Arbeidsvoorwaarden- en rechtspositieregeling Rijssen-Holten (Rijssen-Holten)
Waar gaat deze regeling over?
Deze regeling van de gemeente Rijssen-Holten beschrijft de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie van ambtenaren, inclusief definities en uitzonderingen voor bepaalde groepen.
Voor wie: Ambtenaren die door of vanwege de gemeente Rijssen-Holten zijn aangesteld; Stagiairs en personen met een werkervaringsplaats bij de gemeente.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Arbeidsrecht
- Artikelen
- 345
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definities van termen zoals "ambtenaar", "functie", "arbeidsduur" en diverse toelagen.
- Wie wel en wie niet als ambtenaar wordt beschouwd voor de toepassing van deze regeling.
- De voorwaarden voor stageplaatsen en werkervaringsplaatsen binnen de gemeente.
- Specifieke regels voor ambtenaren die worden aangesteld op grond van de banenafspraak.
Voor wie geldt deze regeling?
- Ambtenaren die door of vanwege de gemeente Rijssen-Holten zijn aangesteld.
- Stagiairs en personen met een werkervaringsplaats bij de gemeente.
Wat zijn de kernpunten?
- Een "ambtenaar" is iemand die door de gemeente is aangesteld of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft.
- Bepaalde groepen, zoals onderwijzend personeel en vrijwilligers bij de brandweer, worden niet of slechts gedeeltelijk als ambtenaar beschouwd onder deze regeling.
- Stagiairs kunnen een onkostenvergoeding ontvangen van €175,- bruto per maand voor MBO-studies en €250,- bruto per maand voor HBO- of WO-studies, naar evenredigheid van de arbeidsduur.
- Personen met een werkervaringsplaats ontvangen een maandelijkse onkostenvergoeding van €175,- voor MBO-studies en €250,- voor HBO- of WO-studies, evenredig aan de arbeidsduur.
Arbeidsrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (345)
- Artikel1:1 1. Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
- Artikel1:2
- Artikel1:2:1
- Artikel1:2:2 Vervallen
- Artikel1:2:3 Vervallen
- Artikel1:2a
- Artikel1:2b
- Artikel1:2c
- Artikel1:3
- Artikel1:3:1 Vervalt
- Artikel1:3a
- Artikel1:4:1
- Artikel1:4:2
- Artikel1:4:3
- Artikel1:4:4
- Artikel1:5
- Artikel1:6
- Artikel2:1
- Artikel2:2
- Artikel2:3
- Artikel2:4
- Artikel2:4:1
- Artikel2:4:2
- Artikel2:4:3 (vervallen)
- Artikel2:5
- Artikel 2:5:1
- Artikel2:5:2
- Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:
- Artikel 2:5:4
- Artikel 2:5:5 (vervallen)
- Artikel2:5:6 (vervallen)
- Artikel 2:5:7 (vervallen)
- Artikel 2:5:8 (vervallen)
- Artikel 2:5:9 (vervallen)
- Artikel 2:5:10 (vervallen)
- Artikel 2:5:11 (vervallen)
- Artikel 2:5:12 (vervallen)
- Artikel2:5:13 (vervallen)
- Artikel 2:6
- Artikel 2:7
- Artikel 2:7a
- Artikel 2:8 (vervallen)
- Artikel 3:1 Functies en functiewaardering
- Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen
- Artikel 3:3 Vaststelling salaris
- Artikel 3:4 Salarisverhoging
- Artikel 3:4:0:1
- Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal
- Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal
- Artikel 3:7 Uitloopschaal
- Artikel 3:7:0:1 Bevordering algemeen
- Artikel 3:7:0:2 Bevordering naar uitloopschaal
- Artikel 3:7:0:3 Versnelde bevordering
- Artikel 3:8 Functioneringstoelage
- Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage
- Artikel 3:10 Waarnemingstoelage
- Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst
- Artikel 3:12 Buitendagvesntertoelage
- Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst
- Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage
- Artikel 3:15 Garantietoelage
- Artikel 3:16 Afbouwtoelage
- Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam
- Artikel 3:18 Overwerkvergoeding
- Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering
- Artikel 3:19 Ambtsjubileum
- Artikel3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
- Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding
- Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
- Artikel3:23 Overlijdensuitkering
- Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dien
- Artikel 3:25
- Artikel 3:26
- Artikel4:1
- Artikel 4:2
- Artikel 4:3 Werkingssfeer
- Artikel 4:4 Vaststelling werktijden
- Artikel4:5 Werken op zon- en feestdagen
- Artikel 4:6
- Artikel 4:7 Nadere regels
- Artikel 4:8
- Artikel 4:9 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- Artikel 4a 1
- Artikel 5a 1
- Artikel5a 4
- Artikel 6:1
- Artikel 6:1:1
- Artikel 6:2
- Artikel 6:2:1
- Artikel 6:2:2
- Artikel 6:2:3
- Artikel6:2:4
- Artikel 6:2:5
- Artikel 6:2:6 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is
- Artikel 6:2:7
- Artikel 6:2a
- Artikel6:2b
- Artikel 6:3
- Artikel 6:3:1
- Artikel 6:4
- Artikel 6:4:1
- Artikel 6:4:1a
- Artikel 6:4:2 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:
- Artikel 6:4:2a (vervallen)
- Artikel 6:4:3
- Artikel 6:4:4
- Artikel 6:4:5
- Artikel6:4:5a
- Artikel 6:4:6
- Artikel 6:5
- Artikel6:5:1 Vervallen
- Artikel6:5:2
- Artikel 6:5:3 Vervallen m.i.v. 1 juli 2015
- Artikel 6:5:4
- Artikel 6:5:5
- Artikel 6:5:6 (vervallen)
- Artikel 6:5:7
- Artikel 6:5a (vervallen)
- Artikel 6:6 (Vervallen)
- Artikel 6:7
- Artikel 6:8
- Artikel 6:9
- Artikel 6.10
- Artikel6:11
- Artikel 6:12
- Artikel 6a 1
- Artikel 7:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Artikel 7:2
- Artikel 7:2:1
- Artikel 7:2:2
- Artikel 7:2:3
- Artikel 7:2:4 (Vervallen)
- Artikel 7:2:5
- Artikel 7:2:6
- Artikel 7:2:7
- Artikel 7:3
- Artikel 7:4
- Artikel 7:5
- Artikel 7:6 (Vervallen)
- Artikel 7:7
- Artikel 7:8
- Artikel 7:8:1
- Artikel 7:8:2
- Artikel 7:8:3
- Artikel 7:9
- Artikel 7:10
- Artikel7:10:1 (vervallen)
- Artikel7:10:2 (vervallen)
- Artikel7:10:3 (vervallen)
- Artikel7:10:4 (vervallen)
- Artikel 7:11
- Artikel 7:12
- Artikel 7:13:1
- Artikel 7:13:2
- Artikel 7:14
- Artikel 7:14:10 (vervallen)
- Artikel 7:15:1
- Artikel 7:16 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtena
- Artikel 7:16:9 (vervallen)
- Artikel 7:17
- Artikel 7:18
- Artikel 7:18:1
- Artikel 7:19
- Artikel 7:20
- Artikel 7:21
- Artikel 7:22
- Artikel 7:22:2 (vervallen)
- Artikel 7:23
- Artikel 7:23:1 (vervallen)
- Artikel 7:24
- Artikel 7:24a
- Artikel 7:25
- Artikel 7:25:1 (vervallen)
- Artikel 7:25:2 (vervallen)
- Artikel 7:25:3 (vervallen)
- Artikel 7:25:4 (vervallen)
- Artikel 7:25a
- Artikel 7:25b (vervallen)
- Artikel 7:26
- Artikel 7:27
- Artikel 7:28
- Artikel 7:28:1
- Artikel 7:28a
- Artikel 7:28b
- Artikel 8:1
- Artikel 8:1:1
- Artikel 8:2
- Artikel 8:2a
- Artikel 8:2:1 (vervallen)
- Artikel 8:3
- Artikel 8:3:1
- Artikel 8:4 Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:
- Artikel 8:5
- Artikel 8:5:1 (vervallen)
- Artikel 8:5a
- Artikel 8:6
- Artikel 8:7 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:
- Artikel 8:7:1
- Artikel 8:8
- Artikel 8:8:1
- Artikel 8:9
- Artikel 8:10 (vervallen)
- Artikel 8:10:1 (vervallen)
- Artikel 8:11
- Artikel 8:11:1
- Artikel 8:12
- Artikel 8:12:1
- Artikel 8:12:2
- Artikel 8:13
- Artikel 8:14 In dit artikel wordt verstaan onder:
- Artikel 18:15:1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het
- Artikel 18:15:2
- Artikel 8:15:3
- Artikel 8:16:1 (vervallen)
- Artikel 8:16:2 (verplaatst naar hoofdstuk 3)
- Artikel 8:16a (verplaatst naar hoofdstuk 3)
- Artikel8:17
- Artikel 8:18
- Artikel 8:19
- Artikel 8:20
- Artikel 10d 1
- Artikel 12:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Artikel12:1:1
- Artikel12:1:2
- Artikel 12:1:3
- Artikel 12:1:4
- Artikel 12:1:5
- Artikel 12:2
- Artikel 12:2:1
- Artikel 12:2:2
- Artikel 12:2:3
- Artikel 12:2:4
- Artikel 12:2:5
- Artikel 12.2.6
- Artikel 12:2:7
- Artikel 12:2:8
- Artikel 12:2:9
- Artikel 12:2:10
- Artikel 12:2:11
- Artikel 12:3:1
- Artikel12:3:2 Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en m e t 12:3:8 wordt v
