Uitvoeringsregelingen van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling provincies (flevoland)
Waar gaat deze regeling over?
Deze regeling beschrijft aanvullende voorzieningen voor ambtenaren van provincies die werkloos worden, ziek zijn, zwanger zijn of bevallen, of overlijden. Het gaat om aanvullingen op wettelijke uitkeringen zoals de Werkloosheidswet en de Ziektewet.
Voor wie: Ambtenaren van provincies die ontslagen zijn of ontslag hebben aangevraagd; Ambtenaren die ontslagen zijn wegens ongeschiktheid door ziekte en minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV.
Termijnen:
- De aanvullende uitkering bij werkloosheid bedraagt de eerste 12 maanden 80% van het dagloon en daarna 70% van het dagloon.
- De duur van de nawettelijke uitkering is afhankelijk van de diensttijd en leeftijd bij ontslag, en kan worden verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd voor werknemers van 59 jaar of ouder die vijf jaar in dienst zijn geweest.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Arbeidsrecht
- Artikelen
- 24
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De hoogte en duur van aanvullende uitkeringen bij werkloosheid.
- Aanvullende uitkeringen bij ziekte, zwangerschap en bevalling.
- Aanvullende overlijdensuitkeringen.
- Specifieke regels voor provinciale werknemers die in het buitenland wonen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Ambtenaren van provincies die ontslagen zijn of ontslag hebben aangevraagd.
- Ambtenaren die ontslagen zijn wegens ongeschiktheid door ziekte en minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV.
Wat zijn de kernpunten?
- De aanvullende uitkering bij werkloosheid bedraagt de eerste 12 maanden 80% van het dagloon en daarna 70% van het dagloon.
- Bij ziekte, zwangerschap of bevalling wordt de uitkering aangevuld tot 100% van het dagloon.
- De nawettelijke uitkering bedraagt 70% van het dagloon.
- De duur van de nawettelijke uitkering is afhankelijk van de diensttijd en leeftijd bij ontslag, en kan worden verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd voor werknemers van 59 jaar of ouder die vijf jaar in dienst zijn geweest.
Arbeidsrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (24)
- Artikel 1 Begripsomschrijvingen
- Artikel 2 Recht op aanvullende uitkering
- Artikel 3 Hoogte aanvullende uitkering
- Artikel 4 Aanvullende uitkering bij ziekte, zwangerschap en bevalling
- Artikel 5 Aanvullende overlijdensuitkering
- Artikel 6
- Artikel 8 Aanvullende uitkering provinciale werknemer die in het buitenland woon
- Artikel 9
- Artikel 10 Duur nawettelijke uitkering
- Artikel 11 Hoogte nawettelijke uitkering
- Artikel 12 Overlijdensuitkering
- Artikel 13
- Artikel 14 Nawettelijke uitkering provinciale werknemer die in het buitenland woo
- Artikel 15 Indexering
- Artikel 16 Verhuiskostenvergoeding
- Artikel 17 Afkoop
- Artikel 18 Vervallen (verhoogde pensioenopbouw)
- Artikel 19 Uitkering bij ontslag in het belang van de dienst
- Artikel 20 Eenmalige uitkering
- Artikel 21 Doorwerking wettelijke maatregelen
- Artikel 22
- Artikel 23 Inwerkingtreden en citeertitel
- Artikel 7 Einde van de uitkering
- Artikel 9a Aanvulling bij arbeidsongeschiktheid ingeval van dienstongeval of bero
FPU-PLUSREGELING PROVINCIES (krachtens artikel B.12, derde lid, van de CAP) [Deze regeling is ingetrokken.] OVERGANGSRECHT BIJ INTREKKING/WIJZIGING FPU-PLUSREGELING PROVIN- CIES I.V.M. INVOERING LEVENSLOOPREGELING [Vervallen.] REGELING AANVULLENDE VOORZIENINGEN BIJ WERKLOOSHEID (krachtens artikel B.14 van de CAP)
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1Begripsomschrijvingen
HOOFDSTUK II AANVULLENDE UITKERING
Artikel 2Recht op aanvullende uitkering
Artikel 3Hoogte aanvullende uitkering
Artikel 4Aanvullende uitkering bij ziekte, zwangerschap en bevalling
Artikel 5Aanvullende overlijdensuitkering
Bij overlijden van betrokkene die tot en met de dag van overlijden recht heeft op een aanvulling op grond van artikel 3 of artikel 4 wordt de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, per dag aangevuld tot 100% van het dagloon.
Artikel 6
Artikel 7 vervallen
Artikel 8Aanvullende uitkering provinciale werknemer die in het buitenland woont
Het bepaalde in de eerste volzin, onderdeel a, is niet van toepassing zolang betrokkene op grond van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid aan- spraak heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
HOOFDSTUK III NAWETTELIJKE UITKERING
Artikel 9
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, heeft na het verstrijken van de duur van de uitkering krachtens hoofdstuk II A van de Werkloosheidswet bij voortdurende werkloosheid recht op een nawettelijke uitkering indien de uitkeringsduur, berekend overeenkomstig artikel 10, tweede lid, langer is dan die, berekend overeenkomstig artikel 42 van genoemde wet, en verminderd met 2 dan wel 3,5 jaar overeenkomstig artikel 10, derde lid, zulks met dien verstande dat de verloren ar- beidsuren waarvoor hij geen betrokkene is geen aanspraak geven op een nawettelijke uitkering.
Artikel 10Duur nawettelijke uitkering
Artikel 11Hoogte nawettelijke uitkering
Artikel 12Overlijdensuitkering
Artikel 13
Ten aanzien van de nawettelijke uitkering is artikel 6, eerste lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat ziekte van betrokkene niet wordt geacht aan werkloosheid in de weg te staan en dat bij ziekte artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet niet van overeenkom- stige toepassing is.
Artikel 14Nawettelijke uitkering provinciale werknemer die in het buitenland woont
HOOFDSTUK IV OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 15Indexering
Het dagloon wordt telkens aangepast aan de in de provincies geldende algemene salariswijziging.
Artikel 16Verhuiskostenvergoeding
Aan de betrokkene die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen kan terzake van de kosten welke voor hem aan een daartoe noodzakelijke verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden verleend tot ten hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de daartoe geldende verhuiskos- tenregeling.
Artikel 17Afkoop
Op verzoek van de betrokkene kan het recht op de aanvullende en nawettelijke uitkering geheel of ten dele worden afgekocht indien daarmee de werkloosheid geheel of gedeeltelijk kan worden opge- heven. Bij gehele, onderscheidenlijk gedeeltelijke afkoop als bedoeld in de eerste volzin eindigt het recht op de aanvullende en nawettelijke uitkering geheel, onderscheidenlijk voor het afgekochte deel.
Artikel 18Vervallen (verhoogde pensioenopbouw)
Artikel 19Uitkering bij ontslag in het belang van de dienst
De ambtenaar aan wie met toepassing van artikel B.9, onderdeel o, van de CAP ontslag is verleend heeft recht op een aanvullende en nawettelijke uitkering die naar het oordeel van gedeputeerde sta- ten met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is in geen geval minder dan die waarop aanspraak zou bestaan indien de ambtenaar ontslag zou zijn verleend als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 20Eenmalige uitkering
Artikel 21Doorwerking wettelijke maatregelen
Tenzij in het SPA anders is overeengekomen werken algemene neerwaartse wijzigingen in duur en hoogte van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet - anders dan door wijzigingen als gevolg van individuele feiten en omstandigheden - vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreden van genoemde algemene neerwaartse wijzigingen door in de duur en hoogte van de aanvullende en nawettelijke uitkering. De in de eerste volzin bedoelde doorwerking vindt evenwel niet eerder plaats dan 6 maanden na de datum van publicatie van genoemde algemene neerwaartse wijzigingen in het staats- blad dan wel, indien dat later is, voor de datum van afloop van het lopende akkoord over de arbeids- voorwaarden in de sector provincies.
HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 22
Artikel 23Inwerkingtreden en citeertitel
OVERGANGSRECHT BIJ AANPASSING REGELING I.V.M. AFSCHAFFING WW- VERVOLGUITKERING Artikel II Overgangsrecht 1. De bepalingen van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals die luidden op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h van de Werkloosheidswet van toepassing is.
