Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Besluit houdende bepalingen omtrent de door de burgemeester te dragen onderscheidingstekenen

Waar gaat deze regeling over?

Koninklijk besluit van 16 november 1852 dat de ambtsketen (onderscheidingstekenen) van de burgemeester vaststelt en bepaalt bij welke gelegenheden deze wordt gedragen, ter uitvoering van de gemeentewet.

Voor wie: Burgemeesters en hun plaatsvervangers.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Overige wetgeving
Artikelen
4
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Beschrijft de onderscheidingstekenen: een zilveren penning met het rijks- en gemeentewapen aan een zilveren keten of oranje lint (art. 1).
  • Somt de gelegenheden op waarbij de burgemeester de tekenen draagt (art. 2).
  • Regelt het dragen door de vervanger bij ontstentenis van de burgemeester (art. 3).
  • Bepaalt de inwerkingtreding (art. 4).

Voor wie geldt deze regeling?

  • Burgemeesters en hun plaatsvervangers.

Wat zijn de kernpunten?

  • De onderscheidingstekenen bestaan uit een zilveren penning met aan de ene zijde het rijkswapen en aan de andere het gemeentewapen, gedragen aan een zilveren keten of oranje lint (art. 1).
  • De burgemeester draagt de tekenen onder meer bij het voorzitten van de raad, bij brand of verstoring van de openbare orde, bij het geven van bevelen krachtens de gemeentewet en bij plechtige gelegenheden namens de gemeente (art. 2).
  • Bij ontstentenis worden de tekenen gedragen door degene die de burgemeester vervangt (art. 3).

Overige wetgeving

8

Overige wetgeving

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (4)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2 De burgemeester draagt de onderscheidingsteekenen, wanneer hij:
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4

Besluit van 16 november 1852, houdende bepalingen omtrent de door den Burgemeester te dragen onderscheidingsteekenen Besluit houdende bepalingen omtrent de door de burgemeester te dragen onderscheidingstekenen Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 20sten October 1852 N°. 191, 2de Afd.;

Overwegende, dat, volgens art. 76 der gemeentewet, de door den burgemeester te dragen onderscheidingsteekenen door Ons moeten worden bepaald, en dat het noodzakelijk is, voor te schrijven, bij welke gelegenheden die teekenen gedragen zullen moeten worden;

Den Raad van State gehoord (advies van den 5den dezer, N°. 4);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 14 November 1852 N°. 21, 2de Afd;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

De onderscheidingsteekenen, door den burgemeester te dragen, bestaan in een zilveren penning, hebbende eene middellijn van veertig strepen en vertoonende aan de eene zijde het wapen des Rijks, aan de andere dat der gemeente, of, zoo de gemeente geen wapen heeft, den naam der gemeente; de penning hangende op de borst, hetzij aan eene zilveren keten, hetzij aan een oranje zijden lint; de keten of het lint op beide schouders aan den rok of het opperkleed vastgehecht.

Artikel 2De burgemeester draagt de onderscheidingsteekenen, wanneer hij:

voorzit in de vergadering van den Raad; ingeval van brand, of van oproerige beweging, van zamenscholing of andere stoornis der openbare orde zich in het openbaar vertoont; uit krachte van de artikelen 172 tot en met 175 van de Gemeentewet, of van eenige andere wet persoonlijk in het openbaar bevelen geeft; bij plegtige gelegenheden namens de gemeente opkomt.

Artikel 3

Bij ontstentenis van den burgemeester worden de teekenen, in de bij het vorig artikel omschreven gevallen, gedragen door dengeen, die hem vervangt.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met den 1sten Januarij van het volgende jaar.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat aan den Raad van State in afschrift medegedeeld en in het Staatsblad geplaatst zal worden. 's Gravenhage den 16den November 1852 WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, THORBECKE. den twintigsten November 1852.

De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings, A. G. A. VAN RAPPARD.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.