Car-uwo (Delft)
Waar gaat deze regeling over?
Deze regeling, de CAR-UWO (Delft), definieert belangrijke begrippen en stelt de algemene voorwaarden vast voor ambtenaren die werkzaam zijn bij de gemeente Delft.
Voor wie: Ambtenaren die door of vanwege de gemeente zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben; Studenten met een stageplaats en personen met een werkervaringsplaats bij de gemeente.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 152
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Definities van termen zoals "ambtenaar", "functie", "arbeidsduur" en diverse toelagen.
- Uitzonderingen op wie als ambtenaar wordt beschouwd onder deze regeling.
- De voorwaarden voor stageplaatsen en werkervaringsplaatsen bij de gemeente.
- Specifieke regels voor ambtenaren die zijn aangesteld op grond van de banenafspraak (Participatiewet en Wajong).
Voor wie geldt deze regeling?
- Ambtenaren die door of vanwege de gemeente zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben.
- Studenten met een stageplaats en personen met een werkervaringsplaats bij de gemeente.
- Ambtenaren die zijn aangesteld op grond van de banenafspraak.
Wat zijn de kernpunten?
- Een "ambtenaar" is iemand die door de gemeente is aangesteld voor openbare dienst of een arbeidsovereenkomst heeft.
- De formele arbeidsduur per week is de arbeidsduur volgens de aanstelling; de feitelijke arbeidsduur per week is de vastgestelde arbeidsduur voor een bepaalde week.
- Overwerk zijn werkzaamheden die in dienstopdracht buiten de feitelijke arbeidsduur per week worden verricht.
- Stage- en werkervaringsplaatsen vallen onder de CAR-UWO, maar met uitzondering van specifieke hoofdstukken (o.a. 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17).
- Voor ambtenaren op grond van de banenafspraak kunnen afwijkende salarisschalen en minimumbedragen voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage en levensloopbijdrage gelden.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (152)
- Artikel 1:1:1
- Artikel 1:1:1:1
- Artikel 1:1:1:2
- Artikel 1:3a
- Artikel 1:4:1 Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, in
- Artikel 1:5
- Artikel 2:1 Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald
- Artikel 2:1a 1:1 In de artikelen 2:1A:1:2 tot en met 2:1A:1:7 wordt verstaan onder
- Artikel 2:4:3 Bevordering geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling i
- Artikel 2:4:19
- Artikel 2:5:1
- Artikel 2:6
- Artikel 2a 1:1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 3:4 Salarisverhoging
- Artikel 3:6 CAR geeft weer hoe uitvoering wordt gegeven aan de in-passing in een h
- Artikel 3:7
- Artikel 3:14
- Artikel 3:15
- Artikel 3:20
- Artikel 3:21
- Artikel 3:22 Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkee
- Artikel 3b 1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 3c
- Artikel 3f 1:1:1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 4:2:2
- Artikel 4a
- Artikel 5a 1 De ambtenaar die
- Artikel 6:1 In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud va
- Artikel 6:2b
- Artikel 6:2:1:3
- Artikel 6:2:1:4
- Artikel 6:2:7
- Artikel 6:4:5
- Artikel 6:4:6 Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
- Artikel 6:5:1 vervallen
- Artikel 6:5:7
- Artikel 6:12 Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwanger-schaps-
- Artikel 6a 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 7:2 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsge-ne
- Artikel 7:8 Het college kan nadere regels stellen
- Artikel 7:8:1
- Artikel 7:8:1:1
- Artikel 7:8:2 Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in ee
- Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoe
- Artikel 7:18
- Artikel 7:20
- Artikel 7:22
- Artikel 7:23
- Artikel 7:25a
- Artikel 7:28b
- Artikel 8:3:1
- Artikel 8:7 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
- Artikel 8:7:1
- Artikel 8:9
- Artikel 8:13 Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag ver-le
- Artikel 8:17
- Artikel 8:20
- Artikel 9:1
- Artikel 9:13
- Artikel 9:14 Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofd-stuk
- Artikel 9a
- Artikel 9b 1 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die
- Artikel 9d
- Artikel 9e
- Artikel 10:2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder “lichamen”
- Artikel 10:14
- Artikel 10:17
- Artikel 10:21
- Artikel 10:28
- Artikel 10a 1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 10d
- Artikel 11:2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder “lichamen”
- Artikel 11:12
- Artikel 11:18
- Artikel 11:19
- Artikel 11:24
- Artikel 11:28 Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
- Artikel 11a 1 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 12:2:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder commissie: de commissie voor geo
- Artikel 12:2:2a
- Artikel 12:2:5
- Artikel 12:2:6
- Artikel 12:2:17 Het door de commissie vast te stellen reglement van orde voor de verga
- Artikel 12:2:18 In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het colleg
- Artikel 12:2:19
- Artikel 14:1
- Artikel 15:1b
- Artikel 15:1c Het is de ambtenaar verboden
- Artikel 15:1e 1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 15:1f 1:1 Deze regeling geldt voor de volgende functies
- Artikel 15:1:15:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 15:1:15:2 In principe vindt ten minste eenmaal in de drie jaar een beoordeling p
- Artikel 15:1:15:4
- Artikel 15:1:15:7
- Artikel 15:1:15:8
- Artikel 15:1:15:9
- Artikel 15:1:15:10
- Artikel 15:1:15:13
- Artikel 15:1:16:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 15:1:16:6
- Artikel 15:1:19
- Artikel 15:1:22:1
- Artikel 15:1:22:2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 15:1:22:7
- Artikel 15:1:22:9
- Artikel 15:1:22:10 Op de voor reis- en/op verblijfkosten te declareren bedragen kunnen te
- Artikel 15:1:22:11
- Artikel 15:1:24
- Artikel 15:1:25
- Artikel 15:1:27
- Artikel 15:1:29
- Artikel 15:1:30
- Artikel 15:2:1:1 In deze regeling wordt verstaan onder
- Artikel 15:2:3:3
- Artikel 15:2:3:5 Het meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien
- Artikel 15:4:1:1 In deze regeling wordt verstaan onder
- Artikel 15:4:1:1a
- Artikel 15:4:1:4
- Artikel 15:4:1:5
- Artikel 15:4:2:1
- Artikel 15:4:2:2
- Artikel 15a 1:1:1 In hoofdstuk 15a wordt verstaan onder
- Artikel 17:1
- Artikel 17:6
- Artikel 17:7
- Artikel 18:1:6
- Artikel 18:1:7
- Artikel 18:1:9
- Artikel 18:1:17 Het bestuursorgaan kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde te-ge
- Artikel 18:1:18
- Artikel 19:1
- Artikel 19:2 Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is
- Artikel 19:3
- Artikel 19:5
- Artikel 19:9
- Artikel 19:19 Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding
- Artikel 19:21
- Artikel 19:22 Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toeken
- Artikel 19:28
- Artikel 19:33 Het is de vrijwilliger verboden
- Artikel 19:34
- Artikel 19:36 Het is de vrijwilliger verboden
- Artikel 19b 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsted
- Artikel 20:1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
- Artikel 20:1:1:4
- Artikel 20:1:1:6
- Artikel 20:1:1:7
- Artikel 21:1:1
- Artikel 22:1:1
- Artikel 22:1:1:1
- Artikel 22:2
- Artikel 22:3
CAR-UWO
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Begripsomschrijvingen Artikel 1:1 1. Voor de toepassing van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie wordt verstaan onder: a. ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aange-steld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b. functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambte-naar is te verrichten conform artikel 3:1; c. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e. arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gelegen welke door de ambte-naar arbeid moet worden verricht; f. arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de amb-tenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g. formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h. feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i. vervallen; j. arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele ar-beidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k. dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst;; l. overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstop-dracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m. werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet ver-richten; n. werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen geduren-de welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o. uurloon: 1/156 gedeelte van het – zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende – salaris van de ambtenaar per maand; p. Zvw: de Zorgverzekeringswet; q. CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sec-tor gemeenten; r. UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s. functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; t. waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of na-mens het college verstrekte opdracht volledig een andere functie waarneemt, indien voor die functie een hogere schaal geldt dan voor de eigen functie; u. LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaar-den; v. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
z. IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsonge-schikten; aa. IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame ar-beidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb. WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschik-ten; cc. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk ar-beidsgeschikten op grond van de WIA; dd. WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff. Waz: Wet arbeid en zorg; gg. SUWI: de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en In-komen; hh. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzeke-rin¬gen 1997; ii. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj. WPA: de Wet privatisering ABP; kk. FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, be-doeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst over-heids- en onderwijspersoneel; ll. FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het regle-ment zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; mm. deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeids-duur per week minder dan 36 uur bedraagt; nn. ZW: de Ziektewet; oo. ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; pp. UWV: het Uitvoeringsbesluit Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. qq. Salaris: Maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens for-mele arbeidsduur. rr. Salaristoelagen: De in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoem-de toelagen, te weten: de functioneringstoelage, de waarne-mingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buiten-dagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniëntentoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantie-toelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend en die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging wer-den gerekend. ss. Functieschaal: De salarisschaal die bij een functie hoort; tt. Periodiek: Het maandbedrag in een salarisschaal; uu. Salarisschaal: Een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; vv. Achterblijvende partner: Weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde part-ner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.