- Artikel 12:3:3
- Artikel 12:3:4
- Artikel 12:3:5
- Artikel 12:3:6
- Artikel 12:3:7
- Artikel 12:3:8
- Artikel 12.3.9
- Artikel 13:1 1. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2001
- Artikel 13:2
- Artikel 13:3
- Artikel 14:1
- Artikel 14:1:1
- Artikel 14:1:2 (vervallen)
- Artikel 14:1:3 (vervallen)
- Artikel 14:1:4 (vervallen)
- Artikel 14:1:5 (vervallen)
- Artikel 14:1:6 (vervallen)
- Artikel 14:1:7 (vervallen)
- Artikel 14:1:8 (vervallen)
- Artikel 14:1:9 (vervallen)
- Artikel 14:1:10 (vervallen)
- Artikel 14:1:11 (vervallen)
- Artikel 14:1:12 (vervallen)
- Artikel 14:1:13 (vervallen)
- Artikel 14:1:14 (vervallen)
- Artikel 14:1:15 (vervallen)
- Artikel 14:1:16 (vervallen)
- Artikel 14:1:17 (vervallen)
- Artikel 14:1:18 (vervallen)
- Artikel 14:1:19 (vervallen)
- Artikel 14:1:20 (vervallen)
- Artikel 14:1:21 (vervallen)
- Artikel 14:1:22 (vervallen)
- Artikel 14:1:23 (vervallen)
- Artikel 14:1:24 (vervallen)
- Artikel 14:1:25 (vervallen)
- Artikel 14:1:26 (vervallen)
- Artikel 14:1:27 (vervallen)
- Artikel 14:1:28
- Artikel 14:1:29
- Artikel 14:1:30 Overlegvergaderingen
- Artikel 15:1
- Artikel 15:1a
- Artikel 15:1b
- Artikel 15:1c Het is de ambtenaar verboden:
- Artikel 15:1d
- Artikel 15.1e
- Artikel 15:1f
- Artikel 15:1g
- Artikel 15:1:7 (vervallen)
- Artikel 15:1:10
- Artikel 15:1:11
- Artikel 15:1:12
- Artikel 15:1:13
- Artikel 15:1:14 (vervallen)
- Artikel 15:1:15
- Artikel 15:1:16
- Artikel 15:1:17
- Artikel 15:1:18
- Artikel 15:1:19
- Artikel 15:1:20
- Artikel 15:1:21 (vervallen)
- Artikel 15:1:22 (verplaatst naar hoofdstuk 3)
- Artikel 15.1:24
- Artikel 15:1:25
- Artikel 15:1:26
- Artikel 15:1:27
- Artikel 15:1:28 (verplaatst naar hoofdstuk 3)
- Artikel 15:1:29
- Artikel 15:1:30
- Artikel 15:1:31
- Artikel 15:2
- Artikel 15:3 (vervallen)
- Artikel 16:1:1
- Artikel 16:1:2
- Artikel 16:1:3
- Artikel 16:1:4
- Artikel 16:1:5
- Artikel 17:1
- Artikel 17:2
- Artikel 17:3 1. De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500,
- Artikel 17:4
- Artikel 17:5
- Artikel 17:6
- Artikel 18:1:1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
- Artikel 18:1:2
- Artikel 18:1:3
- Artikel 18:1:4
- Artikel 18:1:5 De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
- Artikel 18:1:6
- Artikel 18:1:7
- Artikel 18:1:7a (vervallen)
- Artikel 18:1:8
- Artikel 18:1:9
- Artikel 18:1:10
- Artikel 18:1:11
- Artikel 18:1:12
- Artikel 18:1:13
- Artikel 18:1:14
- Artikel 21:1:1
- Artikel 21:1:2
- Artikel 21:1:3 (vervallen)
- Artikel 21:1:4
- Artikel 22:1:1
Arbeidsvoorwaarden- en rechtspositieregeling Rijssen-HoltenHet college van Rijssen-Holten; gelet op artikel 160, eerste lid, onder c, van de Gemeentewet;
B E S L U I T: het vaststellen van de wijziging van de Arbeidsvoorwaarden- en rechtspositieregeling Rijssen-Holten (artikel 2:4, 2:7 en 8:2a) met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016;
1Algemene Bepalingen Begripsomschrijvingen
Artikel1:11. Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:
a. ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b. functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; c. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e. arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; f. arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g. formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h. feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i. vervallen; j. arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k. dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; l. overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m. werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; n. werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o. uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand; p. Zvw: de Zorgverzekeringswet q. CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; r. UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s. functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; t. waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere functie waarneemt, indien voor die functie een hogere schaal geldt dan voor de eigen functie; u. LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; v. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; z. IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;
