Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 (Beuningen)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening regelt de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in de gemeente Beuningen, met als doel inwoners zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen en participeren.
Voor wie: Inwoners van de gemeente Beuningen die behoefte hebben aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp; Ouders en jeugdigen in de gemeente Beuningen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 85
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De procedures voor het aanvragen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
- De verantwoordelijkheden van inwoners, ouders en de gemeente bij het inrichten van hun leven en deelname aan de samenleving.
- De toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking.
- De uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners van de gemeente Beuningen die behoefte hebben aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.
- Ouders en jeugdigen in de gemeente Beuningen.
Wat zijn de kernpunten?
- Inwoners dragen een eigen verantwoordelijkheid voor hun leven en deelname aan de samenleving.
- Van inwoners wordt verwacht dat zij elkaar naar vermogen bijstaan.
- Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen.
- Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college of een aangewezen organisatie worden gemeld.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (85)
- Artikel1 Begripsbepalingen
- Artikel2 Melding hulpvraag
- Artikel3 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
- Artikel4 Vooronderzoek
- Artikel5 Gesprek
- Artikel6 Verslag
- Artikel7 Aanvraag
- Artikel8 Criteria voor een maatwerkvoorziening
- Artikel8a Eigen kracht in de Jeugdwet
- Artikel8b Draagkracht en draaglast in de Jeugdwet
- Artikel9 Afwijzingsgronden
- Artikel9a Wonen en zorg
- Artikel10 Inhoud beschikking
- Artikel11 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvorder
- Artikel12 Regels voor pgb algemeen
- Artikel13 Regels voor pgb-beheer
- Artikel14 Regels voor pgb professional
- Artikel15 Regels voor pgb sociaal netwerk
- Artikel16 Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)
- Artikel17 Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders
- Artikel18 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische pro
- Artikel19 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
- Artikel20 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
- Artikel21 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
- Artikel22 Klachtregeling volgens de Wmo en de Jeugdwet
- Artikel23 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
- Artikel24 Controle en onderzoek
- Artikel25 Reikwijdte
- Artikel26 Toezicht
- Artikel27 Bevel
- Artikel28 Inspectierapport
- Artikel29 Aanwijzing
- Artikel30 Hersteltermijn
- Artikel31 Cliëntenstop en verscherpt toezicht
- Artikel32 Vervolgonderzoeksrapport
- Artikel33 Handhavingsmaatregelen
- Artikel34 Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling
- Artikel35 Register
- Artikel36 Meldingsplicht
- Artikel37 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
- Artikel38 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
- Artikel39 Nadere regels en hardheidsclausule
- Artikel40 Inwerkingtreding en citeertitel
- Artikel 1 Begripsbepalingen
- Artikel 2 Melding hulpvraag
- Artikel 3 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
- Artikel 4 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
- Artikel 5 Gesprek
- Artikel 6 Verslag
- Artikel 7 Aanvraag
- Artikel 8 Criteria voor maatwerkvoorziening
- Artikel 8a Eigen kracht in de jeugdwet en 8b Draagkracht en draaglast in de Jeugd
- Artikel 9 Afwijzingsgronden
- Artikel 9a Wonen en zorg
- Artikel 10 Inhoud beschikking
- Artikel 11 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvorder
- Artikel 12 Regels voor pgb algemeen
- Artikel 13 Regels voor pgb-beheer
- Artikel 14 Regels voor pgb-professional
- Artikel 15 Regels voor pgb sociaal netwerk
- Artikel 16 Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)
- Artikel 17 Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders
- Artikel 18 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische pro
- Artikel 19 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
- Artikel 20 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
- Artikel 21 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
- Artikel 22 Klachtregeling
- Artikel 23 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
- Artikel 24 Controle
- Artikel 25 Reikwijdte
- Artikel 26 Toezicht
- Artikel 27 Bevel
- Artikel 28 Inspectierapport
- Artikel 29 Aanwijzing
- Artikel 30 Hersteltermijn
- Artikel 31 Cliëntenstop en verscherpt toezicht
- Artikel 32 Vervolgonderzoeksrapport
- Artikel 33 Handhavingsmaatregelen
- Artikel 34 Inzet privaatrechtelijke middelen
- Artikel 35 Register
- Artikel 36 Meldingsplicht
- Artikel 37 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
- Artikel 38 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
- Artikel 39 Nadere regels en hardheidsclausule
- Artikel 40 Inwerkingtreding en citeertitel
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025De raad van de gemeente Beuningen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 januari 2025; gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;
Gelet op de Algemene Wet Bestuursrecht overwegende dat:
B E S L U I T om de volgende verordening vast te stellen: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 Hoofdstuk1Procedure
Artikel1Begripsbepalingen
Lid 1 Alle begrippen die in deze verordening inclusief bijlagen worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Gemeentewet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo) en Jeugdwet.
