Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) (Zaanstad)
Waar gaat deze regeling over?
Deze verordening bundelt de regels van de gemeente Zaanstad over de fysieke leefomgeving, met als doel het behoud, de bescherming, het onderhoud en het beheer hiervan te waarborgen. Het regelt diverse aspecten, van zorgplichten tot specifieke activiteiten, en zal op termijn onderdeel worden van het omgevingsplan.
Voor wie: Inwoners, bedrijven en organisaties die activiteiten uitvoeren die de fysieke leefomgeving in Zaanstad beïnvloeden; Eigenaren en beheerders van objecten, onroerend cultureel erfgoed, sloten, wateren, riolen, kabels en leidingen in Zaanstad.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 227
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Algemene zorgplichten voor de fysieke leefomgeving, inclusief objecten op openbare plaatsen, cultureel erfgoed, sloten en wateren, en riolen.
- Regels voor specifieke activiteiten zoals het aanleggen van kabels en leidingen, aansluiten op de riolering, geluid en verlichting, en activiteiten op openbare plaatsen en wateren.
- De aanwijzing en bescherming van gemeentelijk cultureel erfgoed, beschermde bomen en ligplaatsen voor vaartuigen.
- Procedures voor aanvragen, meldingen, beslistermijnen en de rol van de gemeentelijke adviescommissie.
Voor wie geldt deze regeling?
- Inwoners, bedrijven en organisaties die activiteiten uitvoeren die de fysieke leefomgeving in Zaanstad beïnvloeden.
- Eigenaren en beheerders van objecten, onroerend cultureel erfgoed, sloten, wateren, riolen, kabels en leidingen in Zaanstad.
Wat zijn de kernpunten?
- Er geldt een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving, inclusief het voorkomen en verwijderen van zwerfafval.
- Het is verboden ballonnen op te laten en houtopstand of objecten onder hoogspanningslijnen te plaatsen.
- De gemeente kan gemeentelijke monumenten, beeldbepalende onroerende zaken, beschermde stads- of dorpsgezichten en beschermde bomen aanwijzen.
- Voor diverse activiteiten, zoals het vellen van bomen of het wijzigen van gemeentelijke monumenten, is een omgevingsvergunning of melding vereist.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (227)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 1.2 Toepassingsbereik
- Artikel 1.3 Doelen van de verordening
- Artikel 2.1 Doel van de regels
- Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
- Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
- Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
- Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
- Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
- Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwe
- Artikel 2.8 Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
- Artikel 2.9 Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichtin
- Artikel 2.10 Verbod oplaten van ballonnen
- Artikel 2.11 Verbod houtopstand of objecten onder hoogspanningslijn
- Artikel 2.15 Meldplicht bij brand of broei
- Artikel 2.16 Verbod dumpen stoffen of voorwerpen
- Artikel 2.17 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte
- Artikel 2.18 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten
- Artikel 2.19 Verbod verontreinigen van de weg
- Artikel 2.20 Verbod opslaan afval in de openlucht
- Artikel 2.21 Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte
- Artikel 3.1 Bevoegd gezag onder de Omgevingswet
- Artikel 3.2 Indienen aanvraag en melding
- Artikel 3.3 Beslistermijn
- Artikel 3.4 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden
- Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
- Artikel 3.7 Gemeentelijke adviescommissie
- Artikel 3.8 Gemeentelijk erfgoedregister
- Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
- Artikel 4.2 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument o
- Artikel 4.3 Voorbescherming
- Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
- Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
- Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of bee
- Artikel 4.7
- Artikel 4.8 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Artikel 4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk
- Artikel 4.10 Doel van aanwijzen van beschermde bomen
- Artikel 4.11 Aanwijzing als beschermde boom
- Artikel 4.13 Aanwijzing van ligplaats voor vaartuigen
- Artikel 5.1 Op wie van toepassing
- Artikel 5.12 Aanleggen, in stand houden of opruimen van telecomkabels
- Artikel 5.13 Spoedeisende werkzaamheden
- Artikel 5.14 Aanvraag en melding
- Artikel 5.15 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 5.16 Wijziging en intrekking
- Artikel 5.17 Overleg en afstemming tijdens planvorming
- Artikel 5.18 Medegebruik van voorzieningen
- Artikel 5.19 Verplichtingen telecomaanbieder
- Artikel 5.20 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
- Artikel 5.21 Herstraat- en degeneratiekosten
- Artikel 5.22 Aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen
- Artikel 5.23 Spoedeisende werkzaamheden
- Artikel 5.24 Aanvraag en melding
- Artikel 5.25 Voorschriften en beperkingen
- Artikel 5.26 Weigeringsgronden
- Artikel 5.27 Wijziging en intrekking
- Artikel 5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming
- Artikel 5.29 Verplichtingen netbeheerder
- Artikel 5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
- Artikel 5.31 Nadeelcompensatie
- Artikel 5.32 Herstraat- en degeneratiekosten
- Artikel 5.33 Doel van de regels in deze paragraaf
- Artikel 5.34 Aanleggen rioolaansluiting
- Artikel 5.35 Eigendom rioolaansluiting
- Artikel 5.36 Kosten rioolaansluitingen
- Artikel 5.37 Verwijderen septic tanks
- Artikel 5.40 (Aanwijzing) collectieve festiviteiten
- Artikel 5.41 Incidentele festiviteiten
- Artikel 5.42 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
- Artikel 5.43 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlu
- Artikel 5.44 Geluidshinder als gevolg van het luiden van (kerk-)klokken
- Artikel 5.50 Plaatsen van objecten op een openbare plaats
- Artikel 5.51 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
- Artikel 5.52 Maken of veranderen van een uitweg
- Artikel 5.53 Maken en onderhouden geveltuintjes
- Artikel 5.60 Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
- Artikel 5.61 Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water
- Artikel 5.62 Innemen ligplaats voor vaartuigen
- Artikel 5.63 Beschadigen waterstaatswerken
- Artikel 5.64 Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte
- Artikel 5.65 Breken van ijs
- Artikel 5.66 Opleggen vaartuigen
- Artikel 5.67 Baggeren
- Artikel 5.68 Locaties voor bouwen, herstellen, droogzetten of slopen van vaartuigen
- Artikel 5.69 Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen
- Artikel 5.71 Doel en grondslag van deze paragraaf
- Artikel 5.72 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende
- Artikel 5.73 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk of provinciaal onument
- Artikel 5.74 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Artikel 5.75 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Artikel 5.76 Vangnet archeologie
- Artikel 5.77 Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
- Artikel 5.78 [vervallen]
- Artikel 5.79 [gereserveerd]
- Artikel 5.80 Vellen van boom
- Artikel 5.81 Herplantplicht
- Artikel 5.82 Specifieke indieningsvereisten
- Artikel 5.83 Specifieke weigeringsgronden
- Artikel 5.84 Snoeien, knotten of kandelaberen
- Artikel 5.85 Bestrijden iepziekte
- Artikel 7.1 Toezichthouders
- Artikel 7.2 Strafbaarstelling
- Artikel 8.1 Wijziging van regelingen
- Artikel 8.2 Intrekking van regelingen
- Artikel 8.3 Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
- Artikel 8.4 Overgangsbepalingen
- Artikel 8.5 [vervallen]
- Artikel 8.6 Inwerkingtreding
- Artikel 8.7 Citeertitel
- Artikel1.1 Begripsbepalingen
- Artikel1.2 Toepassingsbereik
- Artikel1.3 Doelen van de verordening
- Artikel2.1 Doel van de regels
- Artikel2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
- Artikel2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
- Artikel2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
- Artikel2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
- Artikel2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
- Artikel2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwe
- Artikel2.8 Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
- Artikel2.9 Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichtin
- Artikel2.10 Verbod oplaten van ballonnen
- Artikel2.16 Verbod dumpen stoffen of voorwerpen
- Artikel2.17 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte
- Artikel2.18 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten
- Artikel2.19 Verbod verontreinigen van de weg
- Artikel2.20 Verbod opslaan afval in de openlucht
- Artikel2.21 Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte
- Artikel3.1 Bevoegd gezag onder de Omgevingswet
- Artikel3.2 Indienen aanvraag en melding
- Artikel3.3 Beslistermijn
- Artikel3.4 Voorschriften en beperkingen
- Artikel3.5 Algemene weigeringsgronden
- Artikel3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
- Artikel3.7 Gemeentelijke adviescommissie
- Artikel3.8 Gemeentelijk erfgoedregister
- Artikel4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
- Artikel4.3 Voorbescherming
- Artikel4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
- Artikel4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
- Artikel4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of bee
- Artikel4.7
- Artikel4.8 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Artikel4.9 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk
- Artikel 4.12 Doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen
- Artikel5.1 Op wie van toepassing
- Artikel5.24 Aanvraag en melding
- Artikel5.25 Voorschriften en beperkingen
- Artikel5.26 Weigeringsgronden
- Artikel5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming
- Artikel5.29 Verplichtingen netbeheerder
- Artikel5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
- Artikel5.31 Nadeelcompensatie
- Artikel5.32 Herstraat- en degeneratiekosten
- Artikel5.33 Doel van de regels in deze paragraaf
- Artikel5.41 Incidentele festiviteiten
- Artikel5.42 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
- Artikel5.43 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlu
- Artikel5.44 Geluidshinder als gevolg van het luiden van (kerk-)klokken
- Artikel5.50 Plaatsen van objecten op een openbare plaats
- Artikel5.51 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
- Artikel5.52 Maken of veranderen van een uitweg
- Artikel5.60 Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
- Artikel5.71 Doel en grondslag van deze paragraaf
- Artikel5.72 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende
- Artikel5.73 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk of provinciaal (archeologisch)
- Artikel5.74 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
- Artikel5.76 Vangnet archeologie
- Artikel5.77 Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
- Artikel586 Beplanting nabij grenslijn
- Artikel7.1 Toezichthouders
- Artikel7.2 Strafbaarstelling
- Artikel8.1 Wijziging van regelingen
- Artikel8.2 Intrekking van regelingen
- Artikel8.3 Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
- Artikel8.4 Overgangsbepalingen
- Artikel8.6 Inwerkingtreding
- Artikel8.7 Citeertitel
- Artikel 5.2 Doel van de regels
- Artikel 5.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
- Artikel 5.4 Bodemonderzoek
- Artikel 5.5 Melden en aanvragen beschikking bodemsanering
- Artikel 5.6 Het Bodemsaneringsplan
- Artikel 5.7 Melding wijziging bodemsaneringsplan
- Artikel 5.8 Melding start en einde bodemsanering
- Artikel 5.9 Het bodemevaluatieverslag
- Artikel 5.10 Het bodemnazorgplan
- Artikel 5.11 Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders
- Artikel 5:67 Baggeren
- Artikel 5.86 Beplanting nabij grenslijn
- Artikel 4:9 APV
- Artikel 3:3 AVOI
- Artikel 2:21 APV
- Artikel 4:9a APV
- Artikel 2:22 APV
- Artikel 6 Brandbeveiligingsverordening
- Artikel 15 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
- Artikel 16 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
- Artikel 17 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
- Artikel 18 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
- Artikel 19 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020
- Artikel 20 Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 (blijft ook van kracht)
- Artikel 4:11 APV
- Artikel 5:25 APV
- Artikel 2.1.5 Bouwverordening
- Artikel 5 Rioolaansluitingsverordening
- Artikel 4:2 APV
- Artikel 4:5 APV
- Artikel 4:6 APV
- Artikel 2:10 APV
- Artikel 2:11 APV
- Artikel 2:12 APV
