Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Ouder-Amstel (Ouder-Amstel)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Ouder-Amstel regelt activiteiten in de leefomgeving, met specifieke aandacht voor beperkingengebieden rond lokale spoorwegen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Het doel is het beschermen van gezondheid, milieu en natuur, en het zorgen voor een evenwichtige en doelmatige benutting van locaties.

Voor wie: Degene die een activiteit verricht binnen de gemeente Ouder-Amstel, met name in de beperkingengebieden; Het bevoegd gezag, dat maatwerkvoorschriften kan stellen en meldingen ontvangt.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Gezondheids- en farmaceutisch recht
Artikelen
399
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Activiteiten binnen het beperkingengebied van lokale spoorwegen.
  • Activiteiten binnen het beperkingengebied van ondergrondse hoogspanningsverbindingen.
  • Begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van het omgevingsplan.
  • De doelen van het omgevingsplan, zoals gezondheids- en milieubescherming.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Degene die een activiteit verricht binnen de gemeente Ouder-Amstel, met name in de beperkingengebieden.
  • Het bevoegd gezag, dat maatwerkvoorschriften kan stellen en meldingen ontvangt.

Wat zijn de kernpunten?

  • Activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg zijn vergunningsvrij als ze voldoen aan specifieke voorwaarden, zoals een maximale reikhoogte/reikwijdte van 5 meter en een maximale grondroeringsdiepte van 5 meter.
  • Activiteiten in de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg zijn vergunningsvrij als ze voldoen aan specifieke voorwaarden, zoals een maximale reikhoogte/reikwijdte van 15 meter en een maximale grondroeringsdiepte van 15 meter.
  • Voor vergunningsvrije activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg geldt een meldingsplicht van ten minste zes weken voorafgaand aan de activiteit.
  • Bij grondroerende activiteiten of bemalingen mag geen zetting onder het spoor plaatsvinden, en dit moet door een deskundige worden zeker gesteld.

