Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsverordening Limburg 2014 (Limburg)

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet regelt de inrichting van de fysieke leefomgeving in Limburg, met specifieke bepalingen over ruimtelijke ordening, natuur, milieubescherming en waterbeheer. Het doel is een duurzame ontwikkeling en bescherming van de provinciale belangen.

Voor wie: Gemeenten in Limburg, die ruimtelijke plannen opstellen; Burgers en bedrijven die activiteiten ontplooien in de provincie Limburg, zoals bouwprojecten, veehouderijen of glastuinbouw.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
184
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De ontwikkeling van stedelijke gebieden en de herbenutting van leegstaande gebouwen.
  • De bescherming van natuurgebieden en landschappen, zoals de Goudgroene natuurzone en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.
  • Regels voor milieubeschermingsgebieden, waaronder waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden.
  • Het beheer van waterkeringen, de normering van wateroverlast en grondwateronttrekkingen.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Gemeenten in Limburg, die ruimtelijke plannen opstellen.
  • Burgers en bedrijven die activiteiten ontplooien in de provincie Limburg, zoals bouwprojecten, veehouderijen of glastuinbouw.

Wat zijn de kernpunten?

  • Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten rekening houden met de "ladder voor duurzame verstedelijking" en de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzoeken.
  • Langs spoorwegen en provinciale wegen geldt een reserveringszone van 15 meter aan weerszijden, waarbinnen geen bouwwerken zijn toegestaan die een omgevingsvergunning vereisen.
  • In de regio's Noord-, Midden- en Zuid-Limburg gelden specifieke afspraken over de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad en planvoorraad, zoals beschreven in regionale structuurvisies.
  • Het plaatsen van windturbines is verboden in aangewezen uitsluitingsgebieden.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (184)
  1. § 2.1 Algemeen
  2. § 2.2 Duurzame verstedelijking
  3. § 2.3 Reserveringszones langs spoorwegen en provinciale wegen
  4. § 2.4 Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014
  5. § 2.5 Bewoning van recreatieverblijven
  6. § 2.6 Goudgroene natuurzone
  7. § 2.7 Bronsgroene landschapszone
  8. § 2.8 Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg
  9. § 2.9 Zone Natuurbeek
  10. § 2.10 Uitsluitingsgebied windturbines
  11. § 2.11 Intensieve veehouderij
  12. § 2.12 Glastuinbouw
  13. § 3.1 Veehouderijen en Natura 2000
  14. § 3.2 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen
  15. § 3.3 Houtopstanden
  16. § 3.4 Faunabeheereenheden
  17. § 3.5 Wildbeheereenheden
  18. § 3.6 Faunabeheerplan
  19. § 3.7 Faunaschade
  20. § 3.8 Vrijstellingen beschermde diersoorten
  21. § 4.1 Algemeen
  22. § 4.2 Waterwingebieden
  23. § 4.3 Grondwaterbeschermingsgebieden
  24. § 4.4 Boringvrije zones
  25. § 4.5 Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg
  26. § 4.6 Stiltegebieden
  27. § 5.1 Algemeen
  28. § 5.2 Regionale waterkeringen
  29. § 5.3 Normering regionale wateroverlast
  30. § 5.4 Verslag toetsing watersysteem
  31. § 5.5 Regionaal waterplan
  32. § 5.6 Beheerplan
  33. § 5.7 Waterstaatswerken
  34. § 5.8 Grondwateronttrekking
  35. § 7.1 Provinciale wegen
  36. § 7.2 Rioolplichtontheffing
  37. § 7.3 Gesloten stortplaatsen
  38. § 7.4 Bedrijventerreinen met provinciale geluidscontour
  39. Artikel1.1.1 Algemene begripsbepaling
  40. Artikel1.1.2 Functioneel daderschap
  41. Artikel1.1.3 Bekendmaking besluiten van algemene strekking
  42. Artikel2.1.1 Begrippen
  43. Artikel2.1.2 Ontheffing en wijziging begrenzing
  44. Artikel2.2.1 Begrippen
  45. Artikel2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
  46. Artikel2.2.3 Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen
  47. Artikel2.3.1 Begrippen
  48. Artikel2.3.2 Aanduiding reserveringszone langs spoorwegen en provinciale wegen
  49. Artikel2.3.3 Aanwijzing belemmerende activiteiten
  50. Artikel2.4.1 Begrippen
  51. Artikel2.4.2 Wonen
  52. Artikel2.4.3 Detailhandel
  53. Artikel2.4.4 Kantoren
  54. Artikel2.4.5 Bedrijventerreinen
  55. Artikel2.4.6 Vrijetijdseconomie
  56. Artikel2.5.1 Verbod wijzigen bestemming
  57. Artikel2.5.2 Verbod wonen in recreatieverblijven
  58. Artikel2.5.3 Huisvesting short-stay arbeidsmigranten op recreatieterreinen
  59. Artikel2.6.1 Begrippen
  60. Artikel2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone
  61. Artikel2.6.3 Ontwikkelingen van groot openbaar belang
  62. Artikel2.6.4 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen
  63. Artikel2.6.5 Kleinschalige ingrepen
  64. Artikel2.6.6 Wijzigen van de begrenzing
  65. Artikel2.6.7 Beleidsregels
  66. Artikel2.7.1 Begrippen
  67. Artikel2.7.2 Bronsgroene landschapszone
  68. Artikel2.8.1 Begrippen
  69. Artikel2.8.2 Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg
  70. Artikel2.9.1 Begrippen
  71. Artikel2.9.2 Zone natuurbeek
  72. Artikel2.10.1 Begrippen
  73. Artikel2.10.2 Verbod plaatsing windturbines
  74. Artikel2.11.1 Begrippen
  75. Artikel2.11.2 Nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij
  76. Artikel2.11.3 Vormverandering van intensieve veehouderij in extensiveringsgebied int
  77. Artikel2.12.1 Begrippen
  78. Artikel2.12.2 Nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven
  79. Artikel3.1.1 Begrippen
  80. Artikel3.1.2 Eisen stalsystemen
  81. Artikel3.1.3 Afwijkingsmogelijkheid
  82. Artikel3.1.4 Overgangsregeling
  83. Artikel3.2.1 Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen
  84. Artikel3.3.1 Begrippen
  85. Artikel3.3.2 Melding van een voorgenomen velling
  86. Artikel3.3.3 Termijnen melding
  87. Artikel3.3.4 Eisen aan herbeplantingen
  88. Artikel3.3.5 Eisen aan herbeplanting op andere grond
  89. Artikel 3.3.6 Vrijstelling meldplicht
  90. Artikel 3.3.7 Vrijstelling herbeplantingsplicht
  91. Artikel3.4.1 Eisen aan de faunabeheereenheid
  92. Artikel 3.4.2 Samenstelling bestuur
  93. Artikel3.5.1 Eisen en begrenzing werkgebied
  94. Artikel3.5.2 Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied
  95. Artikel3.5.3 Gegevensverzameling
  96. Artikel3.5.4 Verplichte aansluiting jachthouders met een jachtakte
  97. Artikel 3.5.5 Beëindiging lidmaatschap
  98. Artikel 3.5.6 Geschillenregeling
  99. Artikel3.6.1 Reikwijdte faunabeheerplan
  100. Artikel3.6.2 Geldigheidsduur en wijzigen faunabeheerplan
  101. Artikel3.6.3 Algemene eisen aan een faunabeheerplan
  102. Artikel3.6.4 Eisen aan een faunabeheerplan inzake populatiebeheer en schadebestrijd
  103. Artikel3.6.5 Eisen aan een faunabeheerplan inzake jacht
  104. Artikel3.6.6 Afschotvrij natuurgebied
  105. Artikel3.6.7 Goedkeuring
  106. Artikel3.6.8 Hardheidsclausule
  107. Artikel3.7.1 Begrippen
  108. Artikel3.7.2 De aanvraag om tegemoetkoming
  109. Artikel3.7.3 Taxatie van de schade
  110. Artikel3.8.1 Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende dieren
  111. Artikel 3.8.2 Vrijstelling bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door
  112. Artikel3.8.3 Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud
  113. Artikel3.8.4 Eén op één-methode wilde zwijnen
  114. Artikel3.8.5 Amfibieën veilig stellen tegen het verkeer
  115. Artikel3.8.6 Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden
  116. Artikel3.8.7 Vrijstellingen voor onderzoek en onderwijs
  117. Artikel3.8.8 Wijzigen bijlagen
  118. Artikel4.1.1 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden
  119. Artikel4.1.2 Algemene regels
  120. Artikel4.1.3 Aanduiding waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stilteg
  121. Artikel4.2.1 Bouwstoffen, grond en baggerspecie
  122. Artikel4.2.2 Verboden inrichtingen
  123. Artikel4.2.3 Verboden handelingen
  124. Artikel4.2.4 Uitzonderingen
  125. Artikel4.2.5 Ontheffing
  126. Artikel4.3.1 Overeenkomstige toepassing verbodsbepalingen en uitzonderingen
  127. Artikel4.3.2 Verboden inrichtingen
  128. Artikel4.3.3 Instructiebepaling omgevingsvergunningen
  129. Artikel4.3.4 Regels voor overige inrichtingen
  130. Artikel4.3.5 Ontheffing
  131. Artikel4.4.1 Roerdalslenk
  132. Artikel4.4.2 Venloschol
  133. Artikel4.4.3 Uitzonderingen
  134. Artikel4.4.4 Ontheffing
  135. Artikel4.5.1 Verboden handelingen
  136. Artikel4.5.2 Uitzonderingen
  137. Artikel4.5.3 Ontheffing
  138. Artikel4.6.1 Motorvoertuigen en bromfietsen
  139. Artikel4.6.2 Lawaaiige apparaten
  140. Artikel4.6.3 Uitzonderingen en ontheffingen
  141. Artikel5.1.1 Begrippen en reikwijdte
  142. Artikel5.2.1 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen
  143. Artikel5.3.1 Normen wateroverlast
  144. Artikel5.4.1 Verslag toetsing watersysteem
  145. Artikel5.5.1 Inhoud regionaal waterplan
  146. Artikel5.5.2 Procedurele bepalingen regionaal waterplan
  147. Artikel5.5.3 Uitwerking regionaal waterplan
  148. Artikel5.6.1 Inhoud beheerplan
  149. Artikel5.6.2 Procedurele bepalingen beheerplan
  150. Artikel5.6.3 Uitwerking beheerplan
  151. Artikel5.6.4 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan
  152. Artikel5.7.1 Legger waterstaatswerken
  153. Artikel5.7.2 Projectprocedure voor waterstaatswerken
  154. Artikel5.8.1 Grondwaterregister
  155. Artikel5.8.2 Instructiebepalingen grondwater
  156. Artikel5.8.3 Uitzondering vergunningplicht
  157. Artikel6.1.1 Vrijstellingen
  158. Artikel6.1.2 Ontgrondingsvergunningen
  159. Artikel7.1.1 Wegen
  160. Artikel7.2.1 Rioolplichtontheffing
  161. Artikel7.3.1 Gesloten stortplaatsen
  162. Artikel7.4.1 Bedrijventerreinen met provinciale geluidscontour
  163. Artikel8.1.1 Ontheffingen
  164. Artikel8.1.2 Besluit op aanvraag om ontheffing; wijziging en intrekking
  165. Artikel8.1.3 Ontheffinghouder
  166. Artikel8.1.4 Meldingen
  167. Artikel8.1.5 Ontheffingen hoofdstuk 2
  168. Artikel9.1.1 Toepasselijkheid
  169. Artikel10.1.1 Strafbepalingen en opsporing
  170. Artikel10.1.2 Intrekken verordeningen
  171. Artikel10.1.3 Overgangsbepaling
  172. Artikel10.1.4 Citeertitel
  173. Artikel 2.4.2 Wonen
  174. Artikel 2.4.3 Detailhandel
  175. Artikel 2.4.4 Kantoren
  176. Artikel 2.4.5 Bedrijventerreinen
  177. Artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie
  178. Artikel 2.6.2
  179. Artikel 2.6.3
  180. Artikel 2.6.4
  181. Artikel 2.6.5
  182. Artikel 2.6.6
  183. Artikel 2 Eisen stalsystemen (thans: artikel 3.1.2)
  184. Artikel 3 Afwijkingsbevoegdheid (thans: artikel 3.1.3)

