Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Dordrecht (Dordrecht)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Dordrecht regelt activiteiten in de fysieke leefomgeving, met een focus op het behoud en waar mogelijk versterken van cultuurhistorische waarden. Het stelt regels voor onder andere archeologisch waardevolle locaties en gemeentelijke monumenten.

Voor wie: Personen of instanties die grondwerkzaamheden uitvoeren op locaties met archeologische waarden; Eigenaren of gebruikers van gemeentelijke monumenten.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Overige wetgeving
Artikelen
383
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Grondwerkzaamheden op archeologisch waardevolle locaties.
  • Het wijzigen van het waterpeil op archeologisch waardevolle locaties.
  • Activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen, zoals slopen, wijzigen of onthouden van onderhoud.
  • Het behoud en de versterking van cultuurhistorische waarden.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Personen of instanties die grondwerkzaamheden uitvoeren op locaties met archeologische waarden.
  • Eigenaren of gebruikers van gemeentelijke monumenten.

Wat zijn de kernpunten?

  • Voor grondwerkzaamheden op archeologische waarden is een omgevingsvergunning vereist, tenzij de diepte van de werkzaamheden beperkt blijft (40 cm voor waarde 1, 70 cm voor waarde 2, 100 cm voor waarde 3).
  • Het wijzigen van het waterpeil op archeologisch waardevolle locaties is verboden zonder omgevingsvergunning.
  • Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen, te vernielen of noodzakelijk onderhoud te onthouden.
  • Voor het slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen, herstellen of ontsierend gebruik van een gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning nodig.