Gezondheids- en farmaceutisch recht

8

Gezondheids- en farmaceutisch recht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (399)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen
  3. Artikel 1.3 Normadressant
  4. Artikel 2.1 Doelen
  5. Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  6. Artikel 4.2 Oogmerk
  7. Artikel 4.3 Meetbepalingen lokale spoorweg
  8. Artikel 4.4 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg
  9. Artikel 4.5 Uitzondering vergunningplicht binnen een gebouw
  10. Artikel 4.6 Maatwerkvoorschriften
  11. Artikel 4.7 Toepassingsbereik
  12. Artikel 4.8 Uitzondering vergunningplicht beschermingszone
  13. Artikel 4.9 Uitzondering vergunningplicht buitenste beschermingszone
  14. Artikel 4.10 Meldingsplicht beschermingszone lokale spoorweg
  15. Artikel 4.11 Indieningsvereisten meldingsplicht beschermingszone lokale spoorweg
  16. Artikel 4.12 Informatieplicht: start en einde werkzaamheden beschermingszone lokale
  17. Artikel 4.13 Gegevens en bescheiden: start werkzaamheden beschermingszone lokale sp
  18. Artikel 4.14 Algemene regels - zetting
  19. Artikel 4.15 Specifiek overgangsrecht beperkingengebied
  20. Artikel 4.16 Toepassingsbereik
  21. Artikel 4.17 Oogmerk
  22. Artikel 4.18 Voorrangsregeling ondergrondse hoogspanningsverbinding
  23. Artikel 4.19 Vergunningplicht
  24. Artikel 4.20 Uitzondering vergunningplicht
  25. Artikel 4.21 Beoordelingsregels
  26. Artikel 4.22 Aanvraagvereisten
  27. Artikel 7.1 Toepassingsbereik
  28. Artikel 7.2 Oogmerk
  29. Artikel 7.3 Verbod
  30. Artikel 7.4 Voorrangsbepaling
  31. Artikel 7.5 Specifiek overgangsrecht
  32. Artikel 7.6 Toepassingsbereik
  33. Artikel 7.7 Oogmerk
  34. Artikel 7.8 Verbod
  35. Artikel 7.9 Voorrangsbepaling
  36. Artikel 8.1 Toepassingsbereik
  37. Artikel 8.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bode
  38. Artikel 8.3 Nadere invulling beoordelingsregels - overschrijding waarde toelaatbar
  39. Artikel 8.4 Voorschriften omgevingsvergunning
  40. Artikel 8.5 Indieningsvereisten omgevingsvergunning
  41. Artikel 8.6 Toepassingsbereik
  42. Artikel 8.7 Meldingsplicht
  43. Artikel 8.8 Nadere invulling beoordelingsregels - overschrijding waarde toelaatbar
  44. Artikel 8.9 Indieningsvereisten
  45. Artikel 8.10 Toepassingsbereik
  46. Artikel 8.11 Voorafgaand bodemonderzoek
  47. Artikel 8.12 Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en beschei
  48. Artikel 8.13
  49. Artikel 8.14 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  50. Artikel 8.15 Gescheiden houden grond
  51. Artikel 8.16 Tijdelijk uitnemen grond
  52. Artikel 8.17 Geen grond met PFAS terugplaatsen
  53. Artikel 8.18 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  54. Artikel 8.19 Toepassingsbereik
  55. Artikel 8.20 Voorafgaand bodemonderzoek
  56. Artikel 8.21 Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en beschei
  57. Artikel 8.22
  58. Artikel 8.23 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  59. Artikel 8.24 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)
  60. Artikel 8.25 Gescheiden houden grond
  61. Artikel 8.26 Tijdelijk uitnemen van grond
  62. Artikel 8.27 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  63. Artikel 8.28 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  64. Artikel 8.29 Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag
  65. Artikel 8.30 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven
  66. Artikel 8.31 Toepassingsbereik
  67. Artikel 8.32 Voorafgaand bodemonderzoek
  68. Artikel 8.33 Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en beschei
  69. Artikel 8.34 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  70. Artikel 8.35 Gescheiden houden verschillende grondsoorten
  71. Artikel 8.36 Geen grond met PFAS terugplaatsen
  72. Artikel 8.37 Toepassingsbereik
  73. Artikel 8.38 Voorafgaand bodemonderzoek
  74. Artikel 8.39 Informeren bij actuele risico's
  75. Artikel 8.40 Informatieplicht: gegevens en bescheiden
  76. Artikel 8.41 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
  77. Artikel 8.42 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)
  78. Artikel 8.43 Gescheiden houden verschillende grondsoorten
  79. Artikel 8.44 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen
  80. Artikel 8.45 Toepassingsbereik
  81. Artikel 8.46 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen
  82. Artikel 8.47 Maatwerkvoorschrift
  83. Artikel 8.48 Geen mobiele verontreiniging herschikken
  84. Artikel 8.49 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepas
  85. Artikel 8.50 Toepassingsbereik
  86. Artikel 8.51 Meldingsplicht toepassen staalslakken
  87. Artikel 8.52 Indieningsvereisten meldingsplicht toepassen staalslakken
  88. Artikel 8.53 Meldingsplicht grondstabilisatie
  89. Artikel 8.54 Indieningsvereisten melding grondstabilisatie
  90. Artikel 8.55 Toepassingsbereik
  91. Artikel 8.56 Bodem: mitigerende maatregelen
  92. Artikel 8.57 Toepassingsbereik
  93. Artikel 8.58 Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst
  94. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  95. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  96. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  97. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  98. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  99. Artikel 22.6
  100. Artikel 22.7 Repressief welstand
  101. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  102. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  103. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  104. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  105. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  106. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  107. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  108. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  109. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  110. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  111. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  112. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken [aangepast]
  113. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  114. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  115. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek [aangepast]
  116. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  117. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  118. Artikel 22.25 Mantelzorg
  119. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  120. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
  121. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  122. Artikel 22.29
  123. Artikel 22.30
  124. Artikel 22.31
  125. Artikel 22.32
  126. Artikel 22.33
  127. Artikel 22.34
  128. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  129. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  130. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  131. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  132. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  133. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  134. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  135. Artikel 22.42 Oogmerken
  136. Artikel 22.43 Normadressaat
  137. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht [aangepast]
  138. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  139. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  140. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  141. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  142. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  143. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  144. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  145. Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht en informatieplicht [aangepast]
  146. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  147. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  148. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  149. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  150. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  151. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  152. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  153. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  154. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek [aangepast]
  155. Artikel 22.62 Toepassingsbereik [aangepast]
  156. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  157. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  158. Artikel 22.65
  159. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  160. Artikel 22.67
  161. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  162. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  163. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  164. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  165. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  166. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  167. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  168. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  169. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  170. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  171. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  172. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  173. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  174. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  175. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  176. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  177. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  178. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  179. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  180. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  181. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  182. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  183. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  184. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  185. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  186. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  187. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  188. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  189. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  190. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  191. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  192. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  193. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  194. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
  195. Artikel 22.102
  196. Artikel 22.103
  197. Artikel 22.104
  198. Artikel 22.105
