Subsidieverordening inrichting landelijk gebied (Drenthe)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet regelt de voorwaarden waaronder de provincie Drenthe subsidies verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de inrichting en ontwikkeling van het landelijk gebied, zoals vastgelegd in het meerjarenprogramma en het plattelandsontwikkelingsprogramma.
Voor wie: Partijen die activiteiten uitvoeren die bijdragen aan de inrichting van het landelijk gebied in Drenthe; De Gedeputeerde Staten (GS) van Drenthe, als de instantie die subsidies verstrekt en regels opstelt.
Termijnen:
- Activiteiten moeten uiterlijk binnen 2 maanden na subsidieverlening starten en binnen 2 jaar afgerond zijn, tenzij anders bepaald.
- De subsidieontvanger moet de activiteiten of resultaten minstens 5 jaar na subsidievaststelling in stand houden.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 14
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De toekenning van subsidies voor specifieke activiteiten in het landelijk gebied.
- Welke kosten wel en niet subsidiabel zijn.
- De procedure voor het aanvragen en vaststellen van subsidies.
- De verplichtingen van de subsidieontvanger, zoals administratie en publiciteit.
Voor wie geldt deze regeling?
- Partijen die activiteiten uitvoeren die bijdragen aan de inrichting van het landelijk gebied in Drenthe.
- De Gedeputeerde Staten (GS) van Drenthe, als de instantie die subsidies verstrekt en regels opstelt.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidie wordt alleen verstrekt voor activiteiten die zijn opgenomen in het meerjarenprogramma en het plattelandsontwikkelingsprogramma.
- Kosten die al op een andere manier gesubsidieerd worden, of kosten voor reguliere werkzaamheden, komen niet in aanmerking voor subsidie.
- Het totale bedrag aan voorschotten is maximaal 80% van het maximaal te verlenen subsidiebedrag.
- Activiteiten moeten uiterlijk binnen 2 maanden na subsidieverlening starten en binnen 2 jaar afgerond zijn, tenzij anders bepaald.
- De subsidieontvanger moet de activiteiten of resultaten minstens 5 jaar na subsidievaststelling in stand houden.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (14)
- Artikel 3
- Artikel 4 In dit artikel worden beperkingen gesteld aan de subsidiabele kosten.
- Artikel 6
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 19 (Subsidieverplichtingen)
- Artikel 7
- Artikel 11
- Artikel 13
- Artikel 18
- Artikel 20
Inhoud ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1, Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: de Wet inrichting landelijk gebied (Staatsblad 2006, nummer 666); b. meerjarenprogramma: Provinciaal meerjarenprogramma voor het gebiedsgerichte beleid als bedoeld in artikel 4 van de wet; c. plattelandsontwikkelingsprogramma: het Nederlands programma voor plattelandsontwikkeling 2007 tot en met 2013 als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) 1698/2005 (Pb L 277); d. aanbestedende dienst: een publiekrechtelijke rechtspersoon of publiekrechtelijke instelling als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134/114); e. steunmodule: een regeling voor de verstrekking van een subsidie die als steunmaatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt beschouwd.
Artikel 2, Relatie met Algemene subsidieverordening Drenthe 2004 Op beslissingen omtrent subsidies op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Drenthe 2004 niet van toepassing.
Artikel 3, Subsidieverstrekking 1. Gedeputeerde staten (GS) kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in het meerjarenprogramma met inbegrip van de in het meerjarenprogramma genoemde maatregelen uit het plattelandsontwikkelingsprogramma.
Artikel 4, Niet-subsidiabele kosten Er wordt geen subsidie verstrekt voor: a. kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd; b. kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de ontvangstbevestiging van de aanvraag, tenzij het betreft kosten van voorbereiding, planvorming, onderzoek of voorlichting; c. verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; d. kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is; e. kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties; f. kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden; g. kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; h. kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager, onderhoud of herstelwerkzaamheden; i. exploitatiekosten die niet verband houden met de aanloopfase van een activiteit.
AANVRAAG EN SUBSIDIEVERLENING Artikel 5, Aanvraag 1. GS stellen de tijdstippen voor het indienen van een aanvraag vast, al dan niet voor afzonderlijke categorieën van subsidie.
Artikel 6, Gegevens bij de aanvraag 1. De aanvraag gaat vergezeld van: a. een aanduiding van te leveren prestaties; b. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging door medefinanciers zeker is; c. de financiële planning in perioden van 4 maanden, voor zover gevraagd wordt om financiering uit het plattelandsontwikkelingsprogramma; d. een overzicht van alle andere subsidies die een onderneming in de 3 jaar die aan de aanvraag voorafgaan heeft verkregen of aangevraagd.
VOORSCHOTTEN Artikel 7, Bevoorschotting 1. Na subsidieverlening kunnen GS op aanvraag een voorschot verstrekken.
VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER Artikel 8, Uitvoering activiteiten 1. De activiteiten starten uiterlijk binnen 2 maanden na subsidieverlening, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn is bepaald.
Artikel 9, Opdrachten aan derden 1. Indien de subsidieontvanger een aanbestedende dienst is, geldt de volgende verplichting. a. Als de aanbestedende dienst een publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze voor de uitvoering van de activiteiten het eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen of, bij afwezigheid daarvan, het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden. b. Als de aanbestedende dienst geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen. Hiervan kan door GS ontheffing worden verleend, indien de aanbestedende dienst aantoont dat zijn eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden naar Europese normen voldoende transparant, objectief en niet discriminatoir is.
Artikel 10, Boekhouding 1. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat: a. alle ontvangsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; b. bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de gesubsidieerde en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt.
Artikel 11, Voortgang uitvoering De subsidieontvanger brengt, zo vaak als in de beschikking is bepaald, schriftelijk verslag uit aan GS over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten en overlegt daarbij een overzicht van boekingsbescheiden en een overzicht van betaalde facturen van die periode.
Artikel 12, Publiciteit De subsidieontvanger vermeldt in iedere externe communicatie dat de activiteit geheel of gedeeltelijk is gerealiseerd met financiële steun van de provincie en, indien van toepassing, van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.
Artikel 13, Informatieverstrekking De subsidieontvanger doet onmiddellijk mededeling aan GS over alle feiten en omstandigheden, waaronder verzoeken tot zijn faillissement of tot surséance van betaling, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op de aanspraak op subsidie.
VASTSTELLING Artikel 14, Aanvraag subsidievaststelling 1. De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van subsidie in binnen 13 weken na afloop van de activiteiten, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.
VERPLICHTINGEN SUBSIDIEONTVANGER NA SUBSIDIEVASTSTELLING Artikel 15, Instandhouding 1. De subsidieontvanger houdt minstens 5 jaar na subsidievaststelling, of zolang als in de beschikking vermeld, de activiteiten of de resultaten van de activiteiten in stand.
Artikel 16, Terugbetaling vergoeding 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd die door GS wordt vastgesteld.
BIJZONDERE EN SLOTBEPALINGEN Artikel 17, Intrekking en terugvordering 1. De subsidieverlening of subsidievaststelling kan worden gewijzigd of worden ingetrokken voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de provincie geldende verplichtingen.
Artikel 18, Afwijkingsbevoegdheid 1. GS kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 19, Toezicht GS kunnen ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald.
Artikel 20, Overgangsbepaling in verband met intrekking bestaande subsidieregels 1. Aan GS wordt de bevoegdheid verleend tot het intrekken van de volgende verordeningen:
Artikel 21, Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op een tijdstip dat nader door GS wordt bepaald.
Artikel 22, Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Subsidieverordening inrichting landelijk gebied.
Toelichting TOELICHTING OP DE SUBSIDIEVERORDENING INRICHTING LANDELIJK GEBIED ALGEMEEN Het gebiedsgericht werken en subsidie De afgelopen jaren hebben Rijk en provincie voortdurend verbetering gezocht van het gebiedsgerichte werken aan de ontwikkeling van het platteland. De provincies hebben in dit verband de planningen steeds verbeterd in nauwe samenwerking met alle betrokkenen in het gebied, zoals waterschappen, gemeenten, bedrijven en belangenorganisaties.