Beleidsregel 1 betreft uitvoering artikel 1:1 CAR, eerste lid sub k Het in enig jaar te werken aantal uren wordt voor degenen met een voltijdbetrekking bepaald, door elke werkbare dag op 7,2 uur te waar-deren, met dien verstande dat de uitkomst van die berekening ten hoogste 1836 mag bedragen.
Voor degenen met een deeltijdbetrekking wordt de uitkomst van de hiervoor bedoelde berekening dan wel, indien dat tot een lager aantal uren leidt, genoemd aantal van 1836 uren, naar evenredigheid van de omvang van de deelbetrekking vastgesteld.
Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake het in enig jaar ten hoogste aantal te werken uren voor een werknemer met een deeltijdbetrekking kan het voorkomen dat deeltijders, in een jaar waarin betrekkelijk veel feest-dagen in weekenden vallen, ten opzichte van ambtenaren met een voltijdbe-trekking in een ongunstiger positie zouden komen te verkeren dan naar even-redigheid van de omvang van de deelbetrekking verwacht zou mogen worden. Dat wordt door middel van deze beleidsregel voorkomen.
Artikel 1:1:1
Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve ar-beidsvoorwaardenregeling van toepassing verklaard Voor de toepassing van deze regeling wordt voorts verstaan onder: a. werknemer: hij met wie door of namens het college overeenkom-stig de bepalingen van hoofdstuk 3 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b. organisaties: de organisaties als bedoeld in artikel 12:1; c. UR: Uitwerkingsregeling rechtspositie; d. NUR: Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie.
Artikel 1:1:1:1
Waar in deze regeling wordt verwezen naar artikelen, bestaande uit twee of drie (reeksen van) cijfers, betreft dit verwijzingen naar de be-treffende artikelen uit de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling res-pectievelijk de Uitwerkingsregeling rechtspositie
Artikel 1:1:1:2
Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve ar-beidsvoorwaardenregeling en 1:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie van toepassing verklaard Geen ambtenaar Artikel 1:2 1. Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereen-komst wordt niet als ambtenaar beschouwd: a. het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar on-derwijs; b. het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; c. de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zo-danig; d. de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; e. de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is be-noemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastin-gen; f. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zon-der opsporingsbevoegdheid; g. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; h. hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndi-ceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van be-geleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werk-voorziening.
Stageplaats Artikel 1:2a 1. Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.
Werkervaringsplaats Artikel 1:2b 1. Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervarings-plaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.
Aanstellingen op grond van de banenafspraak Artikel 1:2c 1. In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salaris-schaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk mini-mumloon kan verdienen.
Artikel 1:2:1 1. Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burger-lijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 7:24a, 7:25, 7:25a en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.
Toepassing Artikel 1:3 1. De bepalingen van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.
Artikel 1:3aVoor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd
Voorschriften en instructies
Artikel 1:4:1Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar zijn oordeel nodig of wenselijk is
a. bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepa-lingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functione-ren van de dienst; b. instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.
Uitreiking van CAR, UR, NUR en Beleidsregels Artikel 1:4:2 1. Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere rege-lingen, welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.
Artikel 1:4:3 1. Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.
Artikel 1:4:3:1 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht kan na overleg in de commissie voor georganiseerd overleg worden besloten rechtspositionele besluiten uitsluitend elektronisch te verzenden of beschikbaar te stellen.
Voordragen van belangen Artikel 1:4:4 De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan voor te dragen.
Omvang van de betrekking
Artikel 1:5
Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehan-teerd Vrijstelling Artikel 1:6 1. In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere ge-vallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstel-ling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10d. In de com-missie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn be-reikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf.
Artikel 1:6:1 1. In bijzondere gevallen kan voor functies op het niveau van direc-teur of afdelingshoofd een tijdelijke aanstelling worden verleend in afwijking van artikel 2:4.
HOOFDSTUK 2 AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST
Aanstelling; het bevoegd gezag
Artikel 2:1Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college
Aanstelling in algemene dienst Artikel 2:1a 1. De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
Begripsbepalingen
Artikel 2:1a1:1 In de artikelen 2:1A:1:2 tot en met 2:1A:1:7 wordt verstaan onder
a. medewerker: de ambtenaar in de zin van de CAR, dan wel dege-ne met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is ge-sloten; b. passende functie: een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijke omstandigheden, kennis, vaardighe-den en vooruitzichten kan vervullen; onder persoonlijke omstan-digheden en vooruitzichten kunnen worden verstaan: interesse, gezondheid, opleiding, scholing en salarispositie.
Inzetbaarheid
Artikel 2:1a
1:2 Medewerkers in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden Termijnen
Artikel 2:1a
1:3 1. Nieuw in dienst tredende medewerkers en zittende medewerkers waarvan de functiegebonden aanstelling per 1 januari 2013 van rechtswege wordt omgezet in een aanstelling in algemene dienst, worden voor een periode van ongeveer 5 jaar in de functie ge-plaatst waarop ze respectievelijk hebben gesolliciteerd of die ze op de dag voor omzetting vervulden 2. De termijn bedoeld in het eerste lid kan na afloop worden ver-lengd. Leidinggevende en medewerker bepalen in overleg de duur van de verlenging.