  199. Artikel 22.106
  200. Artikel 22.107
  201. Artikel 22.108
  202. Artikel 22.109
  203. Artikel 22.110
  204. Artikel 22.111
  205. Artikel 22.112
  206. Artikel 22.113 Subparagraaf
  207. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  208. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  209. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  210. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  211. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  212. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  213. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  214. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  215. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  216. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  217. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  218. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  219. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  220. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  221. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  222. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  223. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  224. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  225. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  226. Artikel 22.133
  227. Artikel 22.134
  228. Artikel 22.135
  229. Artikel 22.136
  230. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  231. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  232. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  233. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  234. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  235. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  236. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  237. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  238. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  239. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  240. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  241. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  242. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  243. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  244. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  245. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  246. Artikel 22.153 Koelwater
  247. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  248. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  249. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  250. Artikel 22.157 Inerte goederen
  251. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  252. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  253. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  254. Artikel 22.161
  255. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  256. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  257. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  258. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  259. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  260. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  261. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  262. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  263. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  264. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  265. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  266. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  267. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  268. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  269. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  270. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  271. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  272. Artikel 22.179 Water
  273. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  274. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  275. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  276. Artikel 22.183 Water
  277. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  278. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  279. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  280. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  281. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  282. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  283. Artikel 22.190 Water
  284. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  285. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  286. Artikel 22.193 Bodem
  287. Artikel 22.194 Water
  288. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  289. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  290. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  291. Artikel 22.198 Water
  292. Artikel 22.199 Geur
  293. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  294. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  295. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  296. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  297. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  298. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  299. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  300. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  301. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  302. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  303. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  304. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  305. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  306. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  307. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  308. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  309. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  310. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  311. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  312. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  313. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  314. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  315. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  316. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  317. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  318. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  319. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  320. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  321. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  322. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  323. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  324. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  325. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  326. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  327. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  328. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  329. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  330. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  331. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  332. Artikel 22.239 Licht
  333. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  334. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  335. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  336. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  337. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  338. Artikel 22.245 Geur
  339. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  340. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  341. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  342. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  343. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  344. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  345. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  346. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  347. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  348. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  349. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  350. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  351. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  352. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  353. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  354. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  355. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  356. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  357. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  358. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  359. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  360. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  361. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  362. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  363. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  364. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  365. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  366. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  367. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  368. Artikel 22.275
  369. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  370. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  371. Artikel 22.278
  372. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  373. Artikel 22.280
  374. Artikel 22.281
  375. Artikel 22.282
  376. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  377. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  378. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  379. Artikel 22.286
  380. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  381. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  382. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  383. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  384. Artikel 22.291
  385. Artikel 22.292
  386. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  387. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  388. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  389. Artikel 22.296
  390. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  391. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  392. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  393. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  394. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  395. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  396. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  397. Artikel 23.1 Toepassingsbereik overgangsrecht
  398. Artikel 23.2 Overgangsrecht met betrekking tot een aanvraag om een maatwerkvoorschr
  399. Artikel 24.1 (citeertitel)