aa. IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb. WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; cc. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; dd. WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff. Wazo: Wet arbeid en zorg; gg. SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; hh. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; ii. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj. WPA: de Wet privatisering ABP; kk. FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; ll. FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; mm. volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week nn. ZW: de Ziektewet; oo. ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; pp. UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. qq. Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur. rr. Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend en die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging werden gerekend. ss. Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; tt. Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; uu. Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; vv. Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.
Geen ambtenaar
Artikel1:2
Artikel1:2:1
Leer-werkbaan
Artikel1:2:2Vervallen
Instapplan
Artikel1:2:3Vervallen
Stageplan
Artikel1:2a
Artikel1:2a0:1Onkostenvergoeding stagiair
De stagiair die een stage van 13 weken of langer loopt, krijgt hiervoor maandelijks een onkostenvergoeding.
Deze maandelijkse onkostenvergoeding bedraagt: -€ 175,- bruto per maand voor een MBO-studie; -€ 250,- bruto per maand voor een HBO- of WO-studie.
Als de arbeidsduur minder dan 36 uur per week bedraagt, vindt de betaling van de in het tweede lid bedoelde onkostenvergoeding naar evenredigheid plaats.
De stagiair die woonachtig is buiten de gemeente/standplaats, krijgt de daadwerkelijke reiskosten voor woonwerkverkeer op reisdagen vergoed tot de maximaal fiscaal vrijgestelde vergoeding.
In situaties waarin deze onkostenvergoeding niet of niet naar redelijkheid voorziet, beslist het college.
Werkervaringsplaats
Artikel1:2b
Artikel1:2b0:1Onkostenvergoeding werkervaringsplek
De medewerker krijgt maandelijks een onkostenvergoeding uitbetaald.
Deze maandelijkse onkostenvergoeding bedraagt voor een medewerker met een afgeronde:
MBO-studie: € 175,- per maand;
HBO- of WO-studie: € 250,- per maand.
Als de arbeidsduur minder dan 36 uur per week bedraagt, vindt de betaling van de in het tweede lid bedoelde onkostenvergoeding naar evenredigheid plaats.
De medewerker die woonachtig is buiten de gemeente/standplaats, krijgt de daadwerkelijke reiskosten voor woonwerkverkeer op reisdagen vergoed tot de maximaal fiscaal vrijgestelde vergoeding.
In situaties waarin deze onkostenvergoeding niet of niet naar redelijkheid voorziet, beslist het college.
Aanstellingen op grond van de banenafspraak
Artikel1:2c
In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.
Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering.
Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de vakantietoelage.
Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage.
Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.
Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.
Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.
Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.