Gesprekkencyclus
Artikel 2:1a
1:4 1. Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de gemeentelijke organisatie worden gevoerd binnen het kader van de personeelsgesprekkencyclus van beoordeling, ontwikkelings-gesprek en voortgangsgesprek als bedoeld in artikel 15:1:15:1 2. Leidinggevende en medewerker maken jaarlijks concrete afspra-ken over ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende functie (loopbaanplan). De leidinggevende houdt bij het maken van de afspraken over ontwikkeling, opleiding of door-stroming, voor zover relevant, rekening met de persoonlijke situa-tie van de medewerker (leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.).
Ondersteuning
Artikel 2:1a1:5 1. Het kennisveld HRM ondersteunt de leidinggevende en de mede-werker bij het opstellen en het realiseren van een loopbaanplan
Voorkeurspositie
Artikel 2:1a
1:6 Medewerkers in algemene dienst die in overleg met hun leidinggeven-de een loopbaanplan hebben opgesteld, hebben na herplaatsingskan-didaten (als gevolg van reorganisatie of arbeidsongeschiktheid) een voorkeurpositie bij het vervullen van vacatures op hetzelfde niveau als de functie die zij vervullen, mits zij voldoen aan de functie-eisen. Zij hebben daarbij de zelfde positie als de interne kandidaten als bedoeld in het eerste lid van artikel 2a:1:1:3 Hardheidsclausule
Artikel 2:1a
1:7 In die gevallen waarin (de toepassing van) de voorgaande artikelen voor de medewerker onbedoeld tot een onbillijke of onredelijke situatie leidt, kan het college hiervan afwijken Aanvaarden andere werkzaamheden Artikel 2:1b 1. De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.
Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Artikel 2:2 1. Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie – na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd be-stuursorgaan gehouden onderzoek – kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.
Aanstelling; geneeskundig onderzoek Artikel 2:3 1. Onverminderd artikel 2:2 kan het college bepalen dat voor bepaal-de functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere ei-sen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden ge-steld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onder-zoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren be-staan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de ge-neeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.
Beleidsregel 2 betreft uitvoering artikel 2:3 CAR Een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 2:3, ter bepaling of er uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen aanstelling, ge-schiedt slechts indien de functie waarin de aanstelling zal plaatsvinden is vermeld op de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring geldt, met inachtneming van het bepaalde in de Wet op de medische keuringen en het door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst in opdracht van het kabinet opgestelde protocol aanstellingskeuringen.
Toelichting: In artikel 2:3 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling wordt bepaald, dat iemand in de regel slechts voor een aanstelling in aanmerking kan komen als bij een geneeskundig onderzoek, gericht op de te vervullen be-trekking, ingesteld door een geneeskundige, is gebleken dat tegen het vervul-len van die betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Door de vaststelling van de Wet op de medische keuringen is een dergelijke algemeen gestelde keuringseis niet meer toegestaan. Per dienst wordt een lijst met func-ties vastgesteld waarvoor, gelet op de in medische termen te vertalen functie-eisen, een aanstellingskeuring dient plaats te vinden.
Duur van de aanstelling Artikel 2:4 1. De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.
Paragraaf 1 Bericht van aanstelling
Artikel 2:4:1 1. De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het be-richt van aanstelling. Dit bericht vermeldt: a. de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); b. de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; c. de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: i in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; ii in een aanstelling bij wijze van proef; iii voor een project met een eenmalig en uniek karakter; iv hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; v als vakantiekracht; vi voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.
Vacatures Artikel 2:4:2 1. De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het per-soneel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aan-stelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.
Artikel 2:4:3Bevordering geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking waartoe bevorderd wordt
Paragraaf 3 In- en doorstroombanen
Algemene bepalingen Artikel 2:4:14 1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectieve en non-profit sector voor langdurig werklozen ge-richt op instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar an-dere functies in het arbeidsproces (Besluit in- en doorstroom-banen) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. b. ambtenaar: degene, met een aanstelling als bedoeld in artikel 2:4, die in het kader van het besluit in- en doorstroombanen in dienst van de gemeente Delft treedt. c. WIW-er: een langdurig werkloze die met toepassing van de wet van 4 december 1997, houdende regeling voor de totstandko-ming van een gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het arbeidsproces van lang-durig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoeken-den) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid, via een dienstverband bij de Stichting Werkplan weer is ingestroomd in het arbeidsproces.
Uitgangspunten Artikel 2:4:15 1. De ondernemingsraad adviseert de algemeen directeur over de vraag of er sprake is van extra werkgelegenheid boven de be-staande, goedgekeurde formatie. Periodiek bespreekt de onder-nemingsraad of uitvoering beantwoordt aan de doelstelling van de regeling en doet van haar bevindingen verslag aan de algemeen directeur.
Aanstelling Artikel 2:4:16 1. De ambtenaar wordt met toepassing van het eerste lid van artikel 2:4 van de CAR en het eerste lid, sub c onder ii van de NUR, aan-gesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar. Bij ten minste voldoende functioneren wordt na afloop van dit jaar een vaste aanstelling verleend, tenzij daartegen zwaarwegen-de bezwaren bestaan.
Bezoldiging Artikel 2:4:17 1. De salariëring van de ambtenaar vindt plaats met inachtneming van het elders in dit artikel bepaalde, hetgeen is gebaseerd op het tweede lid van artikel 3:1:1, dat het college de bevoegdheid ver-leent om nadere regelen te stellen.
Scholing en Vorming Artikel 2:4:18 1. De kosten, verbonden aan scholings- en begeleidingsafspraken in relatie tot de werkzaamheden van de ambtenaar, komen voor re-kening van de werkgever.
Slotbepalingen
Artikel 2:4:19
In gevallen waarin het bepaalde in deze paragraaf niet of niet naar re-delijkheid voorziet, treft het college de nodige voorzieningen. Het col-lege is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf na-dere voorschriften vast te stellen Arbeidsovereenkomst Artikel 2:5 1. Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsover-eenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij op-roep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.
Artikel 2:5:1Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing
Minimum-urengarantie bij oproepkrachten Artikel 2:5:2 De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbe-taling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betref-fende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.
Inhoud oproepovereenkomst Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: a. de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; b. de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden – na daartoe opgeroepen te zijn – te verrichten; c. een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de om-vang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te ge-ven; d. de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te ver-melden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; e. een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectieve-lijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelij-ke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de op-roepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; f. indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ont-slag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.
Betaling bij ziekte van de oproepkracht Artikel 2:5:4 1. De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaris-toelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum af-spraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2.
Overgangsrecht
Artikel 2:6
Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling Aanpassing arbeidsduur Artikel 2:7 1. Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een per-soon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsover-eenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbe-langen zich hiertegen verzetten.
Artikel 2:7a 1. Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambte-naar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.