De aldus ontstane samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen heeft vorm gekregen in de Wet inrichting landelijk gebied (WILG). Deze wet beoogt enerzijds het wettelijk landinrichtingsinstrumentarium te vereenvoudigen, anderzijds worden een decentralisatie van taken van het Rijk naar de provincies en een deregulering beoogd. Belangrijke begrippen in de WILG zijn het Rijksmeerjarenprogramma, waarin het Rijk aangeeft welke doelen voor het gebiedsgerichte beleid het wil realiseren, het provinciaal meerjarenprogramma, waarin elke provincie voor zich aangeeft welke bijdrage die provincie kan leveren het bereiken van de doelen van het Rijk, en de bestuursovereenkomst, waarin het Rijk en de provincie op basis van het provinciaal meerjarenprogramma afspraken maken met betrekking tot door het Rijk ter beschikking te stellen middelen in de vorm van een investeringsbudget en personele capaciteit van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Het betreft hier een investeringsbudget voor een periode van 7 jaar. Dit budget dient te worden aangewend om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de doelen van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk, hetgeen onder meer kan geschieden door het verstrekken van subsidies. Daarnaast worden uit dit budget bijdragen verstrekt in de kosten voor uitvoering van opdrachten van de provincie voor gebiedsinrichting en grondverwerving.
Deze verordening geeft de juridische basis voor het verstrekken van subsidies. Zij regelt in die zin alle subsidies die de provincie verleent voor de inrichting van het landelijk gebied als bedoeld in pMJP en POP.
Systeem: verwijzing naar provinciaal Meerjarenprogramma (pMJP) en Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) De verordening bevat de juridische grondslag voor subsidieverstrekking en daarnaast in hoofdzaak procedurele aspecten (in ruime zin), evenals subsidiabele kosten, algemene subsidievoorwaarden, rapportageplicht, evaluatie en toezicht.
In de programma¿s pMJP en POP is vastgelegd voor welke activiteiten en doelen welke subsidies kunnen worden verstrekt en onder welke voorwaarden. Tevens is daarin opgenomen hoe in voorkomende gevallen subsidie kan worden verstrekt met inachtneming van de Europese vrijstellingsverordeningen of overeenkomstig door de Europese Commissie goedgekeurde steunmodules. Dit biedt niet alleen flexibiliteit in de uitvoering, maar ook transparantie en werkbaarheid van de verordening. De Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van LNV zal voor POP optreden als betaalorgaan. Via nadere afspraken met DLG volgt een nadere invulling.
Staatssteun en steunmodules Hoewel een groot deel van de subsidies geen staatssteun zal betreffen, bijvoorbeeld die aan overheden, moet het anderzijds van tevoren toch wél voldoende duidelijk zijn hoe aan belangrijke vereisten, zoals die van de EU voor staatssteun, wordt voldaan.
Dat gebeurt in artikel 2, tweede lid. Op grond van de de minimisverordeningen (EG) 69/2001 en (EG) 1860/2004 voor het midden- en kleinbedrijf, respectievelijk de landbouw, mag in een periode van 3 jaar niet meer dan € 100.000,-- respectievelijk € 3.000,-- per onderneming steun worden verleend. Het gaat hier om steun in welke vorm dan ook, dus bijvoorbeeld ook belastingvoordelen tellen mee, van welke overheid dan ook. Deze de minimissteun is vrijgesteld van de goedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 88 van het EG-Verdrag. Vervolgens zijn er EG-vrijstellingsverordeningen, onder meer voor het midden- en kleinbedrijf en voor de landbouw. Als subsidie wordt verstrekt met toepassing van deze verordeningen, kan worden volstaan met een kennisgeving aan de Europese Commissie. De provincie zal gebruik gaan maken van de vrijstellingsverordeningen, door de toepassing ervan op te nemen in het pMJP. Ten derde kan op basis van het POP-programma subsidie worden verstrekt voor de daar geregelde maatregelen, die immers door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. Ten slotte kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig de daarvoor geldende steunmodule, die eveneens door de Europese Commissie is goedgekeurd. Bestuurlijk is het commitment uitgesproken om deze steunmodules niet per provincie te ontwikkelen, maar ze in samenwerking tussen alle provincies, dan wel de provincies die het aangaat, en het Rijk te ontwikkelen.
Versterking van de voortgang in de uitvoering Een aantal bepalingen is gericht op een versterking van de voortgang in de uitvoering.
De provincie wil hier, met als uitgangspunt dat projecten uitvoeringsgereed zijn en na de subsidieverlening onmiddellijk kunnen starten, bevorderen dat de projecten ook professioneel en snel worden uitgevoerd en afgerekend. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bevoorschotting (artikel 7), de uitvoering (artikel 8) en uit de manier waarop de voortgangsrapportages worden geregeld (artikel 11). De frequentie van voortgangsrapportages is eveneens afgestemd op de frequentie waarmee over voortgang van het plattelandsontwikkelingsprogramma door het Rijk aan de EU moet worden gerapporteerd.
ARTIKELSGEWIJS
Artikel 3
Dit artikel geeft de rechtsbasis voor het verstrekken van subsidie.
De functie van het tweede lid, waar de beleidsmatige aspecten en inhoudelijke regels voor subsidieverstrekking worden genoemd, is in het algemene deel toegelicht. Het POP is een landelijk programma. Omdat niet alle activiteiten of maatregelen van het landelijke programma voor elke provincie nuttig zijn, kunnen de provincies ervoor kiezen om slechts enkele activiteiten of maatregelen van het POP te cofinancieren.
Daarom geeft de provincie in het eerste lid van dit artikel aan voor welke onderdelen van het POP subsidie wordt verstrekt.
Het derde lid vereist dat de begroting van een project, met inbegrip van de gevraagde subsidie, sluitend is.
In het vierde lid is geregeld dat GS voor een goede uitvoering van deze verordening nadere regels kunnen stellen. Het betreft dus onderwerpen die op de uitvoering betrekking hebben, zoals bijvoorbeeld bij de aanvraag te verstrekken gegevens, precisering van subsidiabele kosten, de bekendmaking van resultaten van activiteiten of het geven van informatie over gesubsidieerde activiteiten door de subsidieontvanger, of andere nadere technische uitwerkingen.
Op grond van het zesde lid kunnen GS een algemeen jaarlijks subsidieplafond instellen dan wel voor afzonderlijke categorieën subsidies of in verband met uit te schrijven tenders.
Artikel 4In dit artikel worden beperkingen gesteld aan de subsidiabele kosten. Subsidie kan
voor dezelfde activiteit slechts 1 keer worden verleend. Daarnaast zijn bijvoorbeeld investeringen in milieumaatregelen, waarmee slechts wordt voldaan aan bestaande wettelijke eisen, nooit subsidiabel.
Artikel 6
De bepalingen in het eerste lid, onder d, en het tweede lid zijn opgenomen om te kunnen beoordelen of er sprake is van steun die de de minimisgrens niet te boven gaat.
De verantwoordelijkheid voor de gevolgen van verkeerde informatie ligt bij de aanvrager.
Artikel 8
Dit artikel is, net als bijvoorbeeld artikel 11, gericht op een voortvarende uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. In de subsidiepraktijk van veel overheden komt het regelmatig voor dat een voorschot wordt verstrekt, voordat de subsidieontvanger een begin heeft gemaakt met de uitvoering van de activiteiten. Met deze praktijk wordt in het onderhavige artikel gebroken. Voorschotten worden slechts verstrekt op basis van gemaakte en betaalde kosten, dus op basis van declaraties die worden ingediend samen met de voortgangsrapportage. De achterliggende gedachte hierbij is enerzijds zoals al vermeld, het bespoedigen van de voortgang van de uitvoering, anderzijds wordt hiermee voorkomen dat het lucratief kan zijn om helemaal niet met de uitvoering van de activiteiten te beginnen, omdat men rente kan trekken van de voorgeschoten bedragen. De subsidieregeling heeft immers betrekking op zeer uiteenlopende activiteiten, ook wat betreft financiële omvang.
In het zesde lid wordt op deze regel een uitzondering gemaakt, voor het geval private subsidieontvangers zonder het voorschot geen begin kunnen maken met de uitvoering van de activiteiten. Het gaat in die gevallen om bijvoorbeeld kleine stichtingen of natuurlijke personen die de projectkosten niet zelf kunnen voorschieten en ook niet in de financiering kunnen voorzien door een lening bij een bank. Als zij naar genoegen van GS hun financieringsbehoefte hebben aangetoond, komen zij voor een voorschot vooruitlopend op gemaakte kosten in aanmerking.