Omgevingsverordening Limburg 2014 Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

1.1.1 Algemene begripsbepaling 1.1.2 Functioneel daderschap 1.1.3 Bekendmaking besluiten van algemene strekking

Hoofdstuk 2 Ruimte

§ 2.1Algemeen

2.1.1 Begrippen 2.1.2 Ontheffingen en wijziging begrenzing

§ 2.2Duurzame verstedelijking

2.2.1 Begrippen 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 2.2.3 Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen

§ 2.3Reserveringszones langs spoorwegen en provinciale wegen

2.3.1 Begrippen 2.3.2 Aanduiding reserveringszone langs spoorwegen en provinciale wegen 2.3.3 Aanwijzing belemmerende activiteiten

§ 2.4Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014

2.4.1 Begrippen 2.4.2 Wonen 2.4.3 Detailhandel 2.4.4 Kantoren 2.4.5 Bedrijventerreinen 2.4.6 Vrijetijdseconomie

§ 2.5Bewoning van recreatieverblijven

2.5.1 Verbod wijzigen bestemming 2.5.2 Verbod wonen in recreatieverblijven

§ 2.6Goudgroene natuurzone

2.6.1 Begrippen 2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone 2.6.3 Ontwikkelingen van groot openbaar belang 2.6.4 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen 2.6.5 Kleinschalige ingrepen 2.6.6 Wijzigen van de begrenzing 2.6.7

§ 2.7Bronsgroene landschapszone

2.7.1 Begrippen 2.7.2 Bronsgroene landschapszone

§ 2.8Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

2.8.1 Begrippen 2.8.2 Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

§ 2.9Zone Natuurbeek

2.9.1 Begrippen 2.9.2 Zone natuurbeek

§ 2.10Uitsluitingsgebied windturbines

2.10.1 Begrippen 2.10.2 Verbod plaatsing windturbines

§ 2.11Intensieve veehouderij

2.11.1 Begrippen 2.11.2 Nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij

§ 2.12Glastuinbouw

2.12.1 Begrippen 2.12.2 Nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven

Hoofdstuk 3 Natuur

§ 3.1Veehouderijen en Natura 2000

§ 3.2Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

§ 3.3Houtopstanden

§ 3.4Faunabeheereenheden

§ 3.5Wildbeheereenheden

§ 3.6Faunabeheerplan

§ 3.7Faunaschade

§ 3.8Vrijstellingen beschermde diersoorten

Hoofdstuk 4 Milieubeschermingsgebieden

§ 4.1Algemeen

4.1.1 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden 4.1.2 Algemene regels 4.1.3 Aanduiding waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, stiltegebieden

§ 4.2Waterwingebieden

4.2.1 Bouwstoffen, grond en baggerspecie 4.2.2 Verboden inrichtingen 4.2.3 Verboden handelingen 4.2.4 Uitzonderingen 4.2.5 Ontheffing

§ 4.3Grondwaterbeschermingsgebieden

4.3.1 Overeenkomstige toepassing verbodsbepalingen 4.3.2 Verboden inrichtingen 4.3.3 Instructiebepaling omgevingsvergunningen 4.3.4 Regels voor overige inrichtingen 4.3.5 Ontheffing

§ 4.4Boringvrije zones

4.4.1 Roerdalslenk 4.4.2 Venloschol 4.4.3 Uitzonderingen 4.4.4 Ontheffing

§ 4.5Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

4.5.1 Verboden handelingen 4.5.2 Uitzonderingen 4.5.3 Ontheffing

§ 4.6Stiltegebieden

4.6.1 Motorvoertuigen en bromfietsen 4.6.2 Lawaaiige apparaten 4.6.3 Uitzonderingen en ontheffingen

Hoofdstuk 5 Water

§ 5.1Algemeen

5.1.1 Begrippen en reikwijdte

§ 5.2Regionale waterkeringen

5.2.1 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

§ 5.3Normering regionale wateroverlast

5.3.1 Normen wateroverlast

§ 5.4Verslag toetsing watersysteem

5.4.1 Verslag toetsing watersysteem

§ 5.5Regionaal waterplan

5.5.1 Inhoud regionaal waterplan 5.5.2 Procedurele bepalingen regionaal waterplan 5.5.3 Uitwerking regionaal waterplan

§ 5.6Beheerplan

5.6.1 Inhoud beheerplan 5.6.2 Procedurele bepalingen beheerplan 5.6.3 Uitwerking beheerplan 5.6.4 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

§ 5.7Waterstaatswerken

5.7.1 Legger waterstaatswerken 5.7.2 Projectprocedure voor waterstaatswerken

§ 5.8Grondwateronttrekking

5.8.1 Grondwaterregister 5.8.2 Instructiebepalingen grondwater 5.8.3 Uitzondering vergunningplicht

Hoofdstuk 6 Ontgrondingen

6.1.1 Vrijstellingen 6.1.2 ontgrondingsvergunningen

Hoofdstuk 7 Andere onderwerpen

§ 7.1Provinciale wegen

7.1.1 Wegen

§ 7.2Rioolplichtontheffing

7.2.1 Rioolplichtontheffing

§ 7.3Gesloten stortplaatsen

7.3.1 Gesloten stortplaatsen

§ 7.4Bedrijventerreinen met provinciale geluidscontour

7.4.1 Bedrijventerreinen met provinciale geluidscontour

Hoofdstuk 8 Ontheffingen en meldingen

8.1.1 Ontheffingen 8.1.2 Besluit op aanvraag om ontheffing; wijziging en intrekking 8.1.3 Ontheffinghouder 8.1.4 Meldingen 8.1.5 Ontheffingen hoofdstuk 2

Hoofdstuk 9 Nadeelcompensatie

9.1.1 Toepasselijkheid

Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen

10.1.1 Strafbepaling en opsporing 10.1.2 Intrekken verordeningen 10.1.3 Overgangsbepalingen 10.1.4 Bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel Bijlagen Hoofdstuk1Algemene bepalingen

Artikel1.1.1Algemene begripsbepaling

In hoofdstuk 4 en de artikelen 7.2 en 7.3 van deze verordening zijn de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

In hoofdstuk 3 zijn de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming van overeenkomstige toepassing.

Artikel1.1.2Functioneel daderschap

Onder het verrichten van een handeling wordt in deze verordening mede verstaan het opdracht geven tot en het feitelijk leiding geven aan de handeling.

Artikel1.1.3Bekendmaking besluiten van algemene strekking

Besluiten van algemene strekking, genomen krachtens deze verordening, worden bekendgemaakt in het Provinciaal Blad.

Hoofdstuk2Ruimte Paragraaf2.1Algemeen

Artikel2.1.1Begrippen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Ruimtelijk plan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening; een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wro; beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken onder toepassing van het bepaalde in lid 9 of lid 11 van artikel 4, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor); omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken; een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.

Artikel2.1.2Ontheffing en wijziging begrenzing

Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in hoofdstuk 2 indien de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die bepalingen te dienen provinciale belangen.

Aan de ontheffing bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Onverlet het bepaalde in artikel 2.6.6 kunnen Gedeputeerde Staten kennelijke onjuistheden in de begrenzing van gebieden en zones genoemd in dit hoofdstuk herstellen.

Paragraaf2.2Duurzame verstedelijking

Artikel2.2.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; monumentale gebouwen: krachtens de Monumentenwet 1988 aangewezen beschermde monumenten (rijksmonumenten), alsmede de in een gemeentelijke monumenten- of erfgoedverordening opgenomen gebouwen van plaatselijk of regionaal belang; beeldbepalende gebouwen: gebouwen met historische karakteristieken en/of deel uitmakend van een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988

Artikel2.2.2Ladder voor duurzame verstedelijking

Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Artikel2.2.3Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen

Een ruimtelijk plan dat voorziet in het toestaan van nieuwe functies(s) betrekt daarbij tevens de mogelijkheid om deze functies(s) in leegstaande monumentale gebouwen onder te brengen.

Wanneer herbenutting van leegstaande monumentale gebouwen zoals bedoeld in het eerste lid niet mogelijk blijkt, wordt bij de beoordeling van het toestaan van nieuwe functie(s) ook de mogelijkheid van herbenutting van leegstaande beeldbepalende gebouwen betrokken.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Paragraaf2.3Reserveringszones langs spoorwegen en provinciale wegen

Artikel2.3.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Buitenste kantstreep: markering van de begrenzing van de buitenzijde van de buitenste rijstrook;

Hart van het bestaande spoor: het midden van de huidige rails;

Provinciale weg: de bovenregionaal verbindende wegen zoals nader aangeduid op de bij dit artikel behorende bijlage;

Spoorweg: spoorlijn zoals nader aangeduid op de bij dit artikel behorende bijlage;

Reserveringszone: zone langs een provinciale weg of spoorweg die vrij moet blijven met het oog op een toekomstige verbreding, spoorverdubbeling, het toevoegen van een parallelvoorziening, elektrificatie, of het anderszins uitbreiden of verbeteren van deze provinciale weg of spoorweg.

Artikel2.3.2Aanduiding reserveringszone langs spoorwegen en provinciale wegen

Een ruimtelijk plan geeft de aanduiding ‘reserveringszone’ grenzend aan de buitenste kantstreep van de bestaande weg of gerekend vanuit het hart van het bestaande spoor van respectievelijk een provinciale weg of een spoorweg.

De breedte van een reserveringszone als bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep of vanuit het hart van het bestaande spoor en bedraagt 15 meter aan weerszijden.

Artikel2.3.3Aanwijzing belemmerende activiteiten

Een ruimtelijk plan bevat geen bestemmingen krachtens welke het is toegestaan in een reserveringszone een bouwwerk te bouwen waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht of een ‘bijbehorend bouwwerk’ als bedoeld in bijlage II, artikel 1, eerste lid, bij het Besluit omgevingsrecht.