HOOFDSTUK 2a RICHTLIJNEN BIJ WERVING EN SELECTIE
Begripsbepalingen
Artikel 2a1:1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
a. logische opvolger: degene waarvan het als vanzelfsprekend wordt gevonden dat deze een bepaalde vacante functie gaat vervullen, bijv. de plaatsvervanger, 2e man/vrouw of junior, die in voorko-mende gevallen bij afwezigheid van de betrokken functionaris (de-len van) diens werkzaamheden langdurig waarnam; b. (her)plaatsingsmedewerker: de ambtenaar, werkzaam bij het clus-ter Gemeentebrede bedrijfsvoeringsondersteuning, afdeling Ka-derstelling en Programmering, kennisveld HRM, die in het bijzon-der belast is met de verzuimbegeleiding en reïntegratie van zieke werknemers op grond van de wet Verbetering Poortwachter en de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; c. loopbaanadviescentrum: het onderdeel van het cluster Ge-meentebrede bedrijfsvoeringsondersteuning, afdeling Kaderstelling en Programmering, kennisveld HRM, waartoe medewerkers in dienst van de gemeente zich kunnen wenden voor loopbaanad-visering en –begeleiding; d. loopbaanafspraak in het kader van een persoonlijk ontwikkelings-plan: de in een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 17:1:1 gemaakte en op schrift gestelde (principe-)afspraken tus-sen de medewerker, zijn/haar leidinggevende en eventueel moge-lijk toekomstige leidinggevende inzake de loopbaanontwikkeling, geconcretiseerd tot (een) mogelijke toekomstige functie(s), even-tueel gekoppeld aan afspraken over in verband daarmee te volgen opleiding en te ondernemen activiteiten, te realiseren binnen een termijn van ten hoogste drie jaar; e. sociaal plan: het plan als bedoeld in artikel 15a:1:1:1, onder x.; f. WSW: Wet sociale werkvoorziening; g. WIW: Wet inschakeling werkzoekenden; h. Besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectie-ve en non-profit sector voor langdurig werklozen gericht op in-stroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces, vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; i. competenties: de competenties als bedoeld in de gemeentelijke competentieset; j. persoonlijk ontwikkelingsplan: het plan als bedoeld in het tweede lid van artikel 17:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie; k. gemeentelijk managementteam: het GMT als genoemd in het gel-dende Organisatieplan. l. P&O-adviseur: de ambtenaar van het cluster Gemeentebrede be-drijfsvoeringsondersteuning, die als adviseur van het manage¬ment op het terrein van Personeel en Organisatie optreedt.
Vacantstelling
Artikel 2a
1:1:2 1. Zodra een vacature ontstaat toetst de directeur van een cluster of de omvang, taakinhoud en functieniveau nog conform de gewens-te situatie zijn, dan wel aangepast moeten worden De directeur kan op dat moment tot een herschikking van taken, formatie en/of personele bezetting overgaan.
De directeur bepaalt hierbij: a. tot de formatie van welk onderdeel van de gemeentelijke orga-nisatie deze behoort; b. de omvang (in uren per week) van de vacature(s) die hierdoor ontstaat/-staan; c. het verlangde werk- en denkniveau; d. welke eventuele bijzondere functie-eisen en/of competenties gelden; e. de functiewaardering (eventueel met toepassing van het be-paalde in hoofdstuk 3b NUR) Wanneer dit leidt tot een organisatiewijziging als bedoeld in hoofd-stuk 15a, wordt de in dat hoofdstuk opgenomen procedure in acht genomen voordat een besluit tot herschikking van taken c.a. wordt genomen.
Deze (her)plaatsingsmedewerker beheert een bestand van: a. ambtenaren voor wie op grond van de wet Verbetering Poort-wachter en de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen een reïntegratietraject is of moet worden uitgezet; b. ambtenaren met wie, eventueel in het kader van een sociaal plan, als gevolg van een organisatiewijziging (her)plaatsings-afspraken zijn gemaakt.
De (her)plaatsingsmedewerker beoordeelt of er in zijn ogen interne kandidaten zijn die in het kader van een reïntegratietraject of in het kader van gemaakte (her)plaatsingsafspraken voor benoeming in een vacature in aanmerking zouden kunnen komen.
De (her)plaatsingsmedewerker stuurt een exemplaar van de vaca-ture ter kennisneming naar alle bekende (her)plaatsingskandi-daten.
De (her)plaatsingskandidaten die niet door de (her)plaatsings-medewerker zijn genoemd als in aanmerking komend voor be-noeming, maar toch van mening zijn dat zij voor deze vacature in aanmerking zouden moeten worden gebracht, kunnen dit kenbaar maken.
Met (her)plaatsingskandidaten als bedoeld in dit lid, die naar aan-leiding van de bekendmaking als bedoeld in dit lid uit eigen bewe-ging te kennen hebben gegeven belangstelling voor een vacature te hebben of die door de (her)plaatsingsmedewerker naar voren zijn geschoven wordt altijd via de P&O-adviseur een gesprek ge-voerd (functie-interview/sollicitatiegesprek).
Voordat een benoeming van een logische opvolger plaats vindt wordt het voorgenomen besluit voor een procedurele toets voorge-legd aan de ondernemingsraad.
Interne procedure
Artikel 2a
1:1:3 1. Nadat een vacature op grond van het vijfde lid van artikel 2a:1:1:2 algemeen bekend wordt gemaakt wordt bezien of er interne kan-didaten zijn met wie in het kader van een persoonlijk ontwikke-lingsplan loopbaanafspraken zijn gemaakt die aansluiten op de va-cature Interne kandidaten als hier bedoeld komen na de in artikel 2a:1:1:2 genoemde procedure in aanmerking voor benoeming.
Interne kandidaten
Artikel 2a1:1:4 Benoeming geschiedt bij voorkeur uit interne kandidaten
Onder interne kandidaten worden in dit kader verstaan: de ambtenaar als bedoeld in de Collectieve arbeidsvoorwaarden-regeling mensen met een dienstverband bij de gemeente Delft of bij een aan de gemeente Delft gelieerde instelling, op grond van het Be-sluit in- en doorstroombanen mensen met een dienstverband bij de Stichting Werkplan op grond van de WIW, en ook feitelijk werkzaam zijn bij de gemeente Delft of bij een aan de gemeente Delft gelieerde instelling mensen met een dienstverband bij de gemeente Delft op grond van de WSW degenen die, in dienst zijnde van een van de deelnemers aan de Mobiliteitsbank Haaglanden, uit dien hoofde toegang hebben tot de gemeenschappelijke interne arbeidsmarkt zoals geregeld in de samenwerkingsovereenkomst mobiliteitsbank Haaglanden en het Convenant Mobiliteitsbank Haaglanden.
Artikel 2a
1:1:5 Met een interne kandidaat wordt altijd een sollicitatiegesprek gevoerd, tenzij op basis van de bekende objectieve gegevens duidelijk is dat niet voldaan wordt aan de in artikel 2a:1:1:2 genoemde functie-eisen en/of competenties. In dat geval wordt met betrokkene zo spoedig mogelijk een gesprek gevoerd, waarbij de overwegingen die geleid hebben tot de conclusie dat er geen sollicitatiegesprek gevoerd wordt bekend worden gemaakt Wanneer een interne kandidaat na een sollicitatiegesprek niet voor benoeming in de vacature in aanmerking wordt gebracht kan deze bij het afdelingshoofd of teamleider of de P&O-adviseur informatie in-winnen waarom hij niet voor benoeming in aanmerking kwam.
Externe procedure
Artikel 2a
1:1:6 Als het niet lukt de vacature door een interne kandidaat te laten ver-vullen wordt deze extern bekend gemaakt, tenzij er voor wordt geko-zen op andere wijze de externe procedure te volgen, bijvoorbeeld door gebruikmaking van een extern bureau Ook als bekend is dat er een geschikte externe kandidaat aanwezig is voor een functie kan er voor worden gekozen de externe procedure achterwege te laten en over te gaan tot benoeming van deze kandi-daat.