Artikel 9
Boven de Europese drempels moet worden voldaan aan de Europese aanbestedingsregels.
Met artikel 9 wordt verzekerd dat ook onder die drempels zal worden voldaan aan de Europese eisen van transparantie, objectiviteit en non-discriminatie.
De onderdelen a en b betreffen aanbestedende diensten, overheidsorganen en publiekrechtelijke instellingen, als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Pb L 134/114).
In onderdeel a wordt bepaald dat andere overheden het eigen beleid kunnen toepassen.
Het uitgangspunt is dat dat aan de te stellen eisen zal voldoen. Voor publiekrechte-lijke instellingen is in onderdeel b bepaald dat zij, indien beschikbaar, het eigen beleid mogen toepassen, maar dat ze dan eerst moeten aantonen dat dat aan alle eisen voldoet.
Het tweede lid bepaalt dat niet-aanbestedende diensten, dat zijn andere subsidieontvangers dan die genoemd onder a en b die meer dan 50% subsidie ontvangen, ook aan de Europese eisen moeten voldoen. Dit is de situatie als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn. Dit artikel beperkt zich tot werken en wat daarmee in verband staat. Deze beperking is niet overgenomen, zodat alle aanbestedingen moeten voldoen aan de gestelde eisen.
Artikel 10
De administratie moet zolang bewaard worden dat zij beschikbaar blijft voor de eindafrekening van het ILG-budget tussen minister en de provincie en in verband met de eindafrekening over het POP.
Artikel 16
De provincie zal een vergoeding eisen bij overname van de activiteiten door een ander, tenzij aan alle 3 de genoemde vereisten wordt voldaan.
Artikel 17
Op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nummer 659/1999 (Pb 1999 L83), kan de Europese Commissie beschikken dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen moet nemen om onrechtmatige steun van de begunstigde terug te vorderen en geeft daarbij aan welk wettelijk rentepercentage passend is. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot aan de daadwerkelijke terugbetaling.
Het tweede lid biedt de publiekrechtelijke grondslag die ingevolge jurisprudentie (bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak, 11 januari 2006, zaaknummer 200503463/1) voor de terugvordering van wettelijke rente vereist is. Zo wordt in afwachting van de nieuwe Afdeling 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht over bestuursrechtelijke geldschulden voorkomen dat ingevolge de genoemde jurisprudentie óók een civielrechtelijke procedure zou moeten worden gevoerd.
Bijlage, Provinciaal meerjarenprogramma Landelijk gebied, deel 3, subsidiegids 2007 Deel 3 Subsidiegids 2008 Deze subsidiegids is het derde deel van het pMJP van Drenthe voor de periode 2007-2013.
De subsidiegids wordt los uitgegeven en jaarlijks bijgewerkt. De gids is daarmee zowel een document dat initiatiefnemers inzicht geeft in actuele budgetten en subsidiecriteria, als een managementinstrument voor de gebiedspartners, die hiermee een goed overzicht houden op de voortgang van de uitvoering van het pMJP.
In de subsidieverordening is geregeld dat GS voor ieder uitvoeringsjaar een jaarprogramma vaststellen. Onderdeel daarvan zijn de subsidieplafonds. Als algemene beleidslijn hiervoor geldt een evenredige verdeling van de subsidies per thema over de zeven uitvoeringsjaren.
GS kunnen gemotiveerd van deze beleidslijn afwijken. Voor middelen gelabeld aan nader aan te duiden specifieke projecten (bijvoorbeeld het kanaal Erica-Ter Apel) of gebieden (bijvoorbeeld het Nationaal Landschap) geldt deze evenredige verdeling niet.
1.2. Algemene criteria In dit deel van het pMJP worden de thema's vermeld waarvoor subsidie kan worden verleend.
Een aanvraag past binnen het pMJP als de activiteit qua aard en doel aansluit bij de in het pMJP benoemde maatregelen, activiteiten en prioriteiten en bijdraagt aan het realiseren van de pMJP¿doelen in Drenthe. Een aanvraag past binnen de subsidieverordening als tevens wordt voldaan aan de technische eisen die aan de aanvraag worden gesteld, zoals een tijdige indiening.
Aanvragen worden altijd afzonderlijk beoordeeld en soms ook in verhouding tot andere (mogelijke) aanvragen. Een onderdeel daarvan is de kwalitatieve beoordeling, waarbij wordt gekeken naar de mate waarin de te subsidiëren activiteit bijdraagt aan de realisatie van de pMJP-doelstellingen.
Voorrang wordt gegeven aan aanvragen die sterker scoren op de volgende criteria.
Verdelingsmaatstaf GS kunnen op grond van de Subsidieregeling ILG aangeven hoe de verdeling van de subsidies zal plaatsvinden. Daarbij is gekozen voor een "wie het eerst komt, het eerst maalt"¿principe.
Indien activiteiten mede worden gefinancierd met subsidies van de Europese Commissie (vanuit het POP2), gelden met betrekking tot de indiening de regels van het POP2.
Subsidiepercentages Hierna zijn voor de verschillende onderdelen, waarvoor subsidie kan worden verleend, maximum subsidiepercentages aangegeven. De middelen voor de subsidie kunnen afkomstig zijn van Europa, Rijk en/of provincie. GS kunnen, indien daartoe aanleiding bestaat, van de maxima afwijken, bijvoorbeeld als aan meer projecten een bijdrage kan worden verleend.
Wanneer (een deel van) de subsidie afkomstig is uit het Europese plattelandsontwikkelings-programma (POP2) zijn de percentages die het POP2 daarvoor aangeeft leidend.
Cofinanciering (bijvoorbeeld door gebiedspartners of particulieren) is niet in de hier vermelde subsidiepercentages opgenomen.
In de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend, wordt zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt welke financiële stromen ten grondslag liggen aan de subsidieverlening en welke specifieke verplichtingen en voorwaarden op grond daarvan op de subsidieverlening van toepassing zijn.
Subsidieplafonds GS stellen jaarlijks subsidieplafonds vast en maken deze bekend. Daarmee wordt aangegeven welk bedrag gedurende een jaar beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op grond van onder meer deze subsidiegids. Als door verstrekking van de subsidie het plafond zou worden overschreden, is dat een reden om de subsidie te weigeren. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling van de subsidies vermeld.
1.3. Europa Steunmaatregelen volgens het Europese Gemeenschap(EG)¿verdrag Bij het verlenen van subsidies door (decentrale) overheden moeten de aanvrager en de subsidiegever rekening houden met de voorschriften, die de Europese Commissie verbindt aan het verlenen van financiële steun. Dit betekent dat steeds moet worden nagegaan of er sprake is van een steunmaatregel, en zo ja, of die steunmaatregel aan de Europese Commissie moet worden gemeld.
Bepaalde maatregelen waarmee staatssteun verleend wordt, mogen zonder melding aan of toestemming van de Europese Commissie worden uitgevoerd, onder andere op basis van de Minimisregeling (voor het MKB en voor de landbouw geldt per periode van drie jaar een maximale steun van € 200.000,--, respectievelijk € 3.000,-- per onderneming) en de Vrijstellingsverordeningen voor het MKB. De subsidiegever en de subsidieontvanger moeten dan wel bijhouden of het totaal aan verleende steun over een bepaalde periode niet boven een bepaald bedrag uitkomt.
Het begrip Staatssteun dient breed te worden opgevat. Van staatssteun is niet alleen sprake bij het verstrekken van directe overheidssubsidies aan ondernemingen; een steunmaatregel kan ook indirect zijn. Zo kunnen onder meer als staatssteun worden aangemerkt: garanties of middelen die tegen niet-marktconforme voorwaarden worden verstrekt, verkoop van grond of gebouwen voor lagere prijzen dan de marktprijs, verlichting van financiële lasten voor specifieke bedrijven en door decentrale overheden uitgevoerde werkzaamheden (bijvoorbeeld de aanleg van infrastructurele voorzieningen) waarvan het directe openbare belang discutabel is en die een voordeel opleveren voor bepaalde bedrijven. De vorm, de reden en het doel van de toegekende steun zijn niet van belang; alleen de uitwerking ervan op de concurrentie telt mee.