Paragraaf2.4Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014

Artikel2.4.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestaande voorraad: het geheel van fysiek aanwezige bebouwing en voorzieningen voor vrijetijdseconomie; bestaande planvoorraad: mogelijkheden voor bebouwing en voorzieningen voor vrijetijdseconomie die zijn opgenomen in vastgestelde ruimtelijke plannen en die nog niet zijn gerealiseerd;

POL2014: Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, vastgesteld door Provinciale Staten van Limburg op 12 december 2014; regio Noord-Limburg: gebied bestaande uit de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray; regio Midden-Limburg: gebied bestaande uit de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert; regio Zuid-Limburg: gebied bestaande uit de gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen , Nuth, Onderbanken, Schinnen, Sittard-Geleen, Simpelveld, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal; bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014: gezamenlijke afspraken van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in een regio en gedeputeerde staten van Limburg over de wijze waarop zij in zijn algemeenheid zullen handelen in het kader van de toepassing en verdere uitwerking van het POL2014 en specifiek voor de thema’s wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen, energie, landschap, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie, zoals opgenomen in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1 voor de regio Noord-Limburg (Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg), bijlage 2 voor de regio Midden-Limburg (Bestuursafspraken Midden-Limburg POL2014) en bijlage 3 voor de regio Zuid-Limburg (Bestuursovereenkomst Regionale afspraken Zuid-Limburg); (sub-)regionaal, bovenregionaal afstemmen: handelen volgens de werk- en overlegstructuren zoals beschreven in de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014;

Artikel2.4.2Wonen

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen.

Het derde lid is niet van toepassing indien: er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het vierde lid.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen.

Artikel2.4.3Detailhandel

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad detailhandel alsmede aan de bestaande planvoorraad detailhandel anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.3 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad detailhandel alsmede aan de bestaande planvoorraad detailhandel anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad detailhandel alsmede aan de bestaande planvoorraad detailhandel anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.3 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.

De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Artikel2.4.4Kantoren

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.3 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.3 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.

De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Artikel2.4.5Bedrijventerreinen

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3.

De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.

De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Artikel2.4.6Vrijetijdseconomie

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de opgaven en algemene principes van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio MiddenLimburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.

De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Paragraaf2.5Bewoning van recreatieverblijven

Artikel2.5.1Verbod wijzigen bestemming

Het is niet toegestaan de bestemming van recreatieverblijven te wijzigen naar een bestemming die wonen mogelijk maakt.

Artikel2.5.2Verbod wonen in recreatieverblijven

Een ruimtelijk plan bevat geen bepalingen die het wonen in recreatieverblijven mogelijk maken.

Artikel2.5.3Huisvesting short-stay arbeidsmigranten op recreatieterreinen

Het bepaalde in artikel 2.5.2 is niet van toepassing op tijdelijke huisvesting van short-stay arbeidsmigranten op recreatieterreinen voor de duur van maximaal 10 jaar, onder de voorwaarde dat: er geen huisvesting mogelijk is binnen de regio in bestaande woningen in of nabij het bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen; en er geen huisvesting mogelijk is binnen overige bebouwing in of nabij het bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen; en er op het recreatieterrein geen samenloop is met verblijfsrecreatief gebruik; en er duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt over de sanering of revitalisering van de recreatieterreinen na afloop van de tijdelijke huisvesting.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid.

Paragraaf2.6Goudgroene natuurzone

Artikel2.6.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Goudgroene natuurzone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Goudgroene natuurzone; wezenlijke kenmerken en waarden Goudgroene natuurzone: voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan

Artikel2.6.2Bescherming Goudgroene natuurzone

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

Artikel2.6.3Ontwikkelingen van groot openbaar belang

Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, indien: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn en uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en de compensatie plaatsvindt: op financiële wijze of in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone

Artikel2.6.4Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen

Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing bij een combinatie van onderling samenhangende activiteiten, waarvan één of meer afzonderlijk een negatief effect hebben op de Goudgroene natuurzone, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de Goudgroene natuurzone op gebiedsniveau.

Toepassing van de saldobenadering als bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats, indien: de combinatie van plannen, projecten of handelingen binnen één samenhangende gebiedsvisie wordt gepresenteerd; per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de samenhang van de goudgroene natuurzone verbetert; ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaarden in de gebiedsvisie wordt aangegeven: de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen, en op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd. de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd; de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone.

Artikel2.6.5Kleinschalige ingrepen

Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een verbetering van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied.

Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien uit het ruimtelijk plan blijkt dat: de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied; de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone; de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft, en de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone;

Artikel2.6.6Wijzigen van de begrenzing

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de Goudgroene natuurzone wijzigen: ten einde de ecologische kwaliteit te verbeteren, voor zover de oorspronkelijke kwalitatieve en kwantitatieve ambities van de Goudgroene natuurzone worden behouden of versterkt; vaststaat welk onderdeel van de Goudgroene natuurzone verdwijnt en op welke alternatieve locatie dit onderdeel wordt gerealiseerd en de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft na toepassing van artikel 2.6.3 tot en met 2.6.5.

Artikel2.6.7Beleidsregels

Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels vast voor wijze waarop invulling wordt aan de bepalingen van de artikelen 2.6.3 tot en met 2.6.5.

Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels vast voor de wijze waarop de compensatie als bedoeld in artikel 2.6.3 dient te worden uitgevoerd.

Paragraaf2.7Bronsgroene landschapszone

Artikel2.7.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder Bronsgroene landschapszone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Bronsgroene landschapszone.

Artikel2.7.2Bronsgroene landschapszone

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden ( kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd.

De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.

De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel.

Paragraaf2.8Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Artikel2.8.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

Artikel2.8.2Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden ( kernkwaliteit ‘Groene karakter’) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd.

De kernkwaliteiten in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg zijn: het reliëf, het open-besloten karakter, het groene karakter en het cultuurhistorisch erfgoed.

De kernkwaliteiten in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel.

Paragraaf2.9Zone natuurbeek

Artikel2.9.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Zone natuurbeek: het gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Zone natuurbeek; wezenlijke kenmerken en waarden Zone natuurbeek: het beschermen, behouden en verder ontwikkelen van de ecologische doelen, de daarvoor benodigde waterkwaliteit en ruimte voor natuurlijke hydromorfologische processen als meanderen en inundaties en het realiseren van de benodigde zo natuurlijk mogelijke waterpeilen in de natuurbeek en de aangrenzende Zone natuurbeek.

Artikel2.9.2Zone natuurbeek

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zone natuurbeek, bevat een beschrijving van de wijze waarop: rekening is gehouden met de toekomstige inrichting van de zone, gericht op de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan; nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten die afbreuk kunnen doen aan de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Zone natuurbeek of die de omvang van schade als gevolg van meanderen, inundaties of waterpeilen worden tegengegaan.

Paragraaf2.10Uitsluitingsgebied windturbines

Artikel2.10.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: windturbine: door wind aangedreven installatie die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

Uitsluitingsgebied windturbines: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Uitsluitingsgebied windturbines.

Artikel2.10.2Verbod plaatsing windturbines

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het Uitsluitingsgebied windturbines, voorziet niet in de plaatsing van een windturbine, bestaande uit een mast met een minimale hoogte van 25 m met daarop aangebracht een rotor.

Paragraaf2.11Intensieve veehouderij

Artikel2.11.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: intensieve veehouderij: het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuiken, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders; nieuwvestiging van intensieve veehouderij: vestiging van een intensieve veehouderij op een nieuw agrarisch bouwvlak of op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen intensieve veehouderij is gevestigd; agglomeratielandbouw: landbouwbedrijven waarbij de primaire agrarische productie geïntegreerd wordt met meerdere facetten van de agrarische productiekolom op één locatie; vormverandering: verandering van de vorm van een agrarisch bouwvlak waarbij de oppervlakte per saldo gelijk blijft.

Artikel2.11.2Nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij

1.Een ruimtelijk plan voorziet niet in de nieuwvestiging van intensieve veehouderij buiten een op de kaarten behorende bij deze verordening als ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied.
2.Een ruimtelijk plan voorziet niet in de vergroting van een bouwvlak van intensieve veehouderij binnen een op de kaarten behorende bij deze verordening als extensiveringsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied.
3.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op incidentele nieuwvestiging van intensieve veehouderij die per saldo leidt tot een kwalitatieve verbetering van het leefklimaat. Voorwaarde is dat er sprake is van een duurzame vestigingslocatie en er een koppeling is met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders.

Deze uitzondering geldt niet binnen de Goudgroene Natuurzone en binnen extensiveringsgebieden intensieve veehouderij.

4.Het verbod van het eerste lid is eveneens niet van toepassing op nieuwvestiging in de vorm van agglomeratielandbouw op bedrijventerreinen of ontwikkelingsgebieden glastuinbouw.

Artikel2.11.3Vormverandering van intensieve veehouderij in extensiveringsgebied intensieve veehouderij

Een ruimtelijk plan voorziet niet in de vormverandering van een bouwvlak van intensieve veehouderij binnen een op de kaarten behorende bij deze verordening als extensiveringsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied.

Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op vormverandering van een bouwvlak van intensieve veehouderij binnen een als extensiveringsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied waarbij: de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn, en de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur.

Paragraaf2.12Glastuinbouw

Artikel2.12.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder: glastuinbouw: het telen van groenten, fruit, snijbloemen, pot- of perkplanten of uitgangsmateriaal voor gewassen onder een permanente opstand van glas, kunststof of vergelijkbaar materiaal of in klimaatcellen; glastuinbouwbedrijf: bedrijf waarvan het bedrijfsinkomen voor meer dan 50% afkomstig is uit glastuinbouw; nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf: vestiging van een glastuinbouwbedrijf op een nieuw agrarisch bouwvlak of een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen glastuinbouwbedrijf is gevestigd;

Artikel2.12.2Nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven

Een ruimtelijk plan voorziet niet in de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf buiten een op de kaarten behorende bij deze verordening als ontwikkelingsgebied glastuinbouw aangewezen gebied.

Een ruimtelijk plan voorziet niet in de vergroting van een bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf in een op de kaarten behorende bij deze verordening als Goudgroene natuurzone of Zilvergroene natuurzone aangewezen gebied.

Hoofdstuk3Natuur Paragraaf3.1Veehouderijen en Natura 2000

Artikel3.1.1Begrippen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar; dierenverblijf, dierplaats: hetgeen daarmee bedoeld is in de Wet ammoniak en veehouderij. inrichting: inrichting in de zin van artikel 1.1. eerste lid, van de Wet milieubeheer, bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;

N-depositieniveau: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat of leefgebied van een soort; nieuwe stal: na 23 juli 2010 nieuw opgericht dierenverblijf, dan wel zodanig gewijzigd bestaand dierenverblijf dat het aantal dierplaatsen toe is genomen of het huisvestingssysteem als bedoeld in de RAV-lijst is gewijzigd, en waarbij voor die oprichting of wijziging een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; of gewijzigd bestaand dierenverblijf waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de in de bijlage bij dit artikel opgenomen systemen voor zover het aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de reductie van ammoniakemissie.

RAV-lijst: lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort opgenomen in de bijlage bedoeld in artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij.

Artikel3.1.2Eisen stalsystemen

De drijver van een inrichting draagt er zorg voor dat een nieuwe stal geen grotere ammoniakemissie per dierplaats heeft dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in de bijlage bij dit artikel.

