Artikel 2:350 BW – Toewijzing en kosten van het enquêteverzoek
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 2. Rechtspersonen › Titel 8. Geschillenregeling en het recht van enquête › Afdeling 2. Het recht van enquête · niet-officieel opschrift
1De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.
2Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de rechtspersoon tegen de verzoeker of verzoekers bij de ondernemingskamer een eis instellen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek lijdt. Voor de instelling van een vordering tegen een verzoeker geldt als diens woonplaats mede de woonplaats die hij voor de indiening van het verzoek heeft gekozen.
3Wordt het verzoek toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, na verhoor, althans oproeping van de oorspronkelijke verzoekers. De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen. De rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek alsmede de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de met het onderzoek belaste personen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek; in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij. De ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor de betaling der kosten zekerheid moet stellen.
4De ondernemingskamer benoemt, tegelijk met de met het onderzoek belaste personen, een raadsheer-commissaris. Indien de goede gang van zaken van het onderzoek dit vereist, kan de raadsheer-commissaris op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de met het onderzoek belaste personen in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook de met het onderzoek belaste personen op hun verlangen een aanwijzing geven. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de rechtspersoon die in de procedure is verschenen in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook anderen in de gelegenheid stellen hun zienswijze te geven. Tegen beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in dit lid staat geen beroep in cassatie open.
Rechtspraak over Artikel 2:350 BW
26
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
5
- Artikel 2:92aVordering tot overdracht van aandelen
- Artikel 2:201a
- Artikel 2:352Bevelen bij weigering van medewerking aan onderzoek
- Artikel 2:354Verhaal van onderzoekskosten
- Artikel 2:359cUitkoopvordering na openbaar bod
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 2:344Toepassingsgebied van het enquêterecht
- Artikel 2:345Benoeming van onderzoekers bij enquêterecht
- Artikel 2:346Bevoegdheid tot enquêteverzoek
- Artikel 2:347Enquêtebevoegdheid van vakverenigingen
- Artikel 2:348Kennisgeving aan toezichthouder
- Artikel 2:349Ontvankelijkheidsvereisten bij enquêteverzoek
- Artikel 2:349aSpoedbehandeling en onmiddellijke voorzieningen door ondernemingskamer
- Artikel 2:351Inzagerecht van onderzoekers bij enquête
- Artikel 2:352Bevelen bij weigering van medewerking aan onderzoek
- Artikel 2:352aGetuigenverhoor bij enquêteonderzoek
- Artikel 2:353Nederlegging en inzage van het verslag
- Artikel 2:354Verhaal van onderzoekskosten
- Artikel 2:355Voorzieningen na wanbeleid
- Artikel 2:356Voorzieningen bij geschillenregeling
- Artikel 2:357Voorzieningen van de ondernemingskamer
- Artikel 2:358Voorlopige tenuitvoerlegging en nederlegging van beschikkingen
- Artikel 2:359Cassatieberoep en vergoeding na vernietiging