Toepassing
Artikel1:3
Artikel1:3:1Vervalt
Artikel1:3a
Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.
Voorschriften en instructies
Artikel1:4:1
Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.
Uitreiking van CAR en UWO
Artikel1:4:2
Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.
Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in her vorige lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.
Artikel1:4:3
Artikel1:4:4
De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.
Omvang van de betrekking
Artikel1:5
Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.
Vrijstelling
Artikel1:6
2AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST Aanstelling: het bevoegd gezag
Artikel2:1
Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.
Aanstelling in algemene dienst
Artikel2:1A
De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel.
De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.
Artikel2:1B
Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.
Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.
Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
Artikel2:2
Aanstelling geneeskundig onderzoek
Artikel2:3
Duur van de aanstelling
Artikel2:4
Bericht van aanstelling
Artikel2:4:1
De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; in een aanstelling bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst.
Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.
De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.
Vacatures
Artikel2:4:2
De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.
Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.
Artikel2:4:3(vervallen)
Arbeidsovereenkomst
Artikel2:5
Artikel 2:5:1
Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.
Minimum-urengarantie bij oproepkrachten
Artikel2:5:2
De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.
Inhoud oproepovereenkomst
Artikel 2:5:3De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:
de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.
Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht
Artikel 2:5:4
Artikel 2:5:5(vervallen)
Artikel2:5:6(vervallen)
Artikel 2:5:7(vervallen)
Artikel 2:5:8(vervallen)
Oproepkrachten
Artikel 2:5:9(vervallen)
Artikel 2:5:10(vervallen)
Artikel 2:5:11(vervallen)
Artikel 2:5:12(vervallen)
Inwerkingtreding
Artikel2:5:13(vervallen)
Overgangsrecht
Artikel 2:6
Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud); wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.
Aanpassing arbeidsduur
Artikel 2:7
Artikel 2:7a
Aanstelling na 65 jaar
Artikel 2:8(vervallen)
3VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN UITKERINGEN
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 3:1Functies en functiewaardering
Artikel 3:2Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen
Paragraaf 2 Salaris
Artikel 3:3Vaststelling salaris
Artikel 3:4Salarisverhoging
Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.
Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.
Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen.
Artikel 3:4:0:1
In aanvulling op artikel 3:4, lid 2, is de Regeling gesprekscyclus 2015 van overeenkomstige toepassing.
Het college stelt als vaste verhogingsdatum, als bedoeld in artikel 3:4, lid 4, 1 januari.
Artikel 3:5Verlaging salarisschaal
Artikel 3:6Inpassing in hogere schaal
De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.
Artikel 3:7Uitloopschaal
Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.
Artikel 3:7:0:1Bevordering algemeen
Aan een bevordering naar de naast hogere salarisschaal (functie- of uitloopschaal), ligt een beoordeling ten grondslag.
Om voor bevordering in aanmerking te komen wordt op geen enkel onderdeel van het beoordelingsformulier een A of B gescoord.
Inschaling in de aanloopschaal vindt plaats tot uiterlijk 1 januari van het jaar waarin de ambtenaar ten hoogste twee jaren conform de aanloopschaal wordt bezoldigd.
Wanneer de ambtenaar wordt bevorderd naar een hogere salarisschaal, wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten. Voor een medewerker met een voltijds betrekking bedraagt de verhoging minimaal bruto € 27,49 per maand.
De toepassing van het vorige lid mag niet tot gevolg hebben dat het maximumsalaris in de nieuwe schaal wordt overschreden.
Er kan geen bevordering twee jaren achter elkaar plaatsvinden tenzij door het college voor de ambtenaar een afzonderlijk carrière- en loopbaantraject met een versnelde doorgroei naar een hogere salarisschaal is vastgesteld. Toekenning van een of meer extra periodieken als bedoeld in artikel 11 wordt niet met een bevordering gelijkgesteld.
Bij een wijziging van de functie of bij benoeming in een functie, waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, vindt plaatsing in de aanloop-, functie-, en uitloopschaal plaats volgens het vierde lid van dit artikel.
Artikel 3:7:0:2Bevordering naar uitloopschaal
Voor bevordering naar de uitloopschaal geldt dat de ambtenaar zijn functie volledig vervult, goed vervult, voldoet aan de functie-eisen en het competentieprofiel èn drie jaren op het maximum van zijn functieschaal heeft doorgebracht.