Onverminderd het eerste lid, draagt de drijver van de inrichting er zorg voor, dat uiterlijk per 1 januari 2030 de inrichting als geheel geen grotere ammoniakemissie per dierplaats heeft dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in de bijlage bedoeld in het eerste lid.

Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen bedoeld in artikel 3.1.1, onder e, en artikel 3.1.2, eerste lid, wijzigen als naar hun oordeel technische ontwikkelingen, nieuwe wetenschappelijke inzichten of, het N-depositieniveau daartoe aanleiding geven.

Voorafgaand aan wijziging van de bijlagen bedoeld in artikel 3.1.1, onder e, en artikel 3.1.2, eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten advies inwinnen bij één of meerdere onafhankelijke deskundigen.

Een advies als bedoeld in het vierde lid is niet bindend.

Artikel3.1.3Afwijkingsmogelijkheid

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens dit hoofdstuk buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel3.1.4Overgangsregeling

Bij nieuwe stallen voor de diercategorie varkens of kippen, waarvoor uiterlijk 23 juli 2010 een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, een bouwvergunning krachtens de Woningwet of een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling genomen dan wel verleend is, of een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, geldt artikel 3.1.2 eerste lid, niet. Artikel 3.1.2, tweede lid, blijft onverkort van kracht.

Bij nieuwe stallen, met uitzondering van stallen voor de diercategorie varkens en kippen, waarvoor uiterlijk op 11 oktober 2013 een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in behandeling genomen dan wel verleend is, of een melding krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan, geldt artikel 3.1.2 eerste lid, niet. Artikel 3.1.2, tweede lid, blijft onverkort van kracht.

Paragraaf3.2Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

Artikel3.2.1Vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen

Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen: het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Paragraaf3.3Houtopstanden

Artikel3.3.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare.

Artikel3.3.2Melding van een voorgenomen velling

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bevat in ieder geval: naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voorgenoemde gegevens van de eigenaar; de dagtekening; gegevens over de te kappen houtopstand: topografische en kadastrale locatie; de oppervlakte van de velling, en indien relevant het aantal bomen; de boomsoort, de leeftijd; de reden van de velling.

Gedeputeerde Staten kunnen, wanneer zij dat nodig achten voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming, aanvullende gegevens bij een melding eisen.

Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt niet anders gedaan dan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier.

Artikel3.3.3Termijnen melding

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.

Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere omstandigheden de melder toestaan om eerder dan 6 weken na melding te starten met de velling. Bijzondere omstandigheden zijn in elke geval: noodvellingen van bomen die acuut gevaar opleveren voor de omgeving; andere door Gedeputeerde Staten in beleidsregels te duiden gevallen.

Artikel3.3.4Eisen aan herbeplantingen

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming voldoet in elk geval aan de volgende eis: de herbeplante houtopstand kan op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijk waarden vertegenwoordigen; de nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar na herbeplanting een gesloten kronendak vormen; er wordt geen gebruik gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de biologische diversiteit ter plaatse; herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming; de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte.

Artikel3.3.5Eisen aan herbeplanting op andere grond

Herbeplanting op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft: de gevelde houtopstand betreft een landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; indien hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; indien de gevelde houtopstand deel uitmaakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming; indien de gevelde houtopstand naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een oude bosgroeiplaats betreft waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem.

In afwijking van het eerste lid wordt herbeplanting op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1 van deze verordening, een provinciaal inpassingsplan of een rijksinpassingsplan mogelijk te maken. Hierbij gelden tevens de vereisten uit deze verordening (artikel 2.6.3, artikel 2.7.2, eerste lid, en artikel 2.8.2, eerste lid).

Herbeplanting op andere grond voldoet aan de volgende eisen: de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 3.3.4; de herbeplanting vindt plaats binnen de provincie Limburg; de andere grond is onbeplant en vrij van herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming; de andere grond is vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van andere wet- en regelgeving én die het gevolg zijn van andere vellingen; beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden.

Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte.

Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de vereisten in de artikelen 3.3.4 en 3.3.5. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 3.3.6Vrijstelling meldplicht

Provinciale Staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, voor het kappen van gaten voor bosverjonging en ten behoeve van structuurvariatie indien deze niet groter zijn dan 1500 m2, en de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 10% van de oppervlakte van de houtopstand beslaat, en indien het kappen maximaal 1 keer per 4 jaar plaatsvindt.

Artikel 3.3.7Vrijstelling herbeplantingsplicht

Provinciale Staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen: oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; het tenietgaan van houtopstanden in de volgende gevallen: vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; op natuurlijke wijze tenietgaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen; tenietgaan door vraat van bevers (Castor fiber).

Paragraaf3.4Faunabeheereenheden

Artikel3.4.1Eisen aan de faunabeheereenheid

In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.

De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht: hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare, gelegen binnen de provincie Limburg; vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van het samenwerkingsverband en zijn aaneengesloten.

Het werkgebied van de faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt of over de provinciegrens.

Artikel 3.4.2Samenstelling bestuur

In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn drie bestuurszetels beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van verschillende maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.

De faunabeheereenheid draagt zelf zorg voor de werving van haar bestuur en de afstemming met de organisaties die in het bestuur zijn vertegenwoordigd.

Paragraaf3.5Wildbeheereenheden

Artikel3.5.1Eisen en begrenzing werkgebied

De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een oppervlakte van ten minste 5000 hectare binnen de provincie Limburg; dit gebied is aaneengesloten.

Wildbeheereenheden die niet kunnen voldoen aan de in het eerste lid genoemde eisen gaan met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid, zodanig dat ze gezamenlijk voldoen aan deze eisen.

Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied op het internet, eventueel door tussenkomst van de faunabeheereenheid.

Artikel3.5.2Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied

Gedeputeerde Staten kunnen - als overgangsmaatregel - ontheffing verlenen van de eisen in artikel 3.5.1, eerste lid.

Artikel3.5.3Gegevensverzameling

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Artikel3.5.4Verplichte aansluiting jachthouders met een jachtakte

Jachthouders met een jachtakte van een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, dienen lid te zijn van deze wildbeheereenheid.

Wildbeheereenheden bieden ook toegang tot het lidmaatschap aan grondgebruikers, terreinbeheerders, jachtaktehouders die geen jachthouder zijn en jachthouders zonder jachtakte.

Tot de grondgebruikers en beheerders, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval gerekend: Stichting het Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Ark Natuurontwikkeling, de waterschappen en de gemeenten, voor zover deze belangen hebben binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid.

De wildbeheereenheid voert ten minste eenmaal per jaar overleg met beheerders en grondgebruikers in het werkgebied, op initiatief van de wildbeheereenheid, waarbij het faunabeheer wordt afgestemd.

Van het overleg, bedoeld in het vierde lid, wordt een verslag gezonden aan de faunabeheereenheid.

Artikel 3.5.5Beëindiging lidmaatschap

Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan door het bestuur van de wildbeheereenheid worden opgezegd of geweigerd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 3.5.6Geschillenregeling

De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in. Deze geschillenregeling voorziet in ieder geval in de behandeling van geschillen die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in artikel 3.5.5 en de behandeling van geschillen welke voortvloeien uit het proces tot vorming van samenwerkingsverbanden zoals bedoeld in artikel 3.5.1, tweede lid,of andere geschillen inzake de begrenzing van wildbeheereenheden.

Paragraaf3.6Faunabeheerplan

Artikel3.6.1Reikwijdte faunabeheerplan

Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel3.6.2Geldigheidsduur en wijzigen faunabeheerplan

In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren heeft.

De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan verlengen.

Artikel3.6.3Algemene eisen aan een faunabeheerplan

Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en/of schadebestrijding en/of de uitoefening van de jacht wordt voorgesteld, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar, gebaseerd op trendtellingen, inventarisaties of onderbouwde schattingen; een beschrijving van preventieve maatregelen die worden genomen om schade te voorkomen; voor zover van toepassing op de betreffende diersoort, gegevens over het aantal dieren dat is gedood op grond van het voorafgaande faunabeheerplan, gespecificeerd per soort en per jaar.

Artikel3.6.4Eisen aan een faunabeheerplan inzake populatiebeheer en schadebestrijding

Het faunabeheerplan bevat inzake populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen, waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer geldt, gerelateerd aan de op grond van artikel 3.6.3 verzamelde populatiegegevens; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel c, te bereiken of om schade te voorkomen; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel b, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel a bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren evenals de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende gebieden; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

Artikel3.6.5Eisen aan een faunabeheerplan inzake jacht

Het faunabeheerplan bevat inzake jacht ten minste de volgende gegevens: een beschrijving van de maatregelen die de jachthouder kan nemen om de redelijke wildstand te handhaven of te bereiken; een beschrijving van de maatschappelijke doelstellingen die met de jacht op de betreffende soort worden gediend.

Artikel3.6.6Afschotvrij natuurgebied

In het faunabeheerplan dient één natuurgebied te worden aangewezen dat in principe afschotvrij wordt verklaard.

Artikel3.6.7Goedkeuring

Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 3.6.1 tot en met 3.6.6.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid.

Artikel3.6.8Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze paragraaf buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf3.7Faunaschade

Artikel3.7.1Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

Artikel3.7.2De aanvraag om tegemoetkoming

Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier met bijlagen.

De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel3.7.3Taxatie van de schade

De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen 8 werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Paragraaf3.8Vrijstellingen beschermde diersoorten

Artikel3.8.1Vrijstelling bestrijding schadeveroorzakende dieren

Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage I van deze paragraaf.

In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het de grondgebruiker toegestaan om de in bijlage I van deze paragraaf aangewezen soorten opzettelijk te doden, te vangen, en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen op de door hem gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.

De in het tweede lid genoemde vrijstellingen worden verleend ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom.

Uitvoering van de in het tweede lid bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming goedgekeurde faunabeheerplan.

Aan de vrijstellingen zijn de volgende beperkingen en voorschriften verbonden: de vrijstellingen gelden enkel voor het gebruik van de in bijlage I bij de betreffende soort genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen; indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

Gedeputeerde Staten kunnen de werking van dit artikel geheel of gedeeltelijk opschorten indien bijzondere weersomstandigheden hier naar hun oordeel aanleiding toe geven.

Artikel 3.8.2Vrijstelling bestrijding overlast door dieren binnen bebouwde kom door gemeenten

Als soorten als bedoeld in artikel 3.16, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage II bij deze paragraaf.

In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het aan gemeenten toegestaan om van de in bijlage II aangewezen soorten ten behoeve van het bestrijden van overlast de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen binnen de bebouwde kom der gemeenten.

Gemeenten kunnen de overlastbestrijding bedoeld in het tweede lid laten uitvoeren door eigen medewerkers of laten uitvoeren door anderen.

De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden enkel onder de in bijlage II genoemde voorschriften en beperkingen.

Artikel3.8.3Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud

In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de Wet natuurbescherming is het aan eenieder toegestaan om de in bijlage III bij dit artikel aangewezen soorten te vangen en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

De soorten bedoeld in het eerste lid mogen worden gevangen met behulp van schepnetten, schermen, vangemmers, vangkooien en kastvallen.

