Artikel 4:96 BW
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 4. Erfrecht › Titel 4. Uiterste willen › Afdeling 4. Vorm van uiterste willen
Op degene die de geldigheid van een in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft gewaarmerkt, rust de bewijslast daarvan.
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 4:93Nietigheid van gezamenlijke uiterste wil
- Artikel 4:94Vorm van de uiterste wil
- Artikel 4:95Vormvereisten onderhandse uiterste wil
- Artikel 4:97
- Artikel 4:98Uiterste wil van militairen
- Artikel 4:99
- Artikel 4:100Einde van de uitzonderingstermijn voor uiterste wilsbeschikkingen
- Artikel 4:101Uiterste wil tijdens een reis
- Artikel 4:102Uiterste wil onder buitengewone omstandigheden
- Artikel 4:103Vormvereisten van uiterste willen
- Artikel 4:104Onderhandse uiterste wil in bewaring
- Artikel 4:105Geldigheid ongedateerde onderhandse uiterste wil
- Artikel 4:106Inzending van akte naar testamentenregister
- Artikel 4:107Vernietigbaarheid wegens verstreken termijn
- Artikel 4:108Vernietigbaarheid van vormgebrek bij overlijden binnen zes maanden