Besluit houdende ampliatie van besluit van 2 december 1823
Waar gaat deze regeling over?
Koninklijk besluit van 21 december 1837 dat het besluit van 2 december 1823 aanvult met een regeling voor het intrekken van toegekende studiebeurzen.
Voor wie: Bursalen (kweekelingen) van studiestichtingen; De Minister van Binnenlandse Zaken en de Koning.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Overige wetgeving
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Vult het reglement van 1823 aan omdat daarin geen bepaling stond over het ontnemen van een beurs aan een kweekeling die de gunst niet langer waardig wordt geacht (considerans).
- Bepaalt hoe en door wie een toegekende beurs kan worden ingetrokken (enig artikel).
Voor wie geldt deze regeling?
- Bursalen (kweekelingen) van studiestichtingen.
- De Minister van Binnenlandse Zaken en de Koning.
Wat zijn de kernpunten?
- Het intrekken en buiten effect stellen van toegekende beurzen is, voor zover de fundatie er niet in voorziet, in ieder afzonderlijk geval onderworpen aan de uitspraak en beslissing van de Koning (enig artikel).
- Dit gebeurt na behoorlijke instructie en op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken (enig artikel).
- Het besluit vult uitdrukkelijk een leemte in het besluit van 2 december 1823 (considerans).
Overige wetgeving
Wettekst
Wettekst
Besluit van 21 december 1837, houdende ampliatie van dat van 2 december 1823, Stb. 49, omtrent het beheer der goederen, behoorende aan de stichtingen der beurzen of van kollegien Besluit houdende ampliatie van besluit van 2 december 1823 Wij WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
In aanmerking nemende dat in de verordeningen omtrent het beheer der stichtingen van beurzen voor het onderwijs, welke zijn vastgesteld bij Ons besluit van den 2. December 1823 (staatsblad n°. 49), geene bepalingen zijn gemaakt omtrent het ontnemen van eene beurs, toegestaan aan een kweekeling, welke die gunst niet langer waardig mogt worden geacht;
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 22. November ll., n°. 129, 5de afdeeling;
Den Raad van State gehoord;
Hebben goedgevonden en verstaan met ampliatie van Ons voorsz. besluit van den 2. December 1823, te bepalen, Enig artikel dat het intrekken en buiten effect stellen van begevene beurzen, in ieder bijzonder geval, en voor zoo veel daaromtrent bij de fundatie niet is voorzien, na behoorlijke instructie, op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, zal zijn onderworpen aan Onze uitspraak en beslissing.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit, waarvan een afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State, en hetwelk in het staatsblad zal worden geplaatst. 's Gravenhage den 21. December 1837.
WILLEM, Van wege den Koning, VAN DOORN, den dertigsten December 1837.
De Secretaris van Staat, VAN DOORN,