Het vangen van dieren bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden.

De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de volgende belangen: in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

De vrijstellingen gelden gedurende de periode genoemd in bijlage III bij de betreffende soort.

Artikel3.8.4Eén op één-methode wilde zwijnen

In afwijking van artikel 3.33, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het doden van wilde zwijnen toegestaan door middel van een methode, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven.

Bij gebruikmaking van de in het eerste lid genoemde vrijstelling is het inzetten van honden niet toegestaan.

De toepassing van de methode bedoeld in het eerste lid vindt alleen plaats wanneer deze zijn voorzien in het door Gedeputeerde Staten conform artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming goedgekeurde faunabeheerplan.

Bij de toepassing van de methode bedoeld in het eerste lid dient te worden gehandeld conform een door de faunabeheereenheid vast te stellen veiligheidsprotocol.

Artikel3.8.5Amfibieën veilig stellen tegen het verkeer

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a, artikel 3.5, eerste lid, en artikel 3.6, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gelden de verboden op het opzettelijk vangen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort en de verboden op het vervoeren en onder zich hebben van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort niet ten aanzien van beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.

De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel3.8.6Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming geldt het verbod van het rapen en onder zich hebben van eieren en het vangen en onder zich hebben van niet vliegvlugge jongen van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming niet voor zover dit geschiedt ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden.

De op grond van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.

Artikel3.8.7Vrijstellingen voor onderzoek en onderwijs

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2, zesde lid, van de Wet natuurbescherming gelden de verboden op het vervoeren en onder zich hebben niet ten aanzien van braakballen en losse veren afkomstig van beschermde vogelsoorten.

De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts als het vervoer of het onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek en onderwijs.

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de Meerkikker en Middelste groene kikker, de Bruine kikker en de Gewone pad alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.

De in het derde lid genoemde vrijstelling geldt niet ten aanzien van dieren waarvan de metamorfose is voltooid.

Artikel3.8.8Wijzigen bijlagen

Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen I, II en III bij deze paragraaf wijzigen.

Hoofdstuk4Milieubeschermingsgebieden Paragraaf4.1Algemeen

Artikel4.1.1Aanwijzing milieubeschermingsgebieden

De volgende categorieën milieubeschermingsgebieden worden onderscheiden: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de Roerdalslenk, de Venloschol, het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg en stiltegebieden. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderverdeeld in freatische en niet-freatische gebieden. Het gebied Roerdalslenk is onderverdeeld in vier zones.

De milieubeschermingsgebieden en de eventuele onderverdelingen daarvan zijn aangewezen op de kaarten behorende bij deze verordening.

Artikel4.1.2Algemene regels

Gedeputeerde staten kunnen algemene regels vaststellen voor de in artikel 4.2.3, 4.3.1, 4.4.1, 4.4.2 en 4.5.1, tweede lid, bedoelde handelingen in milieubeschermingsgebieden.

Artikel4.1.3Aanduiding waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden

Voor een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied zorgt de houder van een inrichting voor waterwinning ervoor dat de grens van het gebied goed zichtbaar is aangeduid door borden. Bij een stiltegebied zorgen gedeputeerde staten daarvoor.

De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot het gebied of die daaraan grenzen.

Gedeputeerde staten stellen het model van de borden vast.

Paragraaf4.2Waterwingebieden

Artikel4.2.1Bouwstoffen, grond en baggerspecie

Het is verboden in een waterwingebied IBC-bouwstoffen toe te passen.

Het is verboden in een waterwingebied grond of baggerspecie toe te passen met een lagere kwaliteit dan de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Het verbod van het tweede lid geldt niet voor verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud.

Onder achtergrondwaarden, IBC-bouwstof, toepassen van bouwstoffen en toepassen van grond of baggerspecie wordt verstaan wat artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit daaronder verstaat.

Artikel4.2.2Verboden inrichtingen

Het is verboden in een waterwingebied andere inrichtingen op te richten dan een drinkwaterbedrijf.

Het is verboden in een waterwingebied een bestaande inrichting te veranderen indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering nadelige gevolgen zal hebben voor het grondwater met het oog op de waterwinning.

Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting: een ondergrondse tank voor de opslag van ontvlambare of brandbare vloeistoffen in gebruik te hebben die 20 jaar of ouder is of een tank te hebben die niet meer in gebruik is en waarvan het bodemrisico niet is weggenomen; een bodemenergiesysteem te hebben; een boorput te slaan, te hebben, of te gebruiken, dieper dan 3 meter beneden maaiveld.

Onder ontvlambare vloeistoffen worden vloeistoffen verstaan met een vlampunt van ten minste 21° C en ten hoogste 55° C, onder brandbare vloeistoffen die met een vlampunt dat hoger ligt dan 55° C.

Artikel4.2.3Verboden handelingen

Het is verboden in een waterwingebied buiten een inrichting de volgende handelingen te verrichten: een bouwwerk in de zin van de Woningwet te bouwen, behalve bouwwerken ten behoeve van de waterwinning met het oog waarop het gebied als waterwingebied is aangewezen en bouwwerken waarvoor ingevolge artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning is vereist; schadelijke stoffen voorhanden te hebben, te vervoeren of te gebruiken of in de bodem te brengen of te doen brengen; constructies van welke aard ook, tot stand te brengen of te veranderen met het doel het vervoeren, bergen, op- of overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; begraafplaatsen, terreinen voor de uitstrooiing van as of dierbegraafplaatsen op te richten, te veranderen, te hebben of te gebruiken; een boorput te slaan, te hebben, of te gebruiken, dieper dan 3 meter beneden maaiveld; de grond dieper dan drie meter beneden het maaiveld te roeren; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; wegen, parkeerplaatsen, terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer, vaarwegen of spoorwegen aan te leggen, te veranderen of te hebben, of daaraan wijzigingen aan te brengen die de risico’s voor de grondwaterkwaliteit verhogen, gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden hieronder niet begrepen; recreatiecentra, kampementen of schietterreinen aan te leggen, te veranderen, te hebben of te exploiteren; in de maanden september tot en met januari dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet te gebruiken; zuiveringsslib als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet te gebruiken; een bodemenergiesysteem te hebben; lozen door het brengen van afvalwater op of in de bodem, als bedoeld in artikel 1 van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

Artikel4.2.4Uitzonderingen

Het verbod van artikel 4.2.3, aanhef en onder b en c, geldt niet voor: het voorhanden hebben, vervoeren en gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en deugdelijk beschermd tegen invloeden van buiten; het vervoeren en gebruiken van middelen ter bestrijding van gladheid van wegen; het voorhanden hebben, vervoeren en gebruiken van schadelijke stoffen die nodig zijn voor openbare drinkwaterproductie; het voorhanden hebben, vervoeren en gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden die in grondwaterbeschermingsgebieden zijn toegelaten ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten, vloeistofdichte tanks van tankwagens of tankwagons, en van schadelijke stoffen in een deugdelijke, gesloten verpakking op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding bestaat.

De verboden van artikel 4.2.2, derde lid, aanhef en onder c en artikel 4.2.3 aanhef en onder e, f en g, gelden niet voor: werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie; het hebben van een boorput ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet bodembescherming en de Waterwet; het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet bodembescherming; bodemonderzoeken die bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven.

Indien bij de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden sprake is van een boorput, geldt de uitzondering uitsluitend indien de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht wordt genomen.

De verboden van artikel 4.2.3 gelden niet voor zover gedeputeerde staten voor de daar verboden handelingen algemene regels krachtens artikel 4.1.2 hebben vastgesteld en gehandeld wordt in overeenstemming met die regels.

Artikel4.2.5Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing (waterwingebiedsontheffing) verlenen van: het verbod van artikel 4.2.3, aanhef en onder a, ten behoeve van het vernieuwen of uitbreiden van een bestaand bouwwerk, mits de vernieuwing of uitbreiding leidt tot vermindering van de bestaande risico’s voor de kwaliteit van het grondwater. de verboden van artikel 4.2.3, aanhef en onder b, c en m, mits geen schadelijke stoffen op of in de bodem worden gebracht, h en i.

Paragraaf4.3Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel4.3.1Overeenkomstige toepassing verbodsbepalingen en uitzonderingen

De artikelen 4.2.1, met uitzondering van het tweede lid, 4.2.2, derde lid, 4.2.3, met uitzondering van onderdelen a en m, en 4.2.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de grondwaterbeschermingsgebieden.

Het is verboden binnen een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied een ondergrondse tank voor de opslag van ontvlambare of brandbare vloeistoffen te plaatsen of te vervangen. Onder ontvlambare of brandbare vloeistoffen wordt verstaan hetgeen artikel 4.2.2, vierde lid, daar onder verstaat.

Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden grond of baggerspecie toe te passen indien de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op de bodem of de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater overschrijdt of de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem beter is dan de genoemde kwaliteitsklassen. Onder die kwaliteitsklassen wordt verstaan wat het Besluit bodemkwaliteit daaronder verstaat.

Het verbod van artikel 4.2.2, derde lid, aanhef en onder c en artikel 4.2.3, aanhef en onder e, beide in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, geldt in grondwaterbeschermingsgebieden niet indien het voornemen tot het slaan van een boorput vier weken tevoren schriftelijk aan gedeputeerde staten is gemeld en bij het maken en sluiten van de boorput de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, in acht wordt genomen.

Het verbod van artikel 4.2.3, aanhef en onder j, in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, geldt niet in de niet-freatische grondwaterbeschermingsgebieden: gelegen buiten het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg; gelegen binnen het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg, voor zover de minister vrijstelling krachtens artikel 64, derde lid, van de Wet bodembescherming of ontheffing krachtens artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen heeft verleend.

De verboden van artikel 4.2.2, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 4.2.3, aanhef en onder l, beide in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, gelden niet in de grondwaterbeschermingsgebied Hanik, mits het bodemenergiesysteem niet dieper dan 5 meter boven NAP wordt aangelegd en mits het voornemen tot het aanleggen, hebben, of gebruiken van het bodemenergiesysteem ten minste vier weken tevoren schriftelijk is gemeld bij gedeputeerde staten.

Het verbod van het tweede lid en het verbod van artikel 4.2.2, derde lid, aanhef en onder a, in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, voor zover het een ondergrondse tank betreft die 20 jaar of ouder is, geldt niet voor bestaande inrichtingen voor de openbare verkoop van benzine en dieselolie voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, mits dieselolie niet als hoofdproduct wordt verkocht.

Artikel4.3.2Verboden inrichtingen

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten die is opgenomen in de bijlage bij dit artikel of een inrichting waarin activiteiten worden uitgevoerd die in de bijlage zijn genoemd.

Artikel4.3.3Instructiebepaling omgevingsvergunningen

Het bevoegd gezag verbindt als voorschriften aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval hetgeen is bepaald in de volgende leden.

In de inrichting mag een stof die is opgenomen in de bijlage bij dit lid niet aanwezig zijn.

In de inrichting mag van een stof die is opgenomen in de bijlage bij dit lid niet meer aanwezig zijn dan de daar aangegeven drempelwaarde.

