minste een half jaar waarbij de werknemer voor de duur van het dienstverband niet meer afhankelijk is van een uitkering van de gemeente; de werkgever een inwerk- en begeleidingsprogramma aanbiedt; de werknemer actief meewerkt aan het inwerk- en begeleidingsprogramma; en de werknemer naar verwachting op termijn(binnen een jaar) in staat is om zonder extra ondersteuning te werken in het dienstverband dat is aangegaan.

2.De werkgever draagt er zorg voor dat er geen sprake is van verdringing van arbeid. Dat wil zeggen dat de werkgever in een periode van zes maanden voorafgaand aan de subsidieverlening, geen arbeidsovereenkomsten tot het verrichten van soortgelijke arbeid heeft beëindigd vanwege bedrijfseconomische redenen of voornemens is deze te beëindigen.

3.De kostencompensatie kan op aanvraag worden toegekend, na overlegging van de arbeidsovereenkomst.

4.De rechtmatigheid en doelmatigheid van de kostencompensatie wordt vooraf, tussentijds en achteraf gemonitord.

Artikel3.1.3Vorm kostencompensatie

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) Wij kennen de kostencompensatie toe als bijdrage in de volgende kosten: her- om- of bijscholing of training; coaching en begeleiding; bevorderen mobiliteit van de werknemer; uitrusting, gereedschap, werkkleding; tijdelijk productieverlies door verminderde loonwaarde.

Artikel3.1.4Hoogte kostencompensatie

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) 1.Bij een dienstverband van ten minste een half jaar bedraagt de kostencompensatie maximaal € 1.500.

2.Bij een dienstverband van ten minste een jaar bedraagt de kostencompensatie maximaal € 3.000.

Artikel3.1.5Vaststelling hoogte kostencompensatie en uitbetaling kostencompensatie

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) 1.De hoogte en het doel van de kostencompensatie worden, met inachtneming het bepaalde in de artikelen 3.1.1 en 3.1.4 , vastgesteld in samenspraak met de werkgever en de begeleidende accountmanager van de gemeente.

2.De compensatie van tijdelijk productieverlies door verminderde loonwaarde (artikel 3.1.3 sub e) wordt in één keer uitbetaald nadat de arbeidsovereenkomst ten minste een half jaar heeft geduurd, of naar rato wanneer de arbeidsovereenkomst eerder eindigt om in de werknemer gelegen redenen. Duurt de arbeidsovereenkomst langer dan een half jaar, dan wordt de kostencompensatie in meerdere termijnen uitbetaald.

3.Bij de compensatie van overige kosten (artikel 3.1.3 sub a t/m d) wordt de kostencompensatie uitbetaald wanneer de kosten worden gemaakt.

Artikel3.1.6Uitsluitingsgrond

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.8 Looncompensatie werkgever (tijdelijke loonkostensubsidie) De kostencompensatie wordt door ons geweigerd, indien niet voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden en verplichtingen, of de kostencompensatie niet noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling van de werknemer. De kostencompensatie wordt in ieder geval niet noodzakelijk geacht als de werkgever voor dezelfde persoon in dezelfde functie al kostencompensatie heeft ontvangen, of aanspraak kan maken op loonkostensubsidie volgens artikel 10c en 10d van de Participatiewet.

3.1aReiskostenvergoeding en vervoersvoorziening in het kader van re-integratie 3.1a.1Begripsbepalingen Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.In de beleidsregels onder 3.1a wordt verstaan onder: afstand: de afstand tussen de woonplaats van de utkeringsgerechtigde en de locatie waar de arbeid wordt verricht c.q. de activiteiten in het kader van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling, inburgering of tegenprestatie worden uitgevoerd, gemeten langs de kortste voor de klant voldoende begaanbare en veilige weg; arbeid: arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een aanstelling als ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Ambtenarenwet, dan wel het uitvoeren van arbeid als zelfstandige, dan wel het uitvoeren van arbeid op uitzendbasis; locatie: de plaats waar de arbeid wordt verricht dan wel de plaats waar de activiteiten in het kader van de inburgering, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of de tegenprestatie worden uitgevoerd. totale reisafstand: de afstand tussen de woonplaats van de klant en de locatie en vice versa, gemeten langs de kortste voor de klant voldoende begaanbare en veilige weg; voorziening gericht op arbeidsinschakeling: de voorzieningen, genoemd in de artikelen 3.4. tot en met 3.4.15 van de integrale verordening sociaal domein gemeente Schagen.

Artikel3.1a2Reiskostenvergoeding

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Wij verstrekken een vergoeding voor de reiskosten die jij maakt in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, een inburgeringstraject of de tegenprestatie, indien de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie ten minste 10 km bedraagt.

2.Wij verstrekken een vergoeding voor de reiskosten die jij maakt in verband met het verrichten van arbeid, indien: de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie ten minste 10 km bedraagt; en de inkomsten uit arbeid lager zijn dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm.

3.Ingeval de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie minder dan 10 km bedraagt, verstrekken wij uitsluitend een vergoeding voor de reiskosten, indien: jij als gevolg van een ziekte of gebrek aantoonbaar niet in staat bent deze afstand te voet of per fiets te overbruggen; of jij vanwege zeer bijzondere in de persoon gelegen omstandigheden nog niet kunt fietsen.

4.Wij bepalen de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie aan de hand van www. Routenet.nl op basis van de kortste route.

Artikel3.1a3Hoogte van de reiskostenvergoeding

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Ingeval jij met het openbaar vervoer naar de locatie reist, verstrekken wij een vergoeding voor de reiskosten op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Wij stellen de hoogte van de reiskostenvergoeding vast op basis van de informatie die beschikbaar is op www.9292ov.nl en gaan daarbij in principe uit van de laagste vervoertarieven.

2.Ingeval jij met de auto, motor, scooter, brommer of een ander soortgelijk vervoermiddel naar de locatie reist, hanteren wij bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor de reiskosten een tarief van € 0,19 per verreden kilometer. Wij stellen met inachtneming van artikel 3.1a.2, vierde lid, de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie vast.

3.In afwijking van het eerste en tweede lid wordt in het geval van een inburgeringstraject alleen de totale reisafstand vergoed, indien de instantie waar jij het inburgeringstraject volgt is gelegen in de driehoek Alkmaar, Den Helder en Hoorn. Indien jij ervoor kiest een inburgeringstraject te volgen bij een instantie die buiten dit gebied ligt, dan komen de meerkosten van de reis naar de buiten dit gebied gelegen instantie voor jouw rekening.

4.Wij nemen bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1a 2, eerste, tweede en derde lid, een door jouw ontvangen reiskostenvergoeding volledig in aanmerking.

Artikel3.1a4Uitbetalen van reiskostenvergoeding

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Wij betalen de reiskostenvergoeding maandelijks vooraf aan jou uit.

2.In afwijking van het eerste lid betalen wij ingeval arbeid wordt verricht, de reiskostenvergoeding maandelijks achteraf uit, nadat jij een declaratie hebt ingediend voor de gemaakte reiskosten.

Artikel3.1a5Duur van de reiskostenvergoeding

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Wij verstrekken de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1a.2, eerste lid, en derde lid, onder a, voor de duur van het inburgeringstraject, de tegenprestatie en de voorziening gericht op arbeidsinschakeling, met dien verstande dat tijdens (school)vakanties geen vergoeding wordt verstrekt.

2.Wij verstrekken de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1a 2, tweede lid, en derde lid, onder a, ingeval jij een arbeidsovereenkomst bent aangegaan voor bepaalde tijd: voor de duur van deze arbeidsovereenkomst of aanstelling, indien de inkomsten uit arbeid lager zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm; voor de duur van een periode van hooguit 1 jaar, indien de inkomsten uit arbeid gelijk of hoger zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm, doch lager dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm. ingeval jij als zelfstandige arbeid verricht: voor de duur van het werk, indien de inkomsten uit arbeid als zelfstandige lager zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm; voor de duur van een periode van hooguit 1 jaar, indien de inkomsten uit arbeid als zelfstandige gelijk of hoger zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm, doch lager dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm.

Ingeval jij arbeid op uitzendbasis verricht: voor de duur van het uitzendwerk, indien de inkomsten uit arbeid lager zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm; voor de duur van een periode van hooguit 1 jaar, indien de inkomsten uit arbeid gelijk of hoger zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm, doch lager dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm. ingeval jij een arbeidsovereenkomst bent aangegaan voor onbepaalde tijd: voor de duur van de arbeidsovereenkomst, indien de inkomsten uit arbeid lager zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm; voor de duur van een periode van ten hoogste 1 jaar, indien de inkomsten uit arbeid gelijk of hoger zijn dan de voor jou geldende bijstandsnorm, doch lager dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm.

3.Wij verstrekken de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1a.2, derde lid, onderdeel b, voor een periode van ten hoogste 6 maanden.

Artikel3.1a6Beëindiging reiskostenvergoeding

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding Wij kunnen de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1a.2 in ieder geval beëindigen, indien: jij als gevolg van ziekte of ongeoorloofd verzuim langer dan een maand niet deelneemt aan het inburgeringstraject of de voorziening gericht op de arbeidsinschakeling dan wel langer dan een maand geen werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie verricht; jij als gevolg van ziekte of ongeoorloofd verzuim langer dan een maand geen arbeid verricht; jouw inkomsten uit arbeid gelijk of hoger zijn dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm.

Artikel3.1a7Vervoersvoorziening

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Een vervoersvoorziening bestaat uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een: fiets elektrische fiets scooter, bromfiets, snorfiets c.q. brommobiel of auto die recentelijk APK is gekeurd.

2.Wij kennen en vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, of c, toe, indien: jij arbeid hebt aanvaard voor de duur van ten minste 6 maanden en de inkomsten uit arbeid lager zijn dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm dan wel in aanmerking bent gebracht voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie waar de arbeid wordt verricht dan wel de voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt uitgevoerd ten minste 10 km bedraagt; de locatie waar de arbeid wordt verricht dan wel de voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt uitgevoerd niet met het openbaar vervoer is te bereiken; en jij niet in het bezit is van een fiets, elektrische fiets of scooter/brommer; en jij - voor zover het betreft een vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, onder c- in het bezit bent van een rijbewijs AM.

Welke van de vervoersvoorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, of c, door ons wordt verstrekt, hangt af van de omstandigheden in het individuele geval, waaronder de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie en jouw fysieke en/of psychische gesteldheid.