Overeenkomstig artikel 87, eerste lid, van het EG¿verdrag is er sprake van staatssteun als er aan de volgende criteria is voldaan.
Het voordeel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en een (potentiële) invloed op de tussenstaatse handel hebben.
Het begrip Onderneming wordt door het Europese Hof van Justitie uitgelegd als "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd". Dit betekent dat ook stichtingen en verenigingen als onderneming kunnen worden gezien als hun activiteiten ook op een markt (kunnen) worden aangeboden.
Concurrentievervalsing en beïnvloeding van het handelsverkeer zijn moeilijk vast te stellen.
De Europese Commissie oordeelt vaak al snel dat hiervan sprake is. Bij het voldoen aan de eerste drie criteria moet er daarom in principe al overgegaan worden tot melding, tenzij er evident sprake is van een activiteit met slechts een lokaal bereik.
Bij subsidies in het kader van het ILG kan sprake zijn van staatssteun. Dit wil nog niet zeggen dat geen subsidie kan worden verleend. Als de aanvraag past binnen een van de zogenaamde vrijstellingsverordeningen van de Europese Commissie kunnen GS positief beslissen over een aanvraag.
Los van de vrijstellingsverordeningen kan de Europese Commissie goedkeuring verlenen voor steunmaatregelen die "verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt" (artikel 97, derde lid, van het EG¿verdrag). Door de provincies is samen met LNV goedkeuring gevraagd voor subsidiemogelijkheden in een zogeheten Catalogus Groene Diensten. Deze heeft dezelfde werking als een vrijstellingsverordening: de steun is toelaatbaar mits de aanvullende criteria en voorschriften in acht worden genomen. Mogelijk worden in de toekomst nog andere steun-modules gezamenlijk ontwikkeld.
Europese middelen Bij subsidies waarbij Europese middelen zijn betrokken, gelden aanvullende Europese voorwaarden. Binnen het pMJP gaat het om middelen uit het bij verordening (EG), nummer 1290/2005, opgerichte ELFPO, de opvolger van het landbouwfonds Europees oriëntatie¿ en garantiefonds voor de landbouw. Gedeputeerden zijn aangewezen als beheersautoriteit voor deze "POP2¿subsidies". Betaalautoriteit is de DLG. Indien voor een activiteit cofinanciering mogelijk is met POP2¿geld, staat meteen vast dat de subsidie voldoet aan de eisen van staatssteun.
POP2 Het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) is een zevenjarig subsidieprogramma.
Het is de nationale invulling van de nieuwe Europese Plattelandsverordening van de Europese Commissie. Een project kan alleen subsidie uit het Europese fonds krijgen als het past binnen de POP2¿doelstellingen die in de Europese Plattelandsverordening worden vermeld. Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in drie "assen", namelijk landbouw (as 1), natuur & landschap (as 2) en plattelandsontwikkeling (as 3). Een vierde as, gebaseerd op de LEADER¿ervaringen, zal in combinatie met de doelen uit de drie inhoudelijke assen mogelijkheden bieden voor innovatieve vormen van beleidsvorming en ¿uitvoering, gebaseerd op een bottom¿up benadering van plattelandsontwikkeling.
Het POP2 beslaat de periode 2007¿2013. Deze periode valt samen met het ILG, zodat het makkelijker is om de financiering van POP2 te koppelen aan het pMJP. Het Rijk stelt het POP2 samen met de provincies op. Er staat in beschreven met welke maatregelen de Europese doelen worden gerealiseerd. Ook is de verdeling van de gelden ¿ van de Europese Commissie en cofinanciering van het Rijk, de provincies en overige organisaties ¿ over deze doelen en (indicatief) over onderliggende maatregelen aangegeven.
In het POP2 worden de maatregelen vertaald naar "fiches" waarin is aangegeven wat voor soort projecten voor financiële ondersteuning in aanmerking komen. Bij het beschikbare EU¿geld is minimaal 50% nationale (of regionale) cofinanciering vereist.
Begripsbepalingen a. Terreinen: gronden, daaronder begrepen natuurterreinen, wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden, alsmede de op die gronden gelegen objecten, die van belang of van potentieel belang zijn om hun natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuur-historische betekenis of vanwege bosbouwkundige waarden. b. Invloedssfeer: gedeelte van een provincie, aangegeven op een door de minister en GS vastgestelde kaart, waarbinnen een instelling eerst aangewezene is om terreinen te verwerven of in beheer te verkrijgen.
Subsidiabele activiteiten GS kunnen met betrekking tot terreinen op aanvraag subsidies verlenen voor: a. de kosten van verwerving, en b. de vergoeding van de kosten voor beëindiging van pachtovereenkomsten.
Beoordelingscriteria terreinen Een subsidie voor de kosten van verwerving van een terrein of pachtbeëindiging wordt verleend voor terreinen: a. die gelegen zijn binnen de invloedssfeer van de instelling die een aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend; b. die door de provincie zijn begrensd als natuurgebied, onderdeel uitmakend van de EHS; c. die worden ingezet als ruilgrond voor realisatie EHS; waarbij GS nadere bepalingen kunnen opnemen in de beschikking over de termijn waarop de gronden moeten zijn ingezet voor realisatie van de EHS; d. die zijn gelegen in een gebied met hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappe-lijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden;
Of voor verwerving: e. van bos¿ en landschapselementen als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel b, van de Landinrichtingswet, die zijn aangelegd in het kader van landinrichtingsprojecten.
Subsidiabele kosten Een subsidie voor de kosten van verwerving van grond wordt verleend: a. indien het aankoopbedrag niet meer bedraagt dan de reële marktwaarde, en/of b. als de verwerving valt onder een door GS vastgesteld Aankoopstrategieplan.
Als subsidiabele kosten worden aangemerkt de volgende kosten:
GS kunnen bij de beschikking tot subsidieverlening besluiten dat tot een door hen vast te stellen maximumbedrag als subsidiabele kosten tevens worden aangemerkt:
Een subsidie voor de kosten van vergoeding ter beëindiging van een op een terrein gevestigde pachtovereenkomst wordt slechts verleend, voor zover een instelling eigenaar of erfpachter is van een terrein waarop reeds vóór het tijdstip dat het terrein door die instelling is verworven, pachtrechten zijn gevestigd, en waarvoor naar het oordeel van GS beëindiging van de op het terrein gevestigde pachtovereenkomst gewenst is vanuit het oogpunt van natuur¿ of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling alsmede de hoogte van de vergoeding niet meer bedraagt dan de gebruikelijk betaalde vergoedingen ter compensatie van het nadeel bij vroegtijdige beëindiging van pachtovereenkomsten.
Aanvraag Een aanvraag tot subsidieverlening voor de kosten van verwerving van een subsidiabel terrein wordt uiterlijk ingediend op de dag vóór het passeren van de koopakte.
Een aanvraag tot subsidieverlening voor de kosten van vergoeding ter beëindiging van een pachtovereenkomst als bedoeld onder a tot en met e wordt uiterlijk ingediend op de dag vóór de beëindiging van de pachtovereenkomst.
Een aanvraag tot subsidieverlening gaat in ieder geval vergezeld van: a. een kadastrale omschrijving van het terrein ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; b. een begroting en taxatierapport van de met de verwerving, respectievelijk de beëindiging van de pachtovereenkomst, gemoeide kosten; c. in voorkomend geval, een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk worden verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk worden aangewend, d. indien van toepassing een verwijzing naar een vastgesteld Aankoopstrategieplan; e. een motivering op grond waarvan de aanvraag voor subsidiëring in aanmerking komt; zoals bijvoorbeeld een zeldzaam milieutype, cultuurhistorie, schakelfunctie of afronding van bestaande natuur.
Bevoorschotting GS kunnen op aanvraag een voorschot verlenen tot ten hoogste honderd procent van het bedrag vermeld in de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk van het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld.
Vaststelling De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden; b. een overzicht van de subsidiabele kosten; c. een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk zijn verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk zijn aangewend.