In de inrichting mag van een andere potentieel gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer niet meer aanwezig zijn dan 5000 kilogram vaste stof of 5 m3 vloeistof per opslageenheid, tenzij dat volgens de bijlage bij dit lid naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is.

In de inrichting wordt het bodemrisico van een schadelijke stof tot verwaarloosbaar verkleind door de hoogst mogelijke bescherming, waaronder in ieder geval: volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie; opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak; twee maal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar.

Artikel4.3.4Regels voor overige inrichtingen

Op een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet is vereist is artikel 4.3.3, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover de bedoelde voorschriften en verboden niet reeds gelden krachtens andere wettelijke bepalingen.

Degene die de inrichting drijft doet met een melding opgave van de schadelijke stoffen en van de voorzieningen en maatregelen die zijn of worden getroffen.

Artikel4.3.5Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden van artikel 4.2.3, aanhef en onder b tot en met i, in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, en van het verbod van artikel 4.3.1, derde lid, voor zover de toepassing van de grond of de baggerspecie niet plaatsvindt binnen een vergunningplichtige inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (ontheffing grondwaterbeschermingsgebied).

4.4Boringsvrije zones

Artikel4.4.1Roerdalslenk

Het is in het gebied Roerdalslenk verboden: een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van . de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei en ieder voornemen in zone IV, wordt vier weken tevoren schriftelijk gemeld aan gedeputeerde staten.

Bij het maken en sluiten van een boorput wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht genomen.

Artikel4.4.2Venloschol

Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter boven NAP verboden: een boorput te hebben; de grond te roeren; een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.

Bij het maken en sluiten van een boorput wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht genomen.

Degene die voornemens is in de Venloschol een bodemenergiesysteem aan te leggen, waarvoor het verbod van het eerste lid, aanhef en onder c, niet geldt, meldt dit voornemen ten minste vier weken van tevoren schriftelijk bij gedeputeerde staten. De melding is niet vereist voor een bodemenergiesysteem waarvoor vergunning krachtens de Waterwet is verleend of waarvoor zo’n vergunning niet is vereist en een melding is gedaan overeenkomstig artikel 3.16.

Het is verboden in de Venloschol ten behoeve van een bodemenergiesysteem grondwater in een ander watervoerend pakket te infiltreren dan waaruit het wordt onttrokken.

Artikel4.4.3Uitzonderingen

De verboden van de artikelen 4.4.1 en 4.4.2 gelden niet voor: werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekking met het oog op openbare drinkwaterproductie; andere onttrekkingen, mits bestemd voor uitsluitend menselijke consumptie; boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig de Wet bodembescherming en de Waterwet; het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet bodembescherming; bodemonderzoeken die door de wet zijn voorgeschreven;

De verboden van de artikel 4.4.1 en 4.4.2 gelden niet voor zover gedeputeerde staten voor de daar verboden handelingen algemene regels krachtens artikel 4.1.2 hebben vastgesteld en gehandeld wordt in overeenstemming met die regels.

Artikel4.4.4Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden van artikel 4.4.2, eerste lid, aanhef en onder a, b en d , als de betreffende handeling niet plaatsvindt binnen een vergunningplichtige inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Venloscholontheffing).

Paragraaf4.5Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Artikel4.5.1Verboden handelingen

In de artikelen 4.5.1 en 4.5.2 wordt verstaan onder: beek dal: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als beekdal; bron of bronzone: plaats waar grondwater op natuurlijke wijze over een klein of groter oppervlak uittreedt; graft: lijnvormige, evenwijdig aan de helling lopende trede, die vaak met gras, struiken en/of hakhout is begroeid; holle weg: smalle, diepe, vaak loodrecht op de helling lopende insnijding, die in gebruik is als voetpad, weg en/of watergang.

Het is verboden in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg in een beekdal grondwerkzaamheden op of in de bodem uit te voeren die leiden tot aantasting van het reliëf, behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van het beekdal; in een beekdal ontwateringswerkzaamheden uit te voeren; in een bron of bronzone grondwerkzaamheden op of in de bodem of ontwateringswerkzaamheden uit te voeren, behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van de bron of de bronzone; in een graft of holle weg grondwerkzaamheden op of in de bodem uit te voeren behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van de graft of de holle weg.

Artikel4.5.2Uitzonderingen

Het verbod van artikel 4.5.1, tweede lid, geldt niet: voor het graven van erosieopvangbekkens door het waterschap; voor het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet bodembescherming; voor het uitvoeren van bodemonderzoeken die bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven; voor het slaan van een boorput in een beekdal; voor zover gedeputeerde staten voor de daar verboden handelingen algemene regels krachtens artikel 2.2 hebben vastgesteld en gehandeld wordt in overeenstemming met die regels.

Artikel4.5.3Ontheffing

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden van artikel 4.5.1, tweede lid De ontheffing als bedoeld in het vorige lid wordt aangewezen als een ontheffing als bedoeld in art. 1.3a eerste lid Wet milieubeheer.

Paragraaf4.6Stiltegebieden

Artikel4.6.1Motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden zich in een stiltegebied buiten een inrichting met een motorvoertuig of een bromfiets met draaiende verbrandingsmotor te bevinden buiten de voor deze voertuigen openstaande wegen en terreinen.

Het is verboden in een stiltegebied een toertocht of wedstrijd voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.

Onder motorvoertuig wordt verstaan wat het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 daaronder verstaat.

Artikel4.6.2Lawaaiige apparaten

Het gebruik van de volgende apparaten buiten een inrichting is in een stiltegebied verboden: motorisch aangedreven werktuigen; omroepinstallaties, sirenes, hoorns en soortgelijke apparaten; modelvliegtuigen, modelboten en modelauto’s, aangedreven door verbrandingsmotoren; muziekinstrumenten en andere geluidsapparaten, al dan niet gekoppeld aan geluidversterkers; waterscooters, aangedreven door verbrandingsmotoren; knalapparatuur en vuurwerk, tenzij het tweede lid van toepassing is; vuurwapens, tenzij het derde lid van toepassing is.

Het gebruik van knalapparatuur en van vuurwerk is niet verboden: indien dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen of om dreigend gevaar af te wenden; in de periode rondom de jaarwisseling, voor zover toegestaan bij de Algemene plaatselijke verordening.

Het gebruik van vuurwapens is niet verboden: om een noodsein te geven; voor jacht, beheer of schadebestrijding overeenkomstig de Flora- en faunawet.

Artikel4.6.3Uitzonderingen en ontheffingen

De verboden van de artikelen 4.6.1 en 4.6.2 zijn niet van toepassing: op de uitoefening door politie en brandweer van hun wettelijke taken en op ambulancevervoer; op normale werkzaamheden die nodig zijn in verband met de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met bosbouw of met het beheer van het gebied; op wielertochten die voorkomen op de kalender van de Union Cycliste Internationale of van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie en op het gebruik van omroepinstallaties, sirenes, hoorns en dergelijke daarbij door personen die zijn belast met de leiding van deze wedstrijden.

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden van de artikelen 4.6.1 en 4.6.2, eerste lid (stiltegebiedsontheffing).

De ontheffing als bedoeld in het vorige lid wordt aangewezen als een ontheffing als bedoeld in art. 1.3a eerste lid Wet milieubeheer.

Hoofdstuk5Water Paragraaf5.1Algemeen

Artikel5.1.1Begrippen en reikwijdte

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder beheerder, beheerplan, infiltreren, legger, Minister, onttrekken van grondwater, primaire waterkering, regionale wateren en regionaal waterplan: dat wat daaronder wordt verstaan in de Waterwet.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de regionale wateren.

Paragraaf5.2Regionale waterkeringen

Artikel5.2.1Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

Op de kaarten behorende bij deze verordening is voor de aangewezen regionale waterkeringen of delen daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar of als vaste kruinhoogte.

Gedeputeerde staten kunnen een technische leidraad vast stellen voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

Gedeputeerde staten kunnen de hydraulische randvoorwaarden vast stellen voor de door de beheerder te verrichten toetsing van regionale waterkeringen.

Gedeputeerde staten kunnen voorschriften vast stellen voor de door de beheerder te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende waterstanden vast.

Gedeputeerde staten stellen na overleg met de beheerder nadere regels omtrent het tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm.

Paragraaf5.3Normering regionale wateroverlast

Artikel5.3.1Normen wateroverlast

Op de kaarten behorende bij deze verordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht.

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen omtrent de door de beheerder te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

Gedeputeerde staten stellen na overleg met de beheerder nadere regels omtrent het tijdstip waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren moeten voldoen aan de aangegeven normen.

Paragraaf5.4Verslag toetsing watersysteem

Artikel5.4.1Verslag toetsing watersysteem

De beheerder brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

Het verslag bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 5.2.1 en de legger bedoeld in artikel 5.7.1.

De beheerder brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 5.3.1, periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop zij moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 5.3.1 en de legger bedoeld in artikel 5.7.1.

Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

Gedeputeerde staten stellen na overleg met de beheerder vast wanneer de verslagen voor de eerste maal en met welke frequentie daarna worden uitgebracht.

Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot vorm en inhoud van de verslagen.

Paragraaf5.5Regionaal waterplan

Artikel5.5.1Inhoud regionaal waterplan

Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.4 van de Waterwet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid.

Artikel5.5.2Procedurele bepalingen regionaal waterplan

Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, de hoofdingenieur directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de Minister en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.

Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze op het regionaal waterplan schriftelijk of mondeling in te brengen.

Binnen vier weken na vaststelling van het regionaal waterplan brengen gedeputeerde staten de bestuursorganen genoemd in het eerste lid daarvan op de hoogte.

Artikel5.5.3Uitwerking regionaal waterplan

In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat gedeputeerde staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens in het regionaal waterplan gegeven regels.

Het besluit tot uitwerking maakt deel uit van het regionaal waterplan.

Op het besluit is artikel 5.5.2 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf5.6Beheerplan

Artikel5.6.1Inhoud beheerplan

Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem; het beleid inzake het beheer gericht op functies en doelstellingen van de watersystemen; de beschrijving van de maatregelen met een zodanige prioriteitstelling en fasering dat de doelstellingen van het regionaal waterplan worden verwerkelijkt; een raming van de kosten van maatregelen in de planperiode, inzicht in de dekking van die kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen of heffingen; het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies; één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven.

2.Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen: de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; een overzicht van de manier waarop en de mate waarin de maatregelen de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan verwerkelijken.

Artikel5.6.2Procedurele bepalingen beheerplan

Op de voorbereiding en de bekendmaking van het beheerplan is artikel 5.5.2, met uitzondering van het raadplegen van de Minister, van overeenkomstige toepassing.

Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma of het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 5.6.1, eerste lid, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan die toepassing geen behoefte bestaat.

Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de Minister.

Artikel5.6.3Uitwerking beheerplan

In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur van het waterschap het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het beheerplan gegeven regels.

Het besluit tot uitwerking maakt deel uit van het beheerplan.

Artikel5.6.4Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

De beheerder rapporteert tenminste een maal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot tijdstip, vorm en inhoud van de rapportage.