3.Wij kennen een vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, onder d, toe, indien: jij arbeid hebt aanvaard voor de duur van ten minste 6 maanden en de inkomsten uit arbeid lager zijn dan 130% van de voor jou geldende bijstandsnorm; de afstand tussen jouw woonplaats en de locatie waar de arbeid wordt verricht ten minste 10 km bedraagt; het werk op onregelmatige tijden (s avonds, ’s nachts en in de weekenden) moet worden uitgevoerd en de werkgever op een dusdanig afgelegen locatie is gesitueerd, dat het naar ons oordeel uit oogpunt van veiligheid niet verantwoord is jou het traject per (elektrische) fiets of brommer/scooter te laten afleggen; en jij in het bezit bent van een rijbewijs B.

Artikel3.1a8Hoogte van de financiële tegemoetkoming

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.De financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.1a. 7, eerste lid, bedraagt bij de aanschaf van: een fiets, maximaal € 500,-; een elektrische fiets, maximaal € 1.250,-; een brommer/scooter, maximaal € 1.500,-; een auto, maximaal € 3.000,-.

2.De kosten van de motorijtuigenbelasting, Apk-keuring, WA- verzekering en andere verzekeringen komen voor jouw rekening.

Artikel3.1a9Vergoeding kosten reparatie fiets, elektrische fiets, scooter of brommer

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding Wij kunnen een vergoeding verstrekken voor de kosten van reparatie van de fiets, elektrische fiets, brommer, scooter of auto die jij met de financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.1a.7, hebt aangeschaft.

3.1bPremie en inkomstenvrijlating

Artikel3.1b1Begripsbepaling

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding In de beleidsregels onder 3.1b wordt verstaan onder: duurzaam: voor een langere tijd, namelijk een periode van ten minste 6 maanden; duurzaam inkomen uit arbeid: de uitkeringsgerechtigde gedurende een periode van ten minste 6 maanden onafgebroken (parttime) inkomen uit arbeid ontvangt.

Artikel3.1b2Stimuleringspremie (financieel compliment)

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding Als jij in jouw re-integratieproces een bijzondere prestatie verricht, kunnen wij jou eenmalig een premie toekennen van maximaal € 300,-- per jaar.

Artikel3.1b3Inkomstenvrijlating regulier

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Jij kan aanspraak maken op de vrijlating van inkomen indien: jij algemene bijstand of een uitkering uit de IOAW of IOAZ ontvangt; jij inkomsten uit (parttime) arbeid ontvangt; de inkomsten uit (parttime) arbeid een duurzaam karakter hebben, of uitzicht op een duurzaam inkomen uit (parttime) arbeid bieden; jij 27 jaar of ouder bent; en jij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebt bereikt.

2.Vijfentwintig (25) procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot jouw middelen gerekend.
3.De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste zes maanden niet tot de middelen gerekend.
4.Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31,tweede lid, onder n, van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid, van de IOAW, of artikel 8, derde lid, van de IOAZ.
5.De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Onder uitkeringsperiode wordt het volgende verstaan: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter dan dertig dagen is wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens een verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van die onderbreking; de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die al in een andere gemeente werd verstrekt en/of de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet.

Artikel 3.1b4 Inkomstenvrijlating alleenstaande ouder

1.Jij kan aanspraak maken op de vrijlating van inkomen alleenstaande ouder indien: jij algemene bijstand of een uitkering uit de IOAW of IOAZ ontvangt; jij inkomsten uit (parttime) arbeid ontvangt; de inkomsten uit (parttime) arbeid een duurzaam karakter hebben, of uitzicht op een duurzaam inkomen uit (parttime) arbeid bieden; jij 27 jaar of ouder bent; jij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebt bereikt; de periode van zes maanden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet is verstreken; en jij alleenstaande ouder bent die de volledige zorg heft voor een tot jouw last komend kind tot twaalf jaar.
2.Twaalf en een halve (12,5) procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot jouw middelen gerekend.
3.De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste dertig maanden niet tot de middelen gerekend.
4.Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder r, van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid, van de IOAW, of artikel 8, derde lid, van de IOAZ.
5.De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Onder uitkeringsperiode wordt het volgende verstaan: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter dan dertig dagen is wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt gecontinueerd, na een onderbreking wegens een verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van die onderbreking; de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die al in een andere gemeente werd verstrekt en/of de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet.

Artikel3.1b5Overige bepalingen Inkomstenvrijlating

Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding 1.Er bestaat geen recht op vrijlating van inkomen indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan 6 maanden na de voorgaande uitkeringsperiode aanvangt.

2.De vrijlating van inkomen is alleen van toepassing op inkomen uit (parttime) arbeid die na de ingangsdatum van de algemene bijstand of uitkering is aangevangen.

3.De vrijlating van inkomen vangt aan op de in de toekenningsbeschikking genoemde datum.

4.Vrijlating van inkomen geldt ook voor de volgende inkomsten: doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt; een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling.

5.Inkomsten uit prostitutie of criminele activiteiten, alsmede verzwegen inkomsten worden geacht niet bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

6.Jij dient een schriftelijk verzoek tot vrijlating van inkomen bij ons in dienen en daarbij een bewijs van je inkomen te overleggen.

3.1cOntheffen van de arbeids- en re-integratieverplichtingen en de tegenprestatie

Artikel3.1c1 Algemeen geaccepteerde arbeid

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt het volgende verstaan: het werk dat de werkzoekende in staat is om te verrichten. Van werkzoekende wordt verlangd dat dit het uitgangspunt is bij het zoeken naar en aanvaarden van werk.

2.Bij de matching naar een baan is het uitgangspunt dat er gematcht wordt op werk waartoe jij als werkzoekende in staat bent. Indien mogelijk kan er rekening gehouden worden met jouw voorkeur .

3.Indien er door jou belemmeringen worden aangevoerd waardoor het zoeken naar werk en het accepteren van werk niet mogelijk is of wordt bemoeilijkt, wordt onderzoek gedaan naar deze belemmeringen. In eerste instantie wordt gezocht naar mogelijkheden om de belemmeringen (uitgezonderd van medische aard) door jou zelf te laten oplossen, eventueel door een beroep te doen op hulpverlening. Wanneer dat niet mogelijk is of werkaanvaarding op korte of langere termijn in de weg staat, wordt een passend re-integratieaanbod gedaan op grond van artikel 10 van de Participatiewet. Jou wordt medegedeeld dat jij verplicht bent om hieraan mee te werken.

4.De aanwezigheid van schulden kan en mag het accepteren van werk niet in de weg staan. Aan het ontvangen van de uitkering wordt de verplichting verbonden om een aanvraag schuldhulpverlening in te dienen en mee te werken aan de schuldhulpverlening.

5.Aard, omvang en duur van de arbeid zijn geen redenen om werk te weigeren.

6.Geloofsovertuiging en principiële bezwaren kunnen geen belemmering zijn om algemeen maatschappelijk aanvaard werk te aanvaarden.

Artikel3.1c2Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Voor de alleenstaande ouder met een kind van jonger dan 5 jaar, die om vrijstelling van de arbeidsverplichting vraagt in verband met de zorg voor de kinderen, wordt artikel 9a van de Participatiewet toegepast.

2.Gelet op de gedetailleerde regeling in de wet is het niet noodzakelijk om over dit onderwerp beleidsregels vast te stellen.

Artikel3.1c3Alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Bij het opleggen van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar wordt nagegaan of: passende kinderopvang (al dan niet professioneel) aanwezig is; het werk – de omvang en zwaarte van dat werk – te combineren is met de zorg voor de kinderen;

Artikel3.1c4.Tijdelijke ontheffing op grond van medische, psychiatrische en psychosociale gronden

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Als jij medische en/of psychiatrische klachten ervaart waardoor jij niet in staat bent om volledig of gedeeltelijk te werken, dan wordt jij medisch gekeurd als een keuring naar onze mening noodzakelijk is. Ontheffing wordt gebaseerd op het medisch advies als dat aanwezig is.

2.De psychosociale klachten en omstandigheden die jou belemmeren om te werken, worden - zo mogelijk ondersteund met informatie van hulpverleners – vastgesteld. Aan de tijdelijke ontheffing wordt de verplichting verbonden om de ervaren belemmeringen te verminderen.

3.Een ontheffing die mede noodzakelijk is in verband met schuldhulpverlening of WSNP, wordt altijd verleend op grond van een medisch advies.

Artikel3.1c5.De re-integratieverplichting

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Tijdens het volgen van een inburgeringscursus die noodzakelijk is op grond van de Wet inburgering wordt de cursus aangemerkt als een re-integratieverplichting.

2.In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid of in de persoon gelegen omstandigheden waardoor de uitvoering van het re-integratieaanbod tijdelijk niet mogelijk is, wordt er niet gehandhaafd op het niet nakomen van de re-integratieverplichting. Er wordt beoordeeld of het re-integratieaanbod aangepast moet worden aan de mogelijkheden van de werkzoekende.

3.In geval van ontheffing van de arbeidsverplichting wordt door ons beoordeeld op welke wijze invulling gegeven kan worden aan de re-integratieverplichting.

Artikel3.1c6Ontheffen van de tegenprestatie

Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Indien door jou wordt geclaimd dat jij niet in staat bent om de tegenprestatie uit te voeren, is artikel 3.1c.4. van deze beleidsregels van overeenkomstige toepassing.

3.1dTaaleis

Artikel3.1d1 Begripsomschrijvingen

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1. In de beleidsregels onder 3.1d wordt verstaan onder: onderwijsinstelling: de instelling die op basis van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs is erkend voor het verzorgen van onderwijs in de vorm van (beroeps)opleidingen en waarvan het bevoegd gezag de deelnemers de gelegenheid geeft een examen af te leggen; referentieniveau 1F: het fundamentele niveau taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid. Dit niveau is te vergelijken met taalniveau A2; taalplan: het plan waarin de afspraken met betrekking tot het taaltraject, bedoeld in artikel 3.1d.11, eerste lid, en de trajecten, bedoeld in artikel 3.1d.11, derde lid, zijn opgenomen; taaltoets: toets als bedoeld in artikel 18b, tweede, tiende en elfde lid, van de Participatiewet; taaltraject: traject gericht op de verhoging van de taalvaardigheid in de Nederlandse taal, zijnde een opleidingstraject, of een cursus verzorgd door of onder de verantwoordelijkheid van een opleider; zittend bestand: personen die van de gemeente bijstand op grond van de Participatiewet ontvangen.

Artikel3.1d2.Beheersen van de Nederlandse taal

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Wij mogen van de veronderstelling uitgaan dat jij 8 jaar Nederlandstalig onderwijs hebt gevolgd, indien jij blijkens de Basisregistratie Personen na 1 september 1963 bent geboren en tussen je zesde en vijftiende levensjaar ten minste acht jaar in Nederland hebt gewoond.