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696315 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0437/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-23 2026-03-23 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696315/nld@2026-04-22 /join/id/proces/gm0437/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0437/2024/procedure1d354dce636c42039be1f4de5c6a45cf /join/id/proces/gm0437/2024/procedure7a58f8e96d2b4fc1a914e2fdb1dc0d24 /join/id/proces/gm0437/2025/procedure39d47c945ad34626be3156e8be25ffb3 /join/id/proces/gm0437/2026/procedureea8aadd0a83442e7819b225779d77b56 2026-04-22 2026-04-22 /akn/nl/act/gm0437/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-20;13023385 /akn/nl/act/gm0437/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0437/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-20;13023385 /join/id/stop/work_019 5 Omgevingsplan gemeente Ouder-Amstel

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

3.

Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van de paragrafen 4.1.1, 4.1.2, 7.1, 7.2, en 8.1 van dit omgevingsplan.

4.

In aanvulling op het eerste lid zijn de begripsbepalingen uit de bestemmingsplannendie deel uitmaken van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van toepassing, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.

Artikel 1.2Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen zoals die zijn de opgenomen in de bestemmingsplannen die deel uitmaken van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan zijn van toepassing, tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.

Artikel 1.3Normadressant

Aan dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2

Doelen

Artikel 2.1Doelen

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van het milieu; c. de natuurbescherming; d. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en e. het benutten van locaties en bouwwerken.

Hoofdstuk 3

Gereserveerd

Hoofdstuk 4

Gebieden

Titel 4.1

Beperkingengebieden

Afdeling 4.1.1

Beperkingengebied lokale spoorweg

Paragraaf 4.1.1.1

Algemene bepalingen lokale spoorwegen

Artikel 4.1Toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder bevoegd gezag verstaan: bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9.3 Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.2Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg.

Artikel 4.3Meetbepalingen lokale spoorweg

Voor deze afdeling wordt op de volgende wijze gemeten: a. object- of bouwhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; b. bemalingsdiepte: de diepte onder het maaiveld tot waar het grondwater verlaagd wordt; c. reikhoogte: de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het object, verticaal en loodrecht gemeten; d. reikwijdte: de afstand vanaf de kern van het object tot aan het verste punt dat het object reikt, horizontaal gemeten.

Artikel 4.4Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg

1.

Er is een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het Beperkingengebied lokale spoorweg, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit: a. de Kernzone lokale spoorweg; b. de Beschermingszone lokale spoorweg; c. de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikstoegangen.

Artikel 4.5Uitzondering vergunningplicht binnen een gebouw

Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die uitsluitend binnen een gebouw worden verricht.

Artikel 4.6Maatwerkvoorschriften

1.

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de algemene regels bedoeld in artikel 4.14.

2.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden de oogmerken van deze regels, bedoeld in artikel 4.2, in acht genomen.

Paragraaf 4.1.1.2

Regels over activiteiten lokale spoorweg op maaiveld

Artikel 4.7Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied lokale spoorweg op het maaiveld.

Artikel 4.8Uitzondering vergunningplicht beschermingszone

Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de Beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:

1.het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter;
2.de diepte van de grondroering maximaal 5 meter is;
3.de activiteit niet plaatsvindt binnen de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikstoegangen;
4.geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en 5. in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 5 meter is; b. bemalingen:
1.met een bemalingsdiepte van maximaal 5 meter;
2.de activiteit niet plaatsvindt binnen de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikstoegangen; en 3. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van objecten, met inbegrip van groenvoorzieningen, waarbij:
1.de (object- of bouw-)hoogte maximaal 5 meter is;
2.de activiteit niet plaatsvindt binnen de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikstoegangen; en 3. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter; d. het slopen van bouwwerken of het verwijderen van objecten, met inbegrip van bomen, waarbij:
1.de (object- of bouw-)hoogte maximaal 5 meter is;
2.de activiteit niet plaatsvindt binnen de Kernzone nood-, onderhouds- en gebruikstoegangen; en 3. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 meter.

Artikel 4.9Uitzondering vergunningplicht buitenste beschermingszone

Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij:

1.het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter;
2.de grondroeringsdiepte maximaal 15 meter is;
3.geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en 4. in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 15 meter is; b. bemalingen:
1.met een bemalingsdiepte van maximaal 15 meter; en 2. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; c. het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en het in stand houden van objecten, met inbegrip van groenvoorzieningen, waarbij:
1.de (object- of bouw-)hoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en 2. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; d. het slopen van bouwwerken of het verwijderen van objecten, met inbegrip van bomen, waarbij:
1.de (object- of bouw-)hoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en 2. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg.