Overgangsbepaling bij wijziging provinciale rechtspositieregelingen i.v.m. de WIA en het WIA-akkoord overheid- en onderwijspersoneel Artikel 1, tweede lid, onderdeel c, en artikel 7 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werk- loosheid, zoals die luidden op 31 mei 2007, blijven van toepassing op degene voor wie de Suppletie- regeling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op grond van artikel IV na 31 mei 2007 van kracht blijft.
Overgangsrecht bij wijziging i.v.m. de cao Provincies 2012/2015 Artikel III Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op een aanvullende uitkering krachtens die regeling.
Artikel IV Artikel 10, vijfde lid, van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op die dag recht had op een verlengde nawettelijke uitkering krachtens die bepaling.
Artikel V Artikel 18 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op degene die op grond van die bepaling op die dag recht had op een bijdrage van de provincie in de extra pensioenopbouw.
Artikel VI Dit besluit treedt, na publicatie in het Provinciaal Blad waarin het is geplaatst, in werking op 1 de- cember 2014.
TOELICHTING OP DE REGELING AANVULLENDE VOORZIENINGEN BIJ WERKLOOS- HEID 1. Inleiding De ambtelijke aanspraken zijn geregeld in wettelijke en bovenwettelijke aanspraken. Het overheidspersoneel valt onder alle sociale verzekeringswetten. Dit zijn de wettelijke aanspraken. Dat betekent dat de provinciale ambtenaar valt onder de werking van de ZW, WAO, Werkloosheidswet (WW), Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is een bovenwettelijke regeling in aanvulling op de WW.
Tussen de eerste twee uitgangspunten is een nauwe samenhang: zonder een goede aansluiting op de WW-systematiek is een eenvoudige regeling niet denkbaar. Een dergelijke regeling zou leiden tot hogere uitvoeringskosten dan strikt genomen noodzakelijk is. Naadloze aansluiting past in de filosofie dat de WW de bodemvoorziening is en de bovenwettelijke regeling een complementaire voorziening. Het derde uitgangspunt impliceert:
Volumebeleid is dan ook een belangrijke taak voor het uitvoeringsorgaan aan wie de uitvoering van de bovenwettelijke regeling is opgedragen. Met dit uitgangspunt is ook rekening gehouden bij de afspraken over met name hoogte en duur van de bovenwettelijke uitkering: deze mogen uiteraard niet de prikkel tot re-integratie wegnemen.
Het eerste vereiste vloeit voort uit het uitgangspunt dat de regeling naadloos moet aansluiten op de WW. In concreto houdt dit, gelet op de in de WW gestelde voorwaarden voor het ontstaan van het recht op een uitkering, het volgende in.
Betrokkene moet werknemer zijn in de zin van de WW, d.w.z. de natuurlijke persoon, nog niet AOW-gerechtigd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Betrokkene moet werkloos zijn. Daartoe is ontslag geen noodzakelijke voorwaarde in de WW. Van werkloosheid is sprake bij verlies van ten minste 5 arbeidsuren per kalenderweek of van 50% van zijn arbeidsuren per kalenderweek alsmede van het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en betrokkene beschikbaar is om arbeid te verrichten.
Betrokkene moet voldoen aan de referte-eis voor een loongerelateerde WW-uitkering.
Het vereiste van ontslag is een voorwaarde voor recht op een bovenwettelijke uitkering. Niet ieder ontslag leidt echter tot een recht op bovenwettelijke voorzieningen, ook al zou uit hoofde van dat ontslag recht op een WW-uitkering ontstaan. Van de regeling zijn uitgezonderd ambtenaren aan wie bijvoorbeeld ontslag op aanvraag is verleend, ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, strafontslag, ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte en ontslag na afloop van non-activiteit i.v.m. de vervulling van een politiek ambt.
Het recht op bovenwettelijke voorzieningen blijft beperkt tot die ambtenaren aan wie re-organisatieontslag is verleend en ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Daarnaast zijn nog bijzondere voorzieningen getroffen in enkele andere gevallen van ontslag:
De aanvullende uitkering wordt toegekend gedurende de WW-uitkeringperiode. Zij eindigt dus op het moment dat de duur van de loongerelateerde WW-uitkering is afgelopen of zoveel eerder als die wettelijke uitkering eerder is afgelopen i.v.m. bijvoorbeeld het einde van de werkloosheid. De aanvulling bij ziekte wordt slechts toegekend zolang er uit hoofde daarvan aanspraak op een ZW-uitkering bestaat.
Een nawettelijke uitkering is een uitkering na afloop van de duur van de loongerelateerde WW-uitkering ingeval anders dan vanwege het verstrijken van de uitkeringsduur is voldaan aan de voorwaarden voor een WW-uitkering. Zie verder de artikelgewijze toelichting. c. Hoogte van de aanvullende en nawettelijke uitkering Grondslag voor de aanvullende en nawettelijke uitkering is het dagloon dat voor de WW wordt gehanteerd. Dat volgt uit het uitgangspunt om naadloos op de WW aan te sluiten. De maximum dagloongrens wordt echter niet gehanteerd. De hoogte van de aanvullende uitkering is als volgt. In de eerste 12 maanden wordt de WW-uitkering aangevuld tot 80%, daarna tot 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aanvulling tot 70% heeft in de WW-loondervingsfase feitelijk alleen betekenis voor hen wier bezoldiging uitkomt boven de maximum dagloongrens. De hoogte van de nawettelijke uitkering is steeds 70% van het ongemaximeerde dagloon. a. Aansluiting op de WW-systematiek Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de WW-systematiek een belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is, zoals hierboven geschetst, onder meer vertaald in het (grotendeels) overnemen van het dagloonbegrip als berekeningsgrondslag en het vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen openstaat als er recht op WW bestaat.
Ook op andere onderdelen wordt in de bovenwettelijke regeling nauw bij de WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de bepalingen in de WW inzake gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering (artikelen 19 en 20 WW), inzake herleving en verlenging van de uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake verplichtingen en sancties (artikelen 24 t/m 28 WW), inzake anticumulatie (artikelen 34 en 35 WW) en inzake scholing (artikelen 75, 76 en 78 WW) van overeenkomstige toepassing. Een en ander is geregeld in de artikelen 6 en 13 van de regeling. De WW-systematiek wordt echter niet gevolgd ten aanzien van de indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene salarisontwikkeling in de sector provincies. b. Doorwerking van wettelijke maatregelen in het bovenwettelijke traject Indien de wetgever een neerwaartse wijziging in de hoogte en duur van de WW-uitkering aanbrengt zal dit - tenzij in het sectoroverleg anders wordt overeengekomen - doorwerken naar het bovenwettelijke traject. Gelet op het systeem van de bovenwettelijke uitkering, een aanvulling op de wettelijke uitkering, zou een verlaging van het wettelijke uitkeringsniveau er automatisch toe leiden dat deze verlaging wordt gecompenseerd in de bovenwettelijke uitkering (bij een verlaging van de WW naar 65% bijvoorbeeld zou een aanvulling tot 78% immers niet een aanvulling van 8% maar van 13% zijn).
Hetzelfde verhaal geldt bij een duurvermindering in de WW. Dat zou automatisch tot een compensatie in de nawettelijke uitkering leiden doordat de nawettelijke uitkering zou worden verlengd met de periode waarmee de wettelijke uitkeringsduur is bekort. De doorwerkingclausule zoals opgenomen in artikel 21 van de regeling is gelijk aan die welke tussen de overheidssectorwerkgevers en centrales van overheidspersoneel is afgesproken in het model voor een bovenwettelijk invaliditeitspensioen, zij het dat hieraan is toegevoegd dat doorwerking in ieder geval niet plaatsvindt voor de afloop van het lopende SPA-akkoord over de arbeidsvoorwaarden. f. Overgangsrecht De ambtelijke wachtgeldregeling en uitkeringsregeling zijn met ingang van 1 januari 2003 vervallen. Vanaf 1 januari 2001 hebben ambtenaren wier dienstverband op of na die datum is geëindigd, geen toegang meer tot die regelingen.