Transparante sollicitatieprocedure
Artikel 2a1:1:7 1. Er wordt een inzichtelijke selectieprocedure gevolgd
Ook worden er geen bijeenkomsten georganiseerd die naar hun aard een bijdrage leveren aan de selectie van kandidaten, waarbij meerdere belangstellenden voor de functie(s) aanwezig zijn.
Geen discriminatie
Artikel 2a1:1:8 Tijdens de sollicitatiegesprekken worden geen voor de functie niet re-levante vragen gesteld
In ieder geval betreft het hier zaken die volledig in de privé-sfeer lig-gen, zoals politieke voorkeur, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, seksuele voorkeur en sociale achtergrond. Voor de functie niet rele-vante feiten mogen geen rol spelen bij de keuze voor een kandidaat.
Doelgroepen
Artikel 2a
1:1:9 Een ieder heeft, binnen het kader van de in de artikelen 2a:1:1:2 t/m 2a:1:1:6 aangegeven volgorde, gelijke kans om voor de vervulling van een vacature in aanmerking gebracht te worden Het streven is er op gericht het personeelsbestand van de gemeente een afspiegeling te laten zijn van de samenleving. Gelet hierop is het zowel tijdens de interne procedure als tijdens de externe procedure mogelijk dat aan een kandidaat die behoort tot een groepering die in het personeelsbestand ondervertegenwoordigd is om die reden de voorkeur wordt gegeven.
Onvoorziene situaties
Artikel 2a
1:1:10 In die situaties waarin dit besluit niet voorziet kan namens het college en na overleg met de ondernemingsraad, worden besloten tot het vol-gen van een andere procedure voor de werving en selectie dan be-schreven in deze regeling
HOOFDSTUK 3 SALARIS, VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN UITKERINGEN
Paragraaf 1: Algemene bepalingen
Functies en functiewaardering Artikel 3:1 1. Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed.
Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen Artikel 3:2 1. Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofd-stuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten.
Beleidsregel 3 betreft uitvoering artikel 3:2 CAR De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de sala-risschalen of, indien voor een betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen.
Beleidsregel 3A betreft uitvoering artikel 3:2 CAR 1. 1. Indien in de salarissen van het overheidspersoneel in de sector gemeenten een wijziging wordt aangebracht welke een algemeen karakter draagt, wordt door het college met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat, een overeenkomstige wijziging aange-bracht in de salarissen van de ambtenaren.
Paragraaf 2: Salaris
Vaststelling salaris Artikel 3:3 1. Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal.
Beleidsregel 4 betreft uitvoering artikel 3:3 CAR Wanneer het salaris, een emolument of een toelage moet worden be-rekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalender-dagen van die maand.
Beleidsregel 4A betreft uitvoering artikel 3:3 CAR Het salaris van de ambtenaar met een niet-volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.
Artikel 3:4Salarisverhoging
Beleidsregel 4B betreft uitvoering artikel 3:4 CAR 1. Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of ijver van de amb-tenaar kan het college bepalen dat ten aanzien van hem salaris-verhogingen, als bedoeld in artikel 3:4, achterwege worden gela-ten.
Verlaging salarisschaal Artikel 3:5 1. Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salaris-schaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwe-zig is.
Inpassing in hogere schaal Artikel 3:6 De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal over-gaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.
Beleidsregel 4C betreft uitvoering artikel 3:6 CAR
Artikel 3:6CAR geeft weer hoe uitvoering wordt gegeven aan de in-passing in een hogere schaal
Onder promotie verstaan we dat het salaris van de medewerker wordt ingedeeld in een salarisschaal met een hoger maximum. Als hiervan sprake is geschiedt dit als volgt:
Als eerste wordt een periodieke verhoging van het salaris in de oude schaal van de medewerker toegekend. Daarna wordt het salaris vast-gesteld op het naasthogere bedrag in de hogere schaal.
Is het salaris van de medewerker in de oude schaal gelijk aan het maximum (trede 11) dan wordt het salaris vastgesteld in de hogere schaal op het naasthogere bedrag in de hogere schaal, waarbij de verhoging van het salaris tenminste 75% bedraagt van het verschil tussen de periodieken 10 en 11 in de oude schaal.
Uitloopschaal
Artikel 3:7
Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 decem-ber 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal
Paragraaf 3: Salaristoelagen
Functioneringstoelage Artikel 3:8 1. Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen.
Arbeidsmarkttoelage Artikel 3:9 1. Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toe-kennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan perso-neel 2. De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.
Waarnemingstoelage Artikel 3:10 1. Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepa-ling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen func-tie.
Beleidsregel 5 betreft uitvoering artikel 3:10 CAR Bij de berekening van de hoogte van de waarnemingstoelage wordt de medewerker fictief ingeschaald in de bij de functie behorende schaal, conform het gestelde in beleidsregel 4C bij artikel 3:6.
Toelage Onregelmatige Dienst Artikel 3:11 1. De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werk-tijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week:
Buitendagvenstertoelage Artikel 3:12 1. De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktij-den en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buiten-dagvenstertoelage.
Toelage Beschikbaarheidsdienst Artikel 3:13 1. De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden be-schikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaar-heidsdienst.
Inconveniëntentoelage
Artikel 3:14Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toe-kennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid
Garantietoelage
Artikel 3:15Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen
Afbouwtoelage Artikel 3:16 1. De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmati-ge dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveni-ententoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien
Beleidsregel 5A betreft uitvoering artikel 3:16 CAR Beleidsregel inzake afbouw bij beëindiging of vermindering toelage on-regelmatige dienst.
Toelichting: middels deze beleidsregel wordt een reeds in de praktijk gebruike-lijke afbouwregeling bij het wegvallen of verminderen van structureel overwerk of structurele wachtdiensten geformaliseerd, hetgeen de eenheid in de toepas-sing van de arbeidsvoorwaarden bevordert.
Paragraaf 4: Overige vergoedingen en uitkeringen
Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam Artikel 3:17 1. De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende om-vang verricht.
Overwerkvergoeding Artikel 3:18 1. De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een over-werkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.
Beleidsregel 6 betreft uitvoering artikel 3:18 CAR In geval van overwerk bestaat er aanspraak op een maaltijdvergoe-ding, als het overwerk ten minste twee uur duurt en de ambtenaar niet naar huis kan gaan om op een voor het nuttigen van de maaltijd ge-bruikelijk tijdstip te eten (dit door het tijdstip waarop het overwerk moet aanvangen).
De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan het vergoedingsbedrag van een avondmaaltijd, neergelegd in de voor het rijkspersoneel vast-gestelde reisregeling binnenland.
Toelichting: Wanneer het door de aard en de duur van het overwerk niet moge-lijk is dat de ambtenaar thuis op een voor het nuttigen van de maaltijd gebrui-kelijk tijdstip kan eten, kunnen de voor een avondmaaltijd gemaakt kosten, op declaratiebasis, worden vergoed. Hierbij wordt zoveel mogelijk aansluiting ge-zocht bij de terzake voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling.
Eindejaarsuitkering Artikel 3:18a 1. De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking mi-nimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.
Ambtsjubileum Artikel 3:19 1. Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.
Beleidsregel 6A betreft uitvoering artikel 3:19 CAR Voor medewerkers voor diensten op afroep wordt de diensttijd voor de berekening van ambtsjubilea bepaald door de datum van ingang van aanstelling en de eventuele datum einde aanstelling. De periode gedu-rende welke men een aanstelling heeft/had is dus bepalend, niet de feitelijk gewerkte tijd. Bij de berekening van een gratificatie ambtsjubi-leum wordt voor iemand met een aanstelling voor diensten op afroep als berekeningsbasis gehanteerd de gemiddelde bezoldiging en vakan-tietoelage die betrokkene in de aan de jubileumdatum voorafgaande 12 maanden heeft verdiend.
Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake de berekening van een ambtsjubileumgratificatie voor medewerkers voor diensten op afroep kan de situatie ontstaan, dat de toevalstreffer van de bezoldiging in de maand waarin het jubileum valt bepalend is voor de hoogte van de gratificatie. Voor deze groep van werknemers wordt het juister geacht het gemiddelde loon over de twaalf maanden voorafgaande aan de jubileumdatum te hanteren als bere-keningsbasis voor de gratificatie. Dit zal in zijn algemeenheid leiden tot een gratificatie die meer een afspiegeling vormt van de gemiddelde verdiensten dan wanneer de bezoldiging van één maand hiervoor bepalend is.
Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
Artikel 3:20Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenma-lig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of ge-leverde bijzondere prestaties
Beleidsregel 6B betreft uitvoering artikel 3:20 CAR
Artikel 3:20
CAR geeft aan dat een medewerker of een groep mede-werkers een geldbedrag kan worden toegekend voor uitstekend func-tioneren en/of bijzondere prestaties. De richtlijn is dat de medewerker of groep een bedrag van (in totaal) € 250,- – 1.000,- netto kan worden toegekend Het geldbedrag wordt ineens en ten hoogste eenmaal binnen een pe-riode van een jaar toegekend.
In het geval van een groep medewerkers wordt er geen onderscheid gemaakt tussen medewerkers met een deeltijd of voltijd dienstver-band.
Aan een medewerker of groep medewerkers die een uitstekende kortdurende en/of eenmalige bijzondere prestatie heeft geleverd, kan een kleiner geldbedrag in vorm van een (eenmalige) materiële belo-ning worden toegekend. Voorbeelden van deze vorm van belonen zijn: een bos bloemen, boeken-, diner- of theater bon. De richtlijn hiervoor is dat de bon een waarde van €50,- – €125, - vertegenwoordigt.
Reis- en verblijfkostenvergoeding
Artikel 3:21
Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij ge-bruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief Reiskostenvergoeding woon-werkverkeerd
Artikel 3:22Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen
Overlijdensuitkering Artikel 3:23 1. Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoela-gen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.
Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst Artikel 3:24 1. Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overle-dene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de min-derjarige kinderen.
Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:25 1. De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tege-moetkoming in zijn ziektekosten.
Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:26 1. De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.
Beleidsregel 7 betreft uitvoering hoofdstuk 3, paragraaf 1-4 CAR Toelagen op grond van hoofdstuk 3 of hoofdstuk 3a worden zo spoe-dig mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand nadat deze ter be-taling is doorgegeven betaalbaar gesteld.
Paragraaf 5: Individueel Keuzebudget
Nog in te vullen per 1 januari 2017
Paragraaf 6: Overgangsrecht
Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari 2016 1. Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.
Toelichting: a. Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – onge-acht de benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende ambte-naar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedin-gen – op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de toe-lage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit overgangsrecht.
Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grond-slag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toeken-ning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toe-passing blijven. b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatum Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan even-eens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tij-dens welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit.
Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zo-als sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage ge-geven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgeleg-de einddatum.
Toelichting:
Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugke-ren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3.
Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.
Toelichting:
Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakan-tietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten) om-vat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, die-nen de betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.
In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toela-gen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of ver-mindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan.
De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschil-lende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningsele-ment dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een ex-tra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepa-len, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale be-zoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is dui-delijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.
De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eind-bedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld.
Geen roosters Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan re-produceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.
Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig over-werkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het oude overwerkpa-troon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is.
Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representa-tief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het overgangsrecht.
De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofd-stuk 3 niet op achteruitgaan.
Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktij-denregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te repro-duceren.
Toelichting:
De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief ver-schil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro 200) = Euro 100-.
De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensi-oengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage.
Toelichting:
Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het in-komen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de medewerker.
Toelichting:
De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand de-cember wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste si-tuatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal an-dere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet be-paald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO ge-sprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden gemaakt.
Toelichting:
Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd.
Toelichting:
Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.
Toelichting:
De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.
Toelichting: Zie punt 8.
Toelichting:
De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 de-cember 2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubile-umgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de be-paling of het relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Be-treft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Mak-kelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.
Beleidsregel 8 betreft uitvoering Hoofdstuk 3, paragraaf 6 CAR In het geval dat het recht op een bepaalde toelage, op grond waarvan bij herziening van Hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 een Toelage Over-gangsrecht (TOR) is toegekend, komt te vervallen, vervalt ook het daarbij behorende deel van de TOR. Bij het vervallen of verminderen van de TOR, wordt de afbouwtoelage, als genoemd in artikel 3:16, gehanteerd. Wanneer het recht op de desbetreffende toelage herleeft, herleeft ook het recht op het daarbij behorende deel van de TOR.
HOOFDSTUK 3B FUNCTIEWAARDERING Begripsbepalingen
Artikel 3b1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
a. ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1:1:2; b. functie: het samenstel van taken en/of werkzaamheden dat, afge-leid uit de taakstelling van de organisatie, is opgedragen aan een functiehouder, eventueel nader ingekleurd via tussen de leidingge-vende en betrokkenen te maken, schriftelijk vast te leggen, resul-taatafspraken; c. functiehouder: de ambtenaar als bedoeld onder a., die een functie als bedoeld onder b. vervult; d. functiebeschrijving: de normbeschrijving dan wel de lokale func-tiebeschrijving die een resultaatgerichte weergave is van aard, overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken; e. normbeschrijving: de generieke functiebeschrijving zoals opgeno-men in het normbestand van HR21. De normbeschrijving is voor-zien van een vaste waardering (puntenreeks); f. lokale functiebeschrijving: de volgens het format van HR21 lokaal gewijzigde normbeschrijving of toegevoegde (nieuwe) functiebe-schrijving; g. functiewaardering: het bepalen van de relatieve functiewaarde van een functiebeschrijving aan de hand van de in HR21 vastgelegde waarderingsmethode. h. HR21: het in opdracht van de VNG voor de sector gemeenten ontwikkelde functiewaarderingssysteem i. gemeentedirecteur: de hoogste leidinggevende van een cluster als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opge-nomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college; j. gemeentelijk managementteam: het gemeentelijk management-team als bedoeld in artikel 2a:1:1:1; k. cluster: een cluster als genoemd in het geldende Organisatieplan; l. bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders; m. bestuurder: de bestuurder in de zin van de Wet op de onderne-mingsraden (WOR); n. externe deskundige: een door de systeemhouder (VNG) erkend deskundige inzake de ontwikkeling, toepassing en werking van HR21; o. gecertificeerde gebruiker: de volgens de normering van de extern deskundige opgeleide lokale gebruiker die geautoriseerd is om te werken met HR21; p. conversie: de vertaling van de gevonden rangorde naar salaris-schalen; q. indelingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 3b:1:1:6, die de indelingsadviezen toetst.