Lid 2 Dit omvat begrippen zoals aanbieder, algemene voorziening, gebruikelijke hulp, mantelzorg en sociaal netwerk a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren. b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening. c. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie is waarin de client in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. d. Andere voorziening: voorziening op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. e. Begeleiding: is bedoeld voor volwassenen met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem die ondersteuning nodig heeft bij het vergroten en/of vasthouden van de regie, zelfredzaamheid en participatie. De inwoner en/of zijn systeem heeft begeleiding nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek. De inwoner kan ondersteuning vragen om het geleerde toe te (blijven) passen in het dagelijks leven. De vraag aan de begeleider beperkt zich tot één of enkele leefgebieden. De inwoner ontvangt ondersteuning op geplande momenten. Mt de inzet van begeleiding wordt in zijn algemeenheid beoogd dat de inwoner: vaardigheden heeft om de zelfredzaamheid te behouden, te vergroten of terugval te remmen (oefenen en inslijpen/toepassen van vaardigheden in het dagelijks leven. f. Begeleiding plus is bedoeld voor volwassenen met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem van 18 jaar of ouder die ondersteuning nodig heeft bij het verkrijgen, bergroten en/of vasthouden van de regie zelfredzaamheid en participatie. De inwoner en/of zijn systeem heeft begeleiding nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek. De hulpvragen aan de begeleider beslaan meerdere leefgebieden. Het merendeel van volgende criteria is van toepassing: de inwoner kan zorg over het algemeen wel op geplande momenten ontvangen, bij persoonlijke veranderingen zijn er grote gevolgen voor het dagelijks leven, de leefsituatie is onvoorspelbaar, de inwoner is zeer snel (psychisch) uit balans, de inwoner is gebaat bij een pro-actieve benadering, de inwoner heeft geen of beperkt zelfinzicht, er is sprake van een onstabiel medicatiegebruik, er is sprake van (acute) onveiligheid of overlast. Met de inzet van begeleiding plus wordt in zijn algemeenheid beoogd dat de inwoner: vaardigheden heeft om de zelfredzaamheid te verkrijgen, stimuleren, behouden of terugval te remmen en/of voorkomen (oefenen en inslijpen/toepassen van vaardigheden).
g. Beschermd Thuis: de inwoner woont in zijn eigen (al of niet gedeelde) woning, eveneens met de benodigde begeleiding en een vorm van 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). In deze gevallen is er ook een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt. De inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud. h. Beschermd Wonen: Een vorm van ondersteuning met onplanbare zorg voor inwoners die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening en/of kwetsbare jongvolwassenen die vanwege een licht verstandelijke beperking niet in staat zijn op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht, bereikbaarheid en beschikbaarheid en intensieve ondersteuning nodig hebben in verband met risico op (zelf)verwaarlozing of overlast. Binnen Beschermd Wonen kennen we drie productcategorieën: Beschermd Wonen intramuraal, Trainingshuis en Beschermd Thuis. i. Beschermd wonen intramuraal: verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensteen die worden geleverd met 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid. Wonen en zorg zijn gekoppeld. j. Bovengebruikelijke hulp: de extra zorg en hulp die bovenop de gebruikelijke hulp komt. Bovengebruikelijke hulp valt onder eigen kracht van ouders, voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp aan te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan. k. Budgethouder: cliënt die een persoonsgebonden budget op grond van de wet toegekend gekregen heeft; l. Cliënt: persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 van de WMO 2015 of jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of de inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouders. Voor het overige wordt als betrokkene van de cliënt bedoeld de belanghebbende, de gemachtigde, familie of mensen uit het sociaal netwerk van de cliënt; m. College: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Beuningen;
n. Draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouders en of andere huisgenoten vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Dit betreft zowel gebruikelijke als bovengebruikelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf. o. Draaglast: De belasting die op de draagkracht gedaan wordt. p. Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner of jeugdige en zijn of haar ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren, om de benodigde hulp en ondersteuning te bieden bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. q. Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders /verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. r. Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5; s. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp; t. Ingezetene: Inwoner of belanghebbende die op basis van de basisregistratie (BRP) woonachtig is in de gemeente Beuningen. u. Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; v. Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; w. Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt; x. Ouderlijke verzorgings- en opvoedplicht: de wettelijke plicht van de ouder met gezag om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek). Daaronder valt de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsook het bevorderen van de ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid.
y. Overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift dan wel andere (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder of budgethouder zijn gemaakt; z. Persoonlijk plan: een document waarin cliënt of diens gemachtigde beschrijft welke problemen cliënt ervaart en welke oplossingen, zorg en ondersteuning daarbij passen; aa. Persoonsgebonden budget (verder: pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; bb. Pgb-aanbieder: een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die ondersteuning verleent aan een cliënt met een persoonsgebonden budget (budgethouder); cc. Praktische begeleiding: is bedoeld voor volwassenen met een verhoogde behoefte aan ondersteuning op het gebied van huishoudelijke taken, stabilisatie, regie en organisatie van het huishouden. Er is behoefte aan een eenvoudige vorm van begeleiding en/of verlichting van de mantelzorgtaken. De begeleiding is gericht op: het huishouden op ode brengen, aanleren van structuur in het huishouden en praktische ondersteuning. Activeren en stimuleren van participatie en deelname aan de maatschappij en (tijdelijke) ontlasting van de mantelzorger. Doelstelling van de inzet van praktische begeleiding is het bieden van passende ondersteuning op de grens van huishoudelijke hulp en begeleiding, het zelfstandig functioneren en participatie vergroten en behouden of voorkomen/vertragen van achteruitgang (m.n. bij ouderen) met behulp van het eigen netwerk. dd. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; ee. Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 24 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde in of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft; ff. Trainingshuis: de inwoner woont in een (al of niet gedeelde) woning, met de benodigde begeleiding en een vorm van 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of (zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). Er is sprake van een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt. De inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud. Wonen en zorg zijn gekoppeld.
gg. Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over het treffen van een voorziening; hh. Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven; ii. Wet: De WMO 2015 (de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) en/of de Jeugdwet.
Artikel2Melding hulpvraag
Artikel3Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Artikel4Vooronderzoek
Artikel5Gesprek
Artikel6Verslag
Artikel7Aanvraag
Hoofdstuk2Maatwerkvoorziening
Artikel8Criteria voor een maatwerkvoorziening
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, b. Ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen, of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. c. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag
Artikel8aEigen kracht in de Jeugdwet
Artikel8bDraagkracht en draaglast in de Jeugdwet
Artikel9Afwijzingsgronden
c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; d. ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; e. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
Artikel9aWonen en zorg
Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Verblijf is onderdeel van de indicatie bij de maatwerkvoorzieningen Beschermd wonen intramuraal en trainingshuis.
Artikel10Inhoud beschikking
Artikel11Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Hoofdstuk3Persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel12Regels voor pgb algemeen
Artikel13Regels voor pgb-beheer
Artikel14Regels voor pgb professional
Onder de in dit lid genoemde zorgaanbieder en onderaannemer worden ook verstaan: a. Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel15Regels voor pgb sociaal netwerk
Hoofdstuk4Eigen bijdrage en overige voorzieningen
Artikel16Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)
Artikel17Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders
Artikel18Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Hoofdstuk5Kwaliteitseisen
Artikel19Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Artikel20Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Artikel21Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Artikel22Klachtregeling volgens de Wmo en de Jeugdwet
Artikel23Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Hoofdstuk6Controle, toezicht en handhaving Paragraaf6.1Reikwijdte
Artikel24Controle en onderzoek
Artikel25Reikwijdte
Paragraaf6.2Onderzoeksfase
Artikel26Toezicht
Artikel27Bevel
Artikel28Inspectierapport
Paragraaf6.3Herstelfase
Artikel29Aanwijzing
Artikel30Hersteltermijn
Artikel31Cliëntenstop en verscherpt toezicht
Artikel32Vervolgonderzoeksrapport
Paragraaf6.4Handhavingsfase
Artikel33Handhavingsmaatregelen
Artikel34Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling
Paragraaf6.6Overige bepalingen
Artikel35Register
Artikel36Meldingsplicht
Hoofdstuk7Overig
Artikel37Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Artikel38Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Artikel39Nadere regels en hardheidsclausule
Artikel40Inwerkingtreding en citeertitel
De Griffier, Esther Jonkman De voorzitter Daphne Bergman Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet maken deel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat uit de Wmo 2015.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo. Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.
Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.
Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en (niet vrij-toegankelijke) maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.
Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige dat in het verslag op. Vervolgens kunnen de jeugdige of zijn ouders een aanvraag indienen bij het college. Het college neemt een besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Deze verordening ziet met name op de toegang tot jeugdhulp via de gemeente.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(s) precies nodig heeft (hebben). Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders (zorg in natura) die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, wordt geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij of krachtens verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is.
Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2, vijfde lid). Artikelen 10 en verder zijn bij deze toeleiding van overeenkomstige toepassing.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.
Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt.
De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang, beschermd wonen of jeugdhulp ten onrechte wordt onthouden, kan cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel bij de rechter in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, ofwel in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. De toelichting bij artikel 2.11, eerste lid van de Jeugdwet spreekt ook van mandaat aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:
Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:
Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1Begripsbepalingen
Niet iedere bepaling behoeft toelichting, vandaar een beperkte toelichting op enkele begrippen genoemd in het tweede lid.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c. algemeen gebruikelijke voorziening:
Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.
Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen worden genoemd in de Beleidsregels Wmo en Jeugd Gemeente Beuningen (hierna: beleidsregels). q. gebruikelijke hulp:
Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. r. gesprek:
Het gesprek is het contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg (Wmo 2015) of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn beperkingen of hulpvraag te verminderen of weg te nemen.
Hoe dit gesprek plaatsvindt en welke vragen hierin gesteld kunnen worden, wordt behandeld in de beleidsregels. s. hulpvraag:
De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zich tot het college of de andere organisatie wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. t. ingezetene:
De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, ter verkrijging van een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (BRP) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend.
De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel, welke is neergelegd in art. 1.1 van deze wet. w. melding:
Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan.
Artikel 2Melding hulpvraag
Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, aanhef en onder a van de Jeugdwet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt al bepaald dat als bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. De opdracht aan het college in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet om “voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen indien naar zijn oordeel een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn”, betekent eveneens dat het college de melding van de behoefte aan jeugdhulp onderzoekt.
Deze bepalingen uit de Wmo en Jeugdwet regelen ook dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. Het eerste lid van art. 2.3.2 Wmo 2015 bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de praktijk zal het college de procedure betreffende melding, onderzoek en verslag laten uitvoeren door daartoe door het college aangewezen deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren op grond van de algemene regels van de Awb.
In de gemeente Beuningen kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team Beuningen. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen de melding doen.
In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is vervolgens bepaald dat een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de gestelde termijn van zes weken. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per e-mail) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.
In het eerste lid van artikel 9 in de verordening is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.
In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan een soortgelijke bevestiging ook worden afgesproken.
Registratie en ontvangstbevestiging van de melding is ook in het kader van de gestelde termijn van het onderzoek na een melding van belang (maximaal zes weken, art. 2.3.2 eerste lid Wmo 2015).
In de Jeugdwet is niet de procedure beschreven zoals de Wmo 2015 die beschrijft. Omdat het gewenst is om hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen voor de afhandeling van meldingen jeugdhulp te hanteren als voor de afhandeling van meldingen maatschappelijke ondersteuning, is in het derde lid de termijn van zes weken uitdrukkelijk genoemd.
In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en ter uitvoering van artikel 2.6, eerste lid onder b van de Jeugdwet een uitzondering opgenomen voor spoedeisende gevallen. Het college of de andere organisatie is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de Jeugdwet opgenomen dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet-vrij toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.
Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de belanghebbende (Wmo), jeugdige en/of zijn ouders (Jeugdwet), tenzij het een wettelijke verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp betreft zoals bedoeld in lid 5. In dat geval wordt alleen een beschikking gestuurd indien de cliënt dit wenst of wanneer het college afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, zoals omschreven in lid 5.
Artikel 3Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. Deze verplichting geldt ook voor cliënten die onder de Jeugdwet vallen. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven.
Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.
Het tweede lid is de uitwerking van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze voor 2015 werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Er is een regionale vertrouwenspersoon ingesteld. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties voeren de functie van vertrouwenspersoon in samenwerking met elkaar uit.
De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.
In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Indien de melding jeugdhulp betreft, licht het college betrokkene eveneens in dat hij desgewenst gebruik kan maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 4Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente of de andere organisatie al bekend zijn en, indien van toepassing, een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.
De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2, derde lid van de Jeugdwet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 en deze verordening in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de privacybepalingen uit de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming in acht genomen moeten worden.
In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij de vrouwenopvang, is het niet altijd mogelijk een identiteitsdocument te overleggen, terwijl het college de cliënt wel opvang wil bieden. Voor dit soort gevallen geldt een uitzondering op de identificatieplicht.
Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten betekent.
In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 de verplichting voor het college of de andere organisatie opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college of de andere organisatie te overhandigen. De Jeugdwet kent deze verplichting niet, maar in de verordening wordt ook voor de cliënt die een melding jeugdhulp doet een vergelijkbare mogelijkheid geboden. Zie ook artikel 5, tweede lid.
Artikel 5Gesprek
Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepalingen van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. In artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a Wmo 2015 is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In artikel 2.9 van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeente regels stelt over de door het college te verlenen voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening (die in deze verordening maatwerkvoorziening wordt genoemd).
De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. Het wordt aan de professionele inschatting van de medewerker van het college of de andere organisatie om te betrekken bij het gesprek wie hij nodig acht.
De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met de cliënt. De vorm van het onderzoek is vrij.
In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Als woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.
In het eerste lid, onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van de hulpvraag’ opgenomen. Dit is belangrijk, omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie.”
In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Nu de gemeente een vergelijkbare beschrijving ook voor jeugdhulpvragen heeft opgenomen in artikel 4, vierde lid, dient zij of de andere organisatie een ingediende beschrijving ook bij het onderzoek te betrekken.
Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vijfde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente of de andere organisatie en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
Artikel 6Verslag
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de Wmo 2015 opgenomen. Voor jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de praktijk van de Wmo 2015.
Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo 2015. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk.
Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Het college kan de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Als een schriftelijke beschrijving zoals bedoeld in artikel 4, vierde lid, is overhandigd, wordt zij ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.
Artikel 7Aanvraag
Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015). Voor aanvragen betreffende jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de termijn uit de Wmo 2015. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de gemeente Beuningen kan een aanvraag naast elektronisch echter ook mondeling worden gedaan.
In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te merken als aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet aan te merken als aanvraag kan zijn het tijdsverloop tussen de datum van opmaken van het verslag en de aanvraagdatum. Het college kan het dan aannemelijk achten dat door het tijdsverloop het verslag niet meer (volledig) van toepassing is op de actuele situatie van de cliënt, de jeugdige of zijn ouders.
Artikel 8Criteria voor maatwerkvoorziening
In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.
In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling in de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134 en ) en in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet (TK 2012/2013, 33684, nr. 3, blz. 3 en 7) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Ook de Jeugdwet gaat uit van de maatwerkgedachte. Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.
Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
In het vierde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen.
In het vijfde lid worden redenen benoemd waarmee geen recht op een maatwerkvoorziening met betrekking tot respijtzorg bestaat. Dit lid komt voort uit een wettelijke bepaling in de Jeugdwet en is ter verduidelijking ook opgenomen in de verordening. In de praktijk geeft dit lid verwijzers duidelijkheid of respijtzorg passend is voor de aanvrager. Hierbij wordt eerst gekeken of de benodigde hulp niet uit een andere voorliggende wet verkregen kan worden. Daarnaast roept het artikellid op tot zorgvuldig onderzoek naar mogelijkheden van versterking van de eigen kracht van het gezin.