Artikel 1:370 BW – Onderbewindstelling van vermogen van minderjarige
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 1. Personen- en familierecht › Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen › Afdeling 6. Voogdij · niet-officieel opschrift
1De kantonrechter kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt tot onderbewindstelling slechts beslist indien het verzoek door beide voogden gezamenlijk wordt gedaan.
2De kantonrechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden deze verplichtingen opgelegd aan beide voogden.
3Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.
4De kantonrechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd en bij gezamenlijke uitoefening van de voogdij aan de voogden, moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van een voogd of de bewindvoerder, of ambtshalve wijzigen.
5De bewindvoerder is verplicht aan de kantonrechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.
6Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, en bij gezamenlijke uitoefening van de voogdij aan de voogden, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen.
7Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de kantonrechter.
8Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
9De kantonrechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, een voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Rechtspraak over Artikel 1:370 BW
3
2021-09-30
2015-01-19
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 1:358Uitgaven en beloning van de voogd
- Artikel 1:359Jaarlijkse rekening van het bewind van de voogd
- Artikel 1:360Geschillen over de voogdijrekening
- Artikel 1:361Bewaring van de rekening ter griffie
- Artikel 1:362Vaststelling van schade door wanbeheer van de voogd
- Artikel 1:363Zekerheidstelling door de voogd
- Artikel 1:364Beëindiging van de zekerheid van de voogd
- Artikel 1:365Kennisgeving aan de raad voor de kinderbescherming
- Artikel 1:366Kennisgeving wegens tekortschieten van de voogd
- Artikel 1:367Onderzoek door de raad voor de kinderbescherming
- Artikel 1:368
- Artikel 1:369Bewind over gemeenschappelijke goederen van minderjarigen
- Artikel 1:371Kennisgeving van woonplaatsverandering door voogd
- Artikel 1:371aMededeling van voogdbenoeming aan de kantonrechter
- Artikel 1:372Rekening en verantwoording na voogdij
- Artikel 1:373Rekening en verantwoording door de voogd
- Artikel 1:374Rekening en verantwoording door de voogd
- Artikel 1:375Vernietigbaarheid van rechtshandelingen vóór rekening en verantwoording
- Artikel 1:376Rente over schuld aan de voogd
- Artikel 1:377Verjaring van vorderingen uit voogdijbewind