Een ambtenaar vervult de functie goed als de vastgestelde beoordeling minimaal overeenkomt met de onderstaande score:
Algemeen (4) Generieke Competenties (4) Specifieke Competenties (2-10) 2 x D 2 x D 50% D (naar boven afgerond) De uitloop van de functieschalen 10 en 10a is schaal 11 en de uitloop van de functieschalen 11 en 11a is schaal 12.
De ambtenaar die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt en na de wachttijd van 3 jaar niet bevorderd wordt naar de uitloopschaal, wordt in ieder geval eenmaal per 3 jaar opnieuw beoordeeld.
Artikel 3:7:0:3Versnelde bevordering
Bij zeer goede functievervulling is versnelde doorgroei van de aanloopschaal naar de functieschaal mogelijk.
Bij zeer goede functievervulling kan de wachttijd van drie jaren worden verkort voor bevordering naar de uitloopschaal.
Een ambtenaar vervult de functie zeer goed als de vastgestelde beoordeling minimaal overeenkomt met de onderstaande score:
Algemeen (4) Generieke Competenties (4) Specifieke Competenties (2-10) 3 x D 1 x E 3 x D 1 x E 25% E (naar boven afgerond) Rest D
Paragraaf 3 Salaristoelagen
Artikel 3:8Functioneringstoelage
Artikel 3:9Arbeidsmarkttoelage
Artikel 3:10Waarnemingstoelage
Artikel 3:11Toelage onregelmatige dienst
De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.
De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.
Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald.
Artikel 3:12Buitendagvesntertoelage
De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage.
De buitendagvenstertoelage bedraagt:
50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;
75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;
100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.
De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage
Artikel 3:13Toelage beschikbaarheidsdienst
Artikel 3:14Inconveniëntentoelage
Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid.
Artikel 3:15Garantietoelage
Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.
Artikel 3:16Afbouwtoelage
De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.
Het eerste lid is niet van toepassing: op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan.
De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.
Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.
Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.
Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen
Artikel 3:17Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam
Artikel 3:18Overwerkvergoeding
De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.
De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:
100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;
75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;
75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;
25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.
Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.
Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b.
De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.
De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.
Artikel 3:18aEindejaarsuitkering
Artikel 3:19Ambtsjubileum
Artikel3:20Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties.
Artikel 3:21Reis- en verblijfkostenvergoeding
Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief.
Artikel 3:22Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen.
Artikel3:23Overlijdensuitkering
Artikel 3:24Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst
Artikel 3:25Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)
Artikel 3:26Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)
Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd)
Paragraaf 6 Overgangsrecht
Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari 2016 1. Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.
Toelichting:
1a Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen.
Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit overgangsrecht.
Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing blijven.
1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatum.
Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit.
Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde einddatum.
1 Bruto blijft bruto, netto blijft netto.
Toelichting:
Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3.
Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.
Toelichting:
Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakantietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.
In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan.
De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.
De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld.
Geen roosters Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.
Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief refertetijdvak vastgesteld.
Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het overgangsrecht.
De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan.
Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren.
Toelichting:
De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro 200) = Euro 100-.
De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage.
Toelichting:
Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de medewerker.
Toelichting:
De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden gemaakt.
Toelichting:
Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd.
Toelichting:
Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOP naar rato. De TOP daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.
Toelichting:
De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.
Toelichting: Zie punt 8.
Toelichting:
De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.
4ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN
Artikel4:1
Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.
Paragraaf 1Standaardregeling voor werktijden
Artikel 4:2
De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.
Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.
De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken. over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.
Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat: hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.
De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.
Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12 .
Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.
Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12 . Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.
Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in h
Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden
Artikel 4:3Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.
Bijzondere regeling
Artikel 4:4Vaststelling werktijden
Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.
De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.
Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.
Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:
De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.
De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.
Artikel4:5Werken op zon- en feestdagen
Artikel 4:6
Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.
Artikel 4:7Nadere regels
Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.
Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstrooster
Artikel 4:8
Paragraaf 4 Opgebouwd verloftegoed uit voormalig verlofspaarregeling
Artikel 4:9Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.
Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.
De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.
In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.
In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.
In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.
Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.
