Artikel 7:669 BW – Opzegging door werkgever wegens redelijke grond
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 7. Bijzondere overeenkomsten › Titel 10. Arbeidsovereenkomst › Afdeling 9. Einde van de arbeidsovereenkomst · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Dit artikel bepaalt dat een werkgever alleen mag opzeggen bij een redelijke grond, en als herplaatsing binnen redelijke termijn, eventueel met scholing, in een passende functie niet mogelijk of niet aan de orde is. Bij verwijtbaar handelen van de werknemer is herplaatsing nooit aan de orde; bij een geestelijk ambt is herplaatsing niet vereist. De wet somt redelijke gronden op, zoals bedrijfseconomische redenen, ziekte, disfunctioneren, verwijtbaar handelen, gewetensbezwaar, verstoorde verhoudingen of combinaties. Opzegging in verband met de overeengekomen pensioenleeftijd, of anders de AOW-leeftijd, blijft mogelijk. De minister stelt nadere regels; het artikel geldt niet bij opzegging tijdens de proeftijd.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
a. het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering;
b. ziekte of gebreken van de werknemer waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode, bedoeld in artikel 670, leden 1 en 11 , is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken, of bij een werknemer die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt, 6 weken, geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht;
c. het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken van de werknemer met voor de bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen, mits het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer en aannemelijk is dat binnen 26 weken, of bij een werknemer die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt, 6 weken, geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht;
d. de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer;
e. verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
f. het weigeren van de werknemer de bedongen arbeid te verrichten wegens een ernstig gewetensbezwaar, mits aannemelijk is dat de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht;
g. een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
h. andere dan de hiervoor genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
i. een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de gronden, bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
a. nadere regels gesteld met betrekking tot een redelijke grond voor opzegging, de herplaatsing van de werknemer en de redelijke termijn, bedoeld in lid 1, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van werknemers;
b. regels gesteld voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen, bedoeld in lid 3, onderdeel a.
Rechtspraak over Artikel 7:669 BW
Verwijzingen in dit artikel
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
- Artikel 7:670aUitzonderingen op opzegverboden
- Artikel 7:671Instemmingsvereiste bij opzegging door werkgever
- Artikel 7:671aToestemming UWV voor opzegging
- Artikel 7:671bOntbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter
- Artikel 7:673bUitsluiting transitievergoeding bij cao
- Artikel 7:681Vernietiging van opzegging en billijke vergoeding
- Artikel 7:682Herstel van de arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 7:667
- Artikel 7:668Informatieplicht bij einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
- Artikel 7:668aKetenregeling bij opvolgende arbeidsovereenkomsten
- Artikel 7:670Opzegverbod tijdens ziekte
- Artikel 7:670aUitzonderingen op opzegverboden
- Artikel 7:670bBeëindigingsovereenkomst en bedenktijd
- Artikel 7:671Instemmingsvereiste bij opzegging door werkgever
- Artikel 7:671aToestemming UWV voor opzegging
- Artikel 7:671bOntbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter
- Artikel 7:671cOntbinding op verzoek wegens gewichtige redenen
- Artikel 7:672Opzegtermijnen bij arbeidsovereenkomst
- Artikel 7:673Transitievergoeding bij einde arbeidsovereenkomst
- Artikel 7:673a
- Artikel 7:673bUitsluiting transitievergoeding bij cao
- Artikel 7:673cTransitievergoeding bij betalingsonmacht werkgever