Paragraaf5.7Waterstaatswerken

Artikel5.7.1Legger waterstaatswerken

De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat naast het bepaalde in het tweede lid van dat artikel in ieder geval: het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de waterstaatswerken.

Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 25 liter per seconde, vrij meanderende wateren en onderdelen van watersystemen die incidenteel watervoerend zijn geldt de verplichting als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet tot omschrijving van vorm, afmeting en constructie niet. De ligging van deze wateren wordt als lijnelement of in de vorm van een zone aangegeven en ondersteunende kunstwerken worden omschreven.

Voor wateren met een maatgevende afvoer van minder dan 15 liter per seconde gelden de verplichtingen als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet niet.

Gedeputeerde staten kunnen, mede op verzoek, bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

Artikel5.7.2Projectprocedure voor waterstaatswerken

Gedeputeerde staten kunnen, mede op verzoek, de procedure van paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op projectplannen van bovenlokale betekenis die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.

Paragraaf5.8Grondwateronttrekking

Artikel5.8.1Grondwaterregister

Gedeputeerde staten dragen zorg voor een register van inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water met vermelding van de vergunningen en van de gegevens die op grond van of krachtens artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de beheerder worden verstrekt.

Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt de gegevens aan gedeputeerde staten.

Gedeputeerde staten kunnen een inrichting ambtshalve inschrijven, waarbij de aanvang van een onttrekking als datum van inschrijving geldt.

Artikel5.8.2Instructiebepalingen grondwater

De beheerder regelt in de keur dat iedere grondwateronttrekking verboden is in de bufferzones verdroogde natuurgebieden en grondwateronttrekkingen met een capaciteit van meer dan 10 m3 per uur in het overige gebied ten noorden van de Feldbiss en de Eerste Noord-Oost Hoofdbreuk. De bufferzones en de breuklijnen zijn aangeduid op de kaarten behorende bij deze verordening..

De beheerder regelt in de keur dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei in het gebied Roerdalslenk en beneden 5 meter +NAP in het gebied Venloschol. De gebieden Roerdalslenk en Venloschol zijn aangeduid op de bijlage bij dit artikel.

De beheerder regelt in de keur dat voor beregening en bevloeiing in de landbouw slechts ontheffing kan worden verleend indien het aantal putten en de totale pompcapaciteit die volgens de daarvoor geldende wettelijke bepalingen op 22 december 2009 legaal aanwezig waren niet toenemen, met dien verstande dat binnen een bufferzone een onttrekking voorts niet dichter bij een natuurgebied plaatsheeft.

De beheerder regelt in de keur dat slechts ontheffing kan worden verleend van het verbod in het tweede lid voor een onttrekking die uitsluitend bestemd is voor menselijke consumptie.

De beheerder regelt in de keur dat bij beëindiging van een onttrekking de put zo wordt afgedicht dat grondwaterverontreiniging wordt voorkomen.

Artikel5.8.3Uitzondering vergunningplicht

Het verbod als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet en de verplichtingen als bedoeld in artikel 6.11, eerste tot en met vierde lid, van het Waterbesluit gelden buiten een bufferzone niet voor bodemenergiesystemen waarbij de te onttrekken hoeveelheid ten hoogste 10 m3 per uur bedraagt, mits: in het gebied Roerdalslenk niet dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei; in het gebied Venloschol niet dieper dan 5 meter boven NAP.

Aan gedeputeerde staten wordt melding gedaan van naam en adres van de melder en van coördinaten, diepte en debiet van het bodemenergiesysteem.

Hoofdstuk6Ontgrondingen

Artikel6.1.1Vrijstellingen

Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de volgende handelingen: ontgrondingen van ten hoogste 3 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld, met een oppervlakte van ten hoogste 400 m2 en een volume van ten hoogste 500 m3; ontgrondingen voor de normale uitoefening van land-, tuin- of bosbouw; ontgrondingen die uitsluitend worden verricht ten behoeve van een grondboring of het slaan van een put, of voor het leggen van kabels en buizen en dergelijke, die in de grond plegen te worden gelegd; het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988.

Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt evenmin voor:

Het ontgronden op de plaats waar een infrastructureel werk, industrieterrein, bouwwerk, sportveld, begraafplaats of bassin wordt aangelegd, onderhouden, veranderd of opgeruimd of ten behoeve van dat werk de bodem wordt gesaneerd overeenkomstig de Wet bodembescherming, mits de uitvoering van het werk in overeenstemming is met het geldende ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1;

Het uitvoeren van een natuurbouwproject gelegen in de Goudgroene natuurzone als bedoeld in artikel 2.6.1, onder a, mits grondlagen op grotere diepte dan 0,5 m beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau ongemoeid blijven.

Het uitvoeren van een project mits de uitvoering van het project in overeenstemming is met het geldende ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1, en mits niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau en maximaal 10.000 m³ wordt ontgraven.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, geldt voor de onder a tot en met c van het tweede lid bedoelde werken en projecten, de voorwaarde dat het ontgronden niet verder gaat dan voor de technische realisering van dat werk of project noodzakelijk is.

Artikel6.1.2Ontgrondingsvergunningen

Een aanvraag om ontgrondingsvergunning als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ontgrondingenwet wordt gedaan met gebruikmaking van het door gedeputeerde staten vastgestelde formulier.

Gedeputeerde staten kunnen een aanvraag om verlening of wijziging van een ontgrondingsvergunning buiten behandeling laten indien de aanvrager niet de eigenaar is van het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft en hij niet een verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt.

Gedeputeerde staten kunnen bestuursorganen en adviseurs in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over een aanvraag.

De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van besluiten op aanvragen om verlening, wijziging of intrekking van een ontgrondingsvergunning. Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande ontgrondingsvergunning van ondergeschikte aard, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk7Andere onderwerpen Paragraaf7.1Provinciale wegen

Artikel7.1.1Wegen

1.In dit artikel wordt verstaan onder wegen: rijbanen, paden, trottoirs, alsmede al hetgeen naar de aard van de weg daartoe behoort, waaronder de tot de weg behorende voorzieningen in, op, onder en boven de weg, voor zover in beheer bij de provincie.
2.Het is verboden het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op of nabij een weg te belemmeren of de veiligheid of de doorstroming van het verkeer op een weg in gevaar te brengen.
3.Het is verboden om zonder of in strijd met een vergunning, verleend door gedeputeerde staten: een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan; veranderingen aan de weg aan te brengen; boven, op, in of onder een weg een werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen.

Deze verboden gelden niet voor handelingen die worden verricht in opdracht van gedeputeerde staten.

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de hier genoemde verboden.

4.De vergunning kan in elk geval worden gewijzigd of ingetrokken indien: de vergunning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en de vergunning niet of anders zou zijn verleend als de juiste gegevens bekend waren geweest; gehandeld is of wordt in strijd met een aan de vergunning verbonden voorschrift; van de vergunning gedurende twee jaren geen gebruik is gemaakt; gedeputeerde staten dit nodig achten in het belang van het gebruik of de bescherming van de weg.
5.De verboden van het derde lid gelden niet voor zover gedeputeerde staten algemene regels voor de daar verboden handelingen hebben vastgesteld en gehandeld wordt in overeenstemming met deze regels.
6.Voordat burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de weg is gelegen een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder d, e en h van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, vragen burgemeester en wethouders advies aan gedeputeerde staten. Indien burgemeester en wethouders afwijken van het advies doen zij daarvan gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit mededeling aan gedeputeerde staten.

Paragraaf7.2Rioolplichtontheffing

Artikel7.2.1Rioolplichtontheffing

1.Een aanvraag om ontheffing van de gemeentelijke rioolplicht als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer (rioolplichtontheffing) met betrekking tot percelen gelegen in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, bevat ten minste het volgende: een overzicht van de in de gemeente aanwezige vuilwaterrioolvoorzieningen; een kaart van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft op een schaal van 1:25.000, met een overzicht van de niet op het gemeentelijke riool aangesloten percelen die alsnog zullen worden aangesloten, alsmede van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft; een of meer kaarten op een schaal van of herleidbaar tot 1:10.000, waarop de percelen zijn aangegeven waarop de aanvraag betrekking heeft; voor al deze percelen een overzicht van de kosten van aansluiting; voor elke bebouwde kom van waaruit afvalwater met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonersequivalenten wordt geloosd, een overzicht van de maatregelen die zijn of worden genomen om dat afvalwater te verwerken; het door de gemeenteraad vastgestelde beleid met betrekking tot de niet op het gemeentelijke riool aangesloten percelen; de resultaten van het overleg over de voorgenomen aanvraag met de waterbeheerders als bedoeld in de Waterwet, indien dat overleg heeft plaatsgehad.
2.Gedeputeerde staten stellen de in het eerste lid onder g bedoelde waterbeheerders en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerpbesluit.

Paragraaf7.3Gesloten stortplaatsen

Artikel7.3.1Gesloten stortplaatsen

1.De volgende leden van dit artikel hebben uitsluitend betrekking op de stortplaats te Roerdalen, te Landgraaf, te Schinnen en te Weert, op de bedrijfsgebonden stortplaats Louisegroeve te Sittard Geleen en op de baggerspecielocaties te Meers en te Swalmen, vanaf het tijdstip dat gedeputeerde staten voor de betreffende stortplaats een sluitingsverklaring op grond van artikel 8.47 van de Wet milieubeheer hebben afgegeven (gesloten stortplaatsen).
2.Het is verboden in, op, onder of boven een gesloten stortplaats andere handelingen te verrichten dan die ter uitvoering van het voor de stortplaats geldende nazorgplan als ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor de nazorgvoorzieningen van de stortplaats. Ook is het verboden handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de instandhouding van de nazorgvoorzieningen belemmerd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden. De verboden zijn niet van toepassing op handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting voor zover deze is vergund krachtens artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met artikel 3.4 van het Besluit omgevingsrecht.
3.Gedeputeerde staten kunnen ontheffing (stortplaatsontheffing) verlenen van de in het tweede lid, gestelde verboden indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Een aanvraag om ontheffing bevat ten minste het volgende: naam en adres van de aanvrager; een omschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart van het gebied van de stortplaats en met aanduiding van het gebied waar voorzieningen ter bescherming van het milieu (nazorgvoorzieningen) aanwezig zijn; een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te waarborgen, aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen en anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; een beschrijving van de wijze van monitoring en evaluatie van de uitvoering van de onder c bedoelde maatregelen en de rapportage daarover aan gedeputeerde staten.

Paragraaf7.4Bedrijventerreinen met provinciale geluidcontour

Artikel7.4.1Bedrijventerreinen met provinciale geluidscontour

De volgende bedrijventerrein met provinciale geluidscontour worden aangewezen als industrieterreinen als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder:

Chemelot;

NedCar, NedCar Yard, Industrial Park Swentibold.

De bedrijventerrein met provinciale geluidscontour worden aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten.

Hoofdstuk8Ontheffingen en meldingen

Artikel8.1.1Ontheffingen

Op de voorbereiding van besluiten inzake ontheffingen krachtens deze verordening is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Daarbij geldt tevens het volgende lid.