Het vorenstaande lijdt uitzondering, ingeval uit het gesprek of dossier aanknopingspunten volgen dat jij geen 8 jaar Nederlandstalig onderwijs hebt gevolgd.

2.Onder ‘andere documenten’, bedoeld in artikel 18b, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet wet, kunnen in ieder geval worden geschaard: een getuigschrift wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de vroegere Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de vroegere Wet op het hoger beroepsonderwijs; een diploma voortgezet onderwijs (ook wel middelbaar onderwijs genoemd), uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs; een diploma middelbaar beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs; een diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de vroegere Wet op het leerlingwezen of de vroegere Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; het certificaat op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) of een verklaring van het regionaal opleidingscentrum (ROC) waaruit blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald (artikel 2.4 lid 1 Besluit Inburgering); het certificaat voor oudkomers, zoals bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald (artikel 2.3 lid 1 onderdeel i Besluit Inburgering); diploma staatsexamen NT2;

Belgisch diploma in het Nederlandstalig onderwijs in België met voldoende voor het vak Nederlands;

Surinaams diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands;

Nederlands-Antilliaans diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands; certificaat Nederlandse Naturalisatietoets van Bonaire, Sint Eustatius, Saba, Aruba, Curaçao of Sint Maarten met voldoende voor het vak Nederlands.

Artikel3.1d3Taaltoets bij aanvraag

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Indien jij niet kunt aantonen dat jij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, wordt een taaltoets afgenomen.

2.Wij nemen binnen 8 weken na ontvangst van de bijstandsaanvraag een taaltoets af.

3.Bij de eerste taaltoets word jij getoetst op de vijf vaardigheden, zoals vermeld in artikel 18b, achtste lid, van de Participatiewet.

4.Bij een opnieuw af te nemen taaltoets worden alleen de vaardigheden getoetst die jij, op basis van de eerdere afgenomen taaltoets(en), onvoldoende beheerste.

Artikel3.1d4.Taaltoets zittend bestand

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Wij onderzoeken tijdens het eerstvolgende reguliere contactmoment dat na inwerkingtreding van deze beleidsregels met jou plaatsvindt of jij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.

2.Indien jij niet kunt aantonen dat jij de Nederlandse taal voldoende beheerst, dan nemen wij binnen een door ons te bepalen termijn de taaltoets af.

3.De leden 3 en 4 van artikel 3.1d.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel3.1d5.Taaltoetsafnemer

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.De taaltoets wordt uitgevoerd door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland.

2.De taaltoetsen die door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland als toetsinstrument worden ingezet, dienen te voldoen aan artikel 18b van de Participatiewet en aan het Besluit taaltoets Participatiewet.

3.Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland is verplicht zich te houden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 65 van de Participatiewet.

Artikel3.1d6. Taaltoetsbeoordeling

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Wij wijzen onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland aan als toetsbeoordelaar, bedoeld in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet.

2.Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland dient ervoor zorg te dragen dat de personen die het resultaat van de taaltoets beoordelen voldoen aan de in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet gestelde kwalificatie-eisen.

3.De uitkomst van de bij jou afgenomen toets wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal behorend bij het toetsinstrument, bedoeld in artikel 3.1d.5 lid 2. Deze beoordelingsschaal leidt tot een objectieve en didactisch verantwoorde interpretatie van de uitkomsten van de toets.

Artikel3.1d7.Toetsingswijze

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.De taaltoets wordt in een rustige, afgesloten ruimte in groepsverband afgenomen en onder zodanige omstandigheden dat fraude of niet waarheidsgetrouwe uitkomsten worden voorkomen. Daartoe worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: er dient voldoende afstand tussen de tafels te zijn; de vragenvolgorde van de toets dient variërend te zijn; tijdens de taaltoets heb jij niet de mogelijkheid om in contact te treden met derden, dan wel de gelegenheid om geluid- of beeldopnamen van de toetsactiviteiten te maken.

2.De inzet van computers of andere hulpmiddelen bij onderdelen van de toets is toegestaan.

3.Op jouw verzoek dient rekening gehouden te worden met jouw beperking(en) en kan de taaltoets afgenomen worden op een wijze die is aangepast aan jouw beperking.

Artikel3.1d8.Uitzonderingen taaltoets

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij nemen in afwijking van artikel 3.1d.3, eerste lid, en artikel 3.1d. 4, tweede lid, geen taaltoets af, indien: vastgesteld wordt dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis te voldoen ontbreekt; jij een wettelijk erkende opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een aangewezen diploma, certificaat of ander document, op mbo2-niveau of hoger; tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen waarvan de uitkomst is dat jij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst; tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat jij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, en dat op grond van in de persoon gelegen factoren is vastgesteld dat jij niet is staat bent om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; jij een uitkering had in een andere gemeente en jij in die gemeente al een toets hebt afgelegd. De toetsresultaten en trajectafspraken worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid; uit het door de jou overgelegde curriculum vitae blijkt dat jij gedurende een periode van ten minste 1 jaar een of meer functies hebt vervuld waarvoor een beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F is vereist dan wel noodzakelijk is om de functie(s) in kwestie naar behoren te kunnen uitvoeren; de uitkering voor korte duur wordt verstrekt en vast staat wat de einddatum van de uitkering zal zijn.

Artikel3.1d9.Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval indien: sprake is van een gediagnosticeerd leerprobleem; door een onderwijsinstelling is vastgesteld dat op grond van in de persoon gelegen factoren, jij niet staat bent om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; jij in het bezit bent van een tijdelijke ontheffing van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en c van de Participatiewet; jij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; jij in het bezit bent van een ontheffing op grond van de Wet inburgering.

Artikel3.1d10.Schriftelijke kennisgeving

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3.1d.3, blijkt dat jij in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, stellen wij je binnen 4 weken na uitkomst van de taaltoets hiervan schriftelijk in kennis.

2.Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3.1d.3,, blijkt dat jij niet of niet in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, dan stellen wij je hiervan binnen 8 weken na uitkomst van de taaltoets schriftelijk in kennis.

3.Bij de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt de volgende procedure gevolgd: jij wordt uitgenodigd voor een gesprek; tijdens dat gesprek wordt jij op de hoogte gesteld van de uitslag van de taaltoets en aan jou het besluit, waarin is vastgelegd dat het redelijk vermoeden aanwezig is dat de Nederlandse taal niet wordt beheerst, uitgereikt (schriftelijke kennisgeving); tot slot wordt tijdens het gesprek met jou de bereidverklaring op schrift gesteld en worden nadere afspraken gemaakt met betrekking tot het in te zetten traject om de Nederlandse taalvaardigheden te gaan leren, welke afspraken worden neergelegd in een taalplan.

Vanaf de datum van uitreiking van deze schriftelijke kennisgeving wordt bij jou geacht het vermoeden aanwezig te zijn dat jij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.

Artikel31d11. Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen 1.Wij kunnen jou een taaltraject aanbieden als: je leerbaar bent; voor jou de kansen op de arbeidsmarkt op de korte termijn worden vergroot indien jij de Nederlandse taal beter beheerst.

2.De opleider die het traject, bedoeld in eerste lid, verzorgt, is werkzaam voor een bedrijf of instelling of beschikt als zelfstandige over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en is aantoonbaar geschikt voor het geven van taalonderwijs in de Nederlandse taal, wat blijkt uit: een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan: de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs; de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen; de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen; een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven; een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaruit de geschiktheid voor het geven van taalonderwijs blijkt; het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die is aangesloten bij de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding of daar als zelfstandige bij zijn aangesloten; het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die in het bezit is van het keurmerk Blik op Werk of als zelfstandige taalaanbieder in het bezit zijn van dit keurmerk; het als taaldocent werkzaam zijn voor een mbo-instelling; of het bezit van een Certificaat Competent Docent NT2, afgegeven door de Beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal.

3.Als aan jou geen taaltraject, bedoeld in het eerste lid, wordt aangeboden, dan kunnen wij op basis van maatwerk, afspraken met jou maken over de wijze waarop jij gaat werken aan het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.

4.In een taalplan worden de afspraken vastgelegd met betrekking tot de wijze waarop jij aan de verwerving van de vaardigheden in de Nederlandse taal gaat werken en de minimale inspanning die jij hierbij moet leveren.

Artikel3.1d12.Relatie met Wet inburgering

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer jij begonnen bent met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, dan kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van jouw kant, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de Participatiewet.

Artikel3.1d13.Relatie met ROC-Kop van Noord-Holland (WEB formele aanbod)

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer jij begonnen bent met een taaltraject in het kader van de WEB bij ROC Kop van Noord-Holland, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van jouw de kant, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de Participatiewet.

Artikel3.1d14.Relatie met de re-integratie

Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer jij begonnen bent met een taaltraject in het kader van de re-integratie, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van jouw kant, als bedoeld in artikel 18b, zes lid, onder a, van de Participatiewet.

3.2Meedoen aan samenleving (dagbesteding, begeleiding, vervoersvoorzieningen en rolstoelen)

Artikel3.2.1Begripsbepalingen

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving In de beleidsregels onder 3.2 wordt verstaan onder: begeleiding: individuele ondersteuning gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie voor kwetsbare inwoners. Het bewerkstelligen van verandering in gedrag en vaardigheden en het begeleiden bij achteruitgang hoort hier ook bij. Het signaleren van en acteren op veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt maakt onderdeel uit van dit product. Wanneer mogelijk en passend bij de cliënt kan gebruik worden gemaakt van beeldzorg. Waar mogelijk is de begeleiding erop gericht toe te werken naar een situatie waarin deze niet meer of in mindere mate nodig is en de cliënt gebruik kan maken van reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning. De focus ligt hierbij op trainen en coachen. De begeleiding vindt plaats in de dagelijkse leefomgeving. Daar valt een werk(ervarings)plek ook onder. begeleiding extra: de individuele ondersteuning is net als bij begeleiding gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Begeleiding extra wordt slechts ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Nodig is over het algemeen methodische begeleiding gericht op verbetering/ontwikkeling. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving; brandveilige stalling: een stalling die voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012; elektrisch dan wel via een hulpmiddel aangedreven verplaatsingshulpmiddel: hieronder kunnen in ieder geval worden geschaard de scootmobiel en de elektrische rolstoel; dagbesteding: het geven van een zinvolle daginvulling aan inwoners, die wordt aangeboden in een groep. Zingeving en zinbeleving staan hierbij centraal. De activiteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. Dagbesteding sluit aan op wat iemand (nog) kan leren/ontwikkelen en/of bijdragen in de samenleving. Wanneer mogelijk is de dagbesteding gericht op overdracht richting arbeidsparticipatie. Stabiliseren van de situatie en begeleiding bij achteruitgang hoort ook bij dagbesteding. Het signaleren van en acteren op veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt maakt onderdeel uit van dit product;

kortdurend verblijf: dit verblijf is tijdelijk en bedoeld om de mantelzorger te ontlasten. Het kortdurend verblijf is planbaar. Uitgangspunt is dat de inwoner na verblijf elders weer naar huis gaat. Het kortdurend verblijf omvat bed, bad en brood en toezicht. De duur van het verblijf is 1,2 of 3 etmalen per week, met dien verstande dat in specifieke situaties een langere aaneengesloten periode mogelijk moet zijn. Dit laatste kan voor zover de maximale periode op jaarbasis (52 weken x 3 etmalen) niet wordt overschreden. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de locatie van het verblijf.