De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling blijven vanaf 1 januari 2003 wel van kracht voor gewezen ambtenaren aan wie direct voorafgaande aan 1 januari 2001 een wachtgeld of uitkering op grond van die regelingen is toegekend. g. De uitvoering van de regeling Zowel de Werkloosheidswet als de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Wat betreft de uitvoering van de Werkloosheidswet is dat wettelijk geregeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De uitvoering van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is contractueel geregeld tussen de provincie en het UWV (als rechtsopvolger van de USZO). Het UWV is de uitvoering van deze regeling, inclusief de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften, gemandateerd.
Artikel 1
Het eerste lid geeft aan wie onder de werking van de regeling vallen. Arbeidsongeschikten komen alleen voor een bovenwettelijke uitkering in aanmerking als zij op de ontslagdatum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV. De WW, waarop een bovenwettelijke uitkering wordt gegeven, is immers niet van toepassing op hen die voor 35% of meer arbeidsongeschikt zijn verklaard.
In het tweede lid is onder d het diensttijdbeginsel vastgelegd. Het komt materieel overeen met het huidige ABP-diensttijdbegrip. Rekening is gehouden met de jurisprudentie inzake meetellen van overheidsdiensttijd bij lidstaten van de Europese Economische Ruimte. De diensttijd is van belang voor de berekening van de duur van de nawettelijke uitkering. Diensttijd die al in aanmerking is ge- nomen voor de bepaling van de duur van een eerdere werkloosheidsuitkering ten laste van de over- heid wordt niet opnieuw in beschouwing genomen.
Artikel 2
Geen recht op een aanvullende uitkering ontstaat indien geen recht ontstaat op een loongerelateerde WW-uitkering maar slechts op een kortdurende WW-uitkering op grond van hoofdstuk II B van de WW. Na ontslag heeft men slechts recht op een aanvullende uitkering voor zover men recht heeft op een (loongerelateerde) WW-uitkering i.v.m. arbeidsurenverlies ontstaan uit het ontslag bij de provin- cie. Het tweede lid geldt niet bij vermindering van WW wegens gedeeltelijke werkloosheid op grond van artikel 47, tweede lid, van de WW, maar enkel bij financiële korting of sanctie.
Artikel 3
Als het recht op WW-uitkering binnen de eerste 12 maanden na ontslag eindigt (bijvoorbeeld door einde van de werkloosheid) en later herleeft, herleeft ook het recht op de aanvullende uitkering. De herleefde WW-uitkering wordt gedurende de periode dat die 12 maanden niet zijn vol gemaakt aan- gevuld tot 80% en eerst daarna voor de resterende uitkeringsduur tot 70%.
Het tweede lid is noodzakelijk zolang die wet waarin een wettelijke toeslag van 3% is geregeld nog van toepassing is. In navolging van OCW zal worden verzocht deze wet in te trekken voor het pro- vinciaal personeel.
Artikel 4
Bij ziekte eindigt de WW-uitkering. De aanvulling op de ZW-uitkering eindigt op het moment dat de ZW-uitkering eindigt. De WW-uitkering kan herleven als geen nieuw recht op WW ontstaat. De tijd waarin de aanvulling van de ZW-uitkering tot 80% is gegeven telt mee voor de berekening van de duur van de 12 maanden waarin de WW-uitkering tot 80% wordt aangevuld. De aanvulling van de ZW-uitkering daalt van 80% naar 70% op het moment van verstrijken van die 12 maanden.
De uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van de Wet arbeid en zorg wordt aan- gevuld tot 100% van de berekeningsgrondslag.
Artikel 5
Artikel 35 van de ZW voorziet in een eenmalige overlijdensuitkering. Die overlijdensuitkering wordt per dag aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde dagloon.
Artikel 6
Hierin is bepaald dat een groot aantal bepalingen van de WW van overeenkomstige toepassing zijn. Het gaat daarbij om de bepalingen inzake het recht op WW, inzake (gehele of gedeeltelijke) beëindi- ging van het recht op WW, de bepalingen inzake verlenging en herleving van het recht op WW en inzake verplichtingen en sancties, anticumulatie en scholing.
Het tweede lid zorgt ervoor dat als gevolg van de overeenkomstige toepassing van de kortingsbepa- ling van andere inkomsten geen dubbele korting plaatsvindt: zowel op het wettelijke als het boven- wettelijke deel.
Het vierde lid regelt dat, indien een ontslag op eigen verzoek ingeval van een voorgenomen reorga- nisatieontslag zou leiden tot sancties de wettelijke uitkering omdat sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid de sanctie in het bovenwettelijk deel wordt gecompenseerd.
Het is uiteraard van groot belang dat de beslissingen en handelingen t.a.v. de wettelijke en aanvul- lende/ nawettelijke uitkering op elkaar zijn afgestemd. Voorkomen moet immers worden dat bijvoor- beeld eenzelfde nalatigheid tot verschillende sancties leidt.
Artikelen 8 en 14 Op grond van regelgeving van de Europese Unie komt de provinciale werknemer die in het buiten- land woont bij volledige werkloosheid niet in aanmerking voor een WW-uitkering in Nederland. Be- trokkene zal in dat geval een werkloosheidsuitkering in zijn woonland moeten aanvragen.
Daarmee voldoet hij niet aan de in de artikelen 2 en 9 gestelde voorwaarde voor een bovenwettelijke (= aanvullende en nawettelijke) werkloosheidsuitkering dat hij recht moet hebben (gehad) op een WW-uitkering. In de artikelen 8 en 14 is geregeld dat de provinciale werknemer die in het buitenland woont bij volledige werkloosheid toch de aanvullende en eventueel nawettelijke werkloosheidsuitke- ring ontvangt waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond. Daar- mee is uitvoering gegeven aan een aanbeveling ter zake van de Raad voor het Overheidsperso- neelsbeleid (ROP). De regeling sluit aan bij het model dat Loyalis Contractmanagement B.V. op verzoek van de ROP bij wijze van handreiking heeft ontwikkeld. Dit model geeft in alle gevallen een garantie op het totale (wettelijke plus bovenwettelijke) uitkeringsniveau dat betrokkene zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Hiertoe wordt een fictief werkloosheidsrecht vastgesteld en het bovenwettelijk recht conform de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. De op deze wijze vastgestelde totale aanspraken worden uitbetaald als een volledige bovenwettelijke uitke- ring. Als betrokkene een buitenlandse werkloosheidsuitkering ontvangt zal het bedrag van deze bui- tenlandse uitkering volledig worden gekort op de bovenwettelijke betaling (anticumulatie). Bewijs- stukken hiervan levert betrokkene maandelijks aan.
De werkloze provinciale werknemer moet Nederlandse werkbriefjes blijven insturen. Veranderingen in de omstandigheden (bijv. werkhervatting of overtreding van verplichtingen) hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben als betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus steeds plaats op grond van de Nederlandse regels.
In geval van ziekte bij of kort na ontslag waarbij de laatstgenoten bezoldiging wordt doorbetaald wordt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering onderbroken. In de overige gevallen van ziekte loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door. In deze situatie zijn er twee mogelijkheden.
Als betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap of bevalling heeft en dit aantoont, gaat de fictieve WW-uitkering over in een fictieve uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat de einddatum van de fictieve WW-uitkering opschuift (bij ziekte alleen als deze meer dan 3 maanden duurt). Bovendien geldt bij zwangerschap en bevalling een hoger uitkeringspercentage.
Meldt betrokkene zich ziek maar levert hij geen bewijs van een buitenlandse ziekte-uitkering dan loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door zoals bij werkloosheid. Dus zonder opschuiving van de einddatum en zonder verhoging in geval van zwangerschap en bevalling.
Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is van belang als betrokkene later alsnog recht krijgt op WW. Dat is mogelijk in bijzondere situaties, bijv. als hij bij een volgend werkloosheidsgeval wel in Nederland woont. De bovenwettelijke uitkering als “grensarbeider” mag dan niet in mindering worden gebracht op de bovenwettelijke uitkering die is verbonden aan zijn nieuwe Nederlandse WW-recht. Het vijfde lid van artikel 8 regelt de anticumulatie van de woonlanduitkering. Het zesde lid van artikel 8 regelt de situatie van samenloop tussen een uitkering op grond van dit artikel en een andere uitkering. Als beide uitkeringen betrekking hebben op hetzelfde deel van de arbeidsuren wordt de uitkering op grond van dit artikel alleen uitbetaald voor zover die hoger is dan de andere uitkering. Dit lid is alleen van belang in bijzondere situaties, bijvoorbeeld als betrokkene opnieuw uitkering krijgt nadat hij naar Nederland is verhuisd, of anderszins geen “grensarbeider” meer is. Het zesde lid heeft geen betrek- king op de woonlanduitkeringen. Zie daarvoor het vijfde lid.