Vaststelling functiebeschrijvingen/Functiematrix
Artikel 3b
1:1:2 1. Het bevoegd gezag, of in opdracht de directeuren of afdelings-hoofden, selecteren (in samenspraak met de externe deskundige en/of een gecertificeerde gebruiker) per functie een normbe-schrijving uit HR21. Indien de normbeschrijving voor de functie onvolledig is, dan wel een voor de functie dekkende normbe-schrijving niet beschikbaar is, wordt een lokale functiebeschrij-ving opgesteld 2. De geselecteerde normbeschrijving(en) en/of lokale functiebe-schrijving(en) wordt/worden besproken binnen het gemeentelijk managementteam en/of met de verantwoordelijke gemeentedi-recteur en/of diens afdelingshoofd(en). Zij worden om advies voorgelegd aan de indelingscommissie en vervolgens door of namens de bestuurder voorlopig vastgesteld. De voorlopig vast-gestelde functiebeschrijving(en) wordt/worden door de bestuur-der ter informatie aangeboden aan de ondernemingsraad (OR).
Functiewaardering
Artikel 3b
1:1:3 1. In opdracht van het bevoegd gezag worden door de gecertificeer-de gebruiker en/of externe deskundige aan de hand van de in HR21 vastgelegde functiewaarderingsmethode alle lokale functie-beschrijvingen gewaardeerd 2. De waarderingsresultaten van de lokale functiebeschrijvingen wor-den ter toetsing en advies aangeboden aan de indelingscommissie als bedoeld in artikel 3b:1:1:6 3. De waarderingsresultaten worden opgenomen in een eindadvies functiewaardering aan het bevoegd gezag. Het waarderingsadvies bevat in ieder geval:
Afwijking van het advies kan slechts op basis van zwaarwegende argumenten. Het bevoegd gezag stelt de waarderingen van de lo-cale functiebeschrijvingen en normbeschrijvingen bij algemeen verbindend voorschrift vast.
Vaststelling conversietabel
Artikel 3b
1:1:4 1. Het bevoegd gezag stelt op basis van de vastgestelde gemeente-lijke salarisstructuur, na overleg met de commissie voor georgani-seerd overleg, een conversietabel vast. Wijziging van de gemeen-telijke salarisstructuur vindt niet plaats zonder overeenstemming binnen de commissie voor georganiseerd overleg 2. Door middel van de vastgestelde conversietabel worden de waar-deringen van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale functiebeschrijvingen omgezet naar functionele schalen.
Voorbereiding indelingsadvies, indelingsbesluit, bezwaar en be-roep
Artikel 3b
1:1:5 1. Het gemeentelijk managementteam of de direct verantwoordelijke gemeentedirecteur adviseert (in samenspraak met de externe deskundige en/of gecertificeerde gebruiker) het bevoegd gezag over de indeling van de functies in norm- en/of lokale functiebe-schrijvingen 2. Wanneer er sprake is van een organisatie brede functiebeschrij-vingsronde, of wanneer er sprake is van een ingrijpende (organi-satorische) verandering zoals bedoeld in de WOR artikel 25 lid 1, sub d en e, wordt het indelingsadvies ter toetsing en advies voor-gelegd aan de indelingscommissie.
De functiehouder wordt daarbij geïnformeerd over de gevolgen voor de inschaling, het salaris en/of de bezoldiging.
Deze mededeling is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen dit besluit kan de functiehou-der schriftelijk en gemotiveerd bezwaar maken bij het bevoegd gezag.
Indelingscommissie
Artikel 3b1:1:6 1. De indelingscommissie bestaat uit
Nieuwe en gewijzigde taken
Artikel 3b
1:1:7 1. Indien aan een functiehouder door of namens het gemeentelijk managementteam, nieuwe of gewijzigde taken worden opgedra-gen, dan heroverweegt het bevoegd gezag, na en met inachtne-ming van het advies van de direct verantwoordelijke gemeente di-recteur (in samenspraak met de externe deskundige en/of gecer-tificeerde gebruiker), de indeling in de functiebeschrijving 2. Indien een functiehouder van mening is dat zijn functie zodanig is gewijzigd dat dit zou moeten leiden tot een heroverweging van de indeling van zijn functie, dan kan hij het bevoegd gezag ver-zoeken hiertoe over te gaan.
Wijziging functiebeschrijvingen
Artikel 3b
1:1:8 1. Bij wijziging van de structuur, taken of doelstellingen van de orga-nisatie wordt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, door of namens de bestuurder bezien of de vastgestelde functie-beschrijvingen volledig en/of toereikend zijn. Het selecteren, wijzi-gen of opstellen van nieuwe functiebeschrijvingen verloopt vol-gens de procedure als beschreven in artikel 3b:1:1:2 2. Een verzoek tot heroverweging van de bestaande functiebeschrij-vingen kan ook worden ingediend door de OR.
Van kracht worden functiewaardering
Artikel 3b
1:1:9 De nieuwe functiewaardering wordt van kracht op de datum dat deze wordt vastgesteld door het college. Het recht op een eventuele be-vordering met terugwerkende kracht zal per individu beoordeeld wor-den, op grond van artikel 3c:1:1:6 van de Nadere Uitwerkingsregeling (NUR) Maatregelen
Artikel 3b1:1:10 1. Het college treft maatregelen, die voor de uitvoering van deze re-geling noodzakelijk zijn
Dit geldt ook voor diegenen die voor de invoering van HR21 in een organieke functie die is gewaardeerd in een van de twee tussen-schalen (salarisschaal 10a en salarisschaal 11a) zijn benoemd en worden ingedeeld in een normfunctie behorende tot de lokale functiematrix (het functiehuis Delft in HR21).
Functies waarvan de inhoud op de peildatum nog niet vast lag worden na vaststelling en invoering van HR21 alsnog ingedeeld. De indeling maakt dan echter qua planning geen onderdeel uit van het project invoering HR21.
Meer expliciet houdt dit in dat functies waarvoor geldt dat die on-derdeel uitmaken van een lopend organisatieveranderingsproces bij het huidige invoeringstraject buiten beschouwing blijven.
Deze functies zullen zodra definitieve besluitvorming over de or-ganisatieverandering heeft plaatsgevonden en HR21 ingevoerd is worden ingedeeld en d.m.v. de conversietabel aan een salaris-schaal worden gekoppeld.
Als dit leidt tot een hogere salarisschaal dan zal de datum van in-gang (‘terugwerkende kracht’) zijn de datum waarop de organisa-tieverandering wordt of is ingevoerd. Hiermee wordt bedoeld de datum waarop die organisatieverandering van kracht wordt.
4.1. De toelage module coördinatie wordt toegekend aan een me-dewerker voor wie een functiewaardering geldt t/m salaris-schaal 9 als er sprake is van de situatie waarin deze:
4.2. De toelage behoort tot de bezoldiging. Hierover ontvangt de medewerker als bedoeld bij 4.1. dan ook vakantietoelage en eindejaarsuitkering.
Bij ziekte wordt de toelage doorbetaald, met inachtneming van de eventuele reglementaire korting van bezoldiging bij langdu-rige ziekte.
4.3. De toelage module coördinatie bedraagt het verschil tussen de laatste periodiek van de functionele schaal behorende bij de functie en het maximumsalaris dat behoort bij de naast ho-ger gelegen functieschaal.