- Artikel 5:24 APV
- Artikel 5:28 APV
- Artikel 5:37 APV
- Artikel 5:38 APV
- Artikel 5:39 APV
- Artikel 5:40 APV
- Artikel 5:41 APV
- Artikel 5:43b APV
- Artikel 22 Erfgoedverordening 2010
- Artikel 7.3.1 Bouwverordening
- Artikel 4:12 APV
- Artikel 4:11a APV
- Artikel 4:10 APV
Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL)De gemeenteraad van Zaanstad, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, Besluit:
Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) Opmerkingen met betrekking tot de regeling De gemeente Zaanstad heeft haar regels over de fysieke leefomgeving uit diverse Zaanse verordeningen samengebracht in deze verordening. De regels in deze verordening vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en zullen op termijn worden verwerkt in het definitieve omgevingsplan.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Artikel 1.2Toepassingsbereik
Artikel 1.3Doelen van de verordening
Hoofdstuk 2 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving
Artikel 2.1Doel van de regels
Artikel 2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
Artikel 2.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
Artikel 2.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
Artikel 2.5Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
Artikel 2.6Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
Artikel 2.7Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
Artikel 2.8Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
Artikel 2.9Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving
Artikel 2.10Verbod oplaten van ballonnen
Artikel 2.11Verbod houtopstand of objecten onder hoogspanningslijn
Artikel 2.15Meldplicht bij brand of broei
Artikel 2.16Verbod dumpen stoffen of voorwerpen
Artikel 2.17Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte
Artikel 2.18Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten
Artikel 2.19Verbod verontreinigen van de weg
Artikel 2.20Verbod opslaan afval in de openlucht
Artikel 2.21Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte
Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie
Artikel 3.1Bevoegd gezag onder de Omgevingswet
Artikel 3.2Indienen aanvraag en melding
Artikel 3.3Beslistermijn
Artikel 3.4Voorschriften en beperkingen
Artikel 3.5Algemene weigeringsgronden
Artikel 3.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
Artikel 3.7Gemeentelijke adviescommissie
Artikel 3.8Gemeentelijk erfgoedregister
Hoofdstuk 4 Aanwijzing van gemeentelijk monument, beeldbepalende onroerende zaak, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht, beschermde boom of ligplaats voor vaartuigen
Paragraaf 4.1 Aanwijzing onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed
Artikel 4.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
Artikel 4.2(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
Artikel 4.3Voorbescherming
Artikel 4.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
Artikel 4.5Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
Artikel 4.6Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
Artikel 4.7Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
Artikel 4.8Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 4.9Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Paragraaf 4.2 Aanwijzing als beschermde boom
Artikel 4.10Doel van aanwijzen van beschermde bomen
Artikel 4.11Aanwijzing als beschermde boom
Paragraaf 4.3 Aanwijzing ligplaats voor vaartuigen
Artikel 4.12 doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen
Artikel 4.13Aanwijzing van ligplaats voor vaartuigen
Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten
Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.1Op wie van toepassing
Paragraaf 5.2 Bodem en bodemsanering en artikelen 5.2 t/m artikel 5.11 [vervallen]
Paragraaf 5.3 A Telecomkabels
Artikel 5.12Aanleggen, in stand houden of opruimen van telecomkabels
Artikel 5.13Spoedeisende werkzaamheden
Artikel 5.14Aanvraag en melding
Artikel 5.15Voorschriften en beperkingen
Artikel 5.16Wijziging en intrekking
Artikel 5.17Overleg en afstemming tijdens planvorming
Artikel 5.18Medegebruik van voorzieningen
Artikel 5.19Verplichtingen telecomaanbieder
Artikel 5.20Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
Artikel 5.21Herstraat- en degeneratiekosten
Paragraaf 5.3 B Kabels en leidingen
Artikel 5.22Aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen
Artikel 5.23Spoedeisende werkzaamheden
Artikel 5.24Aanvraag en melding
Artikel 5.25Voorschriften en beperkingen
Artikel 5.26Weigeringsgronden
Artikel 5.27Wijziging en intrekking
Artikel 5.28Overleg en afstemming tijdens planvorming
Artikel 5.29Verplichtingen netbeheerder
Artikel 5.30Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
Artikel 5.31Nadeelcompensatie
Artikel 5.32Herstraat- en degeneratiekosten
Paragraaf 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering
Artikel 5.33Doel van de regels in deze paragraaf
Artikel 5.34Aanleggen rioolaansluiting
Artikel 5.35Eigendom rioolaansluiting
Artikel 5.36Kosten rioolaansluitingen
Artikel 5.37Verwijderen septic tanks
Paragraaf 5.5 Regels over geluid en verlichting
Artikel 5.40(Aanwijzing) collectieve festiviteiten
Artikel 5.41Incidentele festiviteiten
Artikel 5.42Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
Artikel 5.43Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht
Artikel 5.44Geluidshinder als gevolg van het luiden van (kerk-)klokken
Artikel 5.45 t/m 5.49 [gereserveerd]
Paragraaf 5.6 Activiteiten op een openbare plaats
Artikel 5.50Plaatsen van objecten op een openbare plaats
Artikel 5.51Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 5.52Maken of veranderen van een uitweg
Artikel 5.53Maken en onderhouden geveltuintjes
Artikel 5.54 t/m 5.59 [gereserveerd]
Paragraaf 5.7 Activiteiten bij of op openbaar water
Artikel 5.60Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
Artikel 5.61Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water
Artikel 5.62Innemen ligplaats voor vaartuigen
Artikel 5.63Beschadigen waterstaatswerken
Artikel 5.64Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte
Artikel 5.65Breken van ijs
Artikel 5.66Opleggen vaartuigen
Artikel 5.67Baggeren
Artikel 5.68Locaties voor bouwen, herstellen, droogzetten of slopen van vaartuigen en woonschepen
Artikel 5.69Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen
Paragraaf 5.8 Onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed
Artikel 5.71Doel en grondslag van deze paragraaf
Artikel 5.72Wijzigen of slopen gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende zaak
Artikel 5.73Advies omgevingsvergunning gemeentelijk of provinciaal onument
Artikel 5.74Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 5.75Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 5.76Vangnet archeologie
Paragraaf 5.9 Bouw en gebruik van bouwwerken
Artikel 5.77Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
Artikel 5.78[vervallen]
Artikel 5.79[gereserveerd]
Paragraaf 5.10 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren
Artikel 5.80Vellen van boom
Artikel 5.81Herplantplicht
Artikel 5.82Specifieke indieningsvereisten
Artikel 5.83Specifieke weigeringsgronden
Artikel 5.84Snoeien, knotten of kandelaberen
Artikel 5.85Bestrijden iepziekte
Hoofdstuk 6 [gereserveerd]
Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving
Artikel 7.1Toezichthouders
Artikel 7.2Strafbaarstelling
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8.1Wijziging van regelingen
Artikel 8.2Intrekking van regelingen
Artikel 8.3Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
Artikel 8.4Overgangsbepalingen
Artikel 8.5[vervallen]
Artikel 8.6Inwerkingtreding
Artikel 8.7Citeertitel
Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Bijlage 5.12 Kleine werkzaamheden ten aanzien van telecomkabels en kabels en leidingen Bijlage 5.13 Aanvullende bepalingen voor spoedeisende werkzaamheden aan telecomkabels en kabels en leidingen Bijlage 5.14 Aanvullende gegevens voor aanvraag voor instemmingsbesluit, vergunning of melding voor telecomkabels en kabels en leidingen Bijlage 5.15 - I Aanvullende bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Bijlage 5.15 - II Aanvullende technische bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Bijlage 5.19 Aanvullende bepalingen voor de overdracht of de wijziging van de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels en leidingen Toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Hoofdstuk1Algemene bepalingen
Artikel1.1Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: archeologisch monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
Beeldbepalende onroerende zaak: een als zodanig door een besluit van burgemeester en wethouders aangewezen bouwwerk, stedenbouwkundige of landschappelijke structuur dat van cultuurhistorische waarde is op grond van karakteristieke hoofdvorm of karakteristieke opzet, vanwege de architectuur, de landschappelijke of stedenbouwkundige situering of de bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving. Onder beeldbepalende onroerende zaken worden ook karakteristieke bouwwerken, karakteristieke panden en beeldbepalende onroerende zaken zoals bouwkundige objecten, bruggen, parken, tuinen en landschappelijke inrichtingen verstaan. beschermd stads- of dorpsgezicht: als beschermd aangewezen groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden; bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bij of krachtens de Omgevingswet bevoegd is tot het nemen van een besluit op de aanvraag van een omgevingsvergunning; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; cultureel erfgoed: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. In de gemeente Zaanstad gaat het om beschermde rijks-, provinciale en gemeentelijke (archeologische) monumenten, beeldbepalende onroerende zaken, cultuurlandschap en stads- en dorpsgezichten; dunnen: beheersmaatregel waarbij een of meerdere bomen geveld worden om te zorgen dat de overgebleven bomen kunnen groeien; fysieke leefomgeving: De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. gebiedenkaart beschermde bomen: een door de gemeente vastgestelde kaart waarop de gebieden zijn aangewezen waarin een omgevingsvergunning voor het vellen van één of meerdere bomen noodzakelijk is. De gebiedenkaart beschermde bomen wordt ook wel gebiedenkaart kapvergunning genoemd; gebouw: dat wat daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en dat als zodanig door Zaanstad is aangewezen; gemeentelijk beschermd monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en dat als zodanig door de gemeente Zaanstad is aangewezen; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet en dat als zodanig door Zaanstad is aangewezen;
gemeentelijke riolering: de gemeentelijke voorziening voor het beheer van stedelijk afvalwater en regenwater; herplantplan: plan waarin staat hoe de te vellen boom vervangen wordt door nieuwe aanplant; houtopstand: één of meerdere bomen, hakhout, een houtwal of stoof. Hakhout is een stronk die opnieuw uitloopt nadat de stronk is gekapt. Houtwal is lijnvormige beplanting op een kunstmatige aarden verhoging. Stoof is het deel van de boom dat na kappen in de grond achterblijft en weer uitloopt. Deze uitlopers (stammen) worden aangemerkt als één boom; infrastructuur: openbare wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, telecommunicatie- infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en openbare vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet en andere vitale infrastructuur; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde op 31 december 2023, dit is de dag direct voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De artikelen 5.40 tot en met 5.42 zijn uitsluitend van toepassing op inrichtingen type A en B zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie als het geen telecomkabel betreft; kerkelijk monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; ligplaats voor vaartuigen: dit omvat diverse categorieën van ligplaatsen voor vaartuigen, waaronder afmeerplaatsen, wachtplaatsen en pleisterplaatsen; lijst van beschermde bomen: een door de gemeente vastgestelde lijst van bomen waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een of meerdere bomen noodzakelijk is; monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