Artikel 14, eerste lid, kent betrokkene het recht op een nawettelijke uitkering toe dat hij zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Het tweede lid van artikel 14 verwijst naar enkele onderde- len van artikel 8. Zie de toelichting aldaar.
Artikel 9
Hierin is het recht op de nawettelijke uitkering geregeld. Zie ook de tweede volzin van de toelichting op artikel 2.
Artikel 10
In het tweede en derde lid is de uitkeringsduur overeenkomstig het leeftijd+ diensttijdbeginsel gere- geld, met de correctie vanwege het vervallen van de WW-vervolguitkering (zie onderdeel 3c van de algemene toelichting). Bij (reorganisatie)ontslag op de leeftijd van 59 jaar en ouder wordt de nawette- lijke uitkering verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd als betrokkene bij ontslag direct voorafgaand zonder onderbreking van langer dan 2 maanden een provinciale diensttijd had van ten minste 5 jaar.
Artikelen 11 t/m 13 In artikel 13 is artikel 19, eerste lid, onder a, WW waarin beëindiging bij ziekte is geregeld, niet over- genomen bij de nawettelijke uitkering omdat alsdan betrokkene niet meer onder de ZW valt en hij in dat geval op de bijstand zou zijn aangewezen. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op de hoofdlijnen van de regeling.
Artikel 15
De wettelijke indexering van het WW-dagloon conform de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkhe- den geldt niet voor de aanvullende en nawettelijke uitkering. De berekeningsgrondslag voor de aan- vullende en nawettelijke uitkering wordt steeds aangepast op het tijdstip van de algemene salaris- maatregelen in de sector provincies.
Artikelen 16 en 17 Het gaat hier om voorzieningen die ook in de oude wachtgeldregeling al voorkomen. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een spoedige re-integratie in het arbeidsproces.
Artikel 19
Het gaat hier om een ontslag in het belang van de dienst zoals bedoeld in artikel B.9, onderdeel o, van de CAP. Gedacht moet worden met name aan ontslag ingeval van onverenigbaarheid van karakters. De voorziening sluit aan op die in de huidige rechtspositieregelingen.
Artikel 20[4]
Hier bedoelde gewezen ambtenaren komen niet in aanmerking voor een aanvullende en nawettelijke uitkering. Wel bestaat recht op een eenmalige uitkering indien de werkgever voor 50% of meer schuld heeft aan het ontslag. Gelet op de Awb zullen gedeputeerde staten een beslissing hierover slechts kunnen nemen na een zorgvuldig onderzoek, gehoord de betreffende ambtenaar.
Een paritair uit werkgevers- en werknemersleden en een onafhankelijke voorzitter bestaande com- missie zal in het kader van de heroverwegingsprocedure op grond van de Awb het provinciebestuur adviseren over het ontslag, het recht en de hoogte van de eenmalige uitkering in hun onderlinge samenhang. De ambtenaar kan zich in alle fasen laten bijstaan door een raadsman (bijv. een vak- bond als hij daarvan lid is).
Artikel 23
Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de nieuwe gevallen onder de WW gaan val- len, te weten 1 januari 2001. [4] In het SPA-akkoord 1994/1997 is vastgelegd dat in het lokale georganiseerd overleg een andere samenstelling kan worden overeengekomen van de paritaire commissie. In provincies waar een andere samenstelling is overeengekomen zal de tekst vanzelfsprekend op onderdelen wat anders komen te luiden.
UITVOERINGSREGELING RECHTEN EN PLICHTEN BIJ ZIEKTE EN ARBEIDSONGE-SCHIKTHEID (krachtens artikel E.8 van de CAP)
Paragraaf 1: Definities
Artikel 1Definities
In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder: a. CAP: de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies; b. herplaatsingtoelage: een herplaatsingtoelage krachtens het pensioenreglement; c. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement; d. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet; e. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; f. aanvullende werkloosheidsuitkering: een aanvullende uitkering krachtens de artikelen 2 en 4 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid; g. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet; h. IVA-uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de WIA; i. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA; j. loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering: de loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering van de WGA-uitkering, bedoeld in hoofd- stuk 7 van de WIA; k. resterende verdiencapaciteit: de resterende verdiencapaciteit, bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten; l. ABP arbeidsongeschiktheidspensioen: het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in hoofd- stuk 11 van het pensioenreglement.
Paragraaf 2: Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
Artikel 2Aanspraak van de ambtenaar
Artikel 3Aanspraak van de gewezen ambtenaar
Artikel 4Aanspraak van de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement
Artikel 5Geen aanspraak
Artikel 6Nadere voorschriften inzake de tijdvakken in de artikelen 2, 3 en 4
Artikel 7Einde van de uitkering
Paragraaf 3: Verplichtingen en sancties
Artikel 8Verplichtingen en sancties gedurende de wachttijd van de WAO en de WIA
Artikel 9Compensatie bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%
Artikel 9aAanvulling bij arbeidsongeschiktheid ingeval van dienstongeval of beroepsziekte
Paragraaf 4: Bijzondere situaties
Artikel 10Samenloop met andere inkomsten
Artikel 11Bevalling na ontslag
Paragraaf 5: Overige bepalingen
Artikel 12Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging en bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuit- kering
Gedeputeerde staten kunnen van een langere periode dan de in de vorige volzin genoemde drie kalendermaanden uitgaan, indien toepassing van het bepaalde in de vorige volzin tot onredelijke uitkomsten leidt.
Artikel 13Vervallen
Artikel 14Overlijdensuitkering gewezen ambtenaar
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van artikel 3 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, is artikel B.14 van de CAP van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15Aanvullende uitkering bij overlijden wegens dienstongeval / beroepsziekte
Overgangsregeling Tot het tijdstip waarop de Werkloosheidswet van toepassing zal zijn op de ambtenaren gelden ten aan- zien van artikelen 2 en 3 de volgende afwijkende regelen:
De ambtenaar heeft, ingeval op grond van artikel 19, vierde lid, van de WAO geen recht op een WAO-uitkering uit hoofde van zijn dienstbetrekking bestaat, indien en voor zolang de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte na het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken voortduurt, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens dit artikel, waarbij wordt uitgegaan van een WAO-uitkering van nihil.
18,00%.
18,00%.
Overgangsregeling Ten aanzien van de ambtenaar en gewezen ambtenaar wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen vóór 1 september 2004 blijven de bepalingen van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van toepassing, zoals deze op 30 april 2005 luidden.
Overgangsregeling [5] 1. Artikel 2, zesde en zevende lid, en artikel 7, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals die op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit luidden, blijven van toepassing op de ambtenaar die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een aanvullende uitkering krachtens deze bepalingen, met dien verstande dat in artikel 2, zesde lid voornoemd, de zinsnede “vijfde lid” wordt vervangen door: vierde lid.
De ambtenaar heeft over de uren waarop hij wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten ten laste van de werkgever in het 1e jaar recht op doorbetaling van 100% en in het 2e jaar van 70% van zijn bezoldiging. Bij dienstongevallen wordt ook in het 2e ziektejaar de bezoldiging volledig doorbetaald. Een en ander is geregeld in artikel 2 van de uitvoeringsregeling.
In die 2 jaar zullen werkgever en ambtenaar zich optimaal inspannen om ervoor te zorgen dat de ambtenaar weer aan het werk komt, hetzij in de eigen functie, hetzij in andere passende arbeid. Onder voorwaarden komen ook gewezen ambtenaren na ontslag bij ongeschiktheid om te werken wegens ziekte in aanmerking voor gehele of gedeeltelijke doorbetaling van de (laatstelijk genoten) bezoldiging. Hun aanspraken zijn geregeld in artikel 3. Een aparte voorziening is in artikel 4 te vinden voor zieke ambtenaren die niet deelnemen in de pensioenregeling van het ABP.
