Artikel 1:377 BW – Verjaring van vorderingen uit voogdijbewind
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 1. Personen- en familierecht › Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen › Afdeling 6. Voogdij · niet-officieel opschrift
Elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind - zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd - verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.
Rechtspraak over Artikel 1:377 BW
23
2025-10-29
2021-11-30
2021-11-04
2021-05-27
2019-03-27
2018-06-05
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
1
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 1:366Kennisgeving wegens tekortschieten van de voogd
- Artikel 1:367Onderzoek door de raad voor de kinderbescherming
- Artikel 1:368
- Artikel 1:369Bewind over gemeenschappelijke goederen van minderjarigen
- Artikel 1:370Onderbewindstelling van vermogen van minderjarige
- Artikel 1:371Kennisgeving van woonplaatsverandering door voogd
- Artikel 1:371aMededeling van voogdbenoeming aan de kantonrechter
- Artikel 1:372Rekening en verantwoording na voogdij
- Artikel 1:373Rekening en verantwoording door de voogd
- Artikel 1:374Rekening en verantwoording door de voogd
- Artikel 1:375Vernietigbaarheid van rechtshandelingen vóór rekening en verantwoording
- Artikel 1:376Rente over schuld aan de voogd