Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Car-uwo Alphen aan den Rijn 2016 (hfdst. 1-9d) (Alphen aan den Rijn)

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet, de CAR/UWO Alphen aan den Rijn 2016, regelt de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van ambtenaren die werkzaam zijn voor de gemeente Alphen aan den Rijn. Het stelt definities vast voor belangrijke begrippen en bepaalt wie wel en niet als ambtenaar wordt beschouwd onder deze regeling.

Voor wie: Ambtenaren die door of vanwege de gemeente Alphen aan den Rijn zijn aangesteld om in openbare dienst te werken, inclusief zij met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; Personen die een stageplaats of werkervaringsplaats bij de gemeente Alphen aan den Rijn hebben.

Termijnen:

  • De formele arbeidsduur per week bedraagt 36 uur voor een volledig dienstverband, wat neerkomt op 1836 uur per jaar.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Arbeidsrecht
Artikelen
258
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Definities van termen zoals ambtenaar, functie, pensioen, arbeidsduur en salaris.
  • Wie wel en niet als ambtenaar wordt beschouwd voor de toepassing van deze regeling.
  • Specifieke uitzonderingen op de toepasselijkheid van delen van de regeling voor bepaalde groepen, zoals stagiairs en medewerkers met een werkervaringsplaats.
  • De mogelijkheid voor het college om bijzondere voorschriften vast te stellen ter uitvoering van de regeling.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Ambtenaren die door of vanwege de gemeente Alphen aan den Rijn zijn aangesteld om in openbare dienst te werken, inclusief zij met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
  • Personen die een stageplaats of werkervaringsplaats bij de gemeente Alphen aan den Rijn hebben.

Wat zijn de kernpunten?

  • Een "ambtenaar" is iemand die door of vanwege de gemeente is aangesteld voor openbare dienst of een arbeidsovereenkomst heeft.
  • Bepaalde groepen, zoals onderwijzend personeel en onbezoldigde gemeenteambtenaren, worden niet als ambtenaar beschouwd onder deze regeling.
  • Voor stagiairs en medewerkers met een werkervaringsplaats gelden uitzonderingen op de toepasselijkheid van bepaalde hoofdstukken van de CAR-UWO.
  • De formele arbeidsduur per week bedraagt 36 uur voor een volledig dienstverband, wat neerkomt op 1836 uur per jaar.