De ambtenaar die niet weer (volledig) aan het werk komt kan onder voorwaarden na 2 jaar (de wachttijd) in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar ar- beidsvermogen (WIA).[6] Deze wachttijd kan in een aantal gevallen worden verlengd met maximaal 52 weken, te weten op gezamenlijk verzoek van de werkgever en de ambtenaar, als sanctie voor de werkgever i.v.m. onvoldoende re-integratie-inspanningen of vanwege een te late aanvraag van de WIA-uitkering. Een verlengde wachttijd betekent ook een verlengde periode van (gedeeltelijke) door- betaling van de bezoldiging bij ziekte. Bij een te late aanvraag van de WIA-uitkering is dat alleen het geval als de ambtenaar daarvoor een deugdelijke grond heeft. In de WIA is uitgangspunt dat werken altijd meer loont dan niet werken. De ambtenaar wordt door het UWV voor de WIA gekeurd. Het UWV bekijkt dan wat de ambtenaar nog kan en hoeveel hij nog kan verdienen. De ambtenaar die volgens het UWV meer dan 65% van het oude inkomen kan verdienen heeft geen recht op een uitke- ring krachtens de WIA. De ambtenaar zal in principe in provinciale dienst blijven. De re-integratie- inspanningen zullen worden voortgezet. Slechts bij een zwaarwegend dienstbelang kan de ambte- naar wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid ontslag worden verleend. De ambtenaar die blij- vend minder dan 20% van zijn oude inkomen kan verdienen wordt door het UWV volledig en duur- zaam arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft, totdat hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WIA, de zogenaamde IVA-uitkering.
De ambtenaar die nog 20% tot 65% van zijn oude inkomen kan verdienen wordt door het UWV ge- deeltelijk arbeidsgeschikt verklaard en heeft onder voorwaarden recht op een werkhervattingsuitke- ring op grond van de WIA, de zogenaamde WGA-uitkering.
Wie 50% of meer van zijn resterende verdiencapaciteit benut heeft achtereenvolgens recht op een loongerelateerde WGA-uitkering gedurende maximaal 3 jaar en 2 maanden[7] en op een WGA- loonaanvullingsuitkering maximaal tot de AOW-gerechtigde leeftijd. De ambtenaar die minder dan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut heeft achtereenvolgens recht op de loongerelateer- de WGA-uitkering en op een WGA-vervolguitkering maximaal tot de AOW-gerechtigde leeftijd..
De loongerelateerde WGA-uitkering is, wanneer niet wordt gewerkt: 70% van het oude inkomen (maar ten hoogste 70% van het maximum dagloon) en indien wel wordt gewerkt: 70% van het ver- schil tussen het oude inkomen (tot het maximum dagloon) en het nieuwe inkomen. De WGA- loon- aanvullingsuitkering is 70% van het verschil tussen het oude inkomen (tot het maximum dagloon) en het nieuwe inkomen bij volledige benutting van de resterende verdiencapaciteit. De WGA- vervolguitkering bedraagt het WIA-arbeidsongeschiktheidspercentage maal het minimumloon. De IVA-uitkering is 75% van het oude inkomen, maar ten hoogste 75% van het maximum dagloon.[8] In aanvulling hierop ontvangt de ambtenaar onder voorwaarden een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP. [6] De WIA geldt voor hen die vanaf 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn. Bestaande WAO-gevallen blijven onder de WAO. De WAO blijft ook van toepassing op hen die vóór 1 januari 2006 arbeidsongeschikt waren en dat binnen 5 jaar weer worden met dezelfde oorzaak. De uitvoeringsregeling houdt ook met deze gevallen rekening. [7] Bij instroom vóór 1 januari 2008: maximaal 5 jaar [8] De IVA-uitkering is/wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 verhoogd van 70% naar 75%.
Artikelgewijze toelichting
Artikel 2
De bepaling inzake het recht op (gehele of gedeeltelijke) doorbetaling van bezoldiging heeft betrekking op de uren van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Over de uren waarop de ambtenaar zijn arbeid wel verricht ontvangt hij uiteraard steeds de volle bezoldiging. Dat geldt ook over de uren waarop betrokkene andere dan zijn eigen arbeid verricht. Het moet dan reguliere, loonvormende arbeid betreffen die betrokkene verricht in het belang van zijn genezing. Er wordt geen reguliere, loonvormende arbeid verricht als op therapeutische basis wordt gewerkt. Daarvan is alleen sprake als wordt voldaan aan alle daarvoor door het UWV geformuleerde criteria. Het UWV verstaat onder arbeidstherapie het volgende: a. de activiteiten moeten binnen een tevoren aangegeven periode worden uitgevoerd. b. de periode mag niet langer zijn dan 6 weken. c. de activiteiten moeten deel uitmaken van een opbouwend re-integratietraject. d. het mag niet gaan om een bestaande omschreven functie. e. het moet een gecreëerde functie zijn. f. er moet te allen tijde begeleiding aanwezig zijn. g. de betrokkene moet op elk moment weg kunnen gaan.
Ingeval van werken op therapeutische basis bestaat in het 2e ziektejaar recht op doorbetaling van 70% van de bezoldiging.
Met werken wordt gelijk gesteld het in opdracht volgen van een opleiding ten behoeve van andere werkzaamheden die de provinciale werkgever hem in het kader van zijn re-integratie aanbiedt. In dat geval wordt ook na het 1e ziektejaar de bezoldiging volledig doorbetaald.
In de algemene toelichting is al aangegeven dat bij dienstongevallen en beroepsziekten ook na de eerste 52 weken de bezoldiging volledig wordt doorbetaald. Dat is ook het geval als de werkgever in voldoende mate aan zijn plicht als goed werkgever heeft voldaan. Wat onder beroepsziekte en dienstongeval wordt verstaan is geregeld in artikel A.1 van de CAP.
De provinciale werkgever zal nadrukkelijk rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte en in die gevallen telkens de afweging maken of onverminderde doorvoering van de korting van de bezoldiging na het 1e ziektejaar uit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid wenselijk is. Bij terminale ziektes zal daarnaast alles in het werk worden gesteld om een vervroegde WIA-keuring voor een IVA-uitkering te realiseren.
Artikel 4
Voor een beperkte groep ambtenaren gelden bijzondere regels ten aanzien van de aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het betreft de groep ambtenaren die geen deelnemer zijn in de ABP-pensioenregeling. Wie dat zijn is geregeld in de Wet privatisering ABP, het pensioenreglement ABP en de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatise- ring ABP.
Het gaat daarbij, voor de provincies, vooral om mensen die in het kader van een werkgelegenheids- maatregel in tijdelijke provinciale dienst zijn genomen en om personen die incidenteel en voor een beperkte periode als seizoenkracht in dienst zijn genomen. Voor deze beperkte groep geldt artikel 4.
Artikel 5
Hierin is geregeld in welke gevallen geen aanspraak bestaat op de (gehele of gedeeltelijke) doorbe- taling van bezoldiging bij ziekte. De gronden komen overeen met die welke t.a.v. de wettelijke loon- doorbetalingverplichting bij ziekte voor het overheidspersoneel zijn geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet.
Artikel 6
De bepaling van de eerste ziektedag in het eerste lid is conform het bepaalde bij en krachtens de Ziektewet. Dat is bij aanvang van de ziekte tijdens het werk de dag waarop de arbeid is gestaakt (onderdeel b) en ingeval betrokkene wegens ziekte de werkdag niet heeft aangevangen, die werkdag (onderdeel a). De onderdelen c en d zien op het ontstaan van ziekte tijdens algemeen en bijzonder verlof.
Artikel 8
Hierin zijn de verplichtingen en sancties geregeld in de (2 maximaal 3 jaar) wachttijd voor de WIA/WAO. Zij sluiten aan bij die welke t.a.v. de wettelijke loondoorbetalingverplichting bij ziekte voor het overheidspersoneel zijn geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet.