NEN: de Nederlandse norm voor een specifiek product, dienst of proces, zoals uitgegeven door de NEN; omgevingsplan: omgevingsplan gemeente Zaanstad; omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn met inbegrip van de daartoe behorende bruggen, tunnels, duikers, beschoeiingen, kades en andere werken; openbare grond: dit omvat de openbare weg en openbaar water met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn vallen onder het begrip openbare gronden. openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; pleisterplaats: een ligplaats voor een recreatievaartuig met een totale lengte kleiner dan 20 meter (met een maximale toegestane gebruiksduur van 3x24 uur rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; rioolaansluiting: de rioolleiding tussen de gemeentelijke riolering en het perceel waar afvalwater en regenwater vrijkomt; spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden waarvan uitstel niet mogelijk is als gevolg van een calamiteit, een ernstige belemmering of een storing in de dienstverlening; telecomaanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet; telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet; vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten en ponten, met uitzondering van woonschepen; vellen: het kappen, rooien of het verrichten van een andere handeling (zowel bovengronds als ondergronds), die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering tot gevolg kan hebben, zoals de eerste keer knotten en kandelaberen; voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde op 31 december 2023, dit is de dag direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; waterstaatswerken: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Omgevingswet; weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel1.2Toepassingsbereik
Deze verordening geeft regels over aanwijzing van functies in de fysieke leefomgeving en regels voor functies en activiteiten die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, maar nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Deze verordening is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in het (tijdelijke) omgevingsplan.
Artikel1.3Doelen van de verordening
In deze verordening zijn regels over de fysieke leefomgeving die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, vanuit verschillende gemeentelijke verordeningen samengebracht in 1 verordening. Deze regels worden (stapsgewijs) verwerkt in het omgevingsplan.
Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Hoofdstuk2Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving
Artikel2.1Doel van de regels
Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving te dragen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden.
Artikel2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving.
Artikel2.3Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen
Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel2.4Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt.
Artikel2.5Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.
De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument of beeldbepalende onroerende zaak zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.
Artikel2.6Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden.
Artikel2.7Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden.
Artikel2.8Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen
De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen.
De telecomaanbieder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van telecomkabels.
Artikel2.9Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving
De eigenaar of een andere rechthebbende op een bouwwerk of een perceel is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op dat perceel door burgemeester en wethouders objecten, borden of voorzieningen voor het verkeer, openbare verlichting, huisnummering, wijk-, buurt- of straatnaamgeving worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel2.10Verbod oplaten van ballonnen
Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven.
Artikel 2.11Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaande houtopstanden of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijd beslissen) niet van toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in het (tijdelijk) omgevingsplan.
Artikel 2.15Meldplicht bij brand of broei
Een ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.
Artikel2.16Verbod dumpen stoffen of voorwerpen
Het is verboden stoffen of voorwerpen te dumpen, te storten of op een andere manier afval achter te laten op of in de bodem.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met de Afvalstoffenverordening; het maken compost van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het voor korte tijd plaatsen van afvalstoffen of voorwerpen op de weg tijdens het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen; activiteiten die vallen onder een vergunning van een inrichting; situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de Afvalstoffenverordening.
Als de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen of voorwerpen kunnen worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.
Artikel2.17Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte
Een ieder heeft de zorgplicht om zwerfafval te voorkomen.
Bij het achterlaten van afval in de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde afvalbakken of andere daarvoor bestemde inzamelvoorzieningen.
Reclamedrukwerk, promotiemateriaal, gratis producten en de verpakkingen daarvan, die ondanks het verbod in het eerste lid in de openbare ruimte is achtergelaten, worden onmiddellijk opgeruimd door degene die het onder het publiek verspreidde.
Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door afval of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden.
Artikel2.18Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten
De verkoper van eet- of drinkwaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor afvalbakken of andere inzamelmiddelen voor het afval.
De inzamelmiddelen zijn beschikbaar voor klanten en worden tijdig geleegd.
De verkoper verwijdert binnen een straal van ten minste 25 meter het zwerfafval dat afkomstig is van het verkooppunt.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel2.19Verbod verontreinigen van de weg
Het is verboden de weg te verontreinigen of nadelig te beïnvloeden tijdens het laden, lossen of vervoeren en tijdens andere werkzaamheden.
De persoon die tijdens werkzaamheden de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloed zorgt direct voor het reinigen van de weg, voor de veiligheid van het verkeer en voor bescherming van het wegdek.
Artikel2.20Verbod opslaan afval in de openlucht
Het is verboden afval op te slaan op een vanuit de openbare ruimte waarneembare plaats in de openlucht.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of de Afvalstoffenverordening.
Artikel2.21Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte
Het is verboden een autowrak of onderdelen van auto’s in de openbare ruimte te plaatsen.
Dit artkel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Afvalstoffenverordening of het Besluit beheer autowrakken.
Hoofdstuk3Proces, procedure en adviescommissie
Artikel3.1Bevoegd gezag onder de Omgevingswet
Als volgens de Omgevingswet niet burgemeester en wethouders maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Omgevingswet’.
Artikel3.2Indienen aanvraag en melding
Een aanvraag voor een beschikking of een melding en de daarbij behorende gegevens en documenten worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van Zaanstad.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel3.3Beslistermijn
Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard.
Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere specifieke beslistermijn is gesteld. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn.
Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag van een omgevingsvergunning.
Artikel3.4Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Artikel3.5Algemene weigeringsgronden
Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval:
Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel3.6Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of de vergunninghouder dit verzoekt.
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel3.7Gemeentelijke adviescommissie
De gemeentelijke adviescommissie is de commissie van de gemeente Zaanstad zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet.
Artikel3.8Gemeentelijk erfgoedregister
Burgemeester en wethouders houden een openbaar gemeentelijk erfgoedregister bij van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toegewezen.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed en het voorlopige gemeentelijke erfgoed ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.
Hoofdstuk4Aanwijzing van gemeentelijk monument, beeldbepalende onroerende zaak, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht, beschermde boom of ligplaats voor vaartuigen Paragraaf4.1Aanwijzing onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed
Artikel4.1Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed aan te wijzen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument, beeldbepalende onroerende zaak of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status.
Deze paragraaf berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.
Artikel4.2(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak Burgemeester en wethouders kunnen een onroerende zaak die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument of als beeldbepalende onroerende zaak.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel tot aanwijzing voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7.
Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.
Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt over het voornemen tot aanwijzing van een kerk als monument overleg gevoerd met de eigenaar.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk (archeologisch) monument of de beeldbepalende onroerende zaak.
Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en provinciaal beschermde monumenten en provinciaal beschermde archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17 van de Erfgoedwet of de Omgevingsverordening Noord-Holland.
Artikel4.3Voorbescherming
De artikelen 2.5 en 5.71 tot en met 5.76 zijn van overeenkomstige toepassing op het gemeentelijk (archeologisch) monument of de beeldbepalende onroerende zaak ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.2 is bekendgemaakt.
De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijke erfgoedregister.
Artikel4.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk (archeologisch) monument of de beeldbepalende onroerende zaak.
Artikel4.5Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel4.6Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een onroerende zaak voorlopig aanwijzen als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak. In afwijking van artikel 4.2 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7 advies gevraagd na de voorlopige aanwijzing.
De voorlopige aanwijzing vervalt als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing.
De artikelen 4.3 tot en met 4.5 zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
De artikelen 2.5 en 5.71 tot en met 5.76 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing.
Artikel4.7Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 wijzigen.
Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het gemeentelijke (archeologisch) monument of de beeldbepalende onroerende zaak waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.
Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is.
Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het (archeologisch) monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.
Artikel4.8Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
De gemeenteraad kan stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7.
De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na ontvangst van het voorstel, zoals bedoeld in het eerste lid.
Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.
Vervallen.
Dit artikel is niet van toepassing op: een rijks beschermd stads- of dorpsgezicht; een provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht.
Artikel4.9Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.8 wijzigen of intrekken. Artikel 4.8, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.
Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks beschermd stads- of dorpsgezicht of als provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.
Paragraaf 4.2 Aanwijzing als beschermde boom
Artikel 4.10Doel van aanwijzen van beschermde bomen
Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om bomen aan te wijzen, die hiermee een beschermde status krijgen. Dit draagt bij aan het behouden en beschermen van bomen. Wanneer de boom beschermd is, is voor het kappen van een boom een vergunning nodig. Ook is een vergunning nodig voor andere handelingen waardoor de boom beschadigd kan raken.