Artikel 4.10Meldingsplicht beschermingszone lokale spoorweg

Het is verboden om de activiteiten, bedoeld in de artikel 4.8 binnen de Beschermingszone lokale spoorweg te verrichten, zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.

Artikel 4.11Indieningsvereisten meldingsplicht beschermingszone lokale spoorweg

1.

Bij een melding, bedoeld in artikel 4.10, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag: a. een beschrijving van:

1.de wijze waarop de activiteit wordt verricht;
2.het te gebruiken materieel; en 3. het huidige en het beoogde gebruik van gronden of bouwwerken; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand.

2.

In aanvulling op het eerste lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor.

3.

In aanvulling op het eerste lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld.

Artikel 4.12Informatieplicht: start en einde werkzaamheden beschermingszone lokale spoorweg

1.

Tenminste twee weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.8, wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de voorgenomen werkzaamheden.

2.

Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit.

Artikel 4.13Gegevens en bescheiden: start werkzaamheden beschermingszone lokale spoorweg

Bij de informatieplicht, bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag: a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en b. de verwachte duur ervan.

Artikel 4.14Algemene regels - zetting

1.

Dit artikel is van toepassing op: a. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 4.8, onder a binnen de Beschermingszone lokale spoorweg; b. bemalingen, bedoeld in artikel 4.8, onder b binnen de Beschermingszone lokale spoorweg; c. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 4.9, onder a, met een grondroeringsdiepte van meer dan 5 meter binnen de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg; d. bemalingen, bedoeld in artikel 4.9, onder a, met een bemalingsdiepte dieper dan 5 meter binnen de Buitenste beschermingszone lokale spoorweg.

2.

Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen vindt geen zetting plaats onder het spoor.

3.

Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen is aantoonbaar door een deskundige zeker gesteld, dat er door de activiteit geen zetting onder het spoor plaatsvindt.

Artikel 4.15Specifiek overgangsrecht beperkingengebied

Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze afdeling onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze afdeling voor die activiteit het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze afdeling een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze afdeling.

Afdeling 4.1.2

Beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding

Paragraaf 4.1.2.1

Algemeen

Artikel 4.16Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op activiteiten op de locatie 150kv Leiding.

Artikel 4.17Oogmerk

De regels in deze afdelingzijn gesteld met het oog op: a. het behoud en het creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het elektriciteitstransportnet voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder; b. bescherming van het elektriciteitstransportnet tegen activiteiten in de nabijheid van het transportnet; c. waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van het elektriciteitstransportnet.

Artikel 4.18Voorrangsregeling ondergrondse hoogspanningsverbinding

De regels die gelden op de locatie '150kv Leiding' uit de bestemmingsplannen, die onderdeel zijn van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, blijven gelden, zolang deze niet in strijd zijn met deze afdeling.

Paragraaf 4.1.2.2

Regels

Artikel 4.19Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten binnen de locatie 150kv Leiding a. het bouwen van gebouwen; b. het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde; c. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting en bomen; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen; h. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; i. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; j. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; k. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, anders dan ten dienste van de in artikel 4.18 omschreven functie.

Artikel 4.20Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 4.19, geldt binnen locatie '150kv Leiding' niet voor: a. bestaande en vergunde gebouwen en bouwwerken; b. werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn bij het van kracht worden van het plan; c. werkzaamheden die worden uitgevoerd door (of in opdracht van) de netbeheerder t.b.v. aanpassing, onderhoud en instandhouding van de verbinding; d. werkzaamheden die vallen onder de Wet Informatie-uitwisseling Boven-en Ondergrondse Netten; e. het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken mits de oppervlakte niet wordt vergroot en het bouwwerk gebruik maakt van de bestaande fundering; f. werkzaamheden tot een diepte van 0,8 meter beneden het maaiveld.

Artikel 4.21Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.19, wordt verleend als: a. de activiteit, gelet op de oogmerken van artikel 4.17, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding; b. een positief schriftelijk advies is verkregen van de netbeheerder.