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst danwel een afschrift van de uitspraak van de rechter tot ontbinding van de pachtovereenkomst, bedoeld in artikel 377, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; b. een overzicht van de kosten verbonden aan de beëindiging van de pachtovereenkomst, en c. in voorkomend geval, een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk zijn verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk zijn aangewend.
Overige verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht om de daadwerkelijke verwerving van het terrein en/of de beëindiging van de pachtovereenkomsten te laten plaatsvinden binnen een tijdvak van twaalf weken na de subsidieverlening.
Gronden die met een subsidie zijn verworven, of een gedeelte daarvan, worden niet vervreemd of in erfpacht uitgegeven, ook worden er geen zakelijke rechten gevestigd, noch wordt het kenmerkend karakter van het terrein of delen ervan in strijd met de beheersvisie gewijzigd, dan wel aan derden toestemming daartoe verleend.
Bij beëindiging van de instelling behoeft de bestemming van een batig liquidatiesaldo de goedkeuring van GS.
De begunstigde beschikt over statuten, die aan GS ter kennisneming worden overgelegd.
De instelling stelt GS onverwijld in kennis van wijziging van de statuten.
GS kunnen op verzoek of indien zij daar aanleiding toe zien van het bepaalde in deze regeling afwijken.
Begunstigden a. Vereniging Natuurmonumenten b. Stichting "Het Drentse Landschap"
Maximale subsidiebijdrage De subsidie bedraagt ten hoogste honderd procent van de subsidiabele kosten.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepaling De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
2.1.b. Verplaatsingsregeling grondgebonden agrarische bedrijven Beleidsmatige criteria Het verplaatsen van agrarische grondgebonden bedrijven ter verbetering van de ruimtelijke of agrarische structuur, natuur, landschap, water of milieu.
Subsidiabele activiteiten GS verstrekken op aanvraag van een belanghebbende subsidie voor de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf waarvan de cultuurgrond: a. voor ten minste 50% is gelegen in de EHS, of b. voor ten minste 50% is gelegen in een landinrichtingsgebied, dan wel een gebied ten behoeve van planmatige kavelruil, of c. gelegen is in een gebied, anders dan een gebied zoals bedoeld onder a en b, dat is opgenomen in een aankoopstrategieplan en waarvoor in dat aankoopstrategieplan is bepaald dat deze subsidieregeling ook op dat gebied van toepassing is. Voor de begrenzing op detailniveau is de informatie in het desbetreffende aankoopstrategieplan bepalend, of d. gelegen is in de provincie Drenthe en de belanghebbende een positief beoordeelde kandidaat is voor het project "Inplaatsing melkveehouderij in de Veenkoloniën".
Beoordelingscriteria/voorwaarden 1. De subsidieregeling is uitsluitend van toepassing voor kleine en middelgrote landbouw-bedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten. Een en ander zoals bedoeld in verordening 1857/2006 (EG). De subsidieregeling is niet van toepassing op steun voor uitgaven met betrekking tot de verwerking of de afzet van landbouw-producten.
De overdracht zal plaatsvinden tegen vergoeding van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de cultuurgrond en de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende gebouwen en installaties, welke waarde wordt vastgesteld op basis van een door GS goedgekeurde zakelijke taxatie.
Als in het kader van de verplaatsing van het grondgebonden agrarisch bedrijf een vergoeding wordt verstrekt door één of meer andere overheidslichamen, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanig bedrag aan subsidie verleend dat de som van de door het andere overheidslichaam of overheidslichamen verstrekte of te verstrekken vergoeding(en) en de op grond van deze regeling te verstrekken subsidie niet meer bedraagt dan de maximale subsidiebijdrage voortvloeiende uit deze regeling.
Begunstigden De eigenaar(s) dan wel de eigenaar(s) en de gebruiksgerechtigde(n) gezamenlijk van een grondgebonden agrarisch bedrijf en de cultuurgrond, die schriftelijk te kennen hebben gegeven in aanmerking te willen komen voor subsidie uit de onderhavige subsidieregeling.
Maximale subsidiebijdrage Binnen het kader zoals verwoord in Artikel 6 verordening (EG) nummer 1857/2006 voor grondgebonden agrarische bedrijven van de commissie wordt steun verleend in de vorm van: a. 100% van de daadwerkelijke gemaakte verplaatsingskosten als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de verordening (EG) nummer 1857/2006 met een maximum van € 100.000,--. b. Maximaal 40% van de waardestijging van de betrokken installaties zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, van verordening 1857/2006 EG, met een maximum van € 300.000,--, wanneer de verplaatsing de aanvrager modernere installaties oplevert, met de voorwaarde dat de eigen bijdrage van de landbouwer overeenkomt met ten minste 60% van de waardestijging. c. Maximaal 40% van de uitgaven die gepaard gaan met verhoging van de productie-capaciteit, zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, van verordening 1857/2006 EG, met een maximum van € 300.000,--, indien de verplaatsing leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, met de voorwaarde dat de eigen bijdrage van de landbouwer overeenkomt met ten minste 60% van de waardestijging.
De compensatie onder b en c wordt berekend aan de hand van de representatieve markt-waarde. De steun bedraagt 40% van het eventuele positieve verschillen tussen enerzijds de representatieve marktwaarde van de te verlaten bedrijfslocatie en ¿gebouwen en anderzijds het totaal van de volgende kosten:
Als verplaatsingskosten (onder a) worden aangemerkt:
Investeringskosten op de hervestigingslocatie (onder b) betreffen:
De waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie betreft de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de cultuurgrond en het bouwblok met de daarop bevindende gebouwen en installaties.
Aanvragen indien vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land¿ en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de vorenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125.
Bijlage 1: Wet inkomstenbelasting 2001 Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001).
Artikel 3.54, Herinvesteringsreserve 1. Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings¿ of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesterings-reserve).
2.1.c. Verplaatsingsregeling Drentse bedrijven Beleidsmatige criteria Het stimuleren van het verplaatsen van bedrijven die een belangrijke bijdrage leveren in de totstandkoming van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen.
Subsidiabele activiteiten De benodigde rente tot maximaal 3% van de historische grondprijs.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Bedrijven (zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven) die door hun verplaatsing een belangrijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen, kunnen in aanmerking komen voor een achtergestelde lening.
De verplaatser kan een overeenkomst met BBL aangaan voor het gebruik van de kavel van maximaal 10 ha en voor een termijn van maximaal tien jaar. In deze overeenkomst worden de volgende zaken contractueel vastgelegd.
De aankoop van de grond wordt gefinancierd vanuit een lening bij het Nationaal Groenfonds. De bijdragen in de rentekosten komen ten laste van de rekening Op Drentse Maat bij het Nationaal Groenfonds en POP2-maatregel 125. GS kunnen in bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het vorenstaande.
De bestuurscommissie of bedrijfverplaatser moet kunnen aantonen dat de bedrijfsverplaatsing een belangrijke bijdrage levert aan de realisatie van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een verklaring van een boek-houder, accountant of bancaire instelling dat de verplaatser zonder deze achtergestelde lening zijn bedrijfsverplaatsing niet bancair kan financieren en dat verwacht mag worden dat hij, na een periode van tien jaar gebruikgemaakt te hebben van deze faciliteit, wel in staat is deze grond aan te kunnen kopen. Ook dient de aanvraag vergezeld te gaan van een advies van BBL. Indien de actuele grondprijs meer gestegen is gedurende de looptijd, zodat de waardevermeerdering meer dan 40% is, dient de waardevermeerdering boven de 40% ten goede te komen aan het Fonds Op Drentse Maat, dat ondergebracht is bij het Nationaal Groenfonds.
De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een offerte van Het Nationaal Groenfonds over welk bedrag en tegen welke rentevergoeding een lening aangegaan kan worden op grond van Op Drentse Maat.
Begunstigden Bestuurscommissies, op grond van de WILG, waarvoor GS deze regeling van toepassing heeft verklaard door het publiceren van een subsidieplafond en de eigenaren van verplaatste bedrijven.
Maximale subsidiebijdrage De benodigde rente tot maximaal 3% van de historische grondprijs.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingscriteria Voor subsidiëring van agrarische bedrijven vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007¿2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land¿ en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125.