De gemeente wil bomen zoveel als mogelijk behouden, omdat bomen een belangrijke bijdrage leveren aan een goede en gezonde fysieke leefomgeving.
Artikel 4.11Aanwijzing als beschermde boom
Burgemeester en wethouders kunnen een boom aanwijzen als beschermde boom op een of meer van de volgende gronden: de cultuurhistorische waarde van de boom; de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; de natuurwaarde van de boom; de recreatieve waarde van de boom; of de klimaatwaarde van de boom.
Burgemeester en wethouders nemen de beschermde boom op in de lijst van beschermde bomen.
Burgemeester en wethouders kunnen op dezelfde gronden als genoemd in het eerste lid gebieden aanwezen waarin alle bomen beschermd zijn. De aangewezen gebieden worden opgenomen op de gebiedenkaart beschermde bomen.
Voor het vellen van een beschermde boom is een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand nodig.
Paragraaf 4.3 Aanwijzing ligplaats voor vaartuigen
Artikel 4.12Doel van aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen
Het doel van de regels in deze paragraaf is het verlenen van de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders om ligplaatsen voor vaartuigen aan te wijzen. Door het aanwijzen van categorieën van ligplaatsen wordt het mogelijk om voor deze ligplaatsen regels te stellen om de fysieke leefomgeving zowel te benutten als te beschermen.
Artikel 4.13Aanwijzing van ligplaatsen voor vaartuigen
Burgemeester en wethouders wijzen gedeelten van openbaar water aan waar het is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen aan de ligplaatsen in het belang van de veiligheid, het milieu en het uiterlijk aanzien van de omgeving. In ieder geval kunnen per categorie van ligplaatsen regels worden gesteld over het type of het aantal vaartuigen per ligplaats, de maximale verblijfsduur van een vaartuig, het in werking hebben van de hoofdmotor of hulpmotor en aan het wonen op het vaartuig.
Hoofdstuk5Regels voor activiteiten Paragraaf5.1Algemene bepalingen
Artikel5.1Op wie van toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.
Paragraaf5.2Bodem en bodemsanering (= artikel 5.2 tot en met artikel 5.11) [Vervallen]
Paragraaf 5.3 A Telecomkabels
Artikel 5.12Aanleggen, in stand houden of opruimen van telecomkabels
Het is verboden zonder of in afwijking van een instemmingsbesluit van burgemeester en wethouders als bedoeld in de Telecommunicatiewet, werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van telecomkabels in of op openbare gronden.
In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. In bijlage 5.12 zijn de categorieën van kleine werkzaamheden aangewezen.
Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een instemmingsbesluit nodig is.
Artikel 5.13Spoedeisende werkzaamheden
Spoedeisende werkzaamheden worden onmiddellijk gemeld aan burgemeester en wethouders.
Na ontvangst van de melding kunnen de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester besluit dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden in verband met de openbare orde, gevaar of vrees voor het ontstaan van gevaar voor de uitvoering van de werkzaamheden.
Het besluit als bedoeld in het vorige lid wordt onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de melding genomen.
In het geval van spoedeisende werkzaamheden worden de melding en de werkzaamheden uitgevoerd zoals beschreven in bijlage 5.13.
Artikel 5.14Aanvraag en melding
De aanvraag bevat alle gegevens en documenten die genoemd zijn in bijlage 5.14.
In afwijking van artikel 3.2 wordt de aanvraag voor een instemmingsbesluit als bedoeld in de Telecommunicatiewet ingediend via het daarvoor bestemde digitale meldsysteem op de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’.
De aanvrager stelt burgemeester en wethouders op de hoogte wanneer voor de aanleg, instandhouding of opruiming van telecomkabels zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet of een andere publiekrechtelijke regeling is ingediend bij een ander bestuursorgaan.
Een melding op grond van artikel 5.12, tweede lid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders gedaan.
Artikel 5.15Voorschriften en beperkingen
Burgemeester en wethouders kunnen aan het instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid en een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen. de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of Het uiterlijk aanzien van de omgeving.
De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit anders is bepaald.
De uitvoering van de werkzaamheden aan de telecomkabels worden verricht volgens de in bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen.
Artikel 5.16Wijziging en intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen het instemmingsbesluit in aanvulling op de in artikel 3.6 genoemde gronden ook wijzigen of intrekken, indien: de telecomaanbieder niet binnen zes maanden na verlening van het instemmingsbesluit of de in het instemmingsbesluit opgenomen termijn met de werkzaamheden is begonnen; de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen.
Burgemeester en wethouders kunnen aan de wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit de verplichting verbinden om de betreffende telecomkabels aan te passen of te verwijderen.
Artikel 5.17Overleg en afstemming tijdens planvorming
Burgemeester en wethouders initiëren en faciliteren overleg tussen betrokken partijen over projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek en tenminste eenmaal per jaar plaats.
Burgemeester en wethouders initiëren in de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerders en telecomaanbieders om de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van (telecom)kabels en leidingen te onderzoeken. Burgemeester en wethouders doen per project een voorstel over het aantal overleggen en de regelmaat daarvan.
Op initiatief van burgemeester en wethouders wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.
Artikel 5.18Medegebruik van voorzieningen
Een telecomaanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de telecomaanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is.
Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de telecomaanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kunnen burgemeester en wethouders een alternatief tracé aanwijzen.
Artikel 5.19Verplichtingen telecomaanbieder
Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van telecomkabels wijzigt, stelt de telecomaanbieder burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk van deze wijziging op de hoogte op de wijze als bedoeld in bijlage 5.19.
De telecomaanbieder levert op verzoek van burgemeester en wethouders informatie over een telecomkabel.
Artikel 5.20Meldplicht verontreiniging, schade, gevaar en hinder
De telecomaanbieder is verplicht verontreiniging, gevaar, schade, hinder onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders en alle maatregelen te treffen om verdere verontreiniging, gevaar, schade en hinder te voorkomen.
De telecomaanbieder is verplicht storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.
Burgemeester en wethouders kunnen bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar, schade of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen en telecomkabels de aanleg of de exploitatie van de betreffende telecomkabels stilleggen.
Artikel 5.21Herstraat- en degeneratiekosten
Burgemeester en wethouders brengen de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die rechtstreeks het gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden aan kabels en leidingen bij de telecomaanbieder in rekening.
Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.
De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de ’Richtlijn tarieven (graaf)werkzaamheden’ van de VNG.
De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.
De herstraat- en degeneratiekosten voor bijzondere verharding en groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om bij convenant af te wijken van het gestelde in het derde en vierde lid.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 5.3 BKabels en leidingen
Artikel 5.22Aanleggen, in stand houden, opruimen van kabels of leidingen
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders kabels of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, te verplaatsen, te verwijderen en in stand te houden.
In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. In bijlage 5.12 zijn de categorieën van kleine werkzaamheden aangewezen.
Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een vergunningplicht geldt.
Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.23Spoedeisende werkzaamheden
Spoedeisende werkzaamheden worden onmiddellijk gemeld aan burgemeester en wethouders.
Na ontvangst van de melding kunnen de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester besluit dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden in verband met de openbare orde, gevaar of de vrees voor het ontstaan van gevaar door de uitvoering van de werkzaamheden.
Het besluit als bedoeld in het vorige lid wordt onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de melding genomen.
In het geval van spoedeisende werkzaamheden worden de melding en de werkzaamheden uitgevoerd zoals beschreven in bijlage 5.13.
Artikel5.24Aanvraag en melding
De aanvraag bevat de gegevens die zijn genoemd in bijlage 5.14.
In afwijking van artikel 3.2 wordt de aanvraag voor een instemmingsbesluit als bedoeld in de Telecommunicatiewet ingediend via het daarvoor bestemde digitale meldsysteem op de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’.
De aanvrager stelt burgemeester en wethouders op de hoogte wanneer voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet of een andere publiekrechtelijke regeling is ingediend bij een ander bestuursorgaan.
Een melding op grond van artikel 5.22, tweede lid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders gedaan.
Artikel5.25Voorschriften en beperkingen
Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of het uiterlijk aanzien van de omgeving.
De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
De uitvoering van de werkzaamheden aan kabels en leidingen worden verricht volgens de bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen.
Artikel5.26Weigeringsgronden
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of melding weigeren in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeerveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; of het uiterlijk aanzien van de omgeving.
Artikel 5.27Wijziging en intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning in aanvulling op de in artikel 3.6 genoemde gronden wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, of de in de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden is begonnen; de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.
Aan de wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen.
Een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.
Artikel5.28Overleg en afstemming tijdens planvorming
Burgemeester en wethouders initiëren en faciliteren overleg tussen betrokken partijen over projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek en tenminste eenmaal per jaar plaats.
Burgemeester en wethouders initiëren in de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerders en telecomaanbieders om de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van (telecom)kabels en leidingen te onderzoeken. Burgemeester en wethouders doen per project een voorstel over het aantal overleggen en de regelmaat daarvan.
Op initiatief van burgemeester en wethouders wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.
Artikel5.29Verplichtingen netbeheerder
Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder burgemeester en wethouders onmiddellijk schriftelijk van deze wijziging op de hoogte op de wijze als bedoeld in bijlage 5.19.
De netbeheerder levert op verzoek van burgemeester en wethouders informatie over een kabel of leiding.
Artikel5.30Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder
De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar, schade, hinder onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders en alle maatregelen te treffen om verdere verontreiniging, gevaar, schade en hinder te voorkomen.
De netbeheerder is verplicht storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.
Burgemeester en wethouders kunnen bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar, schade of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen.
Artikel5.31Nadeelcompensatie
Burgemeester en wethouders kunnen een netbeheerder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 5.27 eerste lid, onder d, of als gevolg van de rechtmatige uitoefening door burgemeester en wethouders van haar publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en het hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
Burgemeester en wethouders stellen een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.
Artikel5.32Herstraat- en degeneratiekosten
Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengen burgemeester en wethouders de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening.
Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.
De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de ‘Richtlijn tarieven (graaf)werkzaamheden” van de VNG.
De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.