Arbeidsrecht

8

Arbeidsrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (258)
  1. Artikel 1:1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wor
  2. Artikel 1:2 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
  3. Artikel 1:2:1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
  4. Artikel 1:2:2 (vervallen)
  5. Artikel 1:2:3 (vervallen)
  6. Artikel 1:2a Stageplaats
  7. Artikel 1:2b Werkervaringsplaats
  8. Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak
  9. Artikel 1:3 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden
  10. Artikel 1:3:1 Vervalt
  11. Artikel 1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de
  12. Artikel 1:4:1 Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, in
  13. Artikel 1:4:2 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
  14. Artikel 1:4:3 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor
  15. Artikel 1:4:4 De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd
  16. Artikel 1:5 Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang va
  17. Artikel 1:6 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen
  18. Artikel 2:1
  19. Artikel 2:2 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na
  20. Artikel 2:3 Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
  21. Artikel 2:4 De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde
  22. Artikel 2:4:1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
  23. Artikel 2:4:2 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
  24. Artikel 2:4:3 (vervallen)
  25. Artikel 2:5 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst
  26. Artikel 2:5:1 Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn
  27. Artikel 2:5:2 De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een mi
  28. Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:
  29. Artikel 2:5:4 De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
  30. Artikel 2:5:5 (vervallen)
  31. Artikel 2:5:6 (vervallen)
  32. Artikel 2:5:7 (vervallen)
  33. Artikel 2:5:8 (vervallen)
  34. Artikel 2:5:9 (vervallen)
  35. Artikel 2:5:10 (vervallen)
  36. Artikel 2:5:11 (vervallen)
  37. Artikel 2:5:12 (vervallen)
  38. Artikel 2:5:13 (vervallen)
  39. Artikel 2:6 Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van art
  40. Artikel 2:7 Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
  41. Artikel 2:7a Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
  42. Artikel 2:8 (vervallen)
  43. § 1 Algemene bepalingen
  44. Artikel 3:1 Functies en functiewaardering
  45. Artikel 3:2 Recht op Salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
  46. § 2 Salaris
  47. Artikel 3:3 Vaststelling salaris
  48. Artikel 3:4 Salarisverhoging
  49. Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal
  50. Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal
  51. Artikel 3:7 Uitloopschaal
  52. § 3 Salaristoelagen
  53. Artikel 3:8 Functioneringstoelage
  54. Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage
  55. Artikel 3:10 Waarnemingstoelage
  56. Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst
  57. Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage
  58. Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst
  59. Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage
  60. Artikel 3:15 Garantietoelage
  61. Artikel 3:16 Afbouwtoelage
  62. §4 Overige vergoedingen en uitkeringen
  63. Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam
  64. Artikel 3:18 Overwerkvergoeding
  65. Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering
  66. Artikel 3:19 Ambtsjubileum
  67. Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
  68. Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding
  69. Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
  70. Artikel 3:23 Overlijdensuitkering
  71. Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
  72. Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
  73. Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
  74. § 5 Individeel keuzebudget (gereserveerd)
  75. § 6 Overgangsrecht
  76. Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari
  77. Artikel 4:1 Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming
  78. Artikel 4:2 De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
  79. Artikel 4:2:1 (vervallen)
  80. Artikel 4:2:2 (vervallen)
  81. Artikel 4:3 Werkingssfeer
  82. Artikel 4:3:1 (vervallen)
  83. Artikel 4:3:2 (vervallen)
  84. Artikel 4:3:3 (vervallen)
  85. Artikel 4:4 Vaststelling werktijden
  86. Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen
  87. Artikel 4:6 Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag
  88. Artikel 4:7 Nadere regels
  89. Artikel 4:8 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
  90. § 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
  91. Artikel 4:9 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  92. Artikel 4a 1
  93. Artikel 5:2 Pré-Vut
  94. Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen
  95. Artikel 5:5 Overgangsbepalingen
  96. Artikel 5:6 Slotbepalingen
  97. Artikel 5a 1
  98. Artikel 6:1 In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud va
  99. Artikel 6:1:1
  100. Artikel 6:2 De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt
  101. Artikel 6:2:1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
  102. Artikel 6:2:2 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten
  103. Artikel 6:2:3 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
  104. Artikel 6:2:4 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar
  105. Artikel 6:2:5 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen
  106. Artikel 6:2:6 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet
  107. Artikel 6:2:7 Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aa
  108. Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof
  109. Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
  110. Artikel 6:3 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand
  111. Artikel 6:3:1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
  112. Artikel 6:4 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten-
  113. Artikel 6:4:1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud
  114. Artikel 6:4:1a De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
  115. Artikel 6:4:2 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:
  116. Artikel 6:4:2a (vervallen)
  117. Artikel 6:4:3 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
  118. Artikel 6:4:4 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
  119. Artikel 6:4:5 Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het
  120. Artikel 6:4:5a Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
  121. Artikel 6:4:6 Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
  122. Artikel 6:5 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
  123. Artikel 6:5:1 (vervallen)
  124. Artikel 6:5:2 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
  125. Artikel 6:5:3 Vervallen
  126. Artikel 6:5:4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
  127. Artikel 6:5:5 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
  128. Artikel 6:5:6 (vervallen)
  129. Artikel 6:5:7
  130. Artikel 6:5a (vervallen)
  131. Artikel 6:6 (vervallen)
  132. Artikel 6:7 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en
  133. Artikel 6:8 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
  134. Artikel 6:9 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente
  135. Artikel 6:10 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet
  136. Artikel 6:11 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking
  137. Artikel 6:12 Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps-
  138. Artikel 6a 1
  139. Artikel 7:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  140. Artikel 7:2 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
  141. Artikel 7:2:1 De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
  142. Artikel 7:2:2 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
  143. Artikel 7:2:3 De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks
  144. Artikel 7:2:4 (vervallen)
  145. Artikel 7:2:5 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar
  146. Artikel 7:2:6 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een
  147. Artikel 7:2:7 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
  148. Artikel 7:3 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
  149. Artikel 7:4 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet
  150. Artikel 7:5 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
  151. Artikel 7:6 (Vervalt)
  152. Artikel 7:7 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
  153. Artikel 7:8
  154. Artikel 7:8:1 Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van
  155. Artikel 7:8:2 Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in ee
  156. Artikel 7:8:3 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a,
  157. Artikel 7:9 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te
  158. Artikel 7:10 De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
  159. Artikel 7:10:1 (vervallen)
  160. Artikel 7:10:2 (vervallen)
  161. Artikel 7:10:3 (vervallen)
  162. Artikel 7:10:4 (vervallen)
  163. Artikel 7:11 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
  164. Artikel 7:12 De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
  165. Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
  166. Artikel 7:13:2
  167. Artikel 7:14 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in
  168. Artikel 7:14:10 (vervallen)
  169. Artikel 7:15:1 Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
  170. Artikel 7:16 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
  171. Artikel 7:16:9 (vervallen)
  172. Artikel 7:17 Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
  173. Artikel 7:18 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in minder
  174. Artikel 7:18:1 Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van
  175. Artikel 7:19 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid
  176. Artikel 7:20 Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
  177. Artikel 7:21 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot
  178. Artikel 7:22 Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar i
  179. Artikel 7:22:2 (vervallen)
  180. Artikel 7:23 Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heef
  181. Artikel 7:23:1 (vervallen)
  182. Artikel 7:24 De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactie
  183. Artikel 7:24a (vervallen)
  184. Artikel 7:25 (vervallen)
  185. Artikel 7:25:1 (vervallen)
  186. Artikel 7:25:2 (verrvallen)
  187. Artikel 7:25:3 (vervallen)
  188. Artikel 7:25:4 (vervallen)
  189. Artikel 7:25a (vervallen)
  190. Artikel 7:25b (vervallen)
  191. § 7 Overige bepalingen
  192. Artikel 7:26 Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
  193. Artikel 7:27 De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid
  194. Artikel 7:28 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
  195. Artikel 7:28:1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
  196. Artikel 7:28a Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
  197. Artikel 7:28b Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in a
  198. Artikel 8:1 Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
  199. Artikel 8:1:1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang
  200. Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
  201. Artikel 8:2:1 (vervallen)
  202. Artikel 8:2a De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het
  203. Artikel 8:3 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
  204. Artikel 8:3:1 Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg geplee
  205. Artikel 8:4
  206. Artikel 8:5 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
  207. Artikel 8:5:1 (vervallen)
  208. Artikel 8:5a De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
  209. Artikel 8:6 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
  210. Artikel 8:7 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:
  211. Artikel 8:7:1 Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontsl
  212. Artikel 8:8 Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
  213. Artikel 8:8:1
  214. Artikel 8:9 Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
  215. Artikel 8:10 (vervallen)
  216. Artikel 8:10:1 (vervallen)
  217. Artikel 8:11 Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
  218. Artikel 8:11:1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van
  219. Artikel 8:12 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
  220. Artikel 8:12:1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook
  221. Artikel 8:12:2
  222. Artikel 8:13 Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verlee
  223. Artikel 8:14 In dit artikel wordt verstaan onder:
  224. Artikel 8:15:1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door
  225. Artikel 8:15:2 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b
  226. Artikel 8:15:3 Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
  227. Artikel 8:16:1 (vervallen)
  228. Artikel 8:16:2 (verplaatst naar hoofdstuk 3)
  229. Artikel 8:16:3 (verplaatst naar hoofdstuk 3)
  230. Artikel 8:16a (verplaatst naar hoofdstuk 3)
  231. Artikel 8:17 Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk
  232. Artikel 8:18 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
  233. Artikel 8:19 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
  234. Artikel 8:20 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in a
  235. Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO
  236. Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO
  237. Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO
  238. Artikel 9:2 Bedrag en duur
  239. Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten
  240. Artikel 9:4 Samenloop met FPU
  241. Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
  242. Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
  243. Artikel 9:4:3 Samenloop met aan- spraken uit hoofde van ziekte of
  244. Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  245. Artikel 9:6:1 Vervallen
  246. Artikel 9:7:1 Verval van uitkering
  247. Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering
  248. Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen
  249. Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens FLO
  250. Artikel 9:11 Tijdelijke regeling
  251. Artikel 9:12 Tijdelijke regeling
  252. Artikel 9:13 Slotbepaling
  253. Artikel 9:14 Slotbepaling
  254. Artikel 9a 1
  255. §1 Algemene bepalingen
  256. Artikel 9b 1
  257. §3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
  258. Artikel 9d 1