Artikel3.2.2Dagbesteding

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.1 Dagbesteding 1.Jij komt in aanmerking voor dagbesteding, indien jij beperkingen ondervindt bij jouw zelfredzaamheid en/of participatie en hulp in het dagelijks leven nodig hebt voor herstel van/ stabiliseren van het evenwicht bij het functioneren.

2.Bij dagbesteding worden de volgende resultaten op cliëntniveau onderscheiden: zo lang mogelijk thuis wonen; versterken van het netwerk; het blijven of gaan participeren in de samenleving; structuur aanbrengen in de dag; sociale vaardigheden behouden en ontwikkelen; voorkomen van eenzaamheid/verlichting sociaal isolement; behouden van praktische, fysieke en cognitieve vaardigheden; overbruggen van tijdelijke schooluitval en bieden van ondersteuning; vervanging voor het volgen van onderwijs (bij vrijstelling); opstap naar school of voorbereiding op re-integratie.

3.Dagbesteding is ondersteuning in een groep en kent een waaier aan verschijningsvormen en zinvolle activiteiten. Algemeen uitgangspunt is dat activiteiten bijdragen aan de zelfredzaamheid en aansluiten op wat iemand (nog) kan (leren) en/of bijdragen aan de samenleving.

4.Dagbesteding kan ook dienen als ondersteuning voor mantelzorgers, waardoor zij beter in staat blijven hun zorgtaken uit te voeren.

5.Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de persoon actief wordt betrokken.

6.Dagbesteding biedt mogelijkheden voor tijdsstructurering, zingeving en het aangaan van sociale contacten, waardoor bepaalde gedragsproblemen kunnen afnemen.

Artikel3.2.3Vervoer dagbesteding

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.2 Vervoer dagbesteding 1.Het bieden van vervoer is verbonden aan dagbesteding voor zover de cliënt niet in staat is om zelf, met behulp van zijn netwerk of met vrijwillige inzet van en naar de dagbesteding te komen. In die gevallen neemt de aanbieder van de dagbesteding de organisatie van het vervoer op zich. Hierbij wordt aangesloten op de afspraken die gemaakt zijn met de cliënt wanneer de dagbesteding wordt ingezet.

2.Het vervoer omvat het vervoer van en naar de locatie van de dagbesteding.

3.Toezicht tijdens het vervoer wordt niet geïndiceerd.

Artikel3.2.4Begeleiding

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Begeleiding 1. Jij komt in aanmerking voor begeleiding, indien jij beperkingen ondervindt bij jouw zelfredzaamheid en ondersteuning in het dagelijks leven nodig hebt om zelfstandig te kunnen leven.

2.Begeleiding is gericht op het bevorderen van jouw zelfredzaamheid en participatie zodat jij zolang mogelijk in jouw eigen leefomgeving kan blijven. Het doel van begeleiding is gericht op wat jij nodig hebt voor het herstel van c.q. het stabiliseren van het evenwicht bij het functioneren bij een of meer van de volgende onderdelen: het begeleiden bij jouw zelfredzaamheid en/of participatie; het stabiliseren van jouw zelfredzaamheid en/of participatie; het verbeteren van jouw zelfredzaamheid en/of participatie; en/of het ondersteunen van jouw zelfzorg.
3.De begeleiding wordt aangeboden in de vorm van Begeleiding en Begeleiding Extra.
4.Bij begeleiding worden de volgende resultaten op cliëntniveau onderscheiden: zo lang mogelijk veilig thuis wonen (met specifieke aandacht voor kinderen); zelfstandig leren wonen (o.a. met beeldzorg); structuur aanbrengen in de dag; betekenisvolle rollen in het leven behouden en ontwikkelen; versterken zelfmanagement; sociale vaardigheden behouden en ontwikkelen; voorkomen van eenzaamheid/verlichting sociaal isolement; het blijven of gaan participeren in de samenleving; werknemersvaardigheden ontwikkelen en versterken; toeleiding naar dagbesteding, onderwijs en/of behandeling; begeleiding bij werkfit maken als voorbereiding op toeleiding naar werk; begeleiding bij het behouden van werk (jobcoaching); het voorkomen van schulden; versterken van het netwerk en het inzetten daarvan.
5.Bij het vaststellen van de omvang van de begeleiding worden de volgende aspecten meegewogen: welke activiteiten zijn nodig; wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen; hoe belast is de mantelzorg; wat zijn de mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan); hoeveel tijd kosten deze activiteiten en met welke frequentie (hoeveel keer per week) moeten deze worden uitgevoerd; zijn de activiteiten planbaar of niet; is er toezicht nodig, en zo ja in welke mate.

Artikel3.2.5Gebruikelijke hulp

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Gebruikelijke hulp 1.Alle begeleiding van de cliënt door de ouder, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

2.Als het gaat om een chronische aandoening is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp, wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoten in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden.

3.Er gelden de volgende uitzonderingen op gebruikelijke hulp: voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, deze eigen mogelijkheden en/of voorzieningen hiertoe dienen te worden aangewend.

Artikel3.2.6Vervoer algemene uitgangspunten

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen 1.Verplaatsen is noodzakelijk om in redelijke mate mensen te ontmoeten, contacten te onderhouden, boodschappen te doen en deel te nemen aan activiteiten. Voor iedere Nederlander is het normaal om kosten te maken voor zijn vervoer. Voor personen die een inkomen hebben op of rondom het sociaal minimum is dit niet anders. Een bijstandsuitkering is namelijk opgebouwd uit een aantal componenten, waaronder een voor het vervoer. Mensen met een beperking kunnen zich niet altijd zo gemakkelijk verplaatsen als mensen zonder beperkingen. Waar een persoon zonder beperking op de fiets stapt, moet de persoon met een beperking hiervoor bijvoorbeeld gebruik maken van de 60+ bus. Dit is bovengebruikelijk vervoer. De gemeente biedt voor dit bovengebruikelijke vervoer een vervoersvoorziening.

2.Een vervoersvoorziening is een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij het zich lokaal verplaatsen. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen bij verplaatsingen in een straal van maximaal 25 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS uitvoert.

3.Om beperkingen en vervoersbehoeften inzichtelijk te maken, onderscheiden we 3 soorten afstanden: de korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving (kinderen naar school brengen of de dichtstbijzijnde winkels bezoeken); de middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen een straal van 25 kilometer rond de woning (bijvoorbeeld naar een ziekenhuis of uitgaanscentra); de lange afstanden: vervoer naar bestemmingen die liggen buiten de straal van 25 kilometer rond de woning (vervoer naar bestemmingen die liggen buiten het verzorgingsgebied ofwel het bovenregionale vervoer).

4.Bij de aanvraag om een vervoersvoorziening worden de volgende factoren meegewogen: leeftijd Er bestaat een relatie tussen de leeftijd van de belanghebbende en diens verplaatsingsgedrag. Bij de beoordeling van een vervoersvoorziening wordt daarmee rekening gehouden. Zo bestaat er een groot verschil in verplaatsingsgedrag van dat van een kind, dat van een volwassene en dat van een oudere. Naar mate de leeftijd toeneemt, neemt de vervoersbehoefte eerst toe, en op latere leeftijd weer af.

Bij kinderen onder de 5 jaar wordt geacht dat zij geen zelfstandige vervoersbehoefte hebben omdat de ouders hen meenemen. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar kunnen een zelfstandige vervoersbehoefte hebben over de middellange afstand. Zij hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte over de lange afstand. Zij worden geacht bij het vervoer begeleid te worden. Kinderen van 12 jaar en ouder en volwassenen hebben een zelfstandige vervoersbehoefte. verplaatsingsmotieven Voor motieven voor vervoer komen in aanmerking de dingen die men normaliter van dag tot dag pleegt te doen, zoals boodschappen doen, winkelen, sport, hobby, bezoeken van bijeenkomsten, meedoen met maatschappelijke, culturele en religieuze activiteiten, bezoek huisarts, specialist of ziekenhuis, bezoek familie en vrienden. Hiermee wordt de vervoersbehoefte in kaart gebracht. Gekeken wordt naar de levensstijl van de persoon met beperkingen, waarbij de levensstijl van personen zonder beperkingen als referentiekader wordt gebruikt, of het dagelijkse leven zoals dat vóór de beperkingen werd geleid. Van de persoon met beperkingen wordt wel verlangd dat deze zijn verplaatsingspatroon enigermate aan de beperkingen aanpast.

Artikel3.2.7Vervoersbudget

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen 1.Jij komt in aanmerking voor een vervoersbudget, indien jij problemen ervaart op het gebied van vervoer die je niet op eigen kracht kunt oplossen en hierdoor voor je verplaatsingen in de rond jouw woonplaats gelegen regio een bovengebruikelijk beroep moet doen op personen uit jouw sociale netwerk of een algemene voorziening.

2.Het vervoersbudget, genoemd in het eerste lid, is bedoeld om de bovengebruikelijke vervoerskosten van maximaal 2000 of 1500 km (voor wie beschikt over bijvoorbeeld een scootmobiel of aangepaste fiets) per jaar deels te compenseren.

Indien er meer wordt gereisd dan 1500 dan wel 2000 km, dan komt dit voor jouw eigen rekening.

3.Wij kunnen bewoners van een Wlz-instelling in aanmerking brengen voor een lager vervoersbudget.