Artikel 9
Dit artikel bevat een compensatieregeling voor de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikten die geen recht op een WIA-uitkering hebben en in beginsel ook na die 2 jaar in dienst van de provincie blijven. Het gaat hier om degenen die door het UWV voor meer dan 65% arbeidsgeschikt zijn verklaard. Werkhervatting kan hier leiden tot inkomensverlies, omdat de ambtenaar in een aangepaste functie (bijvoorbeeld zijn eigen functie voor minder uren) of in een andere functie op een lager salarisniveau gaat werken. Het inkomensverlies wordt tijdelijk tot een redelijk niveau gecompenseerd. Bij dienston- gevallen en beroepsziektes geldt een gunstiger compensatieregeling. Indien het inkomensverlies door inkomensverbetering bij de provincie afneemt leidt dit slechts tot een navenante verlaging van de compensatie als de inkomensverbetering niet het gevolg is van algemene salarismaatregelen of van salarisstappen op grond van artikel C.7 van de CAP. Overige verhogingen van de bezoldiging worden wel in mindering gebracht. De compensatie wordt als salaris aangemerkt, hetgeen betekent dat zij ook grondslag vormt voor de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en meestijgt met de algemene salarisontwikkeling van het provinciepersoneel.
Artikel 9a
Bij dienstongevallen en beroepsziektes krijgt de ambtenaar een aanvulling op de WIA-uitkering en het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen. In artikel 9a is dat uitgewerkt voor de verschillende situa- ties binnen de WIA, dus voor hen die recht hebben op een IVA-uitkering, een WGA-loongerelateerde uitkering, een WGA-loonaanvullingsuitkering of een WGA-vervolguitkering. In artikel 9 is de aanvul- ling bij dienstongevallen en beroepsziektes geregeld voor hen die voor minder dan 35% arbeidson- geschikt zijn verklaard.
Artikel 10
Hierin is geregeld dat de uitkeringen op grond van de ZW, WAO/WIA, WW of de Regeling aanvullen- de voorzieningen bij werkloosheid in mindering worden gebracht op de aanspraken krachtens de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Samenloop kan bijvoor- beeld spelen als vervroegd (binnen de wachttijd van 2 jaar) recht op een IVA-uitkering bestaat van- wege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De IVA-uitkering wordt in dat geval in mindering gebracht op de doorbetaalde bezoldiging bij ziekte.
Het tweede en derde lid voorzien in gevallen waarin deze uitkeringen een vermindering ondergaan. Om te voorkomen dat de vermindering in de uitkering ongedaan wordt gemaakt doordat de aanspra- ken op doorbetaling van bezoldiging onverminderd worden uitbetaald, dienen op de eerste plaats deze uitkeringen als onverminderd genoten te worden beschouwd. Dit wordt geregeld in het tweede lid. Op de tweede plaats moet een aan een ambtenaar opgelegde wettelijke sanctie evenzo worden toegepast op de aanspraken ingevolge de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en ar- beidsongeschiktheid. Dat is in het derde lid bepaald.
SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGESCHIKTHEID (VERVALLEN PER 1 JUNI 2007) [Deze regeling is ingetrokken.] UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN KRACHTENS DE ARTIKELEN 15, EERSTE EN TWEEDE LID, 16 EN 17 VAN DE SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGE- SCHIKTHEID [Vervallen.]
Artikel 1In deze regeling wordt verstaan onder:
a. suppletieregeling: Suppletieregeling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid; b. suppletie: suppletie, bedoeld in artikel 6 van de suppletieregeling; c. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de suppletieregeling; d. Loyalis: Loyalis Contractmanagement B.V. aan wie de werkzaamheden, verbonden aan de uit- voering van de suppletieregeling zijn opgedragen; e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekerin- gen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aan wie Loyalis de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de suppletieregeling heeft uit- besteed.
Artikel 2
Artikel 3
Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te melden, alsook zijn herstel daarvan.
Artikel 4
Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing, blijft be- staan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien: a. de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van het re-integratieplan dat door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang niet meer omvat dan in het re-integratieplan is vastgesteld; of b. de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen re-integratieplan is zoals bedoeld in onderdeel a, het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor toestem- ming geeft.
Artikel 5
In afwijking van artikel 4 blijft het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke op- leiding of scholing, na afloop van de ingevolge de artikelen 2, 6 en 7, onderscheidenlijk artikel 18 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien: a. tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of scholing recht bestaat op een voor- ziening in de derving van de inkomsten; b. de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan werkzaamheden bij één be- paalde werkgever te gaan verrichten; c. de opleiding of scholing langer duurt dan één jaar; d. tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van productieve werkzaamheden.
Artikel 6
De betrokkene kan de in artikel 16 van de suppletieregeling bedoelde onbeloonde activiteiten ver- richten met behoud van suppletie, indien naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen: a. de betreffende activiteiten van de betrokkene geen bedrijfsmatig karakter hebben; b. de betreffende activiteiten van de betrokkene in de gegeven situatie doorgaans niet door een betaalde kracht zullen of kunnen worden verricht; en c. de instelling of het bevoegd gezag die de niet betaalde werkzaamheden organiseert, geen sub- sidie heeft of kan verkrijgen voor wat betreft de loonkosten.
TOELICHTING OP SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGESCHIKT- HEID Algemeen Per 1 januari 1996 is met de privatisering van het ABP en de invoering van een wettelijke arbeidsonge- schiktheidsverzekering voor het overheidspersoneel [10] ook het herplaatsingswachtgeld als bedoeld in hoofdstuk K van de ABP-wet vervallen. Ter vervanging van dit herplaatsingswachtgeld is gekozen voor een suppletieregeling. De suppletieregeling draagt het karakter van een werkloosheidsregeling sui generis. De lasten van de suppletieregeling worden gedragen door de provincie zelf. De feitelijke uit- voering van de regeling is gemandateerd aan Loyalis Contractmanagement B.V. [10] Vanaf 1 januari 1998 geldt de WAO voor het overheidspersoneel. Van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 gold voor het overheidspersoneel een wettelijke WAO-conforme regeling Artikelgewijze toelichting
Artikel 1
Artikel 1 bevat de definitiebepalingen. De meeste bepalingen spreken voor zich. Een beperkt aantal onderdelen behoeft nadere uitleg. Ter zake van die onderdelen wordt het volgende opgemerkt.
Onderdeel d Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze suppletieregeling elke wettelijke of boven- wettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid bedoeld.
Onderdeel e De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij de provincie op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO.
Van suppletie is echter uitgezonderd degene die uitsluitend vanwege inkomsten uit één of meer aan- gehouden betrekkingen, minder dan 80% arbeidsongeschikt is in vorenbedoelde zin. Ingevolge de systematiek van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene één of meer aange- houden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus altijd minder dan 80% arbeidsonge- schikt in de zin van de WAO. De suppletie is echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% ar- beidsongeschikt zijn ten aanzien van de dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van onge- schiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte.
De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder dan 15% ar- beidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens recht op suppletie. Met de om- schrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, wordt niet beoogd een andere omschrijving te geven dan die van het ambtenaarschap in de zin van de ABP-wet, zoals die luidde op 31 december 1995.
Onderdelen g en h De berekeningsgrond van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO/WIA, vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal.
Onderdeel i Met het begrip "werkloosheidsuitkering" is in deze suppletieregeling elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van werkloosheid of ontslag bedoeld. Daarmee is ook geanticipeerd op de invoering van de Werkloosheidswet (WW) bij de overheid.
Overigens zijn uitkeringen van buitenlandse mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba ook begrepen onder het begrip "werkloosheidsuitkering".
Artikel 2
Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid, kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24 maanden.
De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel 6. Zoals bij dat artikel wordt toege- licht, is de maximale uitkeringsduur 66 maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Verge- lijk artikel 5, onderdeel a. Sociale partners hebben afgesproken dat, indien het ontslag pas op een mo- ment na die 90 maanden wordt verleend, geen recht op suppletie meer zal kunnen ingaan. Deze af- spraak vindt zijn neerslag in het tweede lid.
Artikel 3
Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een verplichtingen- en sanctieregime dat overeenkomt met de WW.
Artikel 6
In het eerste lid is bepaald dat de suppletie een percentage van de berekeningsgrondslag bedraagt. In het tweede lid is de indexering geregeld. De hoogte van de suppletie is opgenomen in het derde lid. De suppletie bedraagt gedurende de eerste drieëndertig maanden 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie en gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70% van die berekeningsgrond- slag.
Artikel 7
Artikel 7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De "klok" van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in mindering gebracht op de totale uitke- ringsduur van de suppletie.