Artikel 4.22Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

Een beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden (bijvoorbeeld een werkplan); b. een overzichtstekening (als JPG/PDF en CAD-bestand) met de exacte locatie van de werkzaamheden, met RD-coördinaten; c. een aanduiding ten opzichte van NAP; d. de hoogte in centimeters ten opzichte van NAP (voor bovengrondse assets); e. een schriftelijk advies van de netbeheerder.

Hoofdstuk 5

Gereserveerd

Hoofdstuk 6

Gereserveerd

Hoofdstuk 7

Activiteiten

Afdeling 7.1

Centrum - wonen begane grond uitgesloten

Artikel 7.1Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het behoud van winkels op de locatie Centrum - wonen begane grond uitgesloten.

Artikel 7.2Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op een goed functionerend en economisch gezond centrumgebied.

Artikel 7.3Verbod

Het is verboden om op de locatie Centrum - wonen begane grond uitgesloten op de begane grond te wonen.

Artikel 7.4Voorrangsbepaling

De regels die gelden op de locatie Centrum - wonen begane grond uitgesloten uit de bestemmingsplannen, die onderdeel zijn van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, blijven gelden, zolang deze niet in strijd zijn met deze afdeling.

Artikel 7.5Specifiek overgangsrecht

1.

In afwijking van artikel 7.3 geldt dat het gebruik van wonen op de begane grond, dat bestond voor 17 juli 2024 mag worden voortgezet.

2.

In afwijking van artikel 7.3 geldt dat het gebruik van wonen op de begane grond: a. waarvoor voor 17 juli 2024 een vergunning is aangevraagd voor de activiteit bouwen ten dienste van het gebruik van de begane grond voor wonen; en b. deze vergunning vergund is; mag worden gerealiseerd of voortgezet.

3.

Een bouwwerk ten dienste van wonen op de begane grond, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruik wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

4.

In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het bevoegd gezag eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%, ten dienste van wonen op de begane grond.

5.

Indien het gebruik van wonen op de begane grond, na inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan zes maanden wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Afdeling 7.2

Datacenters

Artikel 7.6Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op datacenters.

Artikel 7.7Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het uiterlijk aanzien van de omgeving; b. het voorkomen van overlast voor de omgeving; c. het kunnen voorzien in voldoende energie.

Artikel 7.8Verbod

Het is verboden om ten behoeve van een datacenter: a. het gebruik van gronden en bouwwerken te wijzigen; b. nieuwe bouwwerken op te richten; c. en bestaande bouwwerken uit te breiden binnen het gebied.

Artikel 7.9Voorrangsbepaling

De regels uit de bestemmingsplannen, die onderdeel zijn van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, blijven gelden, zolang deze niet in strijd zijn met deze afdeling.

Hoofdstuk 8

Milieu

Afdeling 8.1

Bodem

Paragraaf 8.1.1

Bouwen van bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - omgevingsvergunningplichtig

Artikel 8.1Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 8.2Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie

Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken zoals bedoeld in artikel 22.26 wordt, als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. aannemelijk is dat een sanerende maatregel wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een maatregel of voorziening de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.

Artikel 8.3Nadere invulling beoordelingsregels - overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem

1.

Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.

Artikel 8.4Voorschriften omgevingsvergunning

1.

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatiedie is verleend met toepassing van artikel 8.2, aanhef en onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.

2.

Aan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 8.2 aanhef en onder d, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.

3.

Als aan een omgevingsvergunning voor deomgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.

Artikel 8.5Indieningsvereisten omgevingsvergunning

1.

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 8.3 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen.

2.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

3.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt op locatie Uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in het vierde lid niet rechtvaardigen.

5.

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

6.

De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Paragraaf 8.1.2

Bouwen van bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie - vergunningsvrij

Artikel 8.6Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het vergunningsvrij bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, zoals bedoeld in artikel 22.27, respectievelijk artikel 22.36.

Artikel 8.7Meldingsplicht

Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 8.8Nadere invulling beoordelingsregels - overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem

1.

Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25 m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.

Artikel 8.9Indieningsvereisten

1.