Artikel3.2.8(Rolstoel)taxikostenvergoeding Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Indien jij voor je verplaatsingen in de rond jouw woonplaats gelegen regio geen netwerk van personen, diensten en voorzieningen om jou heen hebt waarop jij een beroep kunt doen en hierdoor voor deze verplaatsingen bent aangewezen op de diensten van een commerciële vervoerder, kan jij in plaats van het vervoersbudget in aanmerking worden gebracht voor een (rolstoel)taxikostenvergoeding. Deze vergoeding kan ook worden toegekend ingeval jij wel een netwerk van personen diensten en voorzieningen om je heen hebt, maar vanwege in de persoon gelegen beperkingen door jou hierop geen beroep kan worden gedaan.

Artikel3.2.9Weekendvervoer

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen 1.Wij kunnen jou als je verblijft in een Wlz-instelling een vervoersvoorziening voor bovenregionaal weekendvervoer naar ouders of familieleden toekennen, indien er sprake is van een dreigende vereenzaming.

2.Met de vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, dien jij in de gelegenheid te worden gesteld maximaal tien keer per jaar een bezoek te brengen aan jouw ouders of familieleden. Deze vervoersvoorziening is uitsluitend bedoeld voor het vervoer van jou van de Wlz-instelling naar de woning van jouw ouders of familieleden en vice versa.

3.Wij bepalen de afstand tussen de Wlz-instelling waar jij verblijft en de woning van jouw ouders of familieleden aan de hand van www.routenet.nl op basis van de kortste route.

4.De vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit: een financiële tegemoetkoming van € 0,19 per verreden kilometer, indien de cliënt per auto wordt vervoerd; een taxikostenkostenvergoeding, indien de cliënt vanwege in de persoon gelegen beperkingen per rolstoeltaxi moet worden vervoerd.

5.De financiële tegemoetkoming en de taxikostenkostenvergoeding, bedoeld in het vierde lid, worden vooraf uitbetaald. Wij kunnen steekproefsgewijs controleren of jij deze financiële tegemoetkoming en/of taxikostenvergoeding hebt uitgegeven aan het doel waarvoor deze zijn verstrekt.

6.Recreatief vervoer voor Wlz-bewoners vanuit de woning van de ouders of het familielid valt niet onder de compensatieplicht.

Artikel3.2.10Vervoersvoorzieningen over de korte en/of middellange afstand

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen 1.Indien jij ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebt van langdurige aard, waardoor jij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat bent zelfstandig een korte en/of middellange afstand te overbruggen, kunnen wij jou in aanmerking brengen voor een vervoersvoorziening over de korte afstand (scootmobiel of driewielfiets).

2.Jij komt niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening over de korte afstand, indien reeds ondersteuning -op- maat is verleend met hetzelfde gebruiksdoel.

Artikel3.2.11Stalling van een elektrisch c.q. via een hulpmotor aangedreven verplaatsingshulpmiddel

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen 1.Als een elektrisch dan wel via een hulpmotor aangedreven verplaatsingshulpmiddel is toegekend, vindt levering van dit middel aan jou niet plaats voordat uit onderzoek ter plaatse is gebleken dat een brandveilige stalling aanwezig of realiseerbaar is.

2.Er bestaan verschillende mogelijkheden voor het realiseren van een stalling.

Allereerst zal gekeken worden of een stallingsmogelijkheid in de woning aanwezig of realiseerbaar is. Is deze niet aanwezig of realiseerbaar, dan zal gekeken worden naar mogelijkheid b (een algemene voorziening per complex), vervolgens naar mogelijkheid c (een algemene voorziening per verdieping of unit) en als laatste naar mogelijkheid d (een individuele voorziening bij de woning).

3.Indien er geen brandveilige stalling aanwezig is, vergoeden wij de kosten voor de aanleg van een stallings- en oplaadmogelijkheid.

4.In afwijking van het derde lid worden de kosten voor aanleg van stallings- en oplaadmogelijkheid niet vergoed door ons, indien jij woonachtig bent in een wooncomplex dat specifiek gericht is op mensen met beperkingen dan wel ouderen of waar uitgaande van het verhuurbeleid inmiddels veelal ouderen wonen. Er mag vanuit worden gegaan dat in dergelijke wooncomplexen al een stallings- en oplaadmogelijkheid in de gemeenschappelijke ruimten is aangelegd of dat deze voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.

Artikel3.2.12Rolstoel

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Rolstoel Jij kunt voor een rolstoel in aanmerking komen, indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het regelmatig zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken; en de hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van andere voorliggende voorzieningen of andere wettelijke regelingen geen adequate oplossing bieden; en een algemene voorziening niet aanwezig is.

Artikel3.2.13Sportvoorziening (waaronder sportrolstoel)

Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Rolstoel 1.Sporten is belangrijk om te blijven participeren. Wanneer het voor jou zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel.

2.Jij komt in aanmerking voor een sportvoorziening, indien: jij regelmatig en frequent sport; het voor jou zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervan aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport; en een rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik niet voldoet.

3.De sportvoorziening bestaat uit een forfaitaire vergoeding die maximaal eens keer per drie jaar wordt verstrekt.

4.In het (financieel) Besluit Maatschappelijke ondersteuning Schagen zijn regels gesteld over de hoogte van de in het derde lid genoemde forfaitaire vergoeding.

3.3Vervoer naar school (leerlingenvervoer)

Artikel3.3.1Berekening van de afstand per fiets

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Indien het vervoer per fiets betreft, wordt bij de toetsing van de aanvraag de kortste, veilige route gemeten via de www.routeplanner.fietsenbond.nl. Aangezien onze gemeente beschikt over een uitstekend fietsnetwerk, wordt voor de berekening van de afstand van huis naar school de kortste route per fiets aangehouden. Als de afstand tussen de woning en school zes kilometer of korter is, wordt er bij de beschikking op de aanvraag een uitdraai meegestuurd ter onderbouwing van de weigering.

Artikel3.3.2Berekening van de afstand per auto

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Wij kunnen jullie als ouders toestemming verlenen om jullie kind zelf met de auto naar school te brengen. Als aanspraak bestaat op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, krijgen jullie een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto. De afstand wordt gemeten via routenet.nl op basis van de kortste route.

Artikel3.3.3Vaststellen van de reistijd

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7 .2 Onderzoek Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de Reisinformatiegroep bv via 0900-9292 of www.9292.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer wordt de vervoerder geraadpleegd.

Artikel3.3.4Vaststellen kosten openbaar vervoer

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer en de daaraan gerelateerde vergoeding vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292 of www.9292.nl.

Artikel3.3.5Tijdstip en termijn van uitbetaling

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.5 Ingangsdatum en duur van de tegemoetkoming 1.De vergoeding voor het eigen vervoer (auto, fiets of bromfiets) en de bijdrage voor het openbaar vervoer worden in twee termijnen uitbetaald: In september de eerste termijn over de laatste maanden van het kalenderjaar en In januari de tweede termijn voor de resterende maanden in het volgende kalenderjaar tot aan de zomervakantie.

2.Indien jouw financiële situatie hiertoe aanleiding geeft, kunnen wij besluiten voor jou een ander betalingsritme aan te houden. Jij dient hiertoe bij ons een schriftelijk, met redenen omkleed, verzoek in te dienen. Jij dient voorts jouw verzoek te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens.

Artikel3.3.6Lestijden

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming 1.Leerlingen die naar het voortgezet (speciaal) onderwijs worden vervoerd door het vervoersbedrijf, worden direct na afloop van de laatste les vervoerd, indien tussen het tijdstip waarop de laatste les eindigt en het tijdstip waarop de leerling door de taxibus, waarin deze is ingedeeld, wordt opgehaald een tijdspanne zit die twee lesuren en een aansluitende pauze overstijgt.

2.De in het eerste lid genoemde leerlingen worden apart door het vervoersbedrijf vervoerd, indien het lesrooster van de leerling in kwestie zodanig is dat er tussen de aanvang van de schooltijd en het tijdstip waarop de eerste les van de desbetreffende leerling conform zijn of haar lesrooster aanvangt een tijdspanne zit die twee lesuren en een aansluitende pauze overstijgt.

Artikel3.3.7Buitenschoolse opvang

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming Wij hebben de zorgplicht voor het vervoer tussen huis en school en terug, maar zijn niet verplicht om het vervoer naar Buitenschoolse Opvang (BSO) te vergoeden. Het komt echter regelmatig voor dat ouders vragen hun kind van of naar de BSO of ander opvangadres te halen of te brengen. Wij gaan hier als volgt mee om: de ouders van een kind dat met een taxi(busje) naar school gaat, mag naast het woonadres eenmalig één ander adres opgeven waar het kind buiten schooltijd opgevangen wordt op vaste dagen in de week; het opvangadres moet in alle redelijkheid bereikbaar zijn en mag op maximaal 2 kilometer afstand liggen van de woning van de leerling; de rit van de taxibus wordt zodanig ingedeeld dat de medepassagiers zo min mogelijk last hebben van de eventueel extra te rijden kilometers; het vervoer tussen het opvangadres en de woning in voormelde zin wordt niet verzorgd.

Artikel3.3.8Beoordeling noodzaak aangepast vervoer op basis van beperking

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Voorwaarden en artikel 3.7.4.1 tegemoetkoming 1.Als jullie als ouders aanspraak willen maken op aangepast vervoer, dan kunnen wij jullie bij de indiening van de aanvraag verzoeken bewijsstukken te overleggen waarin wordt onderbouwd waarom voor jullie kind aangepast vervoer noodzakelijk is. Dit kunnen zijn: een verklaring van een arts, specialist of andere deskundige over de aard van de handicap van de leerling. Deze verklaring kan gevraagd worden bij de aanvraag voor elke eerste aanvraag. Daarnaast zal bij de overstap naar een ander schooltype of bij de overgang van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs een dergelijke verklaring moeten worden overgelegd; en een verklaring van de Commissie Toelating Onderwijsvoorziening ingeval van primair onderwijs, de Commissie Toelaatbaarheid Passend Onderwijs ingeval van voortgezet onderwijs, de Commissie van Onderzoek van de instelling ingeval van cluster 1 of 2 of van de ambulant begeleider van de school, waaruit blijkt welke vorm van vervoer voor de leerling wenselijk is.

2.Wij behouden ons het recht voor om een medisch advies op te vragen bij een door ons gecontracteerd adviesbureau, indien wij van mening zijn dat bovengenoemde verklaringen onvoldoende zijn onderbouwd. Dit onderzoek richt zich op de mate van zelfredzaamheid van jullie kind. In sommige gevallen kan ook een advies worden gevraagd over de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Het is mogelijk een proefperiode in te stellen waarin de leerling zelfstandig reizen uitprobeert. De kosten van dit medische advies zijn voor onze rekening.