De herstraat- en degeneratiekosten voor bijzondere verharding en groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om bij convenant af te wijken van het gestelde in het derde en vierde lid.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf5.4Aansluiten op gemeentelijke riolering
Artikel5.33Doel van de regels in deze paragraaf
Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant.
Artikel 5.34Aanleggen rioolaansluiting
Het is verboden zonder toestemming en (schriftelijke) opdracht van de gemeente Zaanstad een aansluiting te maken op het gemeentelijke rioolstelsel.
Een aanvraag voor een aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel en de daarbij behorende gegevens en documenten worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van Zaanstad.
De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot de perceelgrens.
Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel.
Artikel 5.35Eigendom rioolaansluiting
De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting.
Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de rioolwaterpomp.
Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluiting op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens.
Artikel 5.36Kosten rioolaansluitingen
Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks vóór 1 december in een Tarievenbesluit rioolaansluitingen de bedragen vast waarvoor gedurende het daaropvolgende jaar een rioolaansluiting, met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten en putdeksels en de kosten van eventuele herbestrating en plantsoenherstel, wordt verzorgd.
Artikel 5.37Verwijderen septic tanks
De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank.
Paragraaf5.5Regels over geluid en verlichting Artikel5.40(Aanwijzing) collectieve festiviteiten Een collectieve festiviteit is een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.
Burgemeester en wethouders wijzen de collectieve festiviteiten aan.
Per kalenderjaar kunnen maximaal zeven collectieve festiviteiten worden aangewezen. Wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan de aanwijzing terstond plaatsvinden.
Bij de aanwijzing kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente of dat de aanwijzing alleen geldt voor festiviteiten in horeca, sport- of recreatie-inrichtingen.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 van deze verordening gelden bij collectieve festiviteiten niet voor inrichtingen type A en B als bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De verlichtingsnormen ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 3.148 eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gelden niet bij collectieve festiviteiten.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over maatregelen die moeten worden genomen om de geluidsoverlast als gevolg van de festiviteiten te beperken.
Artikel5.41Incidentele festiviteiten
Een incidentele festiviteit is een festiviteit die wordt gehouden in één of een klein aantal inrichtingen.
In een type A- of een B –inrichting, als bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, mogen per kalenderjaar maximaal negen incidentele festiviteiten plaatsvinden waarbij de geluidsnormen, genoemd in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 van deze verordening niet van toepassing zijn, onder de voorwaarde dat ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit per inrichting melding is gedaan bij burgemeester en wethouders.
Het is toegestaan in een type A- of B-inrichting per kalenderjaar bij maximaal negen incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit melding is gedaan bij burgemeester en wethouders.
De melding van een incidentele festiviteit kan terstond worden toegestaan als die festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over: de dagen waarop en de tijden waarbinnen incidentele festiviteiten kunnen plaatsvinden; de maximale tijdsduur en het maximaal toelaatbare geluidsniveau ter plaatse voor het ten gehore brengen van muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19a en 2.20 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.42 van deze verordening;
In de nadere regels kan onderscheid gemaakt worden tussen: activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren en activiteiten die niet plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren; activiteiten met en zonder levende muziek; horeca-, sport- en recreatie- inrichtingen en overige inrichtingen.
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de nadere regels slechts gelden in bepaalde gebieden van de gemeente.
Artikel5.42Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
In afwijking van artikel 2.18 eerste lid onder f van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zijn op het ten gehore brengen van onversterkte muziek de geluidsnormen uit artikel 2.17 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
Maximaal vier uur per week is tussen 7.00 uur en 23.00 uur het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, zangkoren, harmonie- en fanfaregezelschappen, in oefenruimtes uitgezonderd van het bepaalde in het eerste lid.
In situaties waar on-versterkte en versterkte muziek worden gecombineerd, wordt het beschouwd als versterkte muziek.
Artikel5.43Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht
Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.
Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.
Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder voorwaarden dat: deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 LAr,LT in dB(A).
Het verbod is niet van toepassing op inrichtingen, die daarvoor een vergunning hebben.
Het verbod is niet van toepassing op bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, de Omgevingsverordening Noord-Holland of als bij besluit specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting.
Artikel5.44Geluidshinder als gevolg van het luiden van (kerk-)klokken
Aan het ten gehore brengen van onversterkt geluid als gevolg van het luiden van kerkklokken zijn tijdens nachtelijke uren van 23.00 uur en 07.00 de geluidsnormen van toepassing uit artikel 2.17 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. [De artikelen 5.45 tot en met 5.49 zijn gereserveerd] Paragraaf5.6Activiteiten op een openbare plaats
Artikel5.50Plaatsen van objecten op een openbare plaats
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op een openbare plaats die in beheer is van de gemeente en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bestemming daarvan.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld bij of krachtens de Omgevingswet.
Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 APV; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan; situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland, de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en op de situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, bouwobjecten, plantenbakken en banken. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.
Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen als gebied waarin objecten of categorieën van objecten, zoals uitstallingen, bouwobjecten, plantenbakken of banken, niet geplaatst mogen worden.
Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel5.51Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland, de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet of de Telecommunicatiewet.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel5.52Maken of veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: een uitweg te maken naar een weg die in beheer is van de gemeente; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of het gebruik van een uitweg te veranderen.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; de bescherming van de openbare groenvoorzieningen; of het behoud van een beschermde boom.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland of de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Artikel 5.53Maken en onderhouden geveltuintjes
Een geveltuintje op de openbare weg is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de eigenaar of huurder van een pand in het trottoir ruimte vrijmaken voor een geveltuintje; de gevel van het pand grenst direct aan de voor voetgangers bestemde delen van de openbare ruimte, het trottoir; het vrijmaken van ruimte in het trottoir voor een geveltuintje wordt gedaan door de gemeente; een geveltuintje mag geen verzakking van het trottoir veroorzaken; een geveltuintje wordt begrensd met een opstaande straatband; er blijft een trottoir van minimaal 120 cm beschikbaar; de maximale diepte van een geveltuintje is 45 cm. Dit is inclusief de opstaande straatband; de maximale breedte is de perceelbreedte; uitgangen en nooduitgangen worden vrijgehouden; het zicht op verkeer, verkeersborden en andere verkeersaanwijzingen wordt niet belemmerd; de verzoeker beplant en onderhoudt het geveltuintje. Hiervoor wordt een onderhoudsovereenkomst met de gemeente gesloten; en er mogen geen bomen, doornige, snelgroeiende of giftige planten in een geveltuintje staan.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanleggen en onderhouden van geveltuintjes.
Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen als gebied waarin geen geveltuintjes mogen worden aangelegd. [De artikelen 5.54 t/m 5.59 zijn gereserveerd] Paragraaf5.7Activiteiten bij of op openbaar water
Artikel5.60Doel en reikwijdte van regels over openbaar water
Het doel van de regels in deze paragraaf is om de veiligheid en bruikbaarheid van de infrastructuur van het openbaar water, het milieu en het uiterlijk aanzien van de omgeving te beschermen.
De regels van de Algemeen plaatselijke verordening over openbaar water zijn onverminderd van toepassing.
Artikel 5.61Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een object in, bij, op of boven openbaar water te plaatsen of te hebben.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland of de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet, het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.62Innemen ligplaats voor vaartuigen
Het is verboden een ligplaats voor vaartuigen in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen buiten de hiervoor aangewezen gedeelten van het openbaar water zoals bepaald in het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen dat is vastgesteld door burgemeester en wethouders op basis van artikel 4.13 van deze verordening.
Een pleisterplaats mag alleen door een recreatieschip en voor maximaal 3 x 24 uur als ligplaats worden ingenomen.
Het is verboden om zonder ontheffing van burgemeester en wethouders met een vaartuig meer dan 9 dagen per jaar gebruik te maken van een pleisterplaats in de gemeente.
Het is verboden om te wonen op een ligplaats voor vaartuigen.
Het is verboden om te wonen op een recreatieschip.
Artikel 5.63Beschadigen waterstaatswerken
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van waterstaatswerken en openbaar water dat in beheer is van de gemeente.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland of de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Wetboek van Strafrecht of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5.64Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte
Het is verboden een in openbaar water liggend vaartuig als opslagplaats, bedrijfsruimte of voor handelsdoeleinden te gebruiken.
Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.65Breken van ijs
Het is verboden in openbaar water ijs te breken dat dikker is dan 3 centimeter.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.
Het verbod is niet van toepassing op: het losmaken van ijs rond vaartuigen; of het breken van ijs in opdracht van burgemeester en wethouders.
Artikel 5.66Opleggen vaartuigen
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een vaartuig langer dan is toegestaan op te leggen op een ligplaats voor vaartuigen zoals bepaald in het aanwijzingsbesluit en de nadere regels, die zijn vastgesteld door burgemeester en wethouders op basis van artikel 4.13.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.67Baggeren
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders te baggeren of naar voorwerpen te vissen.
Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.68Locaties voor bouwen, herstellen, droogzetten of slopen van vaartuigen en woonschepen
Het is verboden vaartuigen, woonschepen of onderdelen daarvan te slopen of droog te zetten op andere locaties dan scheepswerven of door burgemeester en wethouders hiervoor aangewezen plaatsen.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders in, op of boven openbaar water vaartuigen, woonschepen of objecten te bouwen, te verbouwen of te herstellen.
Het verbod van lid 2 is niet van toepassing op noodreparaties en kleine reparaties aan vaartuigen of woonschepen die op een ligplaats liggen, onder de voorwaarde dat geen gevaar, schade of hinder valt te verwachten.
Burgemeester en wethouders kunnen de verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het vaartuig voor een inspectie onder de waterlijn.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het gebied en in het onderwerp wordt voorzien door de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.69Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen
Het is verboden in door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden op een vaartuig de hoofdmotor of hulpmotor in werking te hebben.
Het verbod is niet van toepassing bij het aanmeren of afmeren van het vaartuig.
Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Paragraaf5.8Onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed
Artikel5.71Doel en grondslag van deze paragraaf
Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is.
Deze paragraaf berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet.
Artikel5.72Wijzigen of slopen gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende zaak
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of een beeldbepalende onroerende zaak te slopen, te verstoren, te verplaatsen of ingrijpend te wijzigen; of een gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende zaak te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.
Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering en vormgeving van de beschermde onderdelen van de beeldbepalende onroerende zaak of de aanleg van een beeldbepalende tuin, park of andere aanleg niet wijzigen.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak.
Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet geen vergunning is vereist.
Artikel5.73Advies omgevingsvergunning gemeentelijk of provinciaal (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak
Burgemeester en wethouders zenden een volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk of provinciaal beschermd (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7.
Artikel5.74Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een gebied dat is aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht nog niet verwerkt is in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.8, vijfde lid.
Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek.
Op de behandeling van aanvragen om een vergunning is artikel 5.72 van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarvoor bij of krachtens Omgevingswet geen vergunning is vereist.
Artikel 5.75Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 5.72, het vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel5.76Vangnet archeologie
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar geldende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, behalve als: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op het archeologische deel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de gestelde regels in de Nota Archeologie Zaanstad over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden zijn.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.
Paragraaf5.9Bouw en gebruik van bouwwerken
Artikel5.77Gebruik bouwwerk als nachtverblijf
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in te gebruik nemen of te gebruiken voor het bedrijfsmatig of in het kader van verzorging verschaffen van nachtverblijf aan meer dan vijf personen.
Artikel 5.78[Vervallen]
[Artikel 5.79 is gereserveerd]
Paragraaf 5.10 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren
Artikel 5.80Vellen van boom
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand van burgemeester en wethouders een boom te vellen, voor zover de boom: de boom als beschermd is aangewezen en staat op de lijst met beschermde bomen; de boom als beschermd is aangewezen en staat op de gebiedenkaart beschermde bomen; of staat op een openbare plaats.
Het verbod geldt niet voor bomen met een stamomtrek van minder dan 31 centimeter of een stamdiameter van minder dan 10 centimeter. De stamomtrek en stamdiameter van een boom worden gemeten op een hoogte van 130 centimeter vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten.
Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval een voorschrift verbinden dat er pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning indien: de daarmee samenhangende vergunning is verleend en de bezwaartermijn of beroepstermijn van de samenhangende vergunning verstreken is zonder dat de samenhangende vergunning is geschorst; de daarmee samenhangende vergunning is verleend en gestart wordt met de werkzaamheden; of de daarmee samenhangende vergunning voor het ruimtelijke deel van het bouwen onherroepelijk is verleend.
Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat de vergunning een beperkte geldigheidsduur heeft na het onherroepelijk worden van de vergunning.
Het verbod is niet van toepassing op het vellen van een dode boom of het dunnen van bomen wanneer dit tenminste vier weken voor het begin ervan is gemeld bij burgemeester en wethouders.
Het verbod is niet van toepassing als een boom moet worden geveld vanwege acuut gevaar in verband met instabiliteit of besmettelijke ziekte wanneer dit vooraf is gemeld bij burgemeester en wethouders.
Artikel 5.81Herplantplicht
Burgemeester en wethouders kunnen in de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand een herplantplicht opleggen.
Burgemeester en wethouders kunnen als voorwaarde stellen dat de herbeplanting die niet goed aanslaat moet worden vervangen.
Wanneer niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kunnen burgemeester en wethouders een financiële bijdrage opleggen.
Bij overtreding van artikel 5.80, eerste lid kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar of aan een andere rechthebbende van het perceel de verplichting opleggen binnen een gestelde termijn te herbeplanten.
Artikel 5.82Specifieke indieningsvereisten
Naast de reguliere indieningsvereisten worden bij een melding en bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een aanduiding van de te vellen boom op een kaart, foto of tekening, ieder voorzien van een nummer of aanduiding; een onderbouwing van de noodzaak daarvan; en een herplantplan.
Artikel 5.83Specifieke weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 3.5 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de boom; de stedelijke en landschappelijke waarde van de boom; de recreatieve waarde van de boom; de cultuurhistorische waarde van de boom; of de klimaatwaarde van de boom.
Artikel 5.84Snoeien, knotten en kandelaberen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een boom voor meer dan 20% boven- of ondergronds te snoeien of voor de eerste keer te knotten of te kandelaberen, voor zover de boom: de boom als beschermd is aangewezen en staat op de lijst met beschermde bomen; de boom als beschermd is aangewezen en staat op de gebiedenkaart beschermde bomen;of staat op een openbare plaats.
Artikel 5.85Bestrijden iepziekte
Wanneer op een perceel één of meer iepen staan die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers is de eigenaar en een ander rechthebbende van het perceel verplicht binnen een termijn van tien werkdagen na aanschrijving van burgemeester en wethouders de iepen: te vellen; te ontschorsen; en de schors te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op: geheel ontschorst iepenhout; iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; of vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod.
Artikel586Beplanting nabij grenslijn
De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt voor bomen in de openbare ruimte vastgesteld op 0,5 meter.
Hoofdstuk6[gereserveerd] Hoofdstuk7Toezicht en handhaving
Artikel7.1Toezichthouders
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.16 tot en met 2.21, 5.3, 5.4, 5.6, 5.8, 5.9, 5.10, 5.51, 5.52, 5.72, 5.73, 5.75, 5.76 en 5.77 van deze verordening zijn belast: de door burgemeester en wethouders krachtens artikel 18.6 Omgevingswet aangewezen personen; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.2 tot en met 2.11, 2.15, 5.20, 5.40 tot en met 5.44, 5.50 en 5.52 zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland; de aangewezen ambtenaren van het cluster collectieve dienstverlening; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.12 tot en met 5.32 en artikel 5.80 tot en met 5.86 zijn belast: de aangewezen ambtenaren van het cluster collectieve dienstverlening; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.13, 5.61 tot en met 5.69 zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland; de aangewezen ambtenaren van het cluster collectieve dienstverlening; de ambtenaren van de afdeling Havens en Vaarwegen; de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen.
Artikel7.2Strafbaarstelling
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.11, 4.2, 4.6, 4.13, 5.8, 5.12 tot en met 5.32, 5.40 tot en met 5.44, 5.50 tot en met 5.52, 5.60 tot en met 5.69, 5.72, 5.74, 5.75, 5.76 en 5.80 tot en met 5.85 is een strafbaar feit en wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Lid 1 is niet van toepassing als wordt gehandhaafd op basis van de Wet op de economische delicten.
Artikel 1a onderdeel 3 van de Wet op de economische delicten is van toepassing op overtreding van het bepaalde bij 2.16 tot en met 2.21.
Hoofdstuk8Overgangs- en slotbepalingen
Artikel8.1Wijziging van regelingen
De volgende verordeningen zijn gewijzigd per 1 januari 2020:
Algemene plaatselijke verordening;
Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Zaanstad 2011.
De volgende verordening is gewijzigd per 1 januari 2021: Algemene plaatselijke verordening.
De volgende verordeningen zijn gewijzigd per 1 januari 2022:
De Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020;
Algemene plaatselijke verordening.
Artikel8.2Intrekking van regelingen
De volgende verordeningen zijn ingetrokken per 1 januari 2020:
Bouwverordening Zaanstad 2008;
Brandbeveiligingsverordening 2010;
Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad;
Verordening bodemsanering Zaanstad 2017;
De volgende verordeningen zijn ingetrokken per 1 januari 2021:
Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur Zaanstad (AVOI);
Rioolaansluitingsverordening
Artikel8.3Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
Burgemeester en wethouders hangen de nadere regels ‘Regeling incidentele festiviteiten Hembrugterrein gesteld door het college op grond van artikel 4:3, zesde en achtste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv)’ om naar ‘Nadere regels incidentele festiviteiten Hembrugterrein bij artikel 5.41 vijfde en zevende lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.
Burgemeester en wethouders hangen de nadere regels ‘Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare plaatsen gesteld op grond van artikel 2:10, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv)’ om naar ‘Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare plaatsen bij artikel 5.50 vierde lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.
Burgemeester en wethouders hangen het aanwijzingsbesluit ‘Aan te wijzen collectieve festiviteiten 2018 e.v. die mogen afwijken van geluidsvoorschriften’ gesteld door het college op grond van artikel 4:2 om naar ‘Aanwijzingsbesluit collectieve festiviteiten 2018 – 2021 bij artikel 5.40 tweede lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.
Burgemeester en wethouders hangen het ‘Aanwijzingsbesluit (Artikel 2:10 lid 1 onder d, van de Apv), van openbare plaatsen als een gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden (Reclame-uitingen Inverdan)’ om naar ‘Aanwijzingsbesluit Inverdan als gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden bij artikel 5.50 vijfde lid van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.
Burgemeester en wethouders hangen het ‘Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen conform artikel 5.25 en 5:43b van de Algemene Plaatselijke Verordening’ om naar ‘Aanwijzingsbesluit en nadere regels ligplaatsen vaartuigen bij de artikelen 4.13 en 5.69 van de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad’.
Artikel8.4Overgangsbepalingen
Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening.
Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning of ontheffing op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 2:10 (vergunning) Artikel 5.50 (vergunning) Artikel 2:11 (vergunning) Artikel 5.51 (vergunning) Artikel 2:12 (vergunning) Artikel 5.52 (vergunning) Artikel 2:22 (ontheffing) Artikel 5.20 (ontheffing) Artikel 4:6 (ontheffing) Artikel 5.43 (ontheffing) Artikel 4:11 (vergunning) Artikel 5.80 en artikel 5.84 (vergunning) Artikel 4:11a (ontheffing) Artikel 5.85 (ontheffing) Artikel 4:13 (vergunning) Artikel 5.44 (vergunning) Artikel 5:24 (vergunning) Artikel 5.61 (vergunning) Artikel 5:25 (ontheffing) Artikel 5.62 (ontheffing) Artikel 5:37 (ontheffing) Artikel 5.64 (ontheffing) Artikel 5:38 (ontheffing) Artikel 5.65 (ontheffing) Artikel 5:39 (vergunning) Artikel 5.66 (vergunning) Artikel 5:40 (vergunning) Artikel 5.67 (vergunning) Artikel 5:41 (vergunning) Artikel 5.68 (vergunning) Artikel 5:43b (ontheffing) Artikel 5.69 (ontheffing) Meldingen gedaan op grond van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad (‘oud’), gelden als melding op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 4:3 (melding) Artikel 5.40 (melding) Artikel 4:11 (melding) Artikel 5.80 (melding) Vergunningen verleend op grond van de Bouwverordening Zaanstad 2008 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 7.3.1 (vergunning) Artikel 5.77 (vergunning) Aanwijzingen op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als aanwijzingen op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 3 (aanwijzing) Artikel 4.2 (aanwijzing) Artikel 4 (aanwijzing) Artikel 4.6 (aanwijzing) Artikel 8 (aanwijzing) Artikel 4.7 (aanwijzing) Artikel 20 (aanwijzing) Artikel 4.8 (aanwijzing) Vergunningen verleend op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 10 (vergunning) Artikel 5.72 (vergunning) Artikel 16 (vergunning) Artikel 5.73 (vergunning) Artikel 17 (vergunning) Artikel 5.76 (vergunning) Artikel 23 (vergunning) Artikel 5.75 (vergunning) Meldingen gedaan op grond van de Verordening bodemsanering Zaanstad 2017 (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 5 (melding) Artikel 5.7 (melding) Artikel 6 (melding) Artikel 5.8 (melding) Vergunningen verleend op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als vergunning op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 2.1 (vergunning) Artikelen 5.22 (vergunning) Instemmingsbesluiten verleend op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als instemmingsbesluit op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 2.1 (instemmingsbesluit) Artikel 5.12 (instemmingsbesluit) Meldingen gedaan op grond van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Zaanstad (‘oud’), gelden als melding op grond van deze verordening (‘nieuw’) volgens het volgende schema:
Oud Nieuw Artikel 2.1 lid 2 (melding) Artikel 5.12 of 5.22 (melding) Beeldbepalende onroerende zaken die voorheen zijn aangewezen op grond van de Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad, worden geacht te zijn aangewezen op grond van de desbetreffende artikelen in deze verordening.
Artikel 8.5Bouwverordening
[Vervallen]
Artikel8.6Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2020.
Artikel8.7Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad.
Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Zaanstad, 12 december 2019.
De griffier, De voorzitter, Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Bijlage 5.6 Aanvullende gegevens voor het bodemsaneringsplan [Vervallen] Bijlage 5.9 Aanvullende gegevens voor het bodemevaluatieverslag [Vervallen] Bijlage 5.10 Aanvullende gegevens voor het bodemnazorgplan [Vervallen] Bijlage 5.12 Kleine werkzaamheden ten aanzien van telecomkabels en kabels en leidingen Voor werkzaamheden die dusdanig beperkt zijn dat op grond van artikel 5.12 lid 2 en 5.22 lid 2 geen vergunning of instemmingsbesluit noodzakelijk is, kan worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. Het betreft de volgende werkzaamheden in of op openbare gronden: het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; werkzaamheden aan kabels en leidingen die een oppervlakte van minder dan 15 m² beslaan; het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter.
Met een melding voor kleine werkzaamheden worden gekruist; bij het plaatsen van bovengrondse voorzieningen; bij boringen of persingen; bij het aanleggen van handholes.
Bijlage 5.13 Aanvullende bepalingen voor spoedeisende werkzaamheden aan telecomkabels en kabels en leidingen Bij spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen, of als gevolg van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening als bedoeld in artikel 5.13 lid 4 en 5.23 lid 4 zijn de artikelen 5.12 en 5.22 niet van toepassing.
Werkzaamheden in verband met calamiteiten of ernstige belemmeringen of storingen waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid gevaar lopen dienen te allen tijde onverwijld gemeld te worden bij het landelijk alarmnummer 112 en bij de gemeentelijk toezichthouder.
Bij spoedeisende werkzaamheden waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid geen gevaar lopen wordt hiervan door de aanbieder voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden melding gedaan bij de gemeentelijk toezichthouder.
De netbeheerder die werkzaamheden verricht als bedoeld in voorgaande leden voert deze zoveel mogelijk op zorgvuldige wijze uit, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.
De netbeheerder die graafwerkzaamheden verricht in verband met voorgaande leden wint, voor zover mogelijk bij de beheerders van netten die zijn gelegen op de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden, informatie in over de precieze ligging van netten op de graaflocatie.
De kosten die hulpdiensten maken in verband met werkzaamheden op grond van het derde lid, worden verhaald op de netbeheerder.
Bijlage 5.14 Aanvullende gegevens voor aanvraag voor instemmingsbesluit, vergunning of melding voor telecomkabels en kabels en leidingen Een aanvraag of melding bevat in ieder geval de volgende gegevens: de naam, het adres, de contactgegevens en het factuuradres van de aanvrager of melder; het ACM-registratienummer, wanneer de aanvrager of melder een aanbieder betreft; het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; een omschrijving van de aard en omvang van het project; indien de aanvraag of melding door een gemachtigde wordt ingediend: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de aanvraag of melding wordt ingediend, alsmede een afschrift van de machtiging; indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager of melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; indien de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar reeds kabels of leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd: een of meer verslagen waaruit overeenstemming tussen de aanvrager en de andere netbeheerder(s) blijkt over de voorgenomen werkzaamheden.
Degene die een melding voor kleine werkzaamheden indient motiveert, aan de hand van een tekening, onder welk van de categorieën werkzaamheden als benoemd in bijlage 5.12, zijn werkzaamheden vallen.
Bij de aanvraag van een instemmingsbesluit of een vergunning worden naast de in sub a genoemde gegevens door de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op een GBKN-ondergrond, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is. Tekeningen moeten voldoen aan de volgende eisen: de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; de tekeningen zijn op schaal en voorzien van een noordpijl; de maatvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving; het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten en diameters van de leidingen. voor gebieden die in ontwikkeling zijn bevatten de tekeningen daarnaast: de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied; maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding. Deze informatie mag niet ouder zijn dan twintig dagen gerekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.
Naar aanleiding van de aanvraag tot het verlenen van een instemmingsbesluit of een vergunning kan door burgemeester en wethouders een werkplan of een onderdeel daarvan worden verlangd. Wanneer bij de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een boring of persing is een werkplan verplicht. Het werkplan bestaat uit: een tekening van de indeling van het werkterrein; een tekening van de plaats van de op te stellen apparatuur en voertuigen; een tekening van de plaats waar de leiding(en) wordt uitgelegd; een beschrijving van de wijze van aan- en afvoer van materiaal; een verkeersplan; een boorplan met een mud-druk berekening en diagram; een communicatieplan; een bereikbaarheidsplan.
Bijlage 5.15 - I Aanvullende bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Vooroverleg De netbeheerder die op eigen initiatief werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met burgemeester en wethouders teneinde een aanvraag voor te bereiden.
De netbeheerder die op eigen initiatief werkzaamheden wil verrichten als bedoeld in lid 3 van Bijlage 5.15-II, pleegt hierover minimaal 26 weken voorafgaande aan de tracébepaling vooroverleg met burgemeester en wethouders.
In de planfase van een door of namens de gemeente uit te voeren project, zoals bedoeld in artikel 5.17 lid 2 en 5.28 lid 2, initiëren burgemeester en wethouders het vooroverleg.
Elk van de partijen draagt er zorg voor dat de ander voorzien is van de meest actuele informatie.
Burgemeester en wethouders zenden, na de netbeheerder gehoord te hebben, een verzoek tot aanpassing aan de netbeheerder indien zij maatregelen aan kabels en leidingen noodzakelijk achten. Burgemeester en wethouders omschrijven in het verzoek het project, de noodzaak van de te nemen maatregel en de grondslag voor het verzoek.
Indien de werkzaamheden aan kabels of leidingen plaatsvinden op initiatief van de gemeente, vindt de coördinatie met betrekking tot afstemming, planning en samenhang plaats door burgemeester en wethouders.
Voorbereiding en aanvraag instemmingsbesluit of vergunning De netbeheerder stemt zijn ontwerp af met derde belanghebbenden. De afstemming dient te worden voorgelegd aan burgemeester en wethouders.
De netbeheerder vraagt het instemmingsbesluit of de vergunning aan met inachtneming van de vereisten van artikel 5.14 en 5.24.
Burgemeester en wethouders sturen een ontvangstbevestiging van de aanvraag naar de netbeheerder.
Het werkplan Afhankelijk van de mogelijke invloed die de werkzaamheden van de netbeheerder hebben op de omgeving, kan door burgemeester en wethouders een werkplan worden verlangd, waarin de onderwerpen opgesomd in bijlage 5.14, onder d beschreven dienen te worden.
Het werkplan behoort onlosmakelijk bij het instemmingsbesluit of de vergunning.
Het werkplan dient te worden goedgekeurd door burgemeester en wethouders Voorschouw De netbeheerder kan burgemeester en wethouders vragen om een voorschouw vast te stellen, waarbij de bestaande toestand van de openbare ruimte wordt vastgelegd.
De bestaande toestand wordt in beginsel door de netbeheerder opgenomen in een rapport, voorzien van omschrijvingen en beeldmateriaal. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om de bestaande situatie zelf op te nemen in een rapport.
De rapportage als bedoeld in het vorige lid wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld.
Indien geen voorschouw heeft plaatsgevonden, wordt schade aan de openbare ruimte geacht te zijn veroorzaakt door de werkzaamheden van de netbeheerder, tenzij deze het tegendeel kan aantonen.
Startmelding en inlichten belanghebbenden De netbeheerder maakt minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden langs elektronische weg een startmelding via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.
De melding voor kleine werkzaamheden geldt tevens als startmelding als bedoeld in sub a.
Indien de startmelding niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt de startmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders. Een afschrift van de vergunning of het instemmingsbesluit moet bij de startmelding worden bijgevoegd.
Minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden informeert de netbeheerder alle belanghebbenden, waarbij de volgende informatie wordt verstrekt: de contactgegevens van de netbeheerder; de contactgegevens van de uitvoerende partij; de start- en einddatum van de werkzaamheden; een omschrijving van de werkzaamheden; een omschrijving van de bereikbaarheid in verband met afzetting en omleiding; de contactgegevens van de gemeente.
Onder contactgegevens als bedoeld in sub d wordt in ieder geval verstaan een e-mailadres en telefoonnummer van degene die verantwoordelijk is voor de uit te voeren werkzaamheden of, waar het betreft de gemeente, is toegewezen als contactpersoon.