CAR/UWO Alphen aan den Rijn 2016 Het college van burgemeester en wethouders;

Gelet op artikel 160 lid 1, van de Gemeentewet en artikel 125, lid 2, Ambtenarenwet;

B E S L U I T vast te stellen de volgende:

CAR/UWO Alphen aan den Rijn 2016

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen Begripsomschrijvingen

Artikel 1:1Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt

verstaan onder: a ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; c pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; f arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i vervallen; j arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; l overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; n werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand; p Zvw: de Zorgverzekeringswet q CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; r UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s vervallen; t vervallen; u LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; v WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; z IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; aa IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; cc WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; dd WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff Waz: Wet arbeid en zorg; gg SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en

Inkomen; hh uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; ii pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj WPA: de Wet privatisering ABP; kk vervallen; ll vervallen; mm volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week; nn ZW: de Ziektewet; oo ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; pp UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI; qq Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur; rr Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend.

Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend; ss Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; tt Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; uu Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; vv Achterblijvende partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.

2.Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. briefnummer: U200601371. U201500965, U201502055, U201600266 Geen ambtenaar

Artikel 1:2Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst

wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. briefnummer: U200800390, U200901449, U201001980, U201002606, U201502055

Artikel 1:2:1Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk

recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26 en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. briefnummer: U200801637, U201300288, U201502055, U201600266 Leer-werkbaan

Artikel 1:2:2(vervallen)

briefnummer: U200515875, U200801544, U201401851 Instapplan

Artikel 1:2:3(vervallen)

briefnummer: U200515875, U201401851

Artikel 1:2aStageplaats

Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.

Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.

De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.

De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.

Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.

De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Ledenbrief: U201401851

Artikel 1:2bWerkervaringsplaats

Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.

Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.

De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.

De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat.

Het college zorgt voor adequate begeleiding.

Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.

De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Ledenbrief: U201401851, U201502055

Artikel 1:2cAanstellingen op grond van de banenafspraak

In afwijking van artikel 3:3 eerste lid, kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

In afwijking van artikel 3:3 eerste lid, kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.

Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering.

Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de vakantietoelage.

Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage.

Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.

Briefnummer: U201501380, U201502055 Toepassing

Artikel 1:3De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden

ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. briefnummer: 2002004761 en U200801115

Artikel 1:3:1Vervalt

briefnummer: CvA/200801115

Artikel 1:3aVoor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de

griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. briefnummer: CvA/2002004761 Voorschriften en instructies

Artikel 1:4:1Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien

zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. briefnummer: 2004001009, U201502055 Uitreiking van CAR en UWO

Artikel 1:4:2Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze

regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in her vorige lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. briefnummer: CvA/2004001009

Artikel 1:4:3Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor

hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. briefnummer: U201502055 Voordragen van belangen

Artikel 1:4:4De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van

dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Omvang van de betrekking

Artikel 1:5Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van het

dienstverband, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. briefnummer: 601519, U201502055 Vrijstelling

Artikel 1:6In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen

voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. briefnummer: CvA/2008001112, U201502055

Hoofdstuk 2

AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST Aanstelling: het bevoegd gezag

Artikel 2:1

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. briefnummer: CvA/2004001009 Aanstelling in algemene dienst

Artikel 2:1A

De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.

Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel.

De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.

Briefnummer: U201201481

Artikel 2:1B

De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: a. tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; b. tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; c. beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden.

Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

Briefnummer: U201201481 Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

Artikel 2:2Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na

een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. briefnummer: 2004001009, U201100883, U201300288 Aanstelling: geneeskundig onderzoek

Artikel 2:3Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde

functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. briefnummer: 2004001009, U201502055 Duur van de aanstelling

Artikel 2:4De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde

tijd.

Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.

Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop: de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.

Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. briefnummer: CvA/2001002849, U201401851, U201500231, U201600259 Bericht van aanstelling

Artikel 2:4:1De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het

bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.

1993,635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; in een aanstelling bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst.

Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. briefnummer: U200515875, U201502055 Vacatures

Artikel 2:4:2De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het

personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. briefnummer: U2008001112

Artikel 2:4:3(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849 Arbeidsovereenkomst

Artikel 2:5Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst

naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. briefnummer: U200800453

Artikel 2:5:1Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de

artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. briefnummer: CvA/2001002849 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

Artikel 2:5:2De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum

van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. briefnummer: CvA/2001002849 Inhoud oproepovereenkomst

Artikel 2:5:3De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. briefnummer: CvA/2001002849, U201502055 Betaling bij ziekte van de oproepkracht

Artikel 2:5:4De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende

salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2.

Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in een bedrag per uur.

Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. briefnummer: 2001002849, U201502055

Artikel 2:5:5(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:6(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:7(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:8(vervallen)

Oproepkrachten

Artikel 2:5:9(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:10(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:11(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849

Artikel 2:5:12(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849 Inwerkingtreding

Artikel 2:5:13(vervallen)

briefnummer: CvA/2001002849 Overgangsrecht

Artikel 2:6Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel

2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. briefnummer: CvA/2001002849, U201401851 Aanpassing arbeidsduur

Artikel 2:7Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is

aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.

De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. briefnummer: CvA/2004001009, U201600259

Artikel 2:7aOp verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die

is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

-de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;
-het salaris evenredig wordt verhoogd;
-de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;
-de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;
-de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;
-de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, eerste lid, evenredig wordt verhoogd;
-instemming van de ambtenaar is vereist;
-artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.

Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. briefnummer: U200800305, U200800645, U201502055 Aanstelling na 65 jaar

Artikel 2:8(vervallen)

briefnummer: CvA/2004003238

Hoofdstuk 3

SALARIS, VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN UITKERINGEN

§ 1Algemene bepalingen

Artikel 3:1Functies en functiewaardering

Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed.

Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarderingssysteem.

Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem. briefnummer: CvA/U200515560, U201500965

Artikel 3:2Recht op Salaris, vergoedingen, salaristoelagen en

uitkeringen Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk.

Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten.

De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Briefnummer: U201300476, U201500965

§ 2Salaris

Artikel 3:3Vaststelling salaris

Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal.

Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld. briefnummer: 607820, U201300476, U201500965, U201502055

Artikel 3:4Salarisverhoging

Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.

Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.

Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. briefnummer: CvA/2004001009; U201300476, U201500965

Artikel 3:5Verlaging salarisschaal

Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.

In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.

Briefnummer: ARZ/601519, U201500965

Artikel 3:6Inpassing in hogere schaal

De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. briefnummer: U200800195 en U201001449 en U201500965

Artikel 3:7Uitloopschaal

Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.

Briefnummer: U201500965

§ 3Salaristoelagen

Artikel 3:8Functioneringstoelage

Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen.

De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend.

De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Briefnummer: U201300476, U201500965

Artikel 3:9Arbeidsmarkttoelage

Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel.

De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.

De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:10Waarnemingstoelage

Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.

Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld.

Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:11Toelage onregelmatige dienst

De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.

De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.

Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:12Buitendagvenstertoelage

De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buiten dag venstertoelage.