Artikel3.3.9Inkomenstoetsing

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.2 Bijzondere regeling naar basisschool Wanneer een drempelbedrag of een inkomensafhankelijke bijdrage:

Bij de vaststelling van de draagkracht van jullie als ouders wordt het tweede kalenderjaar, voorafgaande aan het schooljaar/peiljaar gehanteerd. Hiervoor hebben wij het verzamelinkomen van jullie als ouders nodig. Hiervoor kunnen jullie een inkomstenverklaring (IB60 / IBRI) bij de belastingdienst opvragen. Drempelbedrag: jullie als ouders hoeven dit alleen in te dienen, wanneer jullie onder het gecorrigeerde verzamelinkomen zitten van het betreffende peiljaar (schooljaar 2020 /2021 bedraagt het bedrag 27.000). Wanneer jullie hieronder zitten of jullie kind gaat naar een SBO of basisschool, dan hoeven jullie geen drempelbedrag te betalen.

Een inkomensafhankelijke bijdrage: wanneer een leerling, vanwege bijvoorbeeld een richting, naar een basisschool gaat en de reisafstand meer is dan 20 kilometer, dan moeten jullie als ouders een inkomensafhankelijke bijdrage betalen ( zie hieronder de bedragen voor schooljaar 2020 /2021).

Verzamelinkomen Eigen bijdrage per schooljaar € 0 - 35.000 Nihil € 35.000 - 42.000 150 € 42.000 - 48.500 630 € 48.500 - 55.000 1.180 € 55.000 - 62.500 1.725 € 62.500 - 69.000 2.270 € 69.000 en verder voor elke extra € 5.500,-: 5050 erbij Bij een structurele inkomensdaling van minimaal 15% kan het peiljaar worden verlegd en van een ander moment worden uitgegaan. Verlegging van het peiljaar vindt niet plaats bij inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.

Met deze inkomensdaling kan op zijn laatst rekening worden gehouden op het moment dat het betreffende schooljaar start. Als gedurende het schooljaar sprake is van een inkomensdaling, kan geen peiljaarverlegging meer worden toegepast. Om peiljaarverlegging dient schriftelijk te worden verzocht.

Bovenstaande bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Deze worden jaarlijks voor aanvang van het nieuwe schooljaar (mei/juni) door de VNG verstrekt.

3.3.10Hoofdverblijf Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Tegemoetkoming De hoofdregel is dat de ouders een aanvraag indienen in de gemeente waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Inschrijving in de gemeente is hierbij niet doorslaggevend. In gevallen van crisisopvang kan op deze hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, als de leerling: van het leerlingenvervoer gebruik maakt in de voorgaande woongemeente, een korte periode (maximaal zes maanden) verblijft in de gemeente Schagen, de oude school blijft bezoeken, en na die korte periode terugkeert naar de woongemeente.

Onder crisisopvang wordt in dit verband het volgende verstaan: opvang voor mensen die in noodsituaties verkeren. Voor hen is per direct tijdelijke opvang nodig. In die periode wordt onderzocht welke hulp daarna moet worden ingezet.

Artikel3.3.11Co-ouderschap

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Tegemoetkoming Co-ouders zijn ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen. Zij kunnen afspreken om hun kind(eren) gezamenlijk te blijven verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap, indien zowel de moeder als de vader in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen heeft. Bij co-ouderschap kan er recht zijn op bekostiging van leerlingenvervoer voor de dagen dat de leerling bij de betreffende ouder verblijft. De beide ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen voor de dagen dat het kind tijdens weekdagen bij hen verblijft. Het vorenstaande lijdt uitzondering ingeval beide co-ouders woonachtig zijn in dezelfde gemeente. In dat geval dienen de co-ouders gezamenlijk een aanvraag in te dienen.

Artikel3.3.11Begeleiding

Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming Indien een leerling om medische redenen begeleiding nodig heeft, zijn jullie als ouders verantwoordelijk voor deze begeleiding (hiervoor kan over het algemeen een vergoeding voor worden verkregen op basis van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg). Door ons zal vanuit het leerlingenvervoer een zitplaats voor de begeleider beschikbaar worden gesteld. De bekostiging van de begeleiding is als volgt. De begeleider krijgt enkel betaald wanneer deze gezamenlijk met de leerling in het busje zit (in de ochtend met de leerling naar de school en in de middag met de leerling naar huis). Indien nodig wordt de begeleider gebracht of opgehaald van het desbetreffende station. De kosten om hier te komen zijn voor rekening van de begeleider. In de praktijk kan het zijn dat de vervoerder richting het huis van de begeleider rijdt. Meerijden is geen enkel probleem. Alleen kunnen de kosten hiervoor niet op ons worden verhaald.

Hoofdstuk4Gezond en veilig opgroeien Kernwaarden:

Je kind moet gezond en veilig kunnen opgroeien. Jullie als ouders zijn daarvoor verantwoordelijk.

Vanaf 18 jaar ben je hier zelf ook verantwoordelijk voor.

Wij ondersteunen als dat nodig is en stemmen dit af met de betrokkenen, waarbij jullie eigen mogelijkheden en die van het eigen sociale netwerk voorgaan. Onder ‘jullie’ verstaan we ouders en kind.

Wij hebben extra zorg voor kwetsbare inwoners.

Vrij toegankelijke ondersteuning gaat voor ondersteuning-op-maat.

Artikel4.1De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van je ouder(s) en van je sociale netwerk

Link met: artikel 4.2. Verantwoordelijkheid ouders Om te kunnen bepalen of inzet van ondersteuning -op -maat in het kader van de Jeugdwet noodzakelijk is, moeten wij de volgende stappen zetten: vaststellen wat de hulpvraag van jou en je ouders is; vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn; vaststellen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor jou om, rekening houdend met je leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van je ouder(s) en van je sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

Bij het bepalen of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van je ouder(s) en van je sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning te kunnen bieden (stap 4), gaat het om het bepalen van de zogenoemde ‘eigen kracht’. Wij hoeven met andere woorden geen ondersteuning-op-maat te verlenen als jij of je ouders de problemen zelf kunnen oplossen. De eigen kracht van jou en jouw ouders staat dus voorop. Pas als jullie er niet zelf uitkomen, moeten wij ondersteuning bieden. In het kader van de eigen kracht speelt de gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp een rol. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg en begeleiding die alle ouders aan hun kind (behoren te) geven. Bovengebruikelijke hulp is (voor het kind noodzakelijke) zorg en begeleiding die boven de normale dagelijkse zorg en begeleiding uitstijgt, die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In het Afwegingskader gebruikelijke hulp Jeugdwet gemeente Schagen wordt nader uitgewerkt aan de hand van welke maatstaven wordt bepaald of hulp gebruikelijk of bovengebruikelijk is.

Artikel4.2Vervoer van en/of naar een individuele voorziening

Link met artikel 4.4. Ondersteuning-op-maat 1.Bij het bepalen of ondersteuning-op- maat, in de vorm van een vervoersvoorziening naar een dichtstbijzijnde toegankelijke individuele voorziening jeugdhulp, noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, hanteren wij het volgende afwegingskader: een vervoersvoorziening is alleen van toepassing, indien het gaat om een vervoersvraag voor een jeugdige aan wie een ondersteuning-op-maat in het kader van de Jeugdwet is toekend; indien dit het geval is, wordt vervolgens nagegaan of en in hoeverre de ouders het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp zelf kunnen regelen (eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid); als ouders het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening zelf niet of niet volledig kunnen regelen, wordt nagegaan of er iemand uit het sociale netwerk is die wat kan betekenen in het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp; indien de inzet van het sociaal netwerk niet of onvoldoende mogelijk is, dan wordt nagegaan welke vervoersvoorziening voor de jeugdige het meest passend is.

2.Als jouw ouders in verband met hun financiële situatie het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening niet zelf kunnen regelen, dan is er mogelijk sprake van onvoldoende eigen kracht. Bij de beoordeling of hiervan sprake is hanteren wij de volgende formule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (aantal km enkele reis) x 0,25 (= wegingsfactor). De variabele onderdelen zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie van jouw ouders. Is de uitkomst van deze berekening gelijk aan of groter dan 250, dan kunnen jouw ouders aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

3.Ingeval de uitkomst van de in derde lid genoemde formule lager is dan 250, dan kunnen je ouders geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening, tenzij uit een berekening van de financiële draagkracht van je ouders blijkt dat hun financiële situatie niet houdbaar is zonder (financiële) ondersteuning door ons. Wij stellen de financiële draagkracht van je ouders vast aan de hand van de rekentool van het NIBUD Het persoonlijk budgetadvies.

4.Toekenning van een individuele vervoersvoorziening betekent niet automatisch dat jij en/of jouw ouders individueel vervoer ontvangt. Het vervoer kan collectief georganiseerd zijn.

Artikel4.3Leeftijdsgrens 18-/18+

Link met: artikel 4.5 Overgang naar volwassenheid (18- naar 18 +) 1.Jeugdhulp valt onder de Jeugdwet. In de Jeugdwet geldt een leeftijdsgrens van 18 jaar. Na de 18e verjaardag valt de hulp onder andere wetgeving, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Op het moment dat jij 18 jaar wordt, kunnen zich twee situaties voordoen:

Als jij nog een overgangsrecht op jeugdhulp hebt en diezelfde ondersteuning op grond van een andere wet (Zvw, Wlz, of Wmo 2015) kan worden verleend, zijn wij niet meer jeugdhulpplichtig. Afhankelijk van de specifieke vorm van zorg, zal jij als meerderjarige het zorgtraject kunnen voortzetten op grond van een andere wet: de Zvw, de Wlz of de Wmo 2015. De Jeugdwet (en daarmee ook het overgangsrecht op grond van die wet) is niet meer op jou van toepassing.

Als het een vorm van jeugdhulp betreft die voor meerderjarigen niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet (dit zal dan gaan om ‘jeugdzorg’, niet zijnde jeugd- GGZ of jeugd-LVB), dan blijven wij wel verantwoordelijk voor het voortzetten van de jeugdhulp op grond van de beschikking. Mocht na afloop van de looptijd van het indicatiebesluit nog aanvullende ‘jeugdzorg’ nodig blijken te zijn, dan zullen wij dit tot uiterlijk je 23e verjaardag moeten voortzetten. Voor noodzakelijke hervatting binnen een half jaar geldt hetzelfde. Voor gesloten jeugdhulp geldt een uitzondering: maximaal 18 jaar + 6 maanden (artikel 6.1.2, vierde lid, Jeugdwet).

2.Als je langdurige pleegzorg ontvangt, dan eindigt deze pleegzorg automatisch op de leeftijd van 21 jaar, tenzij jij eerder hebt aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg.