Hoofdstuk 4a UITWISSELING VAN ARBEIDSVOORWAARDEN
Vakantie-uren uitwisselen tegen geld
Artikel 4a1
Geld uitwisselen tegen vakantie-uren
Artikel 4a2
Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding
Artikel 4a3
5 SENIORENMAATREGELEN - Vervallen
Hoofdstuk 5a FPU GEMEENTEN EN NIEUWE SENIORENMAATREGELEN2
2 Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.
Paragraaf 1 FPU Gemeenten
Recht op uitkering
Artikel 5a1
De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.
Berekeningsgrondslag
Artikel 5a2
Hoogte van de Aanvulling werkgever
Artikel 5a3
De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:
Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.
De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.
Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.
Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
Artikel5a4
Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.
Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden; voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.
Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
Artikel 5a4a
Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.
Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.
De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
Artikel 5a4b
Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.
De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.
De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.
Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.
Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.
Einde van het recht op een Aanvulling werkgever
Artikel 5a5
Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.
Pensioenopbouw
Artikel 5a6
De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een Vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.
Lokaal beleid
Artikel 5a7
Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.
Artikel 5a8
(vervallen)
Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan
Artikel 5a9
Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.
Hoofdstuk 6 VAKANTIE, VAKANTIETOELAGE EN (ZWANGERSCHAPS- EN BEVALLINGS)VERLOF
Vakantie
Artikel 6:1
In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Artikel 6:1:1
Artikel 6:2
Artikel 6:2:1
Artikel 6:2:2
Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid
Artikel 6:2:3
De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.
Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens ziekte Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.
Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.
Artikel6:2:4
Artikel 6:2:5
Artikel 6:2:6Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:
op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten.
Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.
De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.
Artikel 6:2:7
Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.
Vervaltermijn wettelijk verlof
Artikel 6:2a
Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.
Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
Artikel6:2b
Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.
Vakantietoelage
Artikel 6:3
Artikel 6:3:1
De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 , wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar. a. Artikel 6:3 , alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; b. Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.
Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen Buitengewoon verlof
Artikel 6:4
Artikel 6:4:1
Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n): op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken en op de dag ervoor c.q. erna, totaal 2 dagen; op de dag dat het huwelijk van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad wordt voltrokken (1 dag); bij het 25 jarig, dan wel 40-jarig ambts- of huwelijksjubileum van de ambtenaar zelf (1 dag).
De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.
Langdurig zorgverlof
Artikel 6:4:1a
Vakbondsverlof
Artikel 6:4:2Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:
Centrales van overheidspersoneel; de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel (CCOOP); de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).
Verenigingen van ambtenaren de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen. om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.
Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.
Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a , nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.
Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.
Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.
Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
Artikel 6:4:2a(vervallen)
Kortdurend zorgverlof
Artikel 6:4:3
Non-activiteit
Artikel 6:4:4
Overige redenen buitengewoon verlof
Artikel 6:4:5
Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.
Artikel6:4:5a
Buitengewoon verlof is geen vakantie
Artikel 6:4:6
Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.
Ouderschapsverlof
Artikel 6:5
De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens: schaal 1: 90% schaal 2: 85% schaal 3: 80% schaal 4: 70% schaal 5: 60% schaal 6 en hoger: 50% Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.
Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.
De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.
Voorwaarden
Artikel6:5:1Vervallen
Meerlingen
Artikel6:5:2
Ziekte
Artikel 6:5:3Vervallen m.i.v. 1 juli 2015
Opbouw vakantie en vakantie-toelage
Artikel 6:5:4
Terugbetaling
Artikel 6:5:5
De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.
Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: a. het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente; b. en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.
De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.
Artikel 6:5:6(vervallen)
Artikel 6:5:7
Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.
Overgangsrecht ouderschapsverlof
Artikel 6:5a(vervallen)
Artikel 6:5a1
(Vervallen)
Artikel 6:6(Vervallen)
Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Artikel 6:7
Adoptie- en pleegzorgverlof
Artikel 6:8
Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloop
Artikel 6:9
Aanspraken tijdens verlof
Artikel 6.10
Samenloop met ziekte
Artikel6:11
Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
Artikel 6:12
Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
6aDE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOP Begripsomschrijvingen
Artikel 6a1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.
Doel
Artikel 6a2
(vervallen) Verzoek tot deelname levensloopregeling
Artikel 6a3
Voorwaarden deelname levensloopregeling
Artikel 6a4
Inleg
Artikel 6a5
Bronnen
Artikel 6a6
De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;