Artikel 3:308 BW – Verjaring van periodieke betalingen
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 11. Rechtsvorderingen · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Dit artikel bepaalt dat vorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en al hetgeen bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Rechtspraak over Artikel 3:308 BW
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:302Verklaring van recht
- Artikel 3:303Vereiste van voldoende belang
- Artikel 3:304Onsplitsbaarheid van rechtsvordering en recht
- Artikel 3:305Bevoegdheden van arbiters
- Artikel 3:305aCollectieve belangenvordering door rechtspersonen
- Artikel 3:305bCollectieve vordering ter bescherming van belangen
- Artikel 3:305cCollectieve actie door buitenlandse organisatie
- Artikel 3:305caCollectieve actie bij oneerlijke handelspraktijken onlinetussenhandel
- Artikel 3:305dCollectieve vordering van belangenorganisaties
- Artikel 3:305eAanwijzing van bevoegde instantie voor representatieve vordering
- Artikel 3:306Verjaringstermijn van twintig jaren
- Artikel 3:307Verjaring van vorderingen tot nakoming
- Artikel 3:309Verjaring van vordering uit onverschuldigde betaling
- Artikel 3:310Verjaring van schadevorderingen
- Artikel 3:310aVerjaring van vordering tot teruggave van cultuurgoederen
- Artikel 3:310bVerjaring van opeising van cultuurgoederen
- Artikel 3:310cVerjaring van teruggave van cultuurgoederen
- Artikel 3:310dVerjaring van rechtsvordering tot bescherming bedrijfsgeheim
- Artikel 3:311Verjaring van vorderingen uit tekortkoming
- Artikel 3:312Verjaring van nevenvorderingen
- Artikel 3:313Aanvang van de verjaringstermijn
- Artikel 3:314Aanvang verjaringstermijn bij onrechtmatige toestand
- Artikel 3:315Verjaring van vordering tot opeising van nalatenschap
- Artikel 3:316Stuiting van de verjaring door rechtsvervolging