Bij een melding, bedoeld in artikel 8.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 8.8 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt genomen.

2.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is uitgevoerd volgens NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

3.

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt op locatie Uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat: a. de locatie onverdacht is; of b. de gerezen verdenkingen een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in het vierde lid niet rechtvaardigen.

5.

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

6.

De resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Paragraaf 8.1.3

Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 8.10Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.

2.

Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

Artikel 8.11Voorafgaand bodemonderzoek

1.

Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 8.10, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op locatie Verplicht verkennend onderzoek bij kleinschalig graven wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

3.

In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van paragraaf 8.1.4 voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

4.

Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

5.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 8.12Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en bescheiden

1.

Ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven wordt het bevoegd gezag geïnformeerd als een verkennend onderzoek is verricht.

2.

Het voorafgaande - en verkennende bodemonderzoek worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

3.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 8.13

Gegevens en bescheiden: na de activiteit in geval van spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op de locatie Informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.

Artikel 8.14Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De onderzoeken, bedoeld in artikel 8.12, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 8.15Gescheiden houden grond

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 8.16Tijdelijk uitnemen grond

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 8.17Geen grond met PFAS terugplaatsen

In afwijking van artikel 8.16, eerste lid, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a.

59 µg/kg ds bij PFOS; b.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Artikel 8.18Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Paragraaf 8.1.4

Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 8.19Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven niet meer is dan 25 m3.

2.

Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties mits de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.

Artikel 8.20Voorafgaand bodemonderzoek

1.

Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 8.19, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op locatie Verplicht verkennend onderzoek bij kleinschalig graven wordt voorafgaand aan het verrichten van de activiteit een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

3.

In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van deze paragraaf voor kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.

4.

Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

5.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 8.21Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en bescheiden

1.

Ten minste een week voordat de afvoer van grond plaats vindt of dat er gegraven wordt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving reikt dieper dan deze afdeklaag, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 8.29, gaan verrichten.

2.

Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.

3.

Het verkennend- en voorafgaand bodemonderzoek worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

4.

Direct na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

5.

Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 8.22 van toepassing.

Artikel 8.22

Gegevens en bescheiden: na de activiteit in geval van spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op locatie Informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur, worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.

Artikel 8.23Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 8.21, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 8.24Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst dan wel op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 8.25Gescheiden houden grond

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en verschillende grondsoorten zoveel mogelijk gescheiden gehouden.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 8.26Tijdelijk uitnemen van grond

1.

Na het tijdelijk uitnemen van grond wordt die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.

Artikel 8.27Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen

1.

In afwijking van artikel 8.26, eerste lid, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 8.23 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Tabel 8.23:

Lijst met mobiele stoffen Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Overige stoffen:

Minerale olie 2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor deze stoffen niet worden overschreden.

Artikel 8.28Tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 8.29Milieukundige begeleiding bij dieper graven dan afdeklaag

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Artikel 8.30Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het graven uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Paragraaf 8.1.5

Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven

Artikel 8.31Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.32Voorafgaand bodemonderzoek

1.

In aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als het gaat om het graven in de bodem op locatie Verplicht verkennend onderzoek bij graven, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 8.33Informatieplicht voor het begin van de activiteit: gegevens en bescheiden

1.

Ten minste een week voor het begin van de graafactiviteiten wordt in aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 8.32 aan het bevoegd gezag verstrekt.

2.

Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 8.34Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 8.32, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 8.35Gescheiden houden verschillende grondsoorten

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden.

2.

Gescheiden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 8.36Geen grond met PFAS terugplaatsen

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt in afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a.

59 µg/kg ds bij PFOS; b.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Paragraaf 8.1.6

Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven

Artikel 8.37Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.38Voorafgaand bodemonderzoek

1.

In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt, als het gaat om het graven in de bodem op locatie Verplicht verkennend onderzoek bij graven, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.

Artikel 8.39Informeren bij actuele risico's

Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd.

Artikel 8.40Informatieplicht: gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de graafactiviteiten wordt in aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 8.38, aan het bevoegd gezag verstrekt.

2.

De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 8.38, worden verstrekt in: a.

PDF-formaat; en b.

XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Artikel 8.41Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie

De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 8.38, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.