2.1.d. Kwaliteitsimpuls natuur en landschap (tot 1 januari 2010 Programma Beheer, PS(A)N inrichting en functieverandering) Zie voor de subsidieregeling Bijlage 2 van deel 3 van het pMJP.
2.1.e. Aanleg faunapassages Beleidsmatige criteria Realisatie EHS.
Subsidiabele activiteiten GS kunnen subsidie verlenen voor de aanleg van faunapassages die voortvloeien uit het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Verkeer en Vervoer (PUP).
Subsidiabel is De aanleg van faunapassages.
Beoordelingscriteria/voorwaarden
Begunstigden Gemeenten, waterschappen en provincie.
Maximale subsidiebijdrage 50%, met een maximum van € 15.000,-- per passage.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
2.1.f. Ontsnippering van robuuste verbindingen bij rijksinfrastructuur Beleidsmatige criteria De knelpunten moeten als zodanig zijn aangegeven in het Meerjarenprogramma Ontsnippering (Ministeries van VW, LNV en VROM, 2004).
Subsidiabele activiteiten a. Het inrichten van voorzieningen op plaatsen waar de rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen) gerealiseerde of geplande robuuste verbindingen kruist, teneinde het aantal belemmeringen zoveel mogelijk te beperken. b. Het verrichten van (gebiedsgerichte) studies naar de meest effectieve oplossingen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden De voorzieningen/maatregelen betreffen bestaande knelpunten bij bestaande infrastructuur. (Belemmeringen die ontstaan door de aanleg van nieuwe infrastructuur dienen voor de aanvang van de werken ingeschat te worden en binnen de uit te voeren projecten bekostigd te worden.) Begunstigden Uitvoerders (zoals Rijkswaterstaat, ProRail).
De provincie kan ook zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maat-regel.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
2.2. Leefgebiedenbenadering (soortenbescherming) Beleidsmatige criteria De maatregelen moeten bijdragen aan het behoud van dier¿ en plantensoorten die voorkomen in leefgebieden waarvoor Drenthe van landelijke en internationale betekenis is en voor soorten die staan aangegeven in de Actielijst Soorten Leefgebiedenbenadering. In Drenthe gaat het vooral om de leefgebieden heide en hoogveen en in mindere mate beekdalen.
Subsidiabele activiteiten Actieve maatregelen die van belang zijn voor het behoud van bedreigde dier¿ en planten-soorten.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Met name concrete beheersmaatregelen (inrichtingswerkzaamheden, kappen, plaggen, graven van poelen etc), komen voor subsidie in aanmerking. Zaken als onderzoek en voorlichtings-activiteiten hebben een lagere prioriteit.
Begunstigden Particulieren, particuliere organisaties, terreinbeherende organisaties, gemeenten, water-schappen.
Maximale subsidiebijdrage 100%. Hierbij geldt een maximum van € 40.000,-- per jaar, per soort of soortgroep.
Uitzonderingen zijn mogelijk.
EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
2.3. Behoud, beheer en ontwikkeling van nationale parken Beleidsmatige criteria Door GS goedgekeurde meerjarenprogramma's en bestedingsplannen van de nationale parken.
Subsidiabele activiteiten Een incidentele prestatiesubsidie kan worden verleend ten behoeve van projecten gericht op beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek van nationale parken.
Beoordelingscriteria/voorwaarden
Begunstigden Een ieder die een bijdrage levert aan de doelstellingen van de nationale parken conform de door GS goedgekeurde meerjarenprogramma's.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
Aanvragen indienen vóór 1 september.
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
2.4. Milieukwaliteit EHS, VHR en NB-gebieden Het doel van dit onderdeel is om activiteiten en projecten te realiseren die zijn gericht op het herstellen of verbeteren van de milieukwaliteit van de EHS¿gebieden binnen de provincie Drenthe, waaronder de Natura 2000 (= Vogel¿ en Habitatrichtlijn) gebieden en de Natuur-beschermingswetgebieden. Alleen activiteiten en projecten die niet in het generieke (milieu)-beleid zijn voorzien of aanvullend zijn op dit beleid komen voor subsidie in aanmerking.
2.4.a. Verbetering van de waterkwaliteit in watergangen Beleidsmatige criteria De Natura 2000¿gebieden hebben binnen de EHS een hoge prioriteit.
Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: a. het aanleggen van natuurlijke oevers en natte verbindingszones; b. het bestrijden van eutrofiëring in natuurgebieden door de aanleg van dammen en stuwen, het scheiden van waterstromen of het aanleggen van helofytenvijvers op plaatsen waar de problemen zijn ontstaan door diffuse verontreiniging; c. het uitvoeren van werken die gericht zijn op het laten meanderen van beken en/of het ontdiepen en verbreden van de watergangen; d. het toepassen van ecologisch bermbeheer, waarbij
Beoordelingscriteria/voorwaarden a. Projecten kunnen alleen in of ten behoeve van de (milieu)kwaliteit van de EHS worden uitgevoerd of zoals opgenomen onder synergieprojecten in de tweede aanpassing van de Bestuursovereenkomst 9 september 2008). b. Niet subsidiabel zijn:
Begunstigden Gemeenten, waterschappen, drinkwaterleidingbedrijven, terreinbeherende instanties, agrariërs en particulieren.
De provincie kan ook zelf door middel van opdrachtverlening inhoud geven aan deze maatregel.
Maximale subsidiebijdrage 60% of zoals opgenomen onder synergieprojecten in de tweede aanpassing van de Bestuursovereenkomst (september 2008).
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
2.4.b. Herstel en behoud van bodemkwaliteit met betrekking tot verzuring en vermesting Beleidsmatige criteria De Natura 2000¿gebieden hebben binnen de EHS een hoge prioriteit.
Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die de vermindering van de milieubelasting tot doel hebben, zodat de gewenste milieukwaliteit (vertaald in natuurdoeltypen) in de EHS wordt bereikt. De volgende activiteiten zijn subsidiabel. a. Het afgraven van de fosfaatverzadigde laag. b. Investeringen in emissiearme bemestingstechnieken. c. Het uitvoeren van demonstratieprojecten gericht op het verminderen van ammoniak-emissies en ammoniakdeposities. d. Advisering, voorlichting, kennisuitwisseling, ontwikkeling van plannen en het toepassen van bedrijfsinterne milieuzorg gericht op de omschakeling van landbouwbedrijven naar duurzame productiesystemen. e. Het uitvoeren van demonstratieprojecten van bodembewerkings¿ en bemestingsmethoden en ¿technieken gericht op de verbetering van de kwaliteit en de vergroting van de variatie van het bodemleven.
Beoordelingscriteria/voorwaarden a. Projecten kunnen alleen in, of ten behoeve van de (milieu)kwaliteit van, de EHS worden uitgevoerd. b. Niet subsidiabel zijn:
Begunstigden Gemeenten, waterschappen, drinkwaterleidingbedrijven, terreinbeherende instanties, agrariërs en particulieren.
De provincie kan ook zelf door middel van opdrachtverlening inhoud geven aan deze maatregel.
Maximale subsidiebijdrage 60%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 111, Beroepsopleiding en voorlichting en de daarin vermelde voor-waarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel.
2.4.c. Herstel verdroogd gebied Beleidsmatige criteria Toplijst verdroogde gebieden.
Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die tot doel hebben om hydrologische systemen te herstellen met het oog op behoud, herstel of ontwikkeling van natuur.
Subsidiabele activiteiten a. inrichtingsactiviteiten ter bestrijding van verdroging; b. compenserende maatregelen in de vorm van bijdragen aan functieverandering en betaling van natschade; c. vasthouden van gebiedseigen water door het plaatsen van stuwen of cascades, of door het uitvoeren van werken die gericht zijn op het laten meanderen van beken en/of het ontdiepen en verbreden van de watergangen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Activiteiten kunnen in beginsel alleen in gebieden worden uitgevoerd die onderdeel zijn van de toplijst verdroogde gebieden, te weten Fochteloërveen, Drentsche Aa en Elperstroom, Drents-Friese Wold, Dwingelderveld, Bargerveen, Peizerdiep en Reest. GS kunnen hierop een uitzondering maken als de projectontwikkeling in genoemde gebieden onvoldoende van de grond komt of zich bijzondere kansen voordoen voor een ander verdroogd gebied.