Overige wetgeving

8

Overige wetgeving

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (383)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 2.1 Doelen
  3. Artikel 4.1 Doelen cultureel erfgoed
  4. Artikel 4.2 Archeologisch waardevolle locaties
  5. Artikel 4.3 Gemeentelijke monumenten
  6. Artikel 4.4 Cultuurhistorische waarden
  7. Artikel 4.5 Gebedshuizen
  8. Artikel 4.6 Rijksbeschermde stadsgezichten
  9. Artikel 8.1 Toepassingsbereik
  10. Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden archeologie
  11. Artikel 8.3 Vergunningvrije gevallen grondwerkzaamheden archeologie
  12. Artikel 8.4 Aanvraagvereisten vergunning grondwerkzaamheden archeologie
  13. Artikel 8.5 Beoordelingsregels vergunning grondwerkzaamheden archeologie
  14. Artikel 8.6 Advies
  15. Artikel 8.7 Intrekking
  16. Artikel 8.8 Voorrangsregeling
  17. Artikel 8.9 Toepassingsbereik
  18. Artikel 8.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterpeil wijzigen
  19. Artikel 8.11 Aanvraagvereisten vergunning waterpeil wijzigen
  20. Artikel 8.12 Beoordelingsregels vergunning waterpeil wijzigen
  21. Artikel 8.13 Advies
  22. Artikel 8.14 Intrekking
  23. Artikel 8.15 Voorrangsregeling
  24. Artikel 8.16 Toepassingsbereik
  25. Artikel 8.17 Specifieke zorgplicht
  26. Artikel 8.18 Maatwerkvoorschriften
  27. Artikel 8.19 Verbod
  28. Artikel 8.20 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gemeentelijke monumenten
  29. Artikel 8.21 Vergunningvrije gevallen gemeentelijke monumenten
  30. Artikel 8.22 Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijke monumenten algemeen
  31. Artikel 8.23 Aanvraagvereisten vergunning slopen van een gemeentelijk monument
  32. Artikel 8.24 Aanvraagvereisten vergunning verplaatsen van een gemeentelijk monument
  33. Artikel 8.25
  34. Artikel 8.26 Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijk monument door gebruik ontsie
  35. Artikel 8.27 Aanvraagvereisten vergunning eisen aan tekeningen gemeentelijke monume
  36. Artikel 8.28 Beoordelingsregels vergunning gemeentelijke monumenten
  37. Artikel 8.29 Advies
  38. Artikel 8.30 Intrekking
  39. Artikel 8.31 Toepassingsbereik
  40. Artikel 8.32 Meldingsplichtige gevallen cultuurhistorische waarden
  41. Artikel 8.33 Indieningsvereisten melding cultuurhistorische waarden
  42. Artikel 8.34 Maatwerkvoorschriften
  43. Artikel 8.35 Voorrangsregeling
  44. Artikel 8.36 Toepassingsbereik
  45. Artikel 8.37 Meldingsplichtige gevallen gebedshuizen
  46. Artikel 8.38 Indieningsvereisten melding gebedshuizen
  47. Artikel 8.39 Maatwerkvoorschriften
  48. Artikel 8.40 Toepassingsbereik
  49. Artikel 8.41 Specifieke zorgplicht
  50. Artikel 8.42 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen rijksbeschermd stadsgezicht
  51. Artikel 8.43 Vergunningvrije gevallen rijksbeschermd stadsgezicht
  52. Artikel 8.44 Aanvraagvereisten vergunning rijksbeschermd stadsgezicht
  53. Artikel 8.45 Beoordelingsregels vergunning rijksbeschermd stadsgezicht
  54. Artikel 8.46 Advies
  55. Artikel 8.47 Intrekking
  56. Artikel 8.48 Voorrangsregeling
  57. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  58. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  59. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  60. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  61. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  62. Artikel 22.6 [vervallen]
  63. Artikel 22.7 Repressief welstand
  64. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  65. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  66. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  67. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  68. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  69. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  70. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  71. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  72. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  73. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  74. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  75. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  76. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  77. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  78. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  79. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  80. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  81. Artikel 22.25 Mantelzorg
  82. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  83. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
  84. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  85. Artikel 22.29
  86. Artikel 22.30
  87. Artikel 22.31
  88. Artikel 22.32
  89. Artikel 22.33
  90. Artikel 22.34
  91. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  92. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  93. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  94. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  95. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  96. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  97. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  98. Artikel 22.42 Oogmerken
  99. Artikel 22.43 Normadressaat
  100. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  101. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  102. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  103. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  104. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  105. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  106. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  107. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  108. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  109. Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
  110. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  111. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  112. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  113. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  114. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  115. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  116. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  117. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  118. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  119. Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden
  120. Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  121. Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)
  122. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  123. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  124. Artikel 22.65
  125. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  126. Artikel 22.67
  127. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  128. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  129. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  130. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  131. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  132. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  133. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  134. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  135. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  136. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  137. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  138. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  139. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  140. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  141. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  142. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  143. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  144. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  145. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  146. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  147. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  148. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  149. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  150. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  151. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  152. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  153. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  154. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  155. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  156. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  157. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  158. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  159. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  160. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's
  161. Artikel 22.102
  162. Artikel 22.103
  163. Artikel 22.104
  164. Artikel 22.105
  165. Artikel 22.106 Vervallen
  166. Artikel 22.107 Vervallen
  167. Artikel 22.108 Vervallen
  168. Artikel 22.109 Vervallen
  169. Artikel 22.110 Vervallen
  170. Artikel 22.111 Vervallen
  171. Artikel 22.112 Vervallen
  172. Artikel 22.113 Vervallen
  173. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  174. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  175. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  176. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  177. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  178. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  179. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  180. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  181. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  182. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  183. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  184. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  185. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  186. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  187. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  188. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  189. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  190. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  191. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  192. Artikel 22.133 Toepassingsbereik
  193. Artikel 22.134 Voorafgaand bodemonderzoek
  194. Artikel 22.135 Bodem: saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde
  195. Artikel 22.136 Bodem: terugsaneerwaarde
  196. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  197. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  198. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  199. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  200. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  201. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  202. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  203. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  204. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  205. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  206. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  207. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  208. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  209. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  210. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  211. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  212. Artikel 22.153 Koelwater
  213. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  214. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  215. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  216. Artikel 22.157 Inerte goederen
  217. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  218. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  219. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  220. Artikel 22.161
  221. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  222. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  223. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  224. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  225. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  226. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  227. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  228. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  229. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  230. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  231. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  232. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  233. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  234. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  235. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  236. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  237. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  238. Artikel 22.179 Water
  239. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  240. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  241. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  242. Artikel 22.183 Water
  243. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  244. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  245. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  246. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  247. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  248. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  249. Artikel 22.190 Water
  250. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  251. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  252. Artikel 22.193 Bodem
  253. Artikel 22.194 Water
  254. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  255. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  256. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  257. Artikel 22.198 Water
  258. Artikel 22.199 Geur
  259. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  260. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  261. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  262. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  263. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  264. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  265. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  266. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  267. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  268. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  269. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  270. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  271. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  272. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  273. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  274. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  275. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  276. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  277. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  278. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  279. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  280. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  281. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  282. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  283. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  284. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  285. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  286. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  287. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  288. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  289. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  290. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  291. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  292. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  293. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  294. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  295. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  296. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  297. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  298. Artikel 22.239 Licht
  299. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  300. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  301. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  302. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  303. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  304. Artikel 22.245 Geur
  305. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  306. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  307. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  308. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  309. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  310. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  311. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  312. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  313. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  314. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  315. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  316. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  317. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  318. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  319. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  320. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  321. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  322. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  323. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  324. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  325. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  326. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  327. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  328. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  329. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  330. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  331. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  332. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  333. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  334. Artikel 22.275
  335. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  336. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  337. Artikel 22.278
  338. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  339. Artikel 22.280
  340. Artikel 22.281
  341. Artikel 22.282
  342. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  343. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  344. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  345. Artikel 22.286
  346. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  347. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  348. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  349. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  350. Artikel 22.291
  351. Artikel 22.292
  352. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  353. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  354. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  355. Artikel 22.296
  356. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  357. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  358. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  359. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  360. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  361. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  362. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  363. Artikel 25.1 Toepassingsbereik
  364. Artikel 25.2 Taak en werkzaamheden adviescommissie
  365. Artikel 25.3 Aanwijzing besluiten verplicht advies
  366. Artikel 25.4 Aanwijzing besluiten optioneel advies
  367. Artikel 25.5 Samenstelling adviescommissie
  368. Artikel 25.6 Benoeming adviescommissie
  369. Artikel 25.7 Ondersteuning van adviescommissie
  370. Artikel 25.8 Adviestermijn adviescommissie
  371. Artikel 25.9 Beraadslaging en standpuntbepaling adviescommissie
  372. Artikel 25.10 Afdoening onder verantwoordelijkheid adviescommissie
  373. Artikel 25.11 Adviseurs adviescommissie
  374. Artikel 25.12 Verwerking van het advies
  375. Artikel 25.13 Reglement van orde adviescommissie
  376. Artikel 25.14 Relatie met andere adviseurs
  377. Artikel 25.15 Vergoeding
  378. Artikel 25.16 Jaarverslag adviescommissie
  379. Artikel 25.17 Overgangsrecht
  380. Artikel 25.18 Vervallen oude regeling
  381. Artikel 29.1 Delegatie functie-aanduiding gemeentelijk monument
  382. Artikel 29.2 Delegatie vergunningvrije activiteiten gemeentelijk monument
  383. Artikel 30.1 (citeertitel)

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696337 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2024-07-04 2024-07-04 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696337/nld@2024-08-01 /join/id/proces/gm0505/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0505/2020/inbeheerWijziging /join/id/proces/gm0505/2020/eersteWijziging 2024-08-01 2025-08-13 2024-08-01 2025-08-13 2024-08-01 2025-08-13 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan/nld@2024-07-03;V2 /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0505/2020/omgevingsplan/nld@2024-07-03;V2 /join/id/stop/work_019 2 Omgevingsplan gemeente Dordrecht

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2.

Bijlage I, bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2

Doelen

Artikel 2.1Doelen

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. aantrekkelijke stad 1°. behoud en waar mogelijk versterking van cultuurhistorische waarden ;

Hoofdstuk 3

Programma's

Hoofdstuk 4

Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 4.1

Index van op locaties toegestane activiteiten

Paragraaf 4.1.1

Functies

Paragraaf 4.1.2

Cultureel erfgoed

Artikel 4.1Doelen cultureel erfgoed

Voor cultureel erfgoed gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1 : aantrekkelijke stad, behoud en waar mogelijk versterking van cultuurhistorische waarden .

Artikel 4.2Archeologisch waardevolle locaties

1.

Er zijn locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden , onderverdeeld in: a. archeologische waarde 1; b. archeologische waarde 2; en c. archeologische waarde 3.

2.

Bij grondwerkzaamheden wordt voldaan aan paragraaf 8.1.1 Grondwerkzaamheden archeologie .

3.

Bij het wijzigen van het waterpeil op archeologisch waardevolle locaties wordt voldaan aan paragraaf 8.1.2 Waterpeil wijzigen archeologie .

Artikel 4.3Gemeentelijke monumenten

1.

Er zijn gebouwen met de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten .

2.

Bij het slopen, verstoren, beschadigen, vernielen, verplaatsen, wijzigen, herstellen, gebruiken of het onthouden van onderhoud van een gemeentelijk monument , wordt voldaan aan afdeling 8.2 Gemeentelijke monumenten .

Artikel 4.4Cultuurhistorische waarden

1.

Er zijn bouwwerken met de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden .

2.

Bij het slopen van een bouwwerk met cultuurhistorische waarden wordt voldaan aan afdeling 8.3 Cultuurhistorische waarden .

Artikel 4.5Gebedshuizen

1.

Er zijn gebouwen met de functie-aanduiding gebedshuizen .

2.

Bij het slopen van gebedshuizen wordt voldaan aan afdeling 8.4 Gebedshuizen .

Artikel 4.6Rijksbeschermde stadsgezichten

1.

Er zijn locaties met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht .

2.

Bij het bouwen, slopen, of wijzigen van bouwwerken en het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt voldaan aan afdeling 8.5 Rijksbeschermd stadsgezicht .

Paragraaf 4.1.3

Evenementen

Paragraaf 4.1.4

Bouwwerken

Paragraaf 4.1.5

Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur

Paragraaf 4.1.6

Openbaar gebied activiteit

Paragraaf 4.1.7

Landschap

Paragraaf 4.1.8

Bodem

Paragraaf 4.1.9

Geluid

Paragraaf 4.1.10

Omgevingsveiligheid

Paragraaf 4.1.11

Gezondheid

Paragraaf 4.1.12

Milieu overig

Paragraaf 4.1.13

Energie

Paragraaf 4.1.14

Water

Paragraaf 4.1.15

Natuur

Afdeling 4.2

Gebieden

Paragraaf 4.2.1

Agrarisch Buitengebied

Paragraaf 4.2.2

Centrum

Paragraaf 4.2.3

Industrie

Paragraaf 4.2.4

Woongebied

Hoofdstuk 5

Functies

Afdeling 5.1

Algemene regels functies

Afdeling 5.2

Agrarische activiteiten

Afdeling 5.3

Bedrijfsactiviteiten

Afdeling 5.4

Culturele activiteiten

Afdeling 5.5

Detailhandelsactiviteiten

Afdeling 5.6

Dienstverleningsactiviteiten

Afdeling 5.7

Horeca-activiteiten

Afdeling 5.8

Kantooractiviteiten

Afdeling 5.9

Maatschappelijke activiteiten

Afdeling 5.10

Nutsvoorzieningen

Afdeling 5.11

Recreatie-activiteiten

Afdeling 5.12

Sportactiviteiten

Afdeling 5.13

Verkeer

Afdeling 5.14

Wonen

Hoofdstuk 6

Bouwwerken

Afdeling 6.1

Bouwwerken algemeen

Afdeling 6.2

Bouwwerk slopen

Afdeling 6.3

Bouwwerk slopen in een gemeentelijk beschermd of rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Afdeling 6.4

Gebouw bouwen

Afdeling 6.5

Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan bouwen, in stand houden of gebruiken

Afdeling 6.6

Ander bouwwerk bouwen, in stand houden of gebruiken

Afdeling 6.7

Dakkapel bouwen, in stand houden of gebruiken

Afdeling 6.8

Ondergronds bouwen

Hoofdstuk 7

Overige activiteiten met een direct effect op het openbaar toegankelijk gebied

Afdeling 7.1

Roerende zaken opslaan

Afdeling 7.2

Bouwobject plaatsen

Afdeling 7.3

Terras aanbrengen

Afdeling 7.4

Uitstallingen plaatsen

Afdeling 7.5

Weg aanleggen of veranderen

Afdeling 7.6

Parkeeractiviteit verrichten

Afdeling 7.7

Reclame maken

Afdeling 7.8

Uitweg maken, hebben of veranderen of het gebruik daarvan veranderen

Afdeling 7.9

Standplaats innemen, in stand houden, of gebruiken

Hoofdstuk 8

Cultureel erfgoed

Afdeling 8.1

Archeologisch waardevolle locaties

Paragraaf 8.1.1

Grondwerkzaamheden archeologie

Artikel 8.1Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden op locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden .

Artikel 8.2Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwerkzaamheden archeologie

Het is binnen de functie-aanduiding archeologische waarden verboden zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten.

Artikel 8.3Vergunningvrije gevallen grondwerkzaamheden archeologie

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 8.2 , is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 1 en niet binnen de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten : tot een diepte van 40 cm beneden het maaiveld.

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 8.2 , is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 2 : tot een diepte van 70 cm beneden het maaiveld.

3.

Het verbod, bedoeld in artikel 8.2 , is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 3 : tot een diepte van 100 cm beneden het maaiveld.

4.

Het verbod, bedoeld in artikel 8.2 , is niet van toepassing op het verrichten van grondwerkzaamheden binnen de functie-aanduiding archeologische waarden : a. voor normale onderhoudswerkzaamheden; b. die bestaan uit funderingspalen tot 5% van het te bebouwen oppervlak; c. voor het vervangen van bestaande riolering en andere ondergrondse kabels en leidingen, waarbij de afmetingen en horizontale en verticale ligging van de leidingen niet veranderen; en d. voor het verrichten van archeologisch onderzoek door een hiervoor gecertificeerd opgravingsbedrijf.

Artikel 8.4Aanvraagvereisten vergunning grondwerkzaamheden archeologie

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een archeologisch onderzoeksrapport overgelegd, waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 8.5Beoordelingsregels vergunning grondwerkzaamheden archeologie

1.

Binnen de functie-aanduiding archeologische waarde 1 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarde niet wordt of kan worden aangetast, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet wordt of kan worden verkleind.

2.

Binnen de aanduiding archeologische waarde 2 en archeologische waarde 3 wordt de omgevingsvergunning verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarde niet onevenredig wordt of kan worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig wordt of kan worden verkleind.

Artikel 8.6Advies

Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.

Artikel 8.7Intrekking

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van archeologisch waardevolle locaties zich verzet tegen instandhouding van de vergunning.

Artikel 8.8Voorrangsregeling

Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten als bedoeld in deze paragraaf op locaties met een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden zijn niet van toepassing.

Paragraaf 8.1.2

Waterpeil wijzigen archeologie

Artikel 8.9Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het waterpeil op locaties met de functie-aanduiding archeologische waarden .

Artikel 8.10Aanwijzing vergunningplichtige gevallen waterpeil wijzigen

Het is binnen de functie-aanduiding archeologische waarden verboden zonder omgevingsvergunning het waterpeil te wijzigen.

Artikel 8.11Aanvraagvereisten vergunning waterpeil wijzigen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een archeologisch onderzoeksrapport overgelegd, waarin de archeologische waarden van de locatie in voldoende mate zijn vastgesteld.

Artikel 8.12Beoordelingsregels vergunning waterpeil wijzigen

De omgevingsvergunning wordt verleend als door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 8.13Advies

Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.

Artikel 8.14Intrekking

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van archeologisch waardevolle locaties zich verzet tegen instandhouding van de vergunning.

Artikel 8.15Voorrangsregeling

Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten op locaties met een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden zijn niet van toepassing.

Afdeling 8.2

Gemeentelijke monumenten

Artikel 8.16Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten op of bij locaties met de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten .

Artikel 8.17Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit verricht die een gemeentelijk monument betreft en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument , is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 8.18Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.17 .

Artikel 8.19Verbod

Het is verboden: a. een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen; of b. aan een gemeentelijk monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 8.20Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gemeentelijke monumenten

Het is binnen de functie-aanduiding gemeentelijke monumenten verboden zonder omgevingsvergunning: a. een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 8.21Vergunningvrije gevallen gemeentelijke monumenten

Het verbod, bedoeld in artikel 8.20 , is niet van toepassing op: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, mits detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of b. inpandige wijzigingen van een onderdeel van het gemeentelijk monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. het binnen een gemeentelijk monument dat als begraafplaats in gebruik is, met inachtneming van de monumentale waarden:

1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of 3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument .

Artikel 8.22Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijke monumenten algemeen

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit aan, in of bij een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het gemeentelijk monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument of archeologisch monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument of het archeologisch monument.

Artikel 8.23Aanvraagvereisten vergunning slopen van een gemeentelijk monument

1.

Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument , de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. foto's van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen:

1°. als sprake is van het slopen van een deel van het gemeentelijk monument waarbij de omvang van het gemeentelijk monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. slooptekeningen; en c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het gemeentelijk monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 8.24Aanvraagvereisten vergunning verplaatsen van een gemeentelijk monument

1.

Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een gemeentelijk monument , de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het gemeentelijk monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie;

2°. foto's van de bestaande toestand; en 3°. overzichtsfoto's van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen:

1°. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie of over de relatie van het gemeentelijk monument tot zijn historische en zijn nieuwe omgeving; b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 8.25

Aanvraagvereisten vergunning wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument herstellen 1.

Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto's die een duidelijke indruk geven van het gemeentelijk monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

1°. overzichtsfoto's van de bestaande situatie; en 2°. detailfoto's van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het gemeentelijk monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen:

1°. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht;

3°. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

4°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 5°. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

1°. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2°. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het gemeentelijk monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het gemeentelijk monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van gemeentelijk monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een gemeentelijk monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 8.26Aanvraagvereisten vergunning gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het gebruik van een gemeentelijk monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 8.27Aanvraagvereisten vergunning eisen aan tekeningen gemeentelijke monumenten

1.

Tekeningen als bedoeld in artikel 8.23 tot en met artikel 8.25 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a.

1:1000, als het gaat om een situatietekening; b.

1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c.

1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d.

1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

2.

Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

3.

Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het gemeentelijk monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

4.

Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen:

1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 8.28Beoordelingsregels vergunning gemeentelijke monumenten

1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

2.

Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.

3.

Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de "Beleidsregels monumenten" bepaald of de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

4.

Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 8.29Advies

Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 8.30Intrekking

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zich verzet tegen instandhouding van de vergunning.

Afdeling 8.3

Cultuurhistorische waarden

Paragraaf 8.3.1

Bouwwerken met cultuurhistorische waarden

Artikel 8.31Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten op locaties met de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden .

Artikel 8.32Meldingsplichtige gevallen cultuurhistorische waarden

1.

Het is binnen de functie-aanduiding cultuurhistorische waarden verboden een bouwwerk te slopen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.

2.

De in het eerste lid genoemde termijn is anders indien op grond van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een andere termijn is gesteld.

Artikel 8.33Indieningsvereisten melding cultuurhistorische waarden

Bij de melding wordt een bouwhistorisch onderzoeksrapport verstrekt dat voldoet aan de actuele Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek.

Artikel 8.34Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.33 .

Artikel 8.35Voorrangsregeling

Regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, over activiteiten met betrekking tot bouwwerken met cultuurhistorische waarden , zijn niet van toepassing.

Paragraaf 8.3.2

Locaties met cultuurhistorische waarden

Afdeling 8.4

Gebedshuizen

Artikel 8.36Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten op locaties met de functie-aanduiding gebedshuizen .

Artikel 8.37Meldingsplichtige gevallen gebedshuizen

1.

Het is binnen de functie-aanduiding gebedshuizen verboden een gebedshuis te slopen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin ervan te melden.

2.

De in het eerste lid genoemde termijn is anders indien op grond van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een andere termijn is gesteld.

Artikel 8.38Indieningsvereisten melding gebedshuizen

Bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

Een beschrijving ten aanzien van de transformatieladder met daarin de opstaptrede en per stap hoe over wordt gestapt naar een andere trede; b.

Een onderbouwing waarom (her)gebruik van het bestaande gebouw niet mogelijk is en nieuwbouw noodzakelijk is; c.

Een bouwhistorisch onderzoeksrapport.

Artikel 8.39Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 8.38 .

Afdeling 8.5

Rijksbeschermd stadsgezicht

Artikel 8.40Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten op locaties met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht .

Artikel 8.41Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht houdt voor het veranderen van de bestaande bebouwing in een rijksbeschermd stadsgezicht in dat rekening wordt gehouden met behoud en zo nodig verbetering van de structuur, waarbij voor wat betreft schaal, schikking van gebouwonderdelen, gevelgeleding, gevelindeling, hoogtedifferentiatie, gevelbeëindiging, kapvorm, silhouetvorming, rooilijn, materiaal- en kleurgebruik en detaillering aansluiting wordt gezocht bij de bestaande omgeving.

Artikel 8.42Aanwijzing vergunningplichtige gevallen rijksbeschermd stadsgezicht

Het is binnen de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht verboden zonder omgevingsvergunning: a. bouwwerken te slopen; b. nieuwe bouwwerken te plaatsen; of c. bestaande bouwwerken te wijzigen, voor zover de wijziging zichtbaar is vanuit de openbare ruimte.

Artikel 8.43Vergunningvrije gevallen rijksbeschermd stadsgezicht

Het verbod, bedoeld in artikel 8.42 geldt niet voor activiteiten als bedoeld in: a. artikel 2.30, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en b. artikel 22.27 in samenhang met artikel 22.28, derde lid.

Artikel 8.44Aanvraagvereisten vergunning rijksbeschermd stadsgezicht

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt een motivering opgenomen dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

2.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk op een locatie met bouwhistorische verwachting, wordt een bouwhistorisch rapport overgelegd.

Artikel 8.45Beoordelingsregels vergunning rijksbeschermd stadsgezicht

1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de wijzigingen passen bij de bestaande historische bebouwing en structuur en met respect voor cultuurhistorische waarden ; en b. bij het slopen van een bouwwerk: naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd dat passend is in het rijksbeschermd stadsgezicht .

2.

Bij het bepalen of de wijzigingen passend zijn, wordt rekening gehouden met: a. de bouwhoogte en diepte van de bouwmassa; b. de opbouw van de bouwmassa; c. de rooilijnen; d. de architectuur; e. het materiaal- en kleurgebruik; f. de detaillering; en g. de bouwhistorische waarden.

Artikel 8.46Advies

Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 8.47Intrekking

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het rijksbeschermd stadsgezicht zich verzet tegen instandhouding van de vergunning.

Artikel 8.48Voorrangsregeling

Regels in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, die opgenomen zijn in de dubbelbestemming "Waarde -Beschermd Stadsgezicht" zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk 9

Evenementen

Hoofdstuk 10

Bovengrondse en ondergrondse infrastructuur

Afdeling 10.1

Hoogspanningsverbindingen

Afdeling 10.2

Gasleidingen

Hoofdstuk 11

Bodem

Afdeling 11.1

Toepassen van grond of baggerspecie

Afdeling 11.2

Toepassen van bouwstoffen

Afdeling 11.3

Opslaan van grond en baggerspecie

Afdeling 11.4

Graven in bodem

Afdeling 11.5

Saneren van de bodem

Afdeling 11.6

Nazorg na saneren van de bodem of bij tijdelijke beschermingsmaatregelen

Afdeling 11.7

Historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Afdeling 11.8

Bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie

Afdeling 11.9

Bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

Hoofdstuk 12

Geluid

Afdeling 12.1

Industrielawaai

Afdeling 12.2

Milieubelastende activiteiten

Afdeling 12.3

Railverkeerlawaai

Afdeling 12.4

Scheepsverkeerlawaai

Afdeling 12.5

Wegverkeerlawaai

Hoofdstuk 13

Omgevingsveiligheid

Afdeling 13.1

Buisleidingen

Afdeling 13.2

Inrichtingen

Afdeling 13.3

Spoor

Afdeling 13.4

Water

Afdeling 13.5

Wegen

Hoofdstuk 14

Gezondheid

Afdeling 14.1

Speelplekken aanleggen, bouwen, in stand houden of gebruiken

Afdeling 14.2

Hittestress

Hoofdstuk 15

Milieu overig

Afdeling 15.1

Geurhinder

Afdeling 15.2

Lichthinder

Afdeling 15.3

Luchtkwaliteit

Afdeling 15.4

Trillingen

Afdeling 15.5

Windhinder

Hoofdstuk 16

Energietransitie

Afdeling 16.1

Aansluitplicht warmtenet

Afdeling 16.2

Afsluitplicht gas

Hoofdstuk 17

Water

Afdeling 17.1

Waterberging

Afdeling 17.2

Droogte

Afdeling 17.3

Overstromingen

Afdeling 17.4

Waterkwaliteit

Afdeling 17.5

Grondwater lozen

Afdeling 17.6

Watergang dempen

Hoofdstuk 18

Natuur

Afdeling 18.1

Biodiversiteit

Afdeling 18.2

Bomen kappen

Afdeling 18.3

Groen verwijderen

Afdeling 18.4

Stikstofuitstoot

Hoofdstuk 19

Gereserveerd

Hoofdstuk 20

Gereserveerd

Hoofdstuk 21

Gereserveerd

Hoofdstuk 22

Bruidsschat

Afdeling 22.1

Algemeen

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2 , met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3 -, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1.

VERVALLEN 2.

VERVALLEN

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Afdeling 22.2

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open, erven en terreinen

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6[vervallen]

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid , zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m 2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 ; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m 2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m 2 ; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m 2 , bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14 , derde lid , vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m 2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m 2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1°. de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

2°. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3°. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid , aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek

1.

VERVALLEN 2.

VERVALLEN

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27 , onder a, of 22.36 , onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36 , onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m 2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid , aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25Mantelzorg

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26 , geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. op de grond staand;

2°. gelegen in achtererfgebied;

3°. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

4°. niet hoger dan 5 m;

5°. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6°. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. op de grond staand;

2°. niet hoger dan 5 m; en 3°. de oppervlakte niet meer dan 70 m 2 ; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

2°. voorzien van een plat dak;

3°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

4°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

5°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 4 m; en 2°. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

2°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3°. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

1°. een silo; of 2°. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

2°. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3°. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument , voorbeschermd gemeentelijk monument , provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument , voorbeschermd gemeentelijk monument , provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27 , aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie- aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

VERVALLEN a.

VERVALLEN b.

VERVALLEN

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4 ; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1°. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2°. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het eerste lid , aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29 , eerste lid , onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m 3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

Het zinsdeel “in meer dan 25 m 3 bodemvolume ” in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder c, onder 2°, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29 .

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 22.29 , eerste lid , aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b.

VERVALLEN 2.

VERVALLEN

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

VERVALLEN 2.

VERVALLEN

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m 3 en de bruto vloeroppervlakte in m 2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1°. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

2°. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

3°. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

4°. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5°. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h.

VERVALLEN i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

1°. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

2°. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

3°. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4°. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

1°. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30 , redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2°. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30 , wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30 , redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27 , onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i.

5 m; ii.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;

2°. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

3°. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m 2 : 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m 2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m 2 : 50 m 2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m 2 ; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m 2 : 90 m 2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m 2 , tot een maximum van in totaal 150 m 2 ; en 4°. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27 , onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36 , onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36 , onder a, onder 2°, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36 , onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36 , onder a, onder 3°, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m 2 ; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a.

VERVALLEN b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10 -6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1°. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

2°. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

3°. artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

4°. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

5°. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

6°. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

7°. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

8°. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

9°. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

10°. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

11°. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

12°. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13°. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3

Milieubelastende activiteiten

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1°. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

2°. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3°. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

4.

Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7 .

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

2°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3°. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42 , is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid , houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid , voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44 , 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26 .

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26 .

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42 .

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46 , wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m 3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

Artikel 22.52aEnergie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

1.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

2.

Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54 , tweede lid , onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1°. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2°. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

1°. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2°. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79 ; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

1°. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (L Aeq ) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i.

70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2°. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

4.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2 , 22.3.4.3 en 22.3.4.4 ; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60 , verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.61aGegevens en bescheiden

1.

Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LA eq ) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1°.

70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2°.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto's; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

3.

Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

4.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

1°. de grenzen van het terrein; en 2°. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

5.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4 .

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

Artikel 22.62a(tijdelijke uitzondering windparken)

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.

De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus L Amax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63 , eerste , derde en vierde lid , het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.

De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus L Amax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65

Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63 , eerste lid , het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63 , derde lid , het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

06.00 – 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (L Amax ), bedoeld in het eerste en tweede lid , blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63 , eerste lid , het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63 , derde lid , het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Ar,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau L Amax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (L Amax ), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67

Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.

Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63 , gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

2.

Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT ) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65 , eerste lid , en 22.66 , eerste lid , gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63 , eerste lid , 22.64 , eerste lid , 22.65 , eerste lid en 22.66 , eerste lid , als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

1°. voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2°. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69Geluid: eerbiedigende werking

1.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

2.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71 , blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21 , behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (L Amax ), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69 , blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

3.

De maximale geluidniveaus (L Amax ), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 , zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (L Amax ) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT ), bedoeld in de artikelen 22.63 , eerste lid , en 22.64 , eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 , blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

2.

Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73Geluid: festiviteiten

1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71 , zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2.

Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT ) of het maximaal geluidniveau (L Amax ), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

2.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 L den en 41 L night .

Artikel 22.77Registratie gegevens windturbines

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm L E , bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid L den of L night , bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 B s,dan .

Artikel 22.81Registratie gegevens buitenschietbanen

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid B s,dan , bedoeld in artikel 22.80 , is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5

Trillingen

Artikel 22.83Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 22.83 , tweede lid , onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.85Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86Trillingen: functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88Trillingen: waarden voor continue trillingen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A 1 trillingssterkte V max , bedoeld in tabel 22.3.9.

2.

Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid , is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A 2 trillingssterkte V max en A 3 trillingssterkte V per , bedoeld in tabel 22.3.9.

Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort waarden 07.00 – 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur A 1 trillingssterkte V max 0,1 0,1 A 2 trillingssterkte V max 0,4 0,2 A 3 trillingssterkte V per 0,05 0,05

Artikel 22.89Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf , is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6

Geur Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5 , en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245 , niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.90 , tweede lid , zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5 , en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245 , ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.90 , eerste lid , zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5 , en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245 , niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.92Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5 , en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245 , voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden: a. als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5 , en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245 , zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.