Gedeputeerde staten kunnen de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geheel of gedeeltelijk achterwege laten indien uit het oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten of indien de aanvraag betrekking heeft op een handeling waarvan de uitvoering als gevolg van een buitengewone omstandigheid op korte termijn nodig is.

Gedeputeerde staten stellen het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, de waterbeheerder en het betrokken drinkwaterbedrijf voor zover het hun belangen betreft, in de gelegenheid advies uit te brengen.

Artikel8.1.2Besluit op aanvraag om ontheffing; wijziging en intrekking

De artikelen 2.14 (in aanmerking te nemen omstandigheden en belangen), 2.22 (voorschriften), 2.23 (termijnen) en paragraaf 2.6 (wijziging en intrekking) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de ontheffingen ingevolge deze verordening.

Artikel8.1.3Ontheffinghouder

Een ontheffing geldt voor eenieder die de handeling uitvoert waarop zij betrekking heeft. De ontheffinghouder draagt ervoor zorg dat de aan de ontheffing verbonden voorschriften worden nageleefd.

Indien een ontheffing zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de ontheffinghouder, meldt de aanvrager, onderscheidenlijk de ontheffinghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag.

In afwijking van he bepaalde in het eerste lid, geldt een ontheffing als bedoeld in artikel 7.2.1, eerste lid, of 7.3.1, derde lid, slechts voor degene aan wie zij is verleend, tenzij bij de ontheffing anders bepaald.

Artikel8.1.4Meldingen

Een melding op grond van deze verordening bevat in ieder geval: de naam en het adres van de melder; de dagtekening; een beschrijving van de activiteit; een duidelijke aanduiding op kaart van de plaats waar de activiteit wordt uitgeoefend; op welke wijze wordt voldaan aan de desbetreffende voorschriften krachtens deze verordening.

Een melding ingevolge artikel 4.3.4, tweede lid, wordt gedaan aan het bevoegd gezag indien dat wettelijk is voorgeschreven en anders aan gedeputeerde staten. In andere gevallen wordt een melding gedaan aan gedeputeerde staten.

De melding aan gedeputeerde staten wordt gedaan op een door hen verstrekt formulier.

De melding wordt gedaan uiterlijk vier weken voor de uitvoering.

Het bestuursorgaan stuurt een afschrift van een melding als bedoeld in hoofdstuk 4 aan het drinkwaterbedrijf.

Artikel8.1.5Ontheffingen hoofdstuk 2

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op ontheffingen als bedoeld in artikel 2.1.2.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op ontheffingen als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening.

Hoofdstuk9Nadeelcompensatie

Artikel9.1.1Toepasselijkheid

Op aanvragen tot vergoeding van kosten of schade ten gevolge van deze verordening of een krachtens deze verordening genomen besluit, alsmede op verzoeken om schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet en onderzoek als bedoeld in artikel 7.19 van de Waterwet is de Regeling nadeelcompensatie provincie Limburg van toepassing.

Het eerste lid is niet van toepassing op schade als bedoeld in paragraaf 3.7 van deze verordening.

Hoofdstuk10Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel10.1.1Strafbepalingen en opsporing

Overtreding van krachtens artikel 4.1.2 gegeven algemene regels, van artikel 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 4.3.1, 4.3.2, 4.3.3, 4.3.4, 4.4.1, 4.4.2, 4.5.1, 4.6.1, 4.6.2, 7.3.1, mede in verband met artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of in strijd met een voorschrift of beperking verbonden aan een krachtens artikel 4.2.5, 4.3.5, 4.4.4, 4.5.3, 4.6.3 of 7.3.1 gegeven ontheffing is een strafbaar feit.

Overtreding van artikel 7.1.1, tweede of derde lid, mede in verband met artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of in strijd met een voorschrift of beperking, verbonden aan een krachtens artikel 7.1.1, derde lid, gegeven vergunning, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Met de opsporing van de in het eerste en tweede lid genoemde overtredingen zijn behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde ambtenaren tevens belast de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.

Artikel10.1.2Intrekken verordeningen

De Omgevingsverordening Limburg (Provinciaal Blad 2013, nr. 49), de Verordening wonen Zuid-Limburg (Provinciaal Blad 2013, nr. 57) en de Verordening veehouderijen en Natura 2000 provincie Limburg (Provinciaal Blad 2013, nr. 87) worden ingetrokken.

Artikel10.1.3Overgangsbepaling

Ontheffingen en vergunningen, verleend krachtens de Provinciale milieuverordening Limburg, de Ontgrondingenverordening Limburg, de Wegenverordening Provincie Limburg 2008 of een van de in artikel 10.1.2 genoemde verordeningen gelden als ontheffingen en vergunningen krachtens de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Een aanvraag om ontheffing of vergunning, gedaan onder de Omgevingsverordening Limburg wordt zoveel mogelijk afgehandeld overeenkomstig de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Het bevoegd gezag verbindt de voorschriften als bedoeld in artikel 4.3.3 aan een omgevingsvergunning uiterlijk op 31 december 2014.

Aan de voorschriften als bedoeld in artikel 4.3.4 wordt uiterlijk op 31 december 2018 voldaan, met uitzondering van het voorschrift als bedoeld in artikel 4.3.3, vijfde lid, aanhef en onder c (tussentijds bodemonderzoek).

De verboden bedoeld in de artikelen 4.2.3 aanhef en onder l, mede in verband met artikel 4.3.1, eerste lid, artikel 4.3.1, zesde lid, artikel 4.4.1, eerste lid, onder a, en 4.4.2, eerste lid, onder c, gelden niet voor bodemenergiesystemen die waren aangelegd voor 1 november 2009, of waarvoor voor die datum een vergunning op grond van de Grondwaterwet, of een ontheffing op grond van artikel 5.34, eerste lid van de Provinciale Milieuverordening Limburg was verleend.

Hoofdstuk 2 is niet van toepassing op ruimtelijke plannen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld of in ontwerp ter inzage zijn gelegd.

De artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.6 alsmede artikel 2.5.3 zijn niet van toepassing op ruimtelijke plannen die uiterlijk op de dag van publicatie van de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 in het Provinciaal Blad zijn vastgesteld of in ontwerp ter inzage zijn gelegd. Artikel 2.4.2 is evenmin van toepassing op ruimtelijke plannen waarvoor gedeputeerde staten de hardheidsclausule als bedoeld in de aanhef onder C van de Gewijzigde beleidsregel ‘Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg’ hebben toegepast, zulks met inachtneming van de in de daarop betrekking hebbende besluiten genoemde termijnen.

Artikel10.1.4Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Limburg 2014.

Bijlage bij paragraaf 2.4 Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 2.4 Bestuursovereenkomsten uitwerking POL2014 Bijlage 1 behorende bij Paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014:

Bestuursafspraken POL-uitwerkingen BESTUURSAFSPRAKEN POL-uitwerkingen Noord-Limburg Colleges van B&W van Gemeente Beesel Gemeente Bergen Gemeente Gennep Gemeente Horst aan de Maas Gemeente Mook en Middelaar Gemeente Peel en Maas Gemeente Venlo Gemeente Venray en het college van GS van Provincie Limburg april 2016 1. Algemeen De demografische ontwikkelingen, de economische crisis en de decentralisatie van rijks/provinciale taken levert vraagstukken op die ons in de regio binden. De regio speelt immers een steeds belangrijkere rol of het nu gaat om de aanpak van leegstand (detailhandel, agrarisch vastgoed), het oplossen van de mismatch in de woningvoorraad, etc. In het proces rondom de totstandkoming van het P012014 is de rol van de regio steeds nadrukkelijker naar voren gekomen. Dit heeft ertoe geleid dat onder het mom van ‘regio aan zet’ de regio Noord-Limburg de uitdaging heeft opgepakt om te komen tot 6 thematische POL-uitwerkingen (als onderdeel van het werkprogramma 2015-2018 van de Regio Venlo). Regionale samenwerking is essentieel om tot een goede visie te komen. De mensen die de regio wonen, werken en leven, houden zich namelijk niet aan gemeentegrenzen en hebben over het algemeen dezelfde behoefte: een aantrekkelijk woon-, werk- en leefomgeving met een hoge ruimtelijke kwaliteit en voldoende voorzieningen.

Aanvankelijk zouden eind 2015 de POL-uitwerkingen gereed moeten zijn (op basis waarvan dan concrete bestuursafspraken konden worden gemaakt). Hoewel de regio voortvarend aan de slag is gegaan, is de visievorming nog niet gereed (op een aantal fronten is er (nog) geen overeenstemming in de regio) en is er op aandringen van het PHO Ruimte meer tijd en aandacht besteed aan het meenemen van de gemeenteraden in dit proces.

Op verzoek van de provincie ligt er nu toch een set (tussentijdse) bestuursafspraken (peildatum 31 december 2015). Gezien de verschillende fases waarin de POL-uitwerkingen verkeren, hebben deze bestuursafspraken ook een divers karakter. Daar waar mogelijk gaat het om concrete afspraken (hoe bereiken we het doel), aangevuld met procesmatige afspraken (wat gaan we samen doen om het doel te bereiken). Deze bestuursafspraken worden gebruikt om de Provinciale Omgevingsverordening in de zomer van 2016 te actualiseren.

Uitgangspunten Het POL2014 bevat een aantal algemene Limburgse principes waarbij kwaliteit en uitnodigen centraal staat: vanuit het motto ‘meer stad, meer land’ een nadrukkelijke keuze voor hoogwaardige steden (stedelijkheid wint aan economische en sociale betekenis) in een waardevol landschap (het belang van het Limburgse platteland als vestigingsfactor); het bieden van (tijdelijke) ruimte voor verweving van functies kan enerzijds de vitaliteit en aantrekkelijkheid van gebieden vergroten en anderzijds leiden tot creatieve vormen van meervoudig ruimtegebruik; kwaliteitsbewustzijn in de vorm van het ‘nieuwe groeien’ oftewel zorgvuldig omgaan met onze voorraden: onze ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), onze voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), onze natuurlijke hulpbronnen, onze milieuruimte en onze ondergrond (dynamisch voorraadbeheer); prioriteit voor het herbenutten van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen; inzet op energiebesparing en op een zo groot mogelijk aandeel vernieuwbare energiebronnen; de uitnodigingen om (samen) zaken op te pakken en zo te werken aan een beter leef- en vestigingsklimaat: plannen maken is mooi, omgevingskwaliteit tot stand brengen is nog mooier!

Afspraken De basisafspraken en spelregels uit het POL2014 worden door de regiogemeenten onderschreven en uitgewerkt in regionale visies (POL-uitwerkingen) voor de thema’s Werklocaties, Wonen, Energie, Detailhandel, Vrijetijdseconomie en Landelijk gebied in lijn met de Ladder voor Duurzame verstedelijking. De POL-uitwerkingen vormen de basis voor het gemeentelijk beleid.

Gezien de samenhang en het samenspel tussen deze thematische uitwerkingen onderling én andere actuele regionale beleidstrajecten(Mobiliteitsplan en Delta-opgave) neemt het PHO Ruimte begin 2016 een besluit over het in elkaar te schuiven van deze sectorale visies tot één integraal afwegingskader: de Regionale Omgevingsvisie 2016.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.