Artikel 3:13 BW – Misbruik van bevoegdheid
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 1. Algemene bepalingen › Afdeling 1. Begripsbepalingen · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Artikel 3:13 BW bepaalt dat wie een bevoegdheid heeft, zich daarop niet kan beroepen voor zover hij er misbruik van maakt. Misbruik doet zich onder meer voor wanneer de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden, met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of wanneer het belang bij uitoefening zo onevenredig is aan het belang dat daardoor wordt geschaad, dat men daartoe naar redelijkheid niet had kunnen komen. Uit de aard van een bevoegdheid kan echter voortvloeien dat misbruik ervan niet mogelijk is.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
Rechtspraak over Artikel 3:13 BW
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:2Begrip zaken
- Artikel 3:2aStatus van dieren en toepasselijkheid van zakenrecht
- Artikel 3:3Onroerende en roerende zaken
- Artikel 3:4Bestanddeel van een zaak
- Artikel 3:5Begrip inboedel
- Artikel 3:6Begrip vermogensrecht
- Artikel 3:7Begrip afhankelijk recht
- Artikel 3:8Begrip beperkt recht
- Artikel 3:9Natuurlijke en burgerlijke vruchten
- Artikel 3:10Begrip registergoederen
- Artikel 3:11Begrip goede trouw
- Artikel 3:12Maatstaven voor redelijkheid en billijkheid
- Artikel 3:14Uitoefening van bevoegdheid en publiekrecht
- Artikel 3:15Overeenkomstige toepassing buiten het vermogensrecht