De buiten dag venstertoelage bedraagt:

50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;

75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;

100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.

De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage Briefnummer: U201500965

Artikel 3:13Toelage beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst.

De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.

Het uurloon, is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:14Inconveniëntentoelage

Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:15Garantietoelage

Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:16Afbouwtoelage

De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.

Het eerste lid is niet van toepassing: op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan.

De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.

Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.

Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.

Briefnummer: U201500965, U201502055

§4Overige vergoedingen en uitkeringen

Artikel 3:17Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam

De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.

De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:18Overwerkvergoeding

De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.

De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:

100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;

75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;

75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;

25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.

Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b.

De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.

De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:18aEindejaarsuitkering

De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:19Ambtsjubileum

Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.

Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen.

Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:20Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere

prestaties Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties.

Artikel 3:21Reis- en verblijfkostenvergoeding

Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:22Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer

Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen.

Briefnummer: U201500965

Artikel 3:23Overlijdensuitkering

Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.

Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen;

Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:24Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en

door de dienst Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen.

De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering.

Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:25Recht op tegemoetkoming in de kosten van de

zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.

De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten.

Briefnummer: U201500965, U201502055

Artikel 3:26Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de

zorgverzekering (niet van toe passing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Briefnummer: U201500965, U201502055

§ 5Individeel keuzebudget (gereserveerd)

§ 6Overgangsrecht

Artikel 3:27Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari

2016 Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.

Toelichting:

1a. Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen.

Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit overgangsrecht. Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing blijven.

1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatum.

Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit. Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet.

Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde einddatum.

2.

Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.

3.

Lokale financiële arbeidsvoorwaarden 1 die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1.

Toelichting:Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3.

1 Bruto blijft bruto, netto blijft netto.

4.

Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.

Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.

Toelichting:

Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakantietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd. In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan. De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels. De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3.

Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld. Geen roosters Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk of andere redenen wordt inonderling overleg een ander representatief refertetijdvak vastgesteld. Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het overgangsrecht. De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan. Met ‘onderling

overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren.

5.

Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen.

Toelichting:De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro 200) = Euro 100-. De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage.

6.

Er zijn geen anticumulatiebepalingen.

Toelichting:Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de medewerker.

7.

Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.

Toelichting:De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past.

Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden gemaakt.

8.

De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.

Toelichting:Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd.

9.Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.
10.Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato.

Toelichting:Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.

11.Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect.

Toelichting:De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.

12.

Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden.

Toelichting: Zie punt 8.13. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 13. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.

13.Toelichting:

De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau.

Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen. briefnummer: U201502055

Hoofdstuk 4

ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

Artikel 4:1Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van

hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.

Briefnummer: U200600335, U201300476

§ 1Standaardregeling voor de werktijden

Artikel 4:2De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het

dagvenster.

Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.

De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afsprakenover de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.

Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.

Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.

De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.

Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is.Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12.

Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.

Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.

Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. briefnummer: 2004001009, U201300476, U201502055

Artikel 4:2:1(vervallen)

briefnummer: 2004001009, U201300476

Artikel 4:2:2(vervallen)

Briefnummer: U201300476

§ 2Bijzondere regeling voor de werktijden

Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

Artikel 4:3Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.

Briefummers: U2008001112, U201300288, U201300476

Artikel 4:3:1(vervallen)

briefnummer: MARZ/CvA/U200600335

Artikel 4:3:2(vervallen)

briefnummer: MARZ/CvA/U200600335

Artikel 4:3:3(vervallen)

briefnummer: MARZ/CvA/U200600335 Bijzondere regeling

Artikel 4:4Vaststelling werktijden

Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.

De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.

Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:

De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.

De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.

Briefnummer: U201300476

Artikel 4:5Werken op zon- en feestdagen

De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.

Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Briefnummer: U201300476

Artikel 4:6Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of

zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Briefnummer: U201300476, U201502055

Artikel 4:7Nadere regels

Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.

Briefnummer: U201300476

§ 3Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

Artikel 4:8De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de

ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.

Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.

Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.

Briefnummer: U201300476

§ 4Opgebouwde verloftegoed uit voormalige

verlofspaarmogelijkheid

Artikel 4:9Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlof spaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verlof tegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen.

Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.

In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

Briefnummer: U201300476, U201502055 4a UITWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

Artikel 4a1

De ambtenaar kan bij het college voor l november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren -na vermindering op grond van het eerste lid- minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. briefnummer: U200600335, U201300288 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

Artikel 4a2

De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. briefnummer: 2004001009, U201300288 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding

Artikel 4a3

Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. briefnummer: 2004001009

Hoofdstuk 5

SENIORENMAATREGELEN Artikel 5:1 56-jarigenregeling (vervallen)

Artikel 5:2Pré-Vut

(vervallen) Artikel 5:3 60-jarigenregeling (vervallen)

Artikel 5:4Ingangsdatum seniorenmaatregelen

(vervallen)

Artikel 5:5Overgangsbepalingen

(vervallen)

Artikel 5:6Slotbepalingen

(vervalt)

Hoofdstuk 5a

FPU GEMEENTEN EN NIEUWE SENIORENMAATREGELEN

§ 1FPU Gemeenten

Recht op uitkering

Artikel 5a1

De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever. briefnummer: MARZ/CvA/U200600296 Berekeningsgrondslag

Artikel 5a2

In dit wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.

Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever. briefnummer: MARZ/CvA/U200601047 Hoogte van de Aanvulling werkgever

Artikel 5a3

1.De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:

Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeltijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.

De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. briefnummer: MARZ/CvA/U200600296 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

Artikel 5a4

Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden; voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. briefnummer: MARZ/CvA/U200602051 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

Artikel 5a4a

Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen.

Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen.

Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.

De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar briefnummer: MARZ/CvA/U200602051 (de ingangsdatum is gewijzigd van 1-1-2006 naar 1-1-2007).

Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

Artikel 5a4b

Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.

De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.

De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.

Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.

Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering. briefnummer: MARZ/CvA/U200600296 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever

Artikel 5a5

Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling. briefnummer: ARZ/1999003908 en CvA/1999005385 Pensioenopbouw

Artikel 5a6

De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een Vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11. briefnummer: ARZ/1999003908 en CvA/1999005385 Lokaal beleid

Artikel 5a7

Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet. briefnummer: CvA/2004001009

Artikel 5a8

(vervallen) briefnummer: CvA/U200515944

§ 2Pensioenopbouw bij afloop loopbaan

Artikel 5a9

Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling. briefnummer: CvA/2003002216

Hoofdstuk 6

VAKANTIE, VAKANTIETOELAGE EN (ZWANGERSCHAPS- EN BEVALLINGS)VERLOF Vakantie

Artikel 6:1In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van

salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Briefnummer: U201502055

Artikel 6:1:1

De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

De vakantie wordt verleend door het college. briefnummer: CvA/2004001009

Artikel 6:2De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt

ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.

Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. briefnummer: CvA/2004001009, U201401851

Artikel 6:2:1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college

algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a. briefnummer: 2004001009, U201100883, U201502055

Artikel 6:2:2De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten

minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst , berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar. briefnummer: CvA/2002001818 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid

Artikel 6:2:3De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of

wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.

Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens ziekte Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.

Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur. briefnummer: U200601371, U201001464, U201401851, U201502055

Artikel 6:2:4Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar

de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd. briefnummer: 2004001009, U201502055

Artikel 6:2:5Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen

van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantieuren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed. briefnummer: ARZ/601519

Artikel 6:2:6Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet

is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten.

Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist. briefnummer: 2004001009, U201502055

Artikel 6:2:7Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn

dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Briefnummer: U201502055

Artikel 6:2aVervaltermijn wettelijk verlof

Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.

Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.

Briefnummer: U201401851

Artikel 6:2bVerjaringstermijn bovenwettelijk verlof

Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.

Vakantietoelage

Artikel 6:3De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand

waarover hij als zodanig salaris en de toegekende salaristoelage(n) heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.

De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd. briefnummer: U200800645, U201502055

Artikel 6:3:1De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per

kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.