Een afschrift van de in sub d aan belanghebbenden verstrekte informatie dient aan burgemeester en wethouders te worden gezonden.
Indien de netbeheerder niet op de aangegeven datum start, meldt hij dit aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een nieuwe startmelding noodzakelijk is.
Indien de netbeheerder schade aan de openbare ruimte binnen zijn werkgebied aantreft, dan dient hij dat voor aanvang van de werkzaamheden aan de toezichthouder te melden.
Uitvoering Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een kopie van het instemmingsbesluit of de vergunning met alle bescheiden aanwezig te zijn op het werk.
De netbeheerder voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met het instemmingsbesluit dan wel de vergunning en het eventuele werkplan.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient de toezichthouder van de gemeente te allen tijde een aanspreekpunt te hebben vanuit de uitvoerende partij die de verantwoordelijkheid draagt voor het naleven van de wet- en regelgeving en de door de gemeente gestelde voorwaarden.
De netbeheerder waarborgt de veiligheid op de werklocatie.
De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.
De netbeheerder zorgt ervoor dat wegen en voetpaden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk schoon gehouden worden.
Ontwerpen, bouwstoffen en uitvoeringsmethoden dienen aantoonbaar te voldoen aan alle geldende wetten, normen en richtlijnen.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in, op of in de nabijheid van bomen, bermen, gazons of groenvoorzieningen moet gehouden worden aan het gemeentelijk beleid op dit terrein.
Per dag mag er geen grotere sleuf worden gegraven dan op die dag kan worden hersteld.
Herstel van de weg dient in beginsel direct na voltooiing van de fysieke werkzaamheden plaats te vinden. Totdat de weg is hersteld blijft de netbeheerder verantwoordelijk voor de instandhouding van de bereikbaarheid en verkeersmaatregelen.
Naast de voorschriften als bedoeld in deze bijlage dient de uitvoering te geschieden conform de volgende voorschriften:
Richtlijn zorgvuldig graafproces (CROW-publicatie 250);
Kabels en leidingen in verontreinigde bodem (CROW-publicatie 307);
Kabels en leidingen rond wateren en waterkering (CROW-publicatie 308);
Combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen (CROW-publicatie 280);
Maatregelen op niet-autosnelwegen (CROW-publicatie 96b);
Omgaan met vrijkomend asfalt (CROW-publicatie 210);
Handleiding Wegenbouw, Ontwerp Onderbouw, Richtlijn Boortechnieken, (DWW-2003-047);
Standaard RAW bepalingen 2015 (CROW publicatie 480).
Werktijden Werkzaamheden worden uitgevoerd op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, tussen 08:00 en 17:00 uur.
Burgemeester en wethouders kunnen afwijkende werktijden voorschrijven in het instemmingsbesluit of de vergunning.
Graaf- en breekverbod Burgemeester en wethouders kunnen in de volgende situaties een graaf- en breekverbod instellen: bij extreme weersomstandigheden; bij een gesloten sneeuwdek en vorst; op de locatie waar een evenement plaatsvindt en in de directe omgeving daarvan; indien onvoorziene omstandigheden leiden tot gevaar voor de openbare orde of de veiligheid.
Indien een graaf- en breekverbod wordt ingesteld op het moment dat er reeds werkzaamheden worden verricht, dan: wordt op plaatsen waar de wegverharding is opgebroken tijdelijke bestrating aangebracht en dient losliggend puin en overtollig zand te worden afgevoerd door de netbeheerder; dient opslag van materialen achter deugdelijk afgesloten bouwhekken plaats te vinden door de netbeheerder.
Indien zich tijdens een ingesteld graafverbod een calamiteit of ernstige belemmering of storing voordoet in de dienstverlening, als bedoeld in artikel 5.13 en 5.23, dient de procedure in bijlage 5.13 te worden gevolgd.
Bereikbaarheid De netbeheerder dient de bereikbaarheid voor hulpdiensten doorlopend te waarborgen, waarbij de hulpdiensten de gebouwen en werken op tenminste 40 m moeten kunnen benaderen. De minimale doorrijdbreedte bedraagt 3,5 m en de doorrijdhoogte 4,5 m.
Brandkranen, aansluitingen voor droge blusleidingen dienen te allen tijde zichtbaar en bereikbaar te zijn.
De netbeheerder is verantwoordelijk voor de bereikbaarheid van woningen, winkels, bedrijven en openbare gebouwen.
Alle (nood)uitgangen dienen over de volle breedte toegankelijk gehouden te worden.
De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.
Bereikbaarheid voor personen met een functiebeperking Voor personen met een functiebeperking dient ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger te lopen met: een breedte van ten minste 1,10 m, en bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in afdeling 2.6. van het Bouwbesluit 2012.
Gereedmelding of dreigende overschrijding De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen langs elektronische weg een gereedmelding bij burgemeester en wethouders via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.
Bij dreigende overschrijding van de toegestane uitvoeringsduur dient voor verlenging van de uitvoeringsduur een melding te worden gedaan in het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.
Aan de melding als bedoeld in sub b kunnen nadere voorschriften worden verbonden.
Indien de gereedmelding niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt de gereedmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders. Een afschrift van de vergunning of het instemmingsbesluit moet bij de gereedmelding worden bijgevoegd.
Opname eindsituatie De eindsituatie kan door de toezichthouder worden opgenomen en vastgelegd in een eindrapport.
Ten behoeve van het eindrapport als bedoeld in sub a levert de netbeheerder, indien de werkzaamheden niet conform de voorschriften zijn uitgevoerd, een aangepaste tracétekening aan.
Het rapport wordt akkoord bevonden door de toezichthouder als de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de gestelde voorschriften dan wel als de aangepaste tracétekening is geaccordeerd en als er overeenstemming is over het herstel in de oude staat.
Bijlage 5.15 - II Aanvullende technische bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Herkenbaarheid Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen dienen te zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is.
Tracébepaling algemeen In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt het gemeentelijk normprofiel (Technische Voorwaarden Beverwijk, paragraaf 3.11)5). De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2 en de CROW500.
Het normprofiel bij herontwikkeling dan wel nieuwbouw wordt in onderling overleg tussen burgemeester en wethouders, de projectontwikkelaar en de netbeheerder afgestemd.
Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen, en lijnafwatering.
Tracébepaling energietransitie en digitale connectiviteit Indien in het kader van de energietransitie en/of verzwaren van elektriciteitskabels in combinatie met de verwijdering van gasleidingen tracés van meer dan 1000m, of werkzaamheden worden uitgevoerd in gebieden waar gemeente werken aan de openbare ruimte uitvoert, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.
Indien in het kader van de energietransitie het ruimtebeslag in de ondergrond door innovatieve elektriciteits- en/of warmtevoorzieningen afwijkt van het gemeentelijk normprofiel, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.
Indien in het kader van digitale connectiviteit een interlokale telecomkabel of een nieuw (glasvezel)net wordt aangelegd in openbare gronden van de gemeente, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.
Horizontale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten: in de berm langs de rijbaan wordt dezelfde afstand tussen de aan te leggen kabel of leiding en de berm gehanteerd als de diepteligging, met een minimum van 0,50 m. huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net aangelegd. bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met gemeentelijk beleid op dit terrein. bij het kruisen van (water)wegen worden kabels of leidingen zo veel mogelijk haaks aangelegd.
Verticale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten:
Er geldt een minimale dekking van 0,60 m.
Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen.
Distributieleidingen worden niet dieper aangelegd dan transportleidingen.
Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen.
Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m.
Beschermingswerken, zoals mantelbuizen, dienen minimaal 0,50 m aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen.
Bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen.
Watergangen worden gekruist volgens de regels van de keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Kabels, die een watergang kruisen, worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien.
Afwijkende voorschriften leidingstroken Door de gemeente kunnen afwijkende leidingstroken worden vastgesteld, waarin afwijkende voorschriften gelden.
Bovengrondse voorzieningen De locatie van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen wordt vooraf afgestemd met burgemeester en wethouders.
De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van burgemeester en wethouders bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door burgemeester en wethouders gestelde termijn te herstellen.
Handholes De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen alvorens in te stemmen met de locatie van de aanvrager een spitprofiel eisen.
Handholes worden altijd buiten het kabel of leiding tracé aangelegd.
Handholes worden niet geplaatst in de rijbanen het fietspad en niet binnen een afstand van 3 meter vanaf bomen en buiten de kroonprojectie van bomen.
Leidingen van en naar de handhole dienen in beginsel de overige netten onderlangs te kruisen om verweving te voorkomen.
Handholes die maximaal 2 x per jaar geopend worden, worden aangebracht met een minimale dekking van 0,40 m onder het maaiveld en afgedekt met straatzand.
Handholes die meer dan 2 x per jaar geopend worden, worden voorzien van een geprofileerde putdekselconstructie conform verkeersklasse D400 NEN-EN 124. Na zetting dient de putdekselconstructie op dezelfde hoogte te liggen als het omringend maaiveld en/of (bovenkant) elementenverharding.
Uitnemen en terugplaatsen grond en groenvoorzieningen De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen.
Het is niet toegestaan om wegbedekking te ondergraven.
De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de werkput de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt hersteld.
Op het moment dat de uitkomende grond niet direct langs de sleuf opgeslagen kan worden dient opslag in overleg met burgemeester en wethouders op een andere locatie plaats te vinden.
Bij het terugplaatsen van de grond dient het bodemprofiel zoveel mogelijk te worden hersteld. De werkput hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond en dient om de 0,25m te worden verdicht.
De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond.
Bij het dichten van een sleuf moet de aangevulde grond mechanisch worden verdicht in twee of drie lagen.
Bij wateroverlast wordt de verdichting van de ondergrond in een later stadium door de netbeheerder definitief hersteld.
Bevroren grond en sneeuw mag niet worden verwerkt in de aanvulling.
Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
Uitgenomen te handhaven groenvoorzieningen dienen ruim te worden uitgestoken, gescheiden van de te ontgraven grond en te worden beschermd tegen uitdroging en binnen 24 uur na het gereedkomen van de werkzaamheden te worden terug geplant.
Elementverharding Het opnemen en terugplaatsen van elementverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade zo veel mogelijk wordt voorkomen.
De uitgenomen elementverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen.
Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd.