Wet tot uitbreiding van het Staatsmijnveld
Waar gaat deze regeling over?
Wet van 27 september 1920 die voorziet in de ontginning van Staatswege van een steenkolenmijn bij Vlodrop in Limburg.
Voor wie: De Staat als exploitant en de grondeigenaren boven de mijn.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Overige wetgeving
- Artikelen
- 5
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Bepaalt dat de ontginning van een steenkolenmijn bij Vlodrop van Staatswege geschiedt en dat de Staat er eigenaar van wordt (art. 1).
- Omschrijft de begrenzing van het terrein van ongeveer 2200 hectare (art. 2).
- Regelt de uitkering aan de grondeigenaren (art. 3-4).
- Verklaart de mijnwet van 1810 van toepassing (art. 5).
Voor wie geldt deze regeling?
- De Staat als exploitant en de grondeigenaren boven de mijn.
Wat zijn de kernpunten?
- De ontginning van de steenkolenmijn bij Vlodrop geschiedt van Staatswege; aan de Staat wordt de eigendom toegekend als ware volgens de mijnwet van 1810 concessie verleend (art. 1).
- De eigenaren van grond boven de mijn hebben recht op een uitkering uit de rijksschatkist per hectare (art. 3).
- Wie een uitkering meent te kunnen vorderen, moet zich binnen een jaar tot de minister wenden; bij niet-uitbetaling kan hij zijn vordering in rechte doen gelden (art. 4).
- De mijnwet van 1810 is op deze ontginning van toepassing, behoudens de door deze wet geregelde onderwerpen (art. 5).
Overige wetgeving
Wettekst
Wettekst
Wet van 27 september 1920, tot uitbreiding van het Staatsmijnveld Wet tot uitbreiding van het Staatsmijnveld Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is van Staatswege een Steenkolenmijn in het terrein bij Vlodrop te ontginnen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
De ontginning van een steenkolenmijn in het terrein bij Vlodrop, dat op de bij deze wet behoorende kaart in gele kleur met rood omlijnd is aangeduid, zal geschieden van Staatswege; aan den Staat wordt de eigendom van deze mijn toegekend als ware voor de ontginning volgens de wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285) concessie verleend.
Artikel 2
Het in artikel 1 bedoelde terrein in de provincie Limburg, groot plm. 2200 H.A., is begrensd als volgt: ten westen door een rechte lijn, getrokken van grenspaal 407 naar grenspaal n°. 373; ten Zuiden, ten Oosten en ten Noorden door de Rijksgrens met Duitschland.
Artikel 3
De eigenaren van grond, gelegen boven de in de artikelen 1 en 2 aangewezen mijn, hebben recht op uitkeering uit 's Rijks schatkist van € 5,67 per H.A.
Artikel 41
Hij, die een uitkeering, als in artikel 3 bedoeld, meent te kunnen vorderen, moet zich ter verkrijging daarvan binnen één jaar na het in werking treden van deze wet, met overlegging van bewijsstukken tot staving van zijn recht, wenden tot Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die hem binnen zes maanden na dien termijn kennis geeft, of hij zich met de vordering, en tot welk bedrag, vereenigt.
2 Wordt aan den belanghebbende het bedrag, waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald, zoo kan hij, binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.
Artikel 5
Met uitzondering van de bepalingen betreffende de uitkeeringen aan de schatkist en betreffende de mijnpolitie, alsmede van die, welke onderwerpen regelen, waarin bij deze Wet is voorzien, is de wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285) op ontginning van deze mijn door den Staat toepasselijk.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Het Loo den 27sten September 1920 WILHELMINA.
De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, H. A. van IJsselsteijn. den vijftienden October 1920.
De Minister van Justitie, Heemskerk.