4.4. De toelage module coördinatie wordt toegekend in de vorm van een persoonlijke functiegebonden toelage, toe te kennen voor de duur dat ook daadwerkelijk gecoördineerd wordt. Zij wordt vastgelegd in een (voor bezwaar en/of beroep) vatbaar besluit. Dat houdt in dat ook de intrekking daarvan, als de ba-sis hiervoor is komen te vervallen, zal moeten gebeuren in de vorm van een besluit waartegen bezwaar en/of beroep moge-lijk is.
4.5. De toelage kan worden ingetrokken als de basis daarvoor komt te vervallen. Hierbij valt in principe te denken aan de volgende omstandigheden.
4.6. Wanneer een toelage module coördinatie wordt ingetrokken zal er een afbouwregeling worden getroffen conform het be-paalde in artikel 3:16 CAR.
Wanneer er tegen het einde van het eerste kwartaal 2014 nog geen zicht is op een (al dan niet geharmoniseerde) inconvenien-tenregeling wordt dit onderwerp opnieuw aan de orde gesteld in het georganiseerd overleg.
Vastgesteld d.d. 25 februari 2014 HOOFDSTUK 3C RICHTLIJNEN VOOR HET AANSTELLINGS- EN BEVORDERINGSBELEID
Artikel 3c
1:1:1 Grondslag voor de vaststelling van de beloning is de zwaarte van de functie, zoals deze binnen het raam van de organisatie is geformeerd en door middel van het gemeentelijke functiewaarderingssysteem is gewaardeerd
Artikel 3c
1:1:2 Deze zwaarte als bedoeld in artikel 3c:1:1:1 wordt, via conversie van de functiescore, tot uitdrukking gebracht door het bepalen van een van de salarisschalen, behorende bij \ bijlage IIa van de CAR, als de bij de functie behorende functionele salarisschaal
Artikel 3c
1:1:3 Voor de benoeming in c.q. bevordering tot de functionele salarisschaal moet een volledige en goede functie-uitoefening vaststaan. Voor zo-ver benoeming of bevordering niet in of naar de functionele salaris-schaal plaatsvindt, vindt de positiebepaling plaats in een aanloop-schaal
Artikel 3c
1:1:4 Plaatsing in een aanloopschaal dient in principe voor een beperkte pe-riode te gelden. Afhankelijk van de eisen, die de functie stelt en de ontwikkeling van de betreffende medewerker kan dit variëren van en-kele maanden tot meerdere jaren
Artikel 3c1:1:5 vervallen
Artikel 3c
1:1:6 Met inachtneming van het hiervoor vermelde vindt bevordering in principe plaats met ingang van het tijdstip, waarop een functie zodanig van aard veranderde, dat de nieuwe waardering van toepassing werd, uiteraard met inachtneming van het gestelde in artikel 3c:1:1:3 inzake de wijze van functievervulling. Bij wijziging van de functiewaardering tengevolge van de invoering van het reglement functieonderzoek ge-meente Delft 1986 werkt een bevordering in principe terug tot 1 janua-ri 1986, tenzij duidelijk is dat de functie ook vóór die datum op een ho-ger niveau gewaardeerd had moeten worden, in welk geval de bevor-dering terugwerkt tot het moment waarop de functie voor zover is na te gaan op dat hogere niveau gewaardeerd had moeten worden
Artikel 3c
1:1:7 Wanneer op grond van de eerder gevoerde personeelsgesprekken en uit een advies van de systeemdeskundige als bedoeld in artikel 3b:1:1:1 blijkt dat de wijze van functievervulling zodanig is, dat er sprake is van een zodanige blijvende persoonsgebonden uitbouw van de functie, dat deze feitelijk het niveau bereikt van de organieke func-ties die gewaardeerd zijn met een hogere salarisschaal, kan aan de betreffende medewerker persoonlijk een salarisschaal boven de func-tionele salarisschaal worden toegekend
Artikel 3c
1:1:8 Bij een door de dienstleiding aangebrachte permanente verandering van een functie of delen van een functie wordt met behulp van het functiewaarderingssysteem als bedoeld in hoofdstuk 3B (dus vanuit een nieuwe functiebeschrijving) vastgesteld of herwaardering van de betreffende functie dient plaats te vinden
Artikel 3c
1:1:9 1. Wanneer na toekenning van een persoonsgebonden salarisschaal boven de functionele salarisschaal (conform het gestelde in artikel 3c:1:1:7) plaatsing in een zwaarder gewaardeerde functie plaats vindt, blijft het gestelde in de artikelen 3c:1:1:3 tot en met 3c:1:1:7 van overeenkomstige toepassing 2. Hogere waardering van dezelfde functie wordt voor de toepassing van het in het eerste lid gestelde gelijk gesteld met plaatsing in een andere, zwaardere functie.
Artikel 3c1:1:10 vervallen
Artikel 3c
1:1:11 Degene, die een salarisschaal heeft die boven de waardering van de functie die hij vervult uitgaat komt niet voor bevordering tot een per-soonsgebonden salarisschaal boven de functionele salarisschaal in aanmerking
Artikel 3c
1:1:12 Buitengewone bekwaamheid, geschiktheid of inzet van de ambtenaar kan, zolang hij niet het maximum van de voor hem geldende salaris-schaal heeft bereikt, met toepassing van artikel 38 worden gehono-reerd met een versnelling in het doorlopen van die salarisschaal. Een dergelijke versnelling kan eveneens plaatsvinden, indien binnen de functionele rang de salarisverhouding tot vergelijkbare collega’s dit wenselijk maakt. Bij die vergelijking behoort uiteraard ook de wijze van functievervulling in beschouwing te worden genomen
Artikel 3c
1:1:14 Aan de hand van functiegegevens enerzijds en gegevens uit ontwik-kelings-, voortgangs- en beoordelingsgesprekken anderzijds wordt re-gelmatig aandacht besteed aan loopbaanontwikkeling. Verandering van functie in horizontale (gelijkwaardige) of in verticale (zwaardere, eventueel ook lichtere) zin moet mogelijk zijn, teneinde de mobiliteit van het personeel als geheel te bevorderen
Artikel 3c
1:1:15 Zij die zich op 1 oktober 1986 reeds in de op 30 september 1986 gel-dende hoogste functierang (functionele salarisschaal) waren inge-schaald behouden het op laatstgenoemde datum bestaande uitzicht op de uitlooprang (naasthogere salarisschaal) conform de daarvoor tot die datum geldende regels. Indien deze betrokkene op grond van de waardering volgens het nieuwe functiewaarderingssysteem van hun huidige of toekomstige functie aanspraak kunnen maken op een ho-gere rang/salarisschaal dan hun rang/salarisschaal op 30 september 1986 vervalt het recht op de oude uitlooprang (naasthogere salaris-schaal)
Artikel 3c1:1:16 De salarisschalen 10a en 11a, genoemd in bijlage II en bijlage IIa, be-horende bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, worden slechts gebruikt
HOOFDSTUK 3F BEDRIJFSHULPVERLENING
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 3f1:1:1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
a. EHBO-er: degene, niet zijnde een bedrijfshulpverlener, voor wie het bezit van een geldig EHBO-diploma geen functie-eis is, maar vanuit een oogpunt van dienstbelang wenselijk wordt ge-vonden; b. bedrijfshulpverlener: de ambtenaar, werkzaam bij de gemeente Delft, die bij besluit van het college is aangewezen om conform artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet hulp in of rond de gemeentelijke gebouwen te verlenen met een of meer van de volgende taken:
Paragraaf 2 EHBO
Criteria voor EHBO-werkzaamheden