De betrokkene geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Wordt betrok- kene ontslagen op een moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar op 70% van die bere- keningsgrondslag.
Artikel 8
In artikel 8, eerste lid, komt tot uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in minde- ring gebracht op het bedrag van de suppletie. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde wettelijke en bovenwettelij- ke uitkeringen.
De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt. Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie, worden echter niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomensbronnen dan ligt het in de rede dat dit meerde- re wordt verrekend met de suppletie.
Voor wat betreft inkomsten uit of in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 9. Een vergelijkbare situatie doet zich voor in het geval er in plaats van inkomsten uit arbeid een arbeids- ongeschiktheidsuitkering wordt genoten. Het tweede lid van artikel 8 ziet om die reden op de situatie dat de betrokkene op het ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercenta- ge stijgt ook het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 8, tweede lid, dient dat meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het bedrag van de supple- tie.
Artikel 9
Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 9, eerste lid, opgenomen anti cumulatieregeling.
Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de bereke- ningsgrondslag van de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf in- komsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingtoe- lage van de Stichting Pensioenfonds ABP en komt zijn recht op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie artikel 4, onderdeel b). Wanneer hij zijn werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel op de volgende wijze: (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X.
Het verschil met artikel 8 is dus dat de te anti cumuleren inkomsten ingevolge artikel 9 in mindering worden gebracht op de berekeningsgrondslag van de suppletie, niet op het bedrag van de suppletie.
In het tweede lid is bepaald op welke inkomsten uit of in verband met arbeid de in het eerste lid opge- nomen anti cumulatieregeling ziet. Deze bepaling spreekt verder voor zich.
Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan zijn, in welk geval artikel 9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
In artikel 10 is bepaald dat de suppletiegarantie niet het effect compenseert van sancties in betrokken wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen die het gevolg zijn van diens handelingen of nalaten van han- delingen. In voorkomend geval worden de wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen voor de toepas- sing van de artikelen 8 en 9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.
Artikel 12
Hierin is een garantie-uitkering geregeld bij benoeming in een andere functie van een arbeidsonge- schikte overeenkomstig de aanbeveling van de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheids- personeelsbeleid (ROP) aan het SPA, gedaan bij brief van 1 maart 1999.
Artikelen 13, 14, 15 en 16 Zoveel mogelijk is aangesloten bij de WW. In artikel 13 zijn de aanvraag en de betaling van de supple- tie geregeld conform de WW (artikel 22, eerste en tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, eerste lid, van de WW). Eveneens conform de WW (artikel 31, WW) is de in artikel 14 geschapen mogelijkheid dat een voorschot wordt vastgesteld. Tevens zijn in de artikelen 15 en 16 de bepalingen van de WW opgeno- men inzake opleiding en scholing respectievelijk inzake het verrichten van onbetaalde arbeid met be- houd van uitkering (artikelen 74 tot en met 77 WW).
Artikelen 18 en 19 Hierin is het overgangsrecht per 1 januari 1996 opgenomen.
Artikel 20
In artikel 20 is vastgelegd dat de sectorale sociale partners met elkaar in overleg treden indien het niveau van de WAO door redenen anders dan door wijziging als gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke wijze de sociale partners in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die algemeen neerwaartse wijzigingen.
Voor het geval dat dit overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na de datum van publicatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigin- gen effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van in- werkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van publicatie daarvan in het Staatsblad.
Artikel 21
De afhandeling van bezwaarschriften in het kader van de Algemene wet bestuursrecht is eveneens aan Loyalis Contractmanagement B.V. gemandateerd. In artikel 21 wordt gedeputeerde staten de be- voegdheid verleend hieraan (in overleg met Loyalis) nadere invulling te geven. De formele verantwoor- delijkheid voor de inrichting van de bezwaarschriftenprocedure blijft bij de provincie (met de bonden als overlegpartner).
REGELING JAARGESPREKKEN (krachtens artikel F.7 van de CAP)
Artikel 1Definities
In deze regeling wordt verstaan onder: a. leidinggevende: degene die voor de toepassing van deze regeling als directe hiërarchisch lei- dinggevende is aangewezen; b. competenties: de competenties, vastgelegd in de lijst van competenties die als bijlage 1 onder- deel uitmaakt van deze regeling; c. werkresultaten: resultaten met betrekking tot de werkzaamheden waarover in het planningsge- sprek afspraken zijn gemaakt.
Artikel 2Planningsgesprek
Artikel 3Voortgangsgesprek
Artikel 4Evaluatie- en beoordelingsgesprek
Artikel 5Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling jaargesprekken.
Artikel 6Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst, op 1 janu- ari 2005.
OVERGANGSRECHT I.V.M. DE INVOERING VAN DE VIJFPUNTSCHAAL [Vervallen.] Artikel III De Regeling jaargesprekken, alsmede de artikelen C.7 en C.9, eerste lid, van de Collectieve Ar- beidsvoorwaardenregeling Provincies, zoals die luiden op de dag vóór inwerkingtreding van dit be- sluit blijven van toepassing op de cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en beoordelingsge- sprekken die op basis van de toen luidende bepalingen is aangevangen vóór de dag van inwerking- treding van dit besluit.
BIJLAGE 1 REGELING JAARGESPREKKEN: LIJST VAN COMPETENTIES BIJLAGE 2 REGELING JAARGESPREKKEN: FORMULIER PLANNINGSGESPREK BIJLAGE 3 REGELING JAARGESPREKKEN: BEOORDELINGSFORMULIER BEOORDELING WERKRESULTATEN EN ONTWIKKELING COMPETENTIES TOELICHTING Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten CAO-afspraken In het SPA-akkoord 2000/2001 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een systeem van jaar- gesprekken teneinde het werk beter te structureren, sturing en beoordeling van werknemers te ver- beteren en loopbaanbeleid handen en voeten te geven. Enerzijds vormt het een instrument voor het organiseren van de werkprocessen, anderzijds betreft het hier een zaak van rechtspositionele orde- ning. In het SPA-akkoord 2002/2003 zijn in aanvulling hierop afspraken gemaakt over de invoering van een beoordelingssysteem dat is afgestemd op het systeem van jaargesprekken en op het belo- ningssysteem. Het beoordelings- en beloningssysteem is in 2005 ingevoerd en in 2010 (beperkt) aangepast op grond van een in 2008 uitgevoerde evaluatie.
Systeem van jaargesprekken Het systeem van jaargesprekken houdt kort samengevat in een cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en beoordelingsgesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel werk- plan dat, als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete afspraken vastlegt tussen manager en werknemer. De afspraken omvatten in ieder geval het resultaat, het functioneren, de competenties, opleiding, loopbaanperspectief, werktijden, arbeidsomstandigheden en de ondersteu- ning van de leidinggevende. Deze afspraken zijn de basis voor de concrete evaluatie en beoordeling aan het einde van de afgesproken periode.
Doelstellingen Invoering van een systeem van jaargesprekken is geen doel op zich. Het maakt onderdeel uit van een breder P&O-beleid. Zo is er bijv. een duidelijke relatie met het beloningsbeleid, het loopbaan- en mobiliteitsbeleid en het scholingsbeleid. Jaargesprekken zijn verder een onmisbaar instrument voor de ontwikkeling van een meer resultaatsgerichte organisatie. Samengevat worden met de invoering van een systeem van jaargesprekken de volgende doelen beoogd:
Uitgangspunten Van belang is dat het systeem van jaargesprekken een goede bedrijfsorganisatorische inbedding krijgt. Daarover hebben sociale partners in het SPA de provincies een aantal concrete aanbevelingen gedaan. Een belangrijke voorwaarde voor succes is dat het systeem van jaargesprekken aansluit bij de doelstellingen en cultuur van de organisatie en dat er een breed draagvlak binnen de organisatie aanwezig is. Andere uitgangspunten zijn:
Er is een duidelijke samenhang tussen beide componenten van de beoorde- ling. Er is sprake van tweerichtingsverkeer. Afspraken over de ontwikkeling van de competenties hebben als doel in de toekomst te komen tot duurzaam hogere prestaties. Als het goed is beïnvloedt de ontwikkeling van de competenties dus de werkresultaten in positieve zin. Daarom zal de ontwik- keling van de competenties achteraf mede worden beoordeeld aan de hand van de daadwerkelijke prestaties en niet alleen worden afgemeten aan de manier waarop het werkresultaat wordt bereikt. Het betekent derhalve dat het oordeel over de duurzame groei in het functioneren wordt bepaald door zowel de geleverde prestaties als de ontwikkeling van de competenties.