Niet subsidiabel op grond van deze regeling zijn:
Begunstigden Gemeenten, bestuurscommissies, waterschappen, natuurbeschermingsorganisaties, water-leidingbedrijven en particuliere terreineigenaren (niet zijnde ondernemers).
Ten aanzien van subsidiabele activiteit b: voor deze activiteit kunnen ook agrariërs subsidie aanvragen.
Maximale subsidiebijdrage 65%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 216, Niet-productieve investeringen en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel.
2.5. Natuurbeheer buiten de EHS (Programma Beheer) Beheersovereenkomsten SAN Met ingang van 1 januari 2010 wordt het agrarisch natuur¿ en landschapsbeheer geregeld via de Subsidieverordening natuur¿ en landschapsbeheer. Voornoemde subsidieverordening is geen onderdeel van het pMJP.
2.6. Instandhouding schaapskuddes Beleidsmatige criteria Instandhouding schaapskuddes.
Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor projecten die een bijdrage leveren aan een doelmatig beheer door middel van gehoede schaapskuddes in natuurterreinen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden 1. Voor subsidieverlening komen uitsluitend in aanmerking projecten die een bijdrage aan een doelmatig beheer leveren en die voldoen aan de volgende voorwaarden. a. de kuddes welke reeds in 2006 subsidie ontvingen uit de regeling Besluit natuur-beheer schaapskuddes, zoals deze door het Ministerie van LNV is ingesteld; b. de kudde wordt ten minste gedurende de periode van 15 april tot 15 september gehoed door een herder, met gebruik van een of meer honden, gedurende ten minste vijf uren per dag, met uitzondering van perioden met extreme omstandigheden; c. de kudde bestaat uit ten minste 100 ooien (ooi: vrouwelijk schaap dat ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste één jaar oud is); d. de kudde wordt gehoed in natuurterreinen.
Het begrazingsplan, zoals genoemd onder 2.a omvat ten minste:
Begunstigden a. Een stichting die ingevolge haar statutaire doelstelling activiteiten verricht ten behoeve van de instandhouding van schaapskuddes. b. Een eigenaar van overige particuliere kuddes die aan de voorwaarden van 1 en 2 voldoen.
Maximale subsidiebijdrage De subsidie bedraagt per schaapskudde per jaar:
De volgende schaapskuddes komen in aanmerking voor een provinciale waarderingssubsidie toerisme:
De subsidie hiervoor bedraagt € 6.650,-- per jaar (2009), dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
De herders van de volgende kuddes komen in aanmerking voor een subsidie:
De subsidie hiervoor bedraagt respectievelijk € 26.530,-- en € 25.000,-- per jaar, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
Subsidiabele activiteiten a. De lopende verplichtingen van de onder de Landinrichtingswet en Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën vastgestelde klassieke land¿ en herinrichtingsplannen; b. de tot en met 31 december 2006 door GS vastgestelde en door het Rijk verplichte vierjarige modules van de overige landinrichtingsprojecten; c. kavelverbetering in het project Emmen-Zuid; d. erfbeplanting in de projecten Emmen-Zuid, Roden-Norg en Laaghalen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de Landinrichtingswet, de Regeling subsidiering landinrichting en de overige bijbehorende regelingen.
Begunstigden Landinrichtingscommissies. De provincie kan zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag.
3.1.b. Landinrichtingsafspraken LNV Beleidsmatige criteria Daar waar beleidsdoelstellingen zoals, realisering EHS, structuurverbetering landbouw, waterberging, infrastructuur, etc. aan de orde zijn, kan het instrument landinrichting ingezet worden om deze doelstellingen te realiseren.
Subsidiabele activiteiten a. Wettelijke herverkaveling b. Planmatige (vrijwillige) kavelruil Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de criteria zoals genoemd in de WILG, artikel 85, en waar mogelijk conform de maatregelen genoemd in POP-fiche 125.
Begunstigden Door gedeputeerde staten op basis van de WILG ingestelde bestuurs¿ en adviescommissies, alsmede het Provinciaal Kavelruilbureau. De provincie kan ook zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
EU¿bepaling Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007¿2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land¿ en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maat-regel 125, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125.
Indien geen gebruik wordt gemaakt van maatregelfiche 125 is, in aanvulling op vorenstaande voorwaarden het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
3.1.c. Kavelruilfaciliteiten Beleidsmatige criteria Het stimuleren en faciliteren van kavelruilen en andere vormen van gebiedsontwikkeling ten behoeve van de landbouwstructuur, realisatie EHS en/of andere provinciale doelen.
Bij realisatie EHS kan ook gedacht worden aan het toedelen van particuliere eigenaren naar kavels binnen de EHS die zich verplichten tot het realiseren van een doelstelling van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (voorheen SAN) of een PSN¿doelstelling. Kavelruilen kunnen beter uitgevoerd worden wanneer het mogelijk is om een strategische grondpot te vormen. Deze strategische grondpot kan gebruikt worden om kavelruilen soepeler te laten verlopen en/of provinciale doelen eerder te bereiken.
Subsidiabele activiteiten De provincie zal vanuit Op Drentse Maat het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht voor haar rekening nemen en het risico van waardevermeerdering of vermindering, zolang de kavel op naam staat van BBL.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Bij kavelruilen is het van groot belang om te kunnen beschikken over een strategische grondpot. BBL kan in een specifiek gebied een beperkte hoeveelheid grond aankopen om strategische grondposities in te kunnen nemen die bij kunnen dragen aan het kavelruilproces. De aankoop wordt gefinancierd vanuit het Nationaal Groenfonds. De provincie zal vanuit het pMJP het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht voor haar rekening nemen en het risico van waardevermeerdering of vermindering, zolang de kavel op naam staat van BBL. De bijdragen in de rentekosten komen voor het provinciale deel ten laste van de rekening Op Drentse Maat bij het Nationaal Groenfonds en de POP2-maatregel 125. De waardevermeerdering of ¿vermindering van grondprijs van kavels zal ten goede of ten laste komen aan het Fonds Op Drentse Maat dat ondergebracht is bij het Nationaal Groenfonds.
In het algemeen kan gesteld worden dat een grondpot maximaal vijf jaar gevuld is en dat per kavelruil een grondpot gevormd kan worden. De individuele kavels mogen maximaal twee jaar in bezit gehouden worden. GS zullen per jaar een subsidieplafond publiceren voor welke doelen, gebieden of commissies deze regeling van toepassing is. Het is ook mogelijk dat GS een zelfstandig bestuursorgaan op grond van de WILG mandateren de subsidie voor kavelruilfaciliteiten uit te voeren.
GS kunnen in bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het vorenstaande.
De bestuurscommissie moet kunnen aantonen dat de aan te kopen kavels een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een kavelruil en/of realisatie EHS. BBL dient aan te geven dat zij dit initiatief ondersteunen. BBL dient de aan¿ en verkopen marktconform uit te voeren. De aanvrager dient aan te geven op welke wijze de subsidie bij gaat dragen aan de realisatie van de EHS, landbouwdoelen en/of andere provinciale doelen. De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een offerte van Het Nationaal Groenfonds over welk bedrag en tegen welke rente-vergoeding een lening aangegaan kan worden op grond van Op Drentse Maat. De aanvraag dient mede te voldoen aan de criteria genoemd in POP-fiche 125.
Begunstigden Bestuurscommissies, op grond van de WILG, waarvoor gedeputeerde staten deze regeling van toepassing heeft verklaard door het publiceren van een subsidieplafond.
Maximale subsidiebijdrage De maximale subsidietoezegging is het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht.
De waardevermeerdering of ¿vermindering van de kavel op naam van BBL, wordt opgevangen vanuit het fonds Op Drentse Maat Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU-bepalingen/communautair toetsingscriteria Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007¿2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking is voldaan. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de vorenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125.
De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
3.2. Glastuinbouw Samengevoegd met 3.3, Innovatie en samenwerking land¿ en glastuinbouw.
3.3. Duurzaam ondernemen 3.3.a. Projecten agrobiodiversiteit Beleidsmatige criteria Het gaat om projecten die voortvloeien uit de ILG Bestuursovereenkomst 2007¿2013 met het Rijk. Het gaat hierbij met name om de Veenkoloniale gebieden.