Hoofdstuk5Wonen in een veilige en gezonde leefomgeving Kernwaarden Als je een beperking en/of langdurige psychosociale problemen hebt, moet je zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in je eigen omgeving.

Wij hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

Wij maken de ondersteuning makkelijk bereikbaar.

5.1Een geschikte woning

Artikel5.1.1Begripsbepalingen

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning In de beleidsregels onder 5.1 wordt verstaan onder: aan- en uitbouw: bij aanbouw wordt een bouwwerk aan de gevel van een bestaand pand gebouwd. Bij aanbouw gaat het om een compleet nieuwe constructie. Bij uitbouw wordt een bestaande ruimte in een woning, bijvoorbeeld de keuken of woonkamer, vergroot, waardoor er meer ruimte beschikbaar komt. Bij uitbouw gaat het niet om een nieuwe constructie. toegelaten instelling: Zorginstellingen hebben een erkenning van de overheid nodig om zorg te geven die vergoed wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of het basispakket van de zorgverzekering. Deze instellingen heten 'toegelaten instellingen'. woning: een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; een verblijf van een binnenschip. woningaanpassing: het begrip woningaanpassing wordt gebruikt ter aanduiding van zowel een bouwkundige ingreep (d.w.z. een verbouwing) als een woontechnische ingreep in of aan een woonruimte (d.w.z. het aanbrengen van speciale voorzieningen, bijvoorbeeld een traplift in de woning zonder aantasting van het gebouw). Losse voorzieningen, zoals een tillift of een douchestoel vallen hier niet onder.

Artikel5.1 2 Uitsluitingsbepaling Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning De beleidsregels van 5.1 zijn niet van toepassing op voorzieningen aan: hotels/pensions; trekkerswoonwagens; kloosters; tweede woningen; vakantiewoningen; kamerverhuur.

Artikel5.1.3Woonvoorzieningen

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning 1.Een woonvoorziening is gericht op het opheffen en verminderen van belemmeringen die jij als een persoon met beperkingen bij het normale gebruik van je woning ondervindt en kan bestaan uit: financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (woningaanpassing); niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening; financiële tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke huisvesting; financiële tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving; uitraasruimte.

2.Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Hulpmiddelen ten behoeve van professionele verzorging zijn uitgesloten.
3.Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woonvoorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.
4.Bij het bepalen of jij als een persoon met een beperking al dan niet in aanmerking komt voor een woonvoorziening en bij het selecteren van een noodzakelijke voorziening spelen de volgende factoren een rol: de aanwezigheid van alternatieve oplossingen; ernst en omvang van de beperkingen; het ziekteverloop/de prognose; de noodzaak van de voorziening(en); de intensiteit van het gebruik van de voorziening(en); bouwkundige situatie.
5.Als een aanvraag om een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt ingediend, dan onderzoeken wij eerst of jij kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning. Dit onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van het beslissingsmodel primaat verhuizing. Dit beslissingsmodel is als bijlage bij deze integrale beleidsregels gevoegd. Indien uit voornoemd onderzoek blijkt dat een verhuizing naar een adequate of makkelijker aan te passen woning te realiseren is en dit de goedkoopst adequate oplossing is, wijzen wij een aanvraag om een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening af.
6.Met bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing gelden de volgende uitgangspunten: het niveau sociale woningbouw geldt als bovengrens van de geboden oplossing. Dit betekent dat wordt gekozen voor een sobere doch doelmatige oplossing; voor het kwaliteitsniveau van de aanpassingen wordt aangesloten bij de eisen zoals deze in het Bouwbesluit zijn geformuleerd; aanpassingen aan de eisen van de tijd kunnen geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening van de bewoner dan wel de eigenaar van de woning komen.

Artikel5.1.4Sanering huidige vloerbedekking en gordijnen

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning Jij kunt wanneer er sprake is van een aantoonbare allergie voor huisstofmijt en dit aantoonbare beperkingen met zich meebrengt, in aanmerking komen voor sanering van de huidige vloerbedekking en gordijnen in de slaapkamer. Bij uitzondering kunnen ook de huidige vloerbedekking en gordijnen in de woonkamer worden gesaneerd, indien jij bijvoorbeeld aantoonbaar een groot deel van de dag in de woonkamer doorbrengt (moet doorbrengen). Sanering van gestoffeerde meubels en dergelijke komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze hoeven niet acuut te worden vervangen en kunnen op termijn, passend binnen jouw budget, worden vervangen.

Artikel5.15Bezoekbaar maken woning

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning Indien jij je hoofdverblijf hebt in een in de gemeente gelegen toegelaten instelling kan één woning waar jij regelmatig op bezoek komt bezoekbaar gemaakt worden. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet.

5.2Beleidsregels inzake een schone en leefbare woning 5.2.1Begripsbepalingen Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning In deze beleidsregels wordt verstaan onder: praktische thuisondersteuning: deze ondersteuning is gericht op het zelf structureren en het op orde houden van het eigen huishouden; schoonmaakondersteuning en signalering: schoonmaakondersteuning is gericht op het schoon en leefbaar maken van het huis en signalering is gericht op relevante veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden, de sociale omgeving, alsmede de vereenzaming van de cliënt. Relevante veranderingen zijn in dit verband veranderingen die kunnen leiden tot wijzigingen in de omvang van de verleende ondersteuning; schoon en leefbaar huis: onder een schoon huis wordt verstaan een schone huiskamer, een schone als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte, een schone keuken, een schone douche en toilet en een schone gang. De woning moet op een aanvaardbaar niveau schoon zijn, dat wil zeggen dusdanig schoon is dat zij niet vervuilt. Dit kan betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan je persoonlijke verwachtingen of jouw eigen manier van schoonmaken. De ondersteuning wordt nooit ingezet voor de buitenkant van de woning, waaronder de tuin, de schuur, de stoep en de ramen aan de buitenzijde. Het begrip leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om gevaar voor de gezondheid te voorkomen; toegelaten instelling: zorginstellingen hebben een erkenning van de overheid nodig om zorg te geven die vergoed wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of het basispakket van de zorgverzekering. Deze instellingen heten 'toegelaten instellingen'.

Artikel5.2.2Schoonmaakondersteuning en signalering

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning 1.Als jij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp van mantelzorgers of met hulp van andere personen uit jouw sociale netwerk je woning schoon en leefbaar kunt houden, kom jij in aanmerking voor schoonmaakondersteuning en signalering.

2.Schoonmaakondersteuning omvat de volgende activiteiten: licht huishoudelijk werk: opruimen, afwassen, vaatwasser in- enuitruimen, stof afnemen (heuphoogte of hoog laag), beddengoed rechttrekken en huishoudelijke afval opruimen; zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, schrobben, ramenlappen (binnenkant), dweilen, sanitair en keuken schoonmaken, bedden verschonen; de was doen en strijken: het sorteren en wassen van kleding, was in de wasmachine doen, in- en uitruimen wasdroger, het ophangen en afhalen van de was, het vouwen en opbergen van het wasgoed en het strijken van kleding;

Signalering bestaat uit het opmerken van, dan wel aandacht hebben voor: relevante veranderingen van jouw gezondheidssituatie; relevante veranderingen van jouw de leefomstandigheden, onder andere door het controleren van houdbaarheidsdata van producten in de koelkast; relevante verandering van jouw sociale omgeving; vereenzaming.

Signalen van de zorgverlener worden neergelegd bij zijn of haar leidinggevende, waarna adequate actie wordt ondernomen.

3.Wij stellen de noodzaak en omvang van de schoonmaakondersteuning en signalering vast op basis van het ‘Normeringsoverzicht Hulp bij het huishouden’ en het ‘Afwegingskader gebruikelijke bij hulp bij het´. Beide documenten zijn als bijlagen bij deze beleidsregels gevoegd.

4.In het geval van jouw overlijden wordt schoonmaakondersteuning en signalering, ongeacht of deze maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb is verleend, gecontinueerd tot zes weken na het overlijden. Het vorenstaande is niet van toepassing ingeval er sprake is van een eenpersoonshuishouden.

Artikel5.2.3Praktische thuisondersteuning

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning 1.Indien jij niet in staat bent op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp van mantelzorgers of met hulp van andere personen uit jouw sociale netwerk een gestructureerd huishouden te voeren, kom jij in aanmerking voor praktische thuisondersteuning.

2.Praktische thuisondersteuning omvat in ieder geval de volgende activiteiten: het proactief signaleren en in de gaten houden van veranderingen van jouw zelfredzaamheid, gezondheidssituatie, jouw leefomstandigheden, en jouw sociale omgeving ( indien nodig informeert de aanbieder ons hierover); het ondersteunen (coachen) van jou bij het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur en/of het voeren van regie over eigen huishouden en/of de dagelijkse organisatie van het huishouden. Hieronder wordt verstaan: de ondersteuning bij het organiseren, het plannen van huishoudelijke taken, het regelen van lichte administratieve ondersteuning (verzamelen/openen van de post en indien nodig zorgdragen voor een structurele ondersteuning); maaltijdverzorging: opstellen boodschappenlijstje en ervoor zorgen dat de boodschappen in huis komen (bestellen boodschappen via bezorgservice van de (lokale) supermarkt), ondersteuning bij en of het zelf klaarmaken van broodmaaltijd en warme maaltijd of magnetronmaaltijd en zo nodig lichte ondersteuning bieden bij het nuttigen van de maaltijd; afstemming met ander ondersteuningsaanbod indien aanwezig; het helpen benutten en uitbreiden van de mogelijkheden van het sociaal netwerk, met als doel blijvende inzet te realiseren vanuit dat netwerk, waardoor praktische thuisondersteuning deels kan worden afgebouwd. Hierbij is er oog voor (dreigende) overbelasting van de mantelzorgers.

3.Wij stellen de noodzaak en omvang van de praktische thuisondersteuning vast op basis van het ‘Normeringsoverzicht Hulp bij het huishouden’ en het ‘Afwegingskader gebruikelijke hulp bij het huishouden´. Beide documenten zijn als bijlagen bij deze beleidsregels gevoegd.

4.In het geval van jouw overlijden wordt de praktische thuisondersteuning, ongeacht of deze maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb is verleend, gecontinueerd tot zes weken na het overlijden. Het vorenstaande is niet van toepassing in het geval er sprake is van een eenpersoonshuishouden.

