Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Artikel 7:686a BW – Wettelijke rente en procedurevoorschriften bij beëindiging arbeidsovereenkomst

Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 7. Bijzondere overeenkomsten › Titel 10. Arbeidsovereenkomst › Afdeling 9. Einde van de arbeidsovereenkomst · niet-officieel opschrift

Kort uitgelegd

Deze bepaling regelt procedures voor ontslagzaken uit deze afdeling. Over vergoedingen is wettelijke rente verschuldigd vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst, bij de transitievergoeding vanaf een maand later. Procedures starten met een verzoekschrift, waarin ook samenhangende vorderingen kunnen worden opgenomen. Voor verschillende verzoeken gelden afzonderlijke vervaltermijnen van twee of drie maanden, waarna de bevoegdheid vervalt. Behandeling vangt uiterlijk in de vierde week na indiening aan. Voordat de rechter ontbindt, met of zonder vergoeding, stelt hij partijen op de hoogte en biedt hij gelegenheid tot intrekking. De rechter kan zaken splitsen bij ongeschikte gezamenlijke behandeling.

Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.

1Over het bedrag van de vergoeding, bedoeld in de artikelen 672, lid 11 , en 677, leden 2 en 4 , is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Over het bedrag van de transitievergoeding, bedoeld in de artikelen 673 en 673c , is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
2De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift.
3In gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, kunnen daarmee verband houdende andere vorderingen worden ingediend met een verzoekschrift.
4De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt:

a. twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 672, lid 11 , 677 , 681, lid 1, onderdelen a, b en c , en 682, leden 1, 2 en 3 , betreft;

b. drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 673 , 673b en 673c betreft;

c. twee maanden na de dag waarop de werknemer op de hoogte is of redelijkerwijs had kunnen zijn van de situatie, bedoeld in de artikelen 681, lid 1, onderdelen d en e , en 682, leden 4 en 5 , maar ten laatste twee maanden na de dag waarop de termijn van 26 weken, bedoeld in die leden of onderdelen, is verstreken;

d. twee maanden na de dag waarop de toestemming, bedoeld in artikel 671a , is geweigerd, indien het een verzoek op grond van artikel 671b, lid 1 , onderdeel b, betreft;

e. drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van artikel 668, lid 1 , is ontstaan, indien het een verzoek op grond van artikel 668, lid 3, betreft.

5De behandeling van de verzoeken, bedoeld in dit artikel, vangt niet later aan dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
6Alvorens een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten.
7Lid 6 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter voornemens is een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c uit te spreken zonder daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.
8Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de artikelen 677 en 681 .
9Verzoeken op grond van deze afdeling worden gedaan aan de ingevolge de artikelen 99 , 100 en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.
10De rechter kan een zaak in twee of meer zaken splitsen indien het verzoek en de in het verzoekschrift ingediende vorderingen als bedoeld in het derde lid, zich naar het oordeel van de rechter niet lenen voor gezamenlijke behandeling. In de beslissing tot splitsing vermeldt de rechter, voor zover van toepassing, het bijkomende griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht betaald dient te worden. De gesplitste zaken worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevinden op het moment van de splitsing.

Officiële bron: wetten.overheid.nl · Volledige tekst · Inhoudsopgave

Rechtspraak over Artikel 7:686a BW

262

Verwijzingen in dit artikel

10

Andere artikelen in dit onderdeel

Tekst volgens de officiële bron. Alleen de officiële bekendmaking is rechtsgeldig.