Subsidiabele activiteiten Voor een bijdrage komen in aanmerking maatregelen en activiteiten die de gewenste biodiversiteit vergroten en die verbonden zijn aan agrarisch gebruik van de omgeving.
Meer specifiek gaat het om maatregelen gericht op: a. het instandhouden en stimuleren van het bodemleven, bestuivers en ondersteunende organismen ter voorkoming van ziekten en plagen; b. het instandhouden en bevorderen van wilde flora en fauna van landbouwgebieden, inclusief processen tussen de diverse soorten en de abiotische elementen; c. het instandhouden van genetische hulpbronnen van cultuurgewassen en landbouwhuisdieren.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Prioriteit krijgen pilots die door de provincie aan het Ministerie van LNV zijn voorgedragen en gehonoreerd. Pilots worden door het Rijk in elk geval beoordeeld op de volgende criteria.
Rijk en provincie overleggen over de uitvoering van de pilots Agrobiodiversiteit.
Begunstigden (Samenwerkingsverbanden van) natuurlijke en rechtspersonen.
Maximale subsidiebijdrage 70%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 111, Beroepsopleiding en voorlichting en de daarin vermelde voor-waarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel.
3.3.b. Innovatie en samenwerking land- en glastuinbouw Beleidsmatige criteria POP II en Strategische Agenda voor Noord-Nederland 2007-2013 en Uitvoeringsstrategie Agribusiness Provincie Drenthe:
Activiteiten hebben tot doel:
Subsidiabele activiteiten Naast fysieke maatregelen om te komen tot landbouwstructuurversterking (zie onder andere grondgebonden landbouw, landinrichting en glastuinbouw) gaat het om activiteiten gericht op: a. het bevorderen van ondernemerschap door kennisontwikkeling, kennisverspreiding en ontwikkeling van ondernemersvaardigheden; b. het bevorderen van innovaties, zoals het toepassen van nieuwe technieken en het ontwikkelen van nieuwe producten en afzetmogelijkheden; c. het stimuleren van samenwerkingsverbanden met andere producenten en in de keten, zoals de regionale ketenontwikkeling voor biologische producten; d. het stimuleren van nieuwe diensten en niet-landbouwkundige producten zoals energie-winning uit biomassa, zorg, recreatieve nevenactiviteiten en het zelf vermarkten van ambachtelijke producten; e. het ontwikkelen en stimuleren van groen/blauwe diensten; f. het stimuleren van activiteiten van agrariërs die gericht zijn op behoud en versterking van landschapswaarden en/of milieukwaliteit; g. het bevorderen van voedselveiligheid en ¿kwaliteit en dierenwelzijn; h. de herstructurering van de glastuinbouwgebieden in Emmen; i. de verduurzaming van de glastuinbouwsector of de omgeving van de glastuinbouw-bedrijven.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Projecten moeten vernieuwing(en) teweegbrengen die ten nutte komen van de agrosector in Drenthe. Activiteiten moeten een voor Drenthe innovatief karakter hebben en/of een voorbeeldfunctie vervullen en/of overdraagbaar zijn op andere bedrijven. In het geval van projecten ter bevordering van maatschappelijk aanvaarde landbouw moet het gaan om bovenwettelijke maatregelen.
Specifiek voor de glastuinbouwketen geldt dat de provincie en de gemeente Emmen nadere afspraken maken over de uit te voeren projecten en de daarbij behorende wijze van uitvoering. Glastuinbouw projecten komen in aanmerking voor een bijdrage, die voorgedragen worden door het college van burgemeester en wethouders van Emmen, dan wel instemming hebben van het voornoemd college.
Begunstigden (Samenwerkingsverbanden van) (agrarische) bedrijven, kennisinstellingen, intermediaire organisaties. Specifiek voor de subsidiabele activiteiten onder h en i gelden als begunstigden: gemeente Emmen en Stichting Tuinbouw Emmen (STEMM).
Maximale subsidiebijdrage 60%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
Voor de subsidiering van voornoemde activiteiten kan in Zuidoost¿Drenthe onder meer gebruik worden gemaakt van POP2 middelen. Voor dit onderdeel is maatregel 411, Verbetering van het concurrentievermogen en de land¿ en de bosbouwsector, van toepassing. De in dit maatregel-fiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel.
Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 311b en 321b en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidie-verstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel.
Alle in het kader van deze maatregel toegekende steun zal in overeenstemming zijn met de de-minimis-regeling zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nummer 1998/2006.
Subsidiabele activiteiten In aanmerking voor een bijdrage komen activiteiten die de toegankelijkheid van het landelijk gebied voor recreatief gebruik versterken door het realiseren en instandhouden van landelijke aaneengesloten netwerken. Het gaat om het kwalitatief verbeteren van bestaande routenet-werken, het oplossen van knelpunten in de routes en het bekendheid geven aan landelijke routenetwerken.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Alleen (delen van) de netwerken die zijn opgenomen in het Rijksmeerjarenprogramma komen in aanmerking voor subsidie. Voor wat betreft de routenetwerken voor wandelen en fietsen wordt aangesloten bij de afspraken die in IPO¿verband gemaakt zijn over de besteding van middelen en bij het Landelijk Meerjarig Routenetwerkprogramma 2007¿2013. Voor wat betreft landelijke vaarroutes als Erica-Ter Apel heeft in GS apart besluitvorming plaatsgevonden.
Begunstigden Gemeenten, weg¿ en terreinbeheerders, Stichting LAW en Stichting LAF.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
Provinciale routenetwerken Samengevoegd met 4.3.
4.3. Versterken toeristische voorzieningen Beleidsmatige criteria Het beleidskader wordt gevormd door het POP II. Prioriteit hebben activiteiten die in Zuidwest¿ en Zuidoost¿Drenthe worden uitgevoerd. Tevens is onder dit thema een nieuwe Subsidie-regeling Toerisme Natuurlijk! Drenthe 2008-2010 (STINAT) voor de toeristische sector ontwikkeld, die vanaf oktober 2008 operationeel is.
Daarnaast is er de STIPO regeling (Stimuleringsproject voor Innovatie in Plattelands-ondernemingen) voor microbedrijven op het platteland operationeel.
Subsidiabele activiteiten Zie onder EU¿bepalingen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Zie onder EU¿bepalingen.
Begunstigden Zie onder EU¿bepalingen.
Maximale subsidiebijdrage 66%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het POP2, mits ten minste aan in maatregel 313, Bevordering van toeristische activiteiten, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking is voldaan. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maat-regel 313, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 313 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 313.
In Zuidoost¿Drenthe zijn de maatregelen 413, De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie, 421, Uitvoering van samenwerkingsprojecten en 431, Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en de dynamisering van het gebied, ook van toepassing.
Alle staatssteun toegekend in het kader van deze maatregelen aan anderen dan landbouwers, zal in overeenstemming zijn met de de-minimis-regeling, zoals vastgesteld bij verordening (EG) nummer 1998/2006.
Subsidiabele activiteiten a. De lopende verplichtingen van de onder de Landinrichtingswet en Herinrichtingswet Oost¿Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën vastgestelde klassieke land- en herinrichtingsplannen; b. de tot en met 31 december 2006 door GS vastgestelde en door het Rijk verplichte vierjarige modules van de overige landinrichtingsprojecten; c. kavelverbetering in het project Emmen-Zuid; d. erfbeplanting in de projecten Emmen-Zuid, Roden-Norg en Laaghalen.
Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de Landinrichtingswet, de Regeling subsidiering landinrichting en de overige daarbijbehorende regelingen.
Begunstigden Landinrichtingscommissies. De provincie kan zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel.
Maximale subsidiebijdrage 100%.
Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld).
EU¿bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG¿verdrag.
5.2. Stichting Landschapsbeheer Drenthe Beleidsmatige criteria Het behoud en beheer en de ontwikkeling van een ecologisch volwaardig en mooi cultuurlandschap met een streekeigen karakter.
Aan de Stichting Landschapsbeheer Drenthe wordt jaarlijks een boekjaarsubsidie verleend, waarover jaarlijks afspraken worden gemaakt tussen de provincie, het Rijk en de stichting. Daarnaast kunnen uitvoeringsprojecten, inclusief de voorbereidingskosten, afzonderlijk gesubsidieerd worden.