Artikel 3:107 BW – Onmiddellijk en middellijk bezit en houderschap
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 5. Bezit en houderschap · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Artikel 3:107 BW bepaalt dat bezit inhoudt dat iemand een goed voor zichzelf houdt. Bezit is onmiddellijk wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt, en middellijk wanneer iemand bezit via een ander die het goed voor hem houdt. Houderschap kent dezelfde tweedeling: ook houderschap kan onmiddellijk of middellijk zijn, naar gelang de wijze waarop het goed wordt gehouden.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
1Bezit is het houden van een goed voor zichzelf.
2Bezit is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt.
3Bezit is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt.
4Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of middellijk.
Rechtspraak over Artikel 3:107 BW
311
2026-05-20
2026-04-10
2026-04-01
2026-04-01
2026-03-27
2026-03-18
2026-03-18
2026-03-11
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:108Beoordeling van houderschap
- Artikel 3:109Vermoeden van houderschap voor zichzelf
- Artikel 3:110Houderschap voor een ander krachtens rechtsverhouding
- Artikel 3:111Voortzetting van houderschap
- Artikel 3:112Wijzen van bezitsverkrijging
- Artikel 3:113Inbezitneming van een goed
- Artikel 3:114Overdracht van bezit
- Artikel 3:115Bezitsoverdracht zonder feitelijke handeling
- Artikel 3:116Opvolging in bezit en houderschap onder algemene titel
- Artikel 3:117Verlies van bezit
- Artikel 3:118Goede trouw van de bezitter
- Artikel 3:119Bezitsvermoeden van rechthebbendheid