Artikel 8.42Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst dan wel op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.

Artikel 8.43Gescheiden houden verschillende grondsoorten

1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden ook als het licht verontreinigde grond betreft.

2.

Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.

Artikel 8.44Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt in afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden overschreden voor de in tabel 8.40 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Tabel 8.40: Lijst met mobiele stoffen Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Overige stoffen:

Minerale olie 2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden.

Paragraaf 8.1.7

Saneren van bodem

Artikel 8.45Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.46Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem vindt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de locatie van het gebouw.

2.

Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in tabel 8.46 opgenomen vluchtige stoffen.

Tabel 8.42: Lijst met vluchtige stoffen Vluchtige stoffen Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per)

Artikel 8.47Maatwerkvoorschrift

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

2.

De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het artikel 8.46 eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging.

Artikel 8.48Geen mobiele verontreiniging herschikken

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de onder b opgenomen tabel 8.48 met mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

1.

59 µg/kg ds bij PFOS;

2.

60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.

59 µg/kg ds bij overige PFAS.

Tabel 8.44: Lijst met mobiele stoffen Mobiele stoffen Aromatische verbindingen:

Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) Overige stoffen:

Minerale olie 2.

Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen.

Artikel 8.49Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond

Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde.

Paragraaf 8.1.8

Toepassen van bouwstoffen (staalslakken) en stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat

Artikel 8.50Toepassingsbereik

Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie.

Artikel 8.51Meldingsplicht toepassen staalslakken

Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 8.52Indieningsvereisten meldingsplicht toepassen staalslakken

1.

Bij een melding, bedoeld in artikel 8.51 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater ofnabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

2.

Het bepaalde in het eerste lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

3.

Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 8.53Meldingsplicht grondstabilisatie

1.

Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2.

Het eerste lid geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1.000 m2.

Artikel 8.54Indieningsvereisten melding grondstabilisatie

1.

Bij een melding, bedoeld in artikel 8.53 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast 2.

Het bepaalde in het eerste lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan 3.

Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Paragraaf 8.1.9

Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (ernst, niet spoedlocatie)

Artikel 8.55Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 8.56Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 8.55 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 8.1.10

Nazorg

Artikel 8.57Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor het verrichten van nazorg voor de volgende maatregelen: a. een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een afdeklaag op grond van een maatwerkvoorschrift over artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die is aangebracht tijdens de sanering van de bodem; of b. tijdelijke beschermingsmaatregelen voor een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet.

Artikel 8.58Nazorg na afloop van saneren van de bodem en bij toevalsvondst

1.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de gesaneerde locatie treft de noodzakelijke maatregelen voor het voor onbepaalde tijd in stand houden, het onderhouden of het vervangen van de afdeklaag.

2.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen houdt de tijdelijke beschermingsmaatregelen in stand, zo lang de onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid door blootstelling aan de verontreiniging bestaan.

Hoofdstuk 9

Gereserveerd

Hoofdstuk 10

Gereserveerd

Hoofdstuk 11

Gereserveerd

Hoofdstuk 12

Gereserveerd

Hoofdstuk 13

Gereserveerd

Hoofdstuk 14

Gereserveerd

Hoofdstuk 15

Gereserveerd

Hoofdstuk 16

Gereserveerd

Hoofdstuk 17

Gereserveerd

Hoofdstuk 18

Gereserveerd

Hoofdstuk 19

Gereserveerd

Hoofdstuk 20

Gereserveerd

Hoofdstuk 21

Gereserveerd

Hoofdstuk 22

Activiteiten (Bruidsschat)

Afdeling 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken [aangepast]

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek [aangepast]

1.

Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25Mantelzorg

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.op de grond staand;
2.gelegen in achtererfgebied;
3.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4.niet hoger dan 5 m;
5.de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.op de grond staand;
2.niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
2.voorzien van een plat dak;
3.gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
4.onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
5.bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2.op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
1.een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2.geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

2.

Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1.tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
2.principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
3.kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i.

5 m; ii.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;

2.voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
3.de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1.dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2.dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1.het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
2.het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht [aangepast]

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen, overgangsrecht en informatieplicht [aangepast]

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

6.

Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.