Artikel5.2.4Beschermd wonen

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.3 Beschermd wonen 1.Jij kunt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: jij een psychiatrische aandoening hebt; jij 18 jaar of ouder bent; jij door je beperkingen niet zelfstandig kunt wonen en als gevolg van jouw psychiatrische aandoening een mogelijk gevaar voor jezelf en anderen vormt; jij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen kunnen opheffen; er sprake is van regiobinding conform de Handreiking en beleidsregels Landelijke toegang beschermd wonen 2016; en dak- en thuislozenopvang of klinische behandeling niet voorliggend is en jij niet voldoet aan de criteria voor de Wet langdurige zorg.

2.Het mogelijke gevaar voor jou of voor anderen, genoemd in het eerste lid, sub c, van dit artikel, ontstaat doordat jij in het dagelijkse bestaan niet in staat bent je een adequaat oordeel te vormen. Jij hebt vaak regieproblemen, mist vaardigheden of remmingen om je staande te houden in een zelfstandige woonomgeving, overziet de consequenties van het eigen handelen niet en/of bent niet in staat om op relevante momenten hulp in te roepen.

3.Wanneer niet direct een plaats beschermd wonen beschikbaar is, wordt aan jou passende overbruggingszorg geboden.

4.De aanvraag om beschermd wonen wordt ingediend bij en beoordeeld door het college van de centrumgemeente, in dit geval de gemeente Den Helder.

Melding en vooronderzoek ten behoeve van de beoordeling door de centrumgemeente wordt door een van onze wijkteams uitgevoerd.

Artikel5.2.6Kortdurend verblijf

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen 1.Onder kortdurend verblijf wordt verstaan een tijdelijk verblijf van jou in een instelling of in een gezin bedoeld om de mantelzorger(s) te ontlasten. Het kortdurend verblijf is in de regel planbaar. Uitgangspunt is dat de jij na verblijf elders weer naar huis gaat. Het kortdurend verblijf omvat bed, bad, brood en toezicht.

2.Jij komt in aanmerking voor kortdurend verblijf indien: ontlasting van de persoon die (boven)gebruikelijke hulp levert aan jou (de mantelzorger) noodzakelijk is; andere vormen van overname van de zorgtaken van de mantelzorger niet toereikend zijn; jij niet in aanmerking komt voor een opname op grond van de Wet langdurige zorg; jij geen beroep kunt doen op een vorm van respijtzorg op grond van jouw aanvullende zorgverzekering.

3.De duur van het kortdurend verblijf is 1,2 of 3 etmalen per week, met dien verstande dat in specifieke situaties een langere aaneengesloten periode mogelijk moet zijn. Dit laatste kan voor zover de maximale periode op jaarbasis (52 weken x 3 etmalen) niet wordt overschreden.

Artikel5.2.6Vervoer kortdurend verblijf

Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen Jij bent zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie van het kortdurend verblijf.

5.3Mantelzorg

Artikel5.3Maatwerk mantelzorgers

Link met : 5.3 Mantelzorg en artikel 5.3.1 ondersteuning mantelzorger 1.De mantelzorger wil gezien, gewaardeerd en ontlast worden. Dit is een glijdende schaal: door de mantelzorger in beeld te brengen, is het mogelijk deze vervolgens te waarderen. Ook het ontlasten van de mantelzorger kan gezien worden als een indirecte vorm van waardering. De behoefte van iedere mantelzorger is verschillend. Om de mantelzorger daadwerkelijk te ontlasten is maatwerk noodzakelijk. De consulenten van het wijkteam zijn in staat om een afweging te maken welke ondersteuning daadwerkelijk noodzakelijk is, zodat jouw zelfredzaamheid wordt bevorderd en je zo lang mogelijk thuis kan wonen.

2.De consulenten van het wijkteam krijgen het mandaat om maatwerk te leveren en de benodigde ondersteuning in te zetten. Hierbij wordt, zoals gebruikelijk is, eerst gekeken naar het eigen netwerk van de inwoner, de inzet van algemene voorzieningen (waaronder met name ook zorgvrijwilligers) en daarna pas de professionele ondersteuning. Maatwerk betekent in dit verband dat de consulent in beeld heeft welke behoefte er ligt en een professionele afweging maakt wat in iedere situatie passende ondersteuning is.

Hoofdstuk6De vorm van ondersteuning Kernwaarden:

Wij maken de ondersteuning makkelijk bereikbaar.

6.1Krediethypotheek

Artikel6.1.1Vestigen krediethypotheek

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Voor zover met inachtneming van artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet en artikel 50 lid 1 en 2 van de Participatiewet, bijstand verleend wordt in de vorm van een lening, wordt aan de bijstand de verplichting verbonden om mee te werken aan het vestigen van het recht van hypotheek ter meerdere zekerheid voor de aan de lening verbonden aflossingsverplichting tenzij: de overwaarde in de woning, na toepassing van de vrijlating op grond van artikel 34 lid 2 onder d, niet meer bedraagt dan € 5.000,-- de verwachting is dat de bijstandsverlening kort duurt en/of het bruto bedrag aan verleende bijstand minder bedraagt dan € 5.000,--.

Aan de te verlenen bijstand in de vorm van een lening wordt, indien dit in redelijkheid verlangd kan worden, de voorwaarde verbonden om de woning te verkopen.

Artikel6.1.2Geldlening

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld De geldlening, bedoeld in artikel 6.1.1 lid 1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering verminderd met de daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet. Voor de waardebepaling van de woning wordt uitgegaan van de WOZ-waarde.

De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende.

Artikel6.1.3Voorwaarden geldlening

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 6.1.4 van deze beleidsregel, tezamen met de bedingen zoals gebruikelijk in een hypotheekakte.

Artikel6.1.4Aflossing

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld 1.De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.

2.Over de eerste tien jaren na aanvang van de aflossing wordt de maandelijkse aflossing ten hoogste bepaald op 1/120e deel van het bedrag van het openstaande saldo van de lening, tenzij op verzoek van belanghebbende een hogere aflossing wordt overeengekomen.

3.Het bedrag van de aflossing wordt met inachtneming van lid 2 van dit artikel bepaald door de hoogte van het inkomen in die zin dat het aflossingsbedrag in ieder geval 35 procent bedraagt van het netto inkomen voor zover dit de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat.

4.Op verzoek van belanghebbende kan de aflossing periodiek of incidenteel lager vastgesteld worden in verband met de tot zijn last komende bijzondere kosten. Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Schagen is uitgangspunt voor de beoordeling van de noodzaak van de kosten.

5.Indien er na 10 jaar aflossen een saldo resteert, wordt de aflossing voortgezet onder toepassing van lid 3 en 4 van dit artikel.

6.Er wordt geen aflossing gevergd indien de hoogte van het inkomen dat niet toelaat.

Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering ter hoogte van de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm ontvangt en ook niet kan beschikken over andere middelen zoals bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet.

Artikel6.1.5Heronderzoek aflossing

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van drie jaren vastgesteld.

Eens per drie jaar, of vaker indien (eventueel te verwachten) omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van belanghebbende en overige omstandigheden, met het doel om de aflossingscapaciteit vast te stellen en het bedrag van de aflossing lager dan wel hoger vast te stellen.

Door belanghebbende kan een verzoek tot wijziging van het aflossingsbedrag worden ingediend in geval van wijziging van zijn financiële en/of overige omstandigheden.

Artikel6.1.6Incasso

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld 1.Bij het uitblijven van de aflossing wordt een herinnering en daarna, bij het verder uitblijven van de aflossing, een aanmaning verzonden. Bij hervatten van de aflossingsverplichting blijft dit zonder gevolgen tenzij er sprake is van in totaal een achterstand van meer dan 3 aaneengesloten maanden.

2.Indien belanghebbende schuldig nalatig is in het voldoen van de aflossing, wordt op grond van artikel 58 lid 1 onder b van de Participatiewet besloten tot terugvordering en is het openstaande saldo van de lening ineens opeisbaar. Na uitblijven van betaling wordt een dwangbevel verzonden. Dit dwangbevel heeft een executoriale titel.

3.Op verzoek van belanghebbende wordt een opgave verstrekt van de stand van de geldlening.

Artikel6.1.7Verkoop van de woning

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld 1.Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond afgelost voor zover de opbrengst daartoe toereikend is.

2.Bij verkoop van de woning kunnen wij wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard dan wel wegens werkaanvaarding elders door jou, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat het bedrag volledig ingezet wordt voor de aankoop van een andere woning.

3.Indien bij verkoop van de woning, al dan niet na vererving, op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel6.1.8Nieuwe aanvraag na beëindiging

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.

6.2Bbz 2004

Artikel6.2.1Begripsbepalingen

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld In de beleidsregels onder 6.2 wordt verstaan onder:

Awb: Algemene wet bestuursrecht.

Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

De wet: Participatiewet .

Bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de Participatiewet;

Inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 38 Bbz 2004.

Bijstand: de als renteloze lening verstrekte algemene bijstand en bijzondere bijstand op grond van het Bbz en de Participatiewet die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag “om niet” en de door het college in bijstand “om niet” omgezette bijstand.

Bedrijfskapitaal: bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of direct “om niet” verstrekt op grond van de artikel 24 en 26 Bbz 2004.

Levensvatbaarheidsonderzoek: een onderzoek dat antwoord geeft op de vraag of de zelfstandige uit het bedrijf of zelfstandig beroep een inkomen zal verwerven dat samen met het overige inkomen naar verwachting toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.

Ondernemingsplan: een document waarin de plannen van een onderneming concreet zijn gemaakt. Voorts bevat het plan de doelstellingen, missie en visie van de onderneming, een planning, de kansen en eventuele uitdagingen van de ondernemer.

Artikel6.2.2Aanvraag en advies

Link met: 6.2 Ondersteuning in geld 1.Wij vragen geen advies van een externe partij, indien: jij als zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b, c of d van het Bbz uitsluitend algemene bijstand op grond van het Bbz aanvraagt; jij als zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b of c, van het Bbz naast een aanvraag om algemene bijstand op grond van het Bbz een aanvraag ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Bbz indient, welke behoefte aan bedrijfskapitaal een bedrag van € 5.000,- niet overstijgt.

2.Aanvragen in het kader van het Bbz, bedoeld in het eerste lid, dienen te worden onderbouwd met een eenvoudig ondernemingsplan. Jij bent verplicht bij het opstellen van genoemd ondernemingsplan gebruik te maken van een door ons college vastgestelde format.

3.Alle andere aanvragen in het kader van het Bbz worden, onderbouwd met een uitgebreid ondernemingsplan, ter advisering voorgelegd aan een door ons gecontracteerde externe partij. Jij als aanvrager bent verplicht bij het opstellen van genoemd ondernemingsplan gebruik te maken van een door ons vastgestelde format.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.