Op basis van de be- haalde resultaten zullen vervolgens de nieuwe afspraken over de ontwikkeling van de competenties worden gemaakt. Beide componenten worden afzonderlijk beoordeeld.
De structurele beloning is immers afhankelijk van het oordeel over de duurzame ontwikkeling in het functioneren, terwijl de daadwerkelijk geleverde prestaties in de afgesproken periode de basis vor- men voor een eventuele incidentele bonus over die periode. De samenhang zal blijken uit de beoor- deling. Het ligt niet voor de hand dat de beoordelingsscores voor de ontwikkeling van de competen- ties en voor de behaalde werkresultaten ver uiteen zullen lopen.
Competenties Om de functie naar behoren te kunnen vervullen en de afgesproken werkresultaten te kunnen beha- len zal de werknemer over een aantal competenties moeten beschikken. Competentie is een verza- melnaam voor kennis, deskundigheden en vaardigheden die mensen geschikt (ofwel ‘competent’) maken voor hun werk. Het gaat niet alleen om kennis en vaardigheden maar ook om gedragseigen- schappen als bijvoorbeeld het goed kunnen samenwerken en de bereidheid en alertheid deze kwali- teiten op het juiste moment in te zetten. Of een medewerker over voldoende kwaliteiten beschikt en bereid is deze in de praktijk te brengen is niet alleen af te meten aan het werkresultaat maar ook aan de manier waarop dat resultaat wordt bereikt.
De competenties zijn niet voor alle werknemers de- zelfde maar zijn afhankelijk van de eisen die aan de functie worden gesteld. Voor elke functie zijn daarom enkele competenties vastgesteld waarvan het aantal varieert van minimaal 4 tot maximaal 9. Voor een functie hoeven overigens niet permanent dezelfde competenties te gelden. Zo kunnen bijvoorbeeld, afhankelijk van de fase waarin bepaalde werkzaamheden zich bevinden, van werkne- mers andere vaardigheden worden verlangd. Voor de gezamenlijke provincies geldt een lijst van competenties waarin is vastgelegd welke competenties aan functies kunnen worden toebedeeld. Er kunnen derhalve aan functies geen competenties worden verbonden die niet voorkomen in deze lijst van competenties.
De lijst van competenties maakt onderdeel uit van deze regeling. Voor elke functie zullen de competenties worden vastgelegd in een competentieprofiel. De competenties worden in het competentieprofiel zodanig uitgewerkt dat zij optimaal aansluiten op inhoud en het niveau van de functie. Dat betekent dus dat competenties afhankelijk van de functie een verschillende uitwerking en invulling kunnen krijgen. Vervolgens worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de competenties. Daarbij moet het gaan om afspraken die volgens het SMART- principe Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn. De werknemer wordt beoordeeld op de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties waarover tussen hem en zijn leidinggevende in het planningsgesprek afspraken zijn gemaakt.
Beoordeling als basis voor rechtspositionele beslissingen Het beoordelingssysteem bevat waarborgen voor zorgvuldig te nemen en objectief te onderbouwen rechtspositionele beslissingen waarbij het functioneren van de ambtenaar een rol speelt. Het biedt de grondslag voor bewuste beloningsbeslissingen, maar ook voor beslissingen over bijvoorbeeld ont- slag wegens disfunctioneren of de omzetting van een dienstverband voor bepaalde tijd op proef in een dienstverband voor onbepaalde tijd.
Beoordeling en beloning De beoordeling kan directe gevolgen hebben voor zowel de structurele beloning als de variabele outputbeloning. Daarover het volgende.
De structurele beloning De structurele beloning heeft als doel het leveren van duurzaam hogere prestaties in de toekomst. Beoordeling van de daarvoor benodigde duurzame groei in het functioneren vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties en de werkresultaten. Deze wor- den tijdens het evaluatie- en beoordelingsgesprek vergeleken met de ter zake gemaakte afspraken. Uit deze vergelijking kan vervolgens de conclusie worden getrokken tot welk structureel niveau in kwaliteit en kwantiteit de in de toekomst te leveren prestaties zich ontwikkelt en op basis hiervan wordt de groei in het vaste inkomen bepaald. Op basis van de vijfpuntschaal voor de beoordeling kunnen de volgende vijf beloningsbeslissingen worden genomen.
Beoorde- lingsscore ‘vertaling’ Groei in vast inkomen Uitstekend (cijfer 9 of 10) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker overtreft de gestelde eisen in uitzonderlijke mate 6% van het maximumbedrag van de salarisschaal Zeer goed (cijfer 8) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker overtreft de gestelde eisen in ruime mate 4% van het maximumbedrag van de salarisschaal Normaal (cijfer 6 of 7) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet aan de ge- stelde eisen 3% van het maximumbedrag van de salarisschaal Matig (cijfer 5) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet niet geheel aan de gestelde eisen 1% van het maximumbedrag van de salarisschaal Slecht (cijfer 4 of lager) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet niet aan de gestelde eisen Geen groei in vast inkomen De variabele outputbeloning Naast de structurele beloning kan voor extra prestaties een variabele beloning worden gegeven. Daarbij gaat het om beloning van output. Uitgangspunten zijn hier het motiveren, stimuleren en waarderen van medewerkers om te komen tot werkresultaten door het toekennen van flexibele inci- dentele elementen. Met de medewerker worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over het realiseren van vooraf vastgelegde, concrete en zoveel mogelijk kwantificeerbare doelstellingen. Vari- abele beloning is een outputbeloning die alleen wordt gegeven bij uitstekende of zeer goede werkre- sultaten. De outputbeloning heeft een incidenteel karakter en is 3% of 7%. Een en ander is hierna schematisch weergegeven.
Beoorde- lingsscore ‘Vertaling’ Variabele beloning (uitgedrukt als % van jaarsalaris in jaar waarin resultaten zijn behaald) Uitstekend De werkresultaten van de medewerker overtreffen de gestelde eisen in uitzonder- lijke mate Outputbeloning van 7% Zeer goed De werkresultaten van de medewerker overtreffen de gestelde eisen in ruime mate Outputbeloning van 3% De rechtspositionele regeling van de jaargesprekken De cao-afspraken over een systeem van jaargesprekken met bijbehorend beoordelingssysteem hebben geleid tot de Regeling jaargesprekken waarin de rechtspositionele aspecten zijn geregeld. De regeling bevat bepalingen over rechten en plichten en procedures en heeft betrekking op de drie fases van de jaarcyclus, te weten het planningsgesprek, het voortgangsgesprek en het evaluatie- en beoordelingsgesprek. De betekenis van de uitgebrachte beoordeling voor de beloning is geregeld in de bezoldigingsregeling.
Implementatie (P.M. lokaal in te vullen) Artikelgewijze toelichting
Artikel 1Definities
Uitgangspunt is dat de integraal manager verantwoordelijk is voor de jaargesprekken. Dat betekent dat de gesprekken worden gevoerd tussen de werknemer en zijn directe hiërarchisch leidinggeven- de. In artikel 1 is daarom bepaald dat als leidinggevende voor de toepassing van de regeling jaarge- sprekken de directe hiërarchisch leidinggevende wordt aangemerkt.
Artikel 2Planningsgesprek
In het planningsgesprek gaat het om de productdoelstellingen van de werknemer en om persoons- gebonden doelstellingen. In het vierde lid is concreet aangegeven waaraan in het planningsgesprek in ieder geval aandacht moet worden besteed.
Productdoelstellingen hebben betrekking op te realiseren producten en te verrichten activiteiten zo mogelijk gekoppeld aan termijnen of te investeren tijd. Zij worden afgeleid van de doelstellingen van de organisatie en van de functie die de werknemer vervult. De productdoelstellingen dienen zoveel mogelijk te voldoen aan het SMART-principe, dat wil zeggen dat ze specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden moeten zijn. Bij persoonsgebonden doelstellingen gaat het om ontwikkel- punten waarin de werknemer een ontwikkeling wil of moet doormaken.