Artikel 7:211 BW – Vrijwaring van de huurder
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 7. Bijzondere overeenkomsten › Titel 4. Huur › Afdeling 2. Verplichtingen van de verhuurder · niet-officieel opschrift
1Wanneer tegen de huurder door een derde een vordering wordt ingesteld tot uitwinning of tot verlening van een recht waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, ingevolge die overeenkomst niet belast had mogen zijn, is de verhuurder na kennisgeving daarvan door de huurder gehouden in het geding te komen ten einde de belangen van de huurder te verdedigen.
2De verhuurder moet aan de huurder alle door deze vordering ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving niet onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving ontstane kosten.
3Wanneer tegen de onderhuurder een vordering betreffende het ondergehuurde wordt ingesteld door de hoofdverhuurder, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op de onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel 2.9.5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze vordering gelijkgesteld aan een vordering tot uitwinning.
Rechtspraak over Artikel 7:211 BW
17
2026-02-24
2024-10-09
2021-09-24
2021-09-15
2020-08-17
Verwijzingen in dit artikel
1
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
1
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 7:203Verplichting tot terbeschikkingstelling
- Artikel 7:204Gebreken van de verhuurde zaak
- Artikel 7:205Onverminderd andere rechten van de huurder
- Artikel 7:206Verplichting tot herstel van gebreken
- Artikel 7:207Huurvermindering wegens gebrek
- Artikel 7:208Aansprakelijkheid van de verhuurder voor schade door gebreken
- Artikel 7:209
- Artikel 7:210Ontbinding bij onherstelbaar gebrek