Artikel 6:3 , alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen. briefnummer: 2004001009, U201502055 Buitengewoon verlof

Artikel 6:4De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten-

en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.

In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd. briefnummer: U200600904, U201502055 Langdurend zorgverlof

Artikel 6:4:1Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud

van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden. briefnummer: U200600336, U201502055

Artikel 6:4:1aDe ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend

zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling genoemd in het eerste lid.

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Briefnummer: U200600336, U201502055 Vakbondsverlof

Artikel 6:4:2Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

Centrales van overheidspersoneel; de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel (CCOOP); de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

Verenigingen van ambtenaren de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelag(n) verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen. om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren

-als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.

Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a , nr.

1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.

Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld. briefnummer: 2004001009, U201300288, U201401851, U201502055

Artikel 6:4:2a(vervallen)

briefnummer: CvA/2002004755 Kortdurend zorgverlof

Artikel 6:4:3De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur

per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Wazo.

Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.

Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk. briefnummer: CvA/2002004755, U201502055 Non-activiteit

Artikel 6:4:4Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de

Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.

Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen. briefnummer: 2004001009, U201502055 Overige redenen buitengewoon verlof

Artikel 6:4:5Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot

van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4.

Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar. briefnummer: U200600904, U201502055

Artikel 6:4:5aHet college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd

bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. briefnummer: MARZ/CvA/U200600904 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Artikel 6:4:6Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in

mindering gebracht op de vakantie. briefnummer: CvA/2002004755 Ouderschapsverlof

Artikel 6:5De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op

ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens: schaal 1: 90% schaal 2: 85% schaal 3: 80% schaal 4: 70% schaal 5: 60% schaal 6 en hoger: 50% Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.

Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort. briefnummer: U200600394, U200801974, U200900468, U201501087, U201502055 Voorwaarden

Artikel 6:5:1(vervallen)

briefnummer: CvA/2002004755 en U200900468 en U20150 Meerlingen

Artikel 6:5:2Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak

betaald ouderschapsverlof.

De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten. briefnummer: CvA/2002004755 en U200900468 Ziekte

Artikel 6:5:3Vervallen

briefnummer: 2002004755, U201501087, U201502055 Opbouw vakantie en vakantietoelage

Artikel 6:5:4De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof

geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). briefnummer: 2002004755, U200900468, U201502055 Terugbetaling

Artikel 6:5:5De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen

zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde. briefnummer: 2002004755, U200900468, U201502055

Artikel 6:5:6(vervallen)

briefnummer: MARZ/CvA/U200515951

Artikel 6:5:7

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen. briefnummer: CvA/2002004755 Overgangsrecht ouderschapsverlof

Artikel 6:5a(vervallen)

briefnummer: U200600394 en U200801974 en U200900468

Artikel 6:5a1

(vervallen) briefnummer: U200600334, U201502055

Artikel 6:6(vervallen)

briefnummer: MARZ/CvA/U200600904 Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Artikel 6:7De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en

bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. briefnummer: U200515560, U201502055 Adoptie- en pleegzorgverlof

Artikel 6:8De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of

pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.

Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op. briefnummer: U200601371, U201502055 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6:9De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente

kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren. briefnummer: MARZ/CvA/U200600904 Aanspraken tijdens het verlof

Artikel 6:10De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet

wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. briefnummer: CvA/U200801637 Samenloop met ziekte

Artikel 6:11Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking

onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering. briefnummer: U200600904 en U200802017 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Artikel 6:12Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en

bevallingsverlof. briefnummer: MARZ/CvA/U200600904

Hoofdstuk 6a

DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING Begripsomschrijvingen

Artikel 6a1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal. briefnummer: MARZ/CvA/U200600904

Artikel 6a2 Doel

vervallen briefnummer: U200600904 en U201300314 Verzoek tot deelname levensloopregeling

Artikel 6a3

De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. briefnummer: MARZ/CvA/U200600904

Artikel 6a4 Verzoek tot